Archeologie rond de Heemstederweg in Castricum (Jaarboek 12 1989 pg 3-11)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 12, pagina 3

 

Archeologie rond de Heemstederweg in Castricum

Tussen stuifzand en drassig land

 

Inleiding

In het 9e jaarboekje wordt onder de titel ‚ÄúVan zeegat tot grasmat‚ÄĚ de ontstaansgeschiedenis van het Castricumse grond¬≠ gebied geschetst. Water, wind, maar ook stuifzand hebben hun invloed daarbij laten gelden.
In het artikel ‚ÄúDe strijd tegen het water‚ÄĚ, in hetzelfde jaarboekje, wordt duidelijk hoe men zich tot ver in de Middeleeuwen, mid¬≠dels een uitgebreid stelsel van dijkjes, tegen wateroverlast heeft moeten beschermen.
Vanuit het westen vormde overstuiving van de woon- en gebruiksgronden een andere bedreiging.
Onder de titel ‚ÄúTussen stuifzand en drassig land” worden nu de archeologische vondsten behandeld uit het gebied rond de Heemstederweg. Een gebied, dat blijkbaar voldoende veiligheid bood tegen het opdringerige zand en het dreigende water.

Het archeologisch waarnemingsgebied, verdeeld in verschillen¬≠ de deelgebieden te weten: A. de slootkanten rond ‚ÄěKronenburg"; B. de rioolsleuf aan de oostzijde van de Heemstederweg (nr. 1 t/m 9); C. de Goudtuinen; D. de Hooiweid en E de sleuf voor de watertransportleiding door de geest Heemstede.
afb. 1 Het archeologisch waarnemingsgebied, verdeeld in verschillen¬≠ de deelgebieden te weten: A. de slootkanten rond ‚ÄěKronenburg”; B. de rioolsleuf aan de oostzijde van de Heemstederweg (nr. 1 t/m 9); C. de Goudtuinen; D. de Hooiweid en E de sleuf voor de watertransportleiding door de geest Heemstede.

De slootkantvondsten rond ‘Kronenburg‚Äô

In het verlengde van de Doodweg en het Cronenburgerlaantje voert een oprijlaan door een hooggelegen terrein naar een oude boerderij op een uitloper van een oude stroomwal.
Het direkt omringende weilandengebied wordt in het noorden en oosten omsloten door een brede sloot die vrij nauwkeurig deze uitloper markeert. Aan de noordkant van de boerderij – bekend onder de naam ‚ÄėKronenburg‚Äô – ligt een perceel weiland, ge¬≠deeltelijk omsloten door de genoemde sloot, opvallend door de hoge ligging en de terrein oneffenheden. Hier heeft eens het huis te Castricum, het latere ‚ÄėKronenburg‚Äô, gestaan. In het 2e jaarboekje (1979) van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum heeft J.C. van Weenen hierover een uitgebreid artikel geschre¬≠ven.

‚ÄėKronenburg‚Äô spreekt sterk tot de verbeelding en heeft dan ook nog lang niet al haar geheimen prijsgegeven. In dit verslag zul¬≠len we ons echter moeten beperken tot het bewoningsafval, voornamelijk scherven, dat in de loop der jaren bij lage wa¬≠terstanden langs de slootkanten, van bovengenoemd terrein, door J.C. van Weenen gevonden werd. De vondsten zijn erg frag¬≠mentarisch en vormen tezamen een geringe hoeveelheid, maar illustreren wel de bewoningsgeschiedenis van dit gebied.

Opvallend is dat aardewerkresten uit de le Р3e eeuw het sterkst vertegenwoordigd zijn. Dit gebied moet dus toen al om de hoge ligging (1.2 + N.A.P.) als woongebied gekozen zijn. Enkele scherfjes zouden als Romeins herkend kunnen worden. Het is goed mogelijk dat de inheemse bevolking door middel van ruil­ handel in het bezit kon komen van Romeins aardewerk. Bij an­dere archeologische verkenningen, binnen Castricum, werden tussen de vele inheemse aardewerkscherven enkele fragmentjes van Romeinse oorsprong gevonden, waaronder het bekende oranje-rood terra sigillata. Tot op heden bestaan er geen aanwij­zingen dat de Romeinen daadwerkelijk op Castricums grondge­bied verblijf hebben gehouden. Wel hadden de Romeinen nabij het huidige Velsen een militair steunpunt, om vandaar pogingen te ondernemen de grenzen van het Romeinse Rijk nog verder naar het noorden te verleggen. Rond 50 na Christus werden de­ ze pogingen gestaakt en werd het legerkamp te Velsen opgehe­ven. Mogelijk dat als gevolg van de contacten die de inheemse bevolking met de in Velsen gelegerde Romeinen hebben gehad,
we ook in Castricum nu nog de tastbare resten vinden.

