Castricum – Honderd jaar geleden 1899 (Jaarboek 23 2000 pg 61-62)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 23, pagina 61

 

Castricum – Honderd jaar geleden 1899

 

In het jaar 1899 is er in Castricum niet iets heel bijzonders gebeurd. Voor het jaarlijkse overzicht van ‘Castricum van honderd jaar geleden’ moeten we volstaan met de betrekkelijk eenvoudige zaken die in de plaatselijke politiek speelden en veelal de sfeer van die tijd weergeven. De informatie is ontleend aan de notulen van de gemeenteraadsvergadering, de inkomende en uitgaande stukken van de Gemeente Castricum, de provinciale bladen, de burgerlijke stand registers etc.
Op 1 januari 1899 bestaat het gemeentebestuur uit burgemeester Johannes Mooij, de wethouders Wulbert Melker en Jacob Kuijs en de raadsleden Arie Asjes, Joseph Goes, Jan Schuijt, Cornelis Spaansen en Jan Twisk.

Zo’n honderd jaar geleden telde Castricum bijna 1900 inwoners; op 1 jan. 1899 was dat 1879 inwoners en op 31 dec. 1899 is dit aantal toegenomen tot 1887. In dit jaar worden in Castricum 76 kinderen geboren; er worden 18 huwelijken gesloten en er overlijden 35 personen. Door het geboorteoverschot van 41 en doordat er 33 personen minder in Castricum komen wonen (118) dan er zijn vertrokken naar elders (151), neemt het inwonertal met slechts 8 personen toe.

 
4 januari 1899

De gemeenteraad bespreekt de kosten voor de herbouw van de onderwijzerswoning. Er wordt besloten tot herbouw van de woning, mits er een subsidie wordt verkregen van de provincie. Deze subsidie wordt echter niet verleend.

 
17 mei 1899

Het brandspuithuisje aan de Kramersweg (thans Burg. Mooijstraat) verkeert in slechte toestand. Door timmerman Res wordt een prijsopgave gedaan.

 
28 juni 1899

De gemeenteraad besluit tot het verharden van het overige gedeelte aan de Kramersweg, mits ook Jonkheer Mr. Gevers (eigenaar van het aan het einde van de Kramersweg gelegen duingebied) voor de helft in de kosten deelt.

Foto uit omstreeks 1907 van herberg 'De Rustende lager' met de doorrijstal. Het plein voor de doorrijstal wordt door Koopman, eigenaar van De Rustende lager, verbeterd, terwijl het volgens de burgemeester bij de openbare weg hoort.
Foto uit omstreeks 1907 van herberg ‘De Rustende lager’ met de doorrijstal. Het plein voor de doorrijstal wordt door Koopman, eigenaar van De Rustende lager, verbeterd, terwijl het volgens de burgemeester bij de openbare weg hoort.

 
26 juli 1899

De burgemeester brengt in de raadsvergadering het openbare plein voor de doorrijstal en de herberg van de heer Koopman (eigenaar van De Rustende lager) ter sprake. De heer Koopman is eigendunkelijk aan het plein gaan werken. Hij is daarop gewezen door de burgemeester, hoewel het aanbrengen van verbeteringen op zich niet ongewenst is. De burgemeester meent echter dat dit in de toekomst tot moeilijkheden kan leiden, omdat Koopman zou kunnen beweren dat het zijn plein is, terwijl de burgemeester er zeker van is dat de grond niet van Koopman is.

 
5 september 1899

De raadsleden Schuijt, Kuijs en Goes zijn herkozen. Wethouder Jacob Pieterszoon Kuijs is periodiek aftredend en wordt herkozen. Castricum telt 245 kiesgerechtigde personen.

Besluit om het schuthok aan de Kramersweg op verzoek van J. de Graaf te verplaatsen. In het schuthok werd loslopend vee ondergebracht. Als de eigenaar van het vee kwam opdagen, werd tegen een vergoeding voor voer en onderdak het vee meegegeven.

 
27 september 1899

Er wordt besloten om het jaarsalaris van de gemeenteveldwachter van 350 gulden te verhogen naar 400 gulden.

Er wordt een schuit met grint aangevoerd via de Schulpvaart voor de weg aan de veelading bij het station.

De Commissaris der Koningin acht het zeer noodzakelijk dat de gemeente maatregelen neemt ter verbetering van de onderwijzerswoning, ondanks het feit dat hiervoor van provinciewege geen subsidie kan worden verstrekt. Gedeputeerde Staten zijn wel bereid om hiervoor een geldlening goed te keuren. De gemeenteraad besluit echter met algemene stemmen om dit niet te doen, omdat de noodzaak niet in verhouding staat tot de kosten die door de gemeente moeten worden gedragen.


Jaarboek 23, pagina 62

 
11 oktober 1899

Adrianus Dekker, gemeente-secretaris.
Adrianus Dekker, gemeente-secretaris.

In de raadsvergadering wordt het overlijdensbericht voorgelezen van Adrianus Dekker, die op 83-jarige leeftijd op 10 oktober is overleden. Hij was o.a. makelaar, gemeente-ontvanger en tevens beambte ter gemeentesecretarie. Talloze keren was hij getuige bij aangiften van geboorte, huwelijk en overlijden bij de burgerlijke stand. Tot zijn overlijden was hij hierin actief; nog op 2 oktober was hij getuige bij de aangifte van het overlijden van Job de Zeeuw, schelpenvisser.
De burgemeester acht een hulpsecretaris nu wenselijk, omdat hij anders alleen op de secretarie is.

De laatste bezitter van de 'oude' De Rustende Jager, was Jan Koopman, die het bedrijf in 1886 aankocht.
De laatste bezitter van de ‘oude’ De Rustende Jager, was Jan Koopman, die het bedrijf in 1886 aankocht.

Een week later op 17 oktober overlijdt op 45-jarige leeftijd een andere bekende dorpsgenoot: Jan Koopman, eigenaar van De Rustende Jager; zijn echtgenote Helena Mak zal het bedrijf voortzetten.

 
8 november 1899

Er wordt een nieuwe verordening voor de heffing van leges betreffende de afgifte van geschriften, afdrukken of uittreksels van stukken op de gemeentesecretarie vastgesteld. Het gaat vooral om de kosten van schrijfloon en benodigd papier; de tarieven zijn daarom afhankelijk van het aantal (schrijf) regels. De kosten van een uittreksel met minder dan 27 regels bedragen 15 cent. Gedrukte stukken kunnen voor 20 cent per vel worden verkregen.

Ook is er een nieuwe verordening op de heffing van schutgelden aangenomen. De kosten per dag van voeding en onderhoud voor de eigenaar van loslopend vee dat is ondergebracht in het schuthok aan de Kramersweg, zijn per diersoort verschillend: voor een stier 1,-  gulden, voor een paard 60 cent, voor een rund, varken, bok of geitje 30 cent, voor een schaap of lam 15 cent. Voor jonge stieren, paarden of runderen onder de resp. 1, 3 of 2 jaar hoeft 50, 20 en 10 cent minder te worden betaald.

 
31 december 1899

De gemeenterekening over het jaar 1899 telt aan ontvangsten 10.026,- gulden; de uitgaven bedragen 9.937,- gulden, zodat een batig saldo overblijft van 89 gulden.

Simon Zuurbier

Print Friendly, PDF & Email