Blijkbaar na een vrij lange onderbreking is de bewoning hier mogelijk vanaf de 8e eeuw weer op gang gekomen. De 8e Р10e eeuw is hier vertegenwoordigd door enkele scherfjes van import-aardewerk uit Badorf of omgeving. Het Paffrath-aarde­werk dateert uit de 12e Р13e eeuw.
Ook het Andenne-aardewerk is een importproduct en is gedu­rende de 12-13e eeuw in omloop geweest. Hiervan werd een oor van een kan gevonden. De lichtgrijze aardewerkscherven zijn afkomstig van kogelpotten die zowel zonder als met standring in de 13e Р14e eeuwse huishoudens in gebruik waren.
Ook importwaar uit Siegburg of omgeving is bij de slootkant¬≠ vondsten vertegenwoordigd. In de volksmond is dit 14e – 15e eeuwse product meer bekend onder de oneigenlijke naam van ‚ÄėJacoba-kannetjes‚Äô. Het gevonden fragmentje van een baardmankruikje behoort eveneens tot de steengoedwaar en is waar¬≠schijnlijk afkomstig uit het Duitse Rijnland. Baardmankruiken


Jaarboek 12, pagina 4

zouden vooral in de tweede helft van de 16e en de eerste helft van de 17 eeuw geproduceerd zijn. (zie afbeelding 2 rechtsbo­ven).

Fragmentje van een baardmankruikje en een scherf met een gestileerde afbeelding van een menselijk gelaat.
afb. 2 Fragmentje van een baardmankruikje en een scherf met een gestileerde afbeelding van een menselijk gelaat.

Onder het resterende, niet benoemde, schervenmateriaal, be­vindt zich een steengoedscherf die onmiddellijk opvalt. De scherf draagt een afbeelding die doet denken aan een gestileerd menselijk gelaat. Duidelijk is te zien hoe deze afbeelding aange­bracht is. Een stukje klei werd daarvoor in een vormpje gedrukt en er weer uitgenomen, waarna de zo verkregen afbeelding te­ gen de wand van de kruik werd aangebracht. Gezien de boven­ genoemde kenmerken lijkt er verwantschap te bestaan met de zogenaamde baardmankruiken. (zie afbeelding 2)

Onder de slootkantvondsten bevinden zich ook bouwfragmenten van het vroegere ‚ÄėKronenburg‚Äô. Naast baksteenpuin werden ook stukjes daklei gevonden. Twee stukjes wit marmer zijn tot nu toe de enige overblijfselen, waaraan we iets kunnen ervaren van het statige karakter dat ‚ÄėKronenburg‚Äô moet hebben gehad. Een stukje is afkomstig van een vloertegel van een type zoals in de hal van het nabijgelegen slot Assumburg te Heemskerk is te vinden.
Niet behorend tot de slootkantvondsten zijn de tegelfragmenten die in de jaren zestig bij werkzaamheden aan de vloer van het woongedeelte in de boerderij werden aangetroffen. De tegel­ fragmenten bevonden zich onder de vloer in het zand. Het be­treffen zogenaamde kwadraattegels met afbeeldingen van tulpen en kievitsbloemen. Deze tegelmotieven werden vaak in combinatie met elkaar gebruikt om een wand te sieren. De hoe­ ken zijn voorzien van figuren die afgeleid zijn van de Bourgon­dische lelie, (zie afbeelding 3)

Gekleurde kwadraattegels, daterend uit het midden van de 17e eeuw.
afb. 3 Gekleurde kwadraattegels, daterend uit het midden van de 17e eeuw.

Waarnemingen in de rioolsleuf aan de oostzijde van de Heemstederweg

Ten behoeve van de aanleg van een nieuw hoofdriool langs de Heemstederweg, werd in juni 1980, nog voor de bouwvak vakantie, over een lengte van ¬Ī 750 meter, met een breedte van ¬Ī 16 meter en tot een diepte van circa 0.50-0.70 meter de teelaardelaag uitgegraven en terzijde van het traceŐĀ opgeslagen.

In verband met de voorlopige beschermde status van dit gebied, was in het bestek voor de uit te voeren rioolwerkzaamheden een clausule opgenomen, waarin de aannemer bekend werd ge­maakt met de oudheidkundige waarde van dit gebied. Eventue­le vondsten moesten worden gemeld en aan bevoegde personen moest de gelegenheid geboden worden zich op de hoogte te stellen van mogelijke vondsten. Nadat de teelaardelaag verwij­derd was, leverde de vloer van de uitgraving het beeld op van
zandplaten en zandruggetjes, meŐĀt en zonder schelpenconcentraties. Rond deze zanden bevonden zich kleiafzettingen. Op ve¬≠le plaatsen werden de vlakken doorsneden met slootvullingen van oude kavelsloten die waarschijnlijk merendeels na de Mid¬≠deleeuwen in onbruik zijn geraakt. Nog steeds vertoont het wei¬≠ land een golvend patroon van langgerekte bolvormige kavels met lagergelegen stroken van de voormalige sloten. Op afbeel¬≠ding 4 is dit ribbelpatroon rond boerderij ‚ÄėKronenburg‚Äô en de Heemstederweg duidelijk te zien. Het omringende weidegebied vertoont een veel grilliger slotenpatroon en bovendien is een netwerk van voormalige natuurlijke waterloopjes nog duidelijk op deze luchtfoto uit 1945 te onderscheiden.

Ongeveer rechts in het midden; boerderij "Kronenburg’’ met het omringende weiland.
afb. 4 Ongeveer rechts in het midden; boerderij “Kronenburg‚Äô‚Äô met het omringende weiland. Foto: Stichting voor Bodemkartering, Wageningen, februari 1945.

Jaarboek 12, pagina 5

Hoewel de reeds genoemde uitgraving gedurende de bouwvakvakantie beschikbaar was voor het ongestoord doen van arche¬≠ologische waarnemingen, bleven deze activiteiten in die perio¬≠de beperkt. Ook de leden van de werkgroep bevonden zich te zeer in de greep van de vakantie. Bovendien kon met een enke¬≠le spade slechts kleine oppervlakten verkend worden en maak¬≠ ten regenbuien de uitgravingen – zonder bemaling – ontoeganke¬≠lijk. Zodra de bronbemaling functioneerde en de rioolwerkzaamheden waren begonnen, ondervond dit gebied hernieuwde archeologische belangstelling. De sloten en opritten verdeelden het traceŐĀ in negen vlakken van verschillende lengten. Bij de ar¬≠cheologische verkenningen werd deze vlakverdeling aangehou¬≠den; in het zuiden te beginnen met vlak 1 (zie afbeelding 1 en 5). De oppervlakte-vondsten toonden aan dat we hier te maken hadden met zowel bewoning uit de Romeinse tijd als uit de Mid¬≠deleeuwen. Het schervenmateriaal uit deze perioden kwam in het horizontale vlak door elkaar voor en was erg fragmenta¬≠risch.

Het eerste vlak, grenzend aan het perceel de Goudtuinen.
afb. 5 Het eerste vlak, grenzend aan het perceel de Goudtuinen.

Bij het plaatselijk glad schaven van de vloer van de eerste uit¬≠graving troffen we een merkwaardige bodemstructuur aan. Aan de westzijde hadden we te maken met een tamelijk recent gedempte sloot. Midden in het vlak troffen we over de gehele leng¬≠ te een bodemstructuur aan van hevig doorwoelde grond, bestaande uit blauwzand, klei en humus. Er was dus geen spra¬≠ke van een laagsgewijze opbouw, maar de gelijkenis met sterk geaderd marmer was treffend. Een verticale doorsnede maakte duidelijk dat we te maken hadden met een oude waterloop. De bovenvulling bleek veel 9e – 10e eeuwse kogelpotscherven te be¬≠vatten. Behalve kogelpotscherven werden in dezelfde vulling ook splinterscherven aangetroffen van Badorfer importwaar. Het is goed mogelijk dat dit type aardewerk ook uit andere productiecentra dan Badorf, nabij Keulen, afkomstig is. Ook eŐĀeŐĀn Paffrath-scherf uit de 12e eeuw blijkt zich in de collectie te be¬≠ vinden. In hoeverre deze scherf daarvan werkelijk deel uitmaakt, is niet meer na te gaan. Paffrath-aardewerk past niet bin¬≠nen de genoemde tijdsperiode van deze schervenconcentratie.

Een kleine hoeveelheid scherven – wel gevonden in de directe omgeving, maar geen onderdeel van bovengenoemde scher¬≠venconcentratie – bestond uit resten van een klein Paffrath-haakoorkommetje, welke als drinkgerei gediend heeft. Voorts troffen we ook hier enkele splinterscherven aan van het geiŐąmporteerde 9e – 10e eeuwse Badorf- en 10e – 12e eeuwse Pingsdorf-aardewerk. Ook kogelpotaardewerk werd hier gevonden.

Bij latere en diepere ontgravingen t.b.v. de rioolwerkzaamheden kon vastgesteld worden, dat de scherven van beide concentraties zich bevonden in de vulling van een voormalige waterloop, die zich verschillende malen heeft verlegd. Bij het verder af­schaven van het horizontale vlak aan de oostzijde Рvoordat de rioolgleuf gegraven werd Рbleek dat het oppervlak aldaar niet door verspoeling was verstoord.
Het zandige oppervlak met bruingrijze plekken en banen bevat­ te nogal eens faunaresten en af en toe fragmentjes van middeleeuws aardewerk.
Halverwege in het midden van het eerste vlak werd een concentratie van Streepband-aardewerk aangetroffen. Dit type komt voor in de overgangsfase van de late IJzertijd naar de Romeinse tijd – ook wel de PreŐĀ-Romeinse IJzertijd genoemd (2e eeuw voŐĀoŐĀr Christus/1e eeuw na Christus).
Tot de raapvondsten behoort ook een randscherf van een grijze pot, welke waarschijnlijk een restant van een laat middeleeuws product betreft.
Een derde schervenconcentratie bevond zich nabij de noordzij­ de. De scherven bevonden zich in een donkere plek, te midden van een stelsel van donkere banen. De inhoud bestond hoofdza­kelijk uit scherven van drie min of meer complete kogelpotten met verschillende randtypen. De grootste pot is 23cm hoog.

afb. 6 Opgraving van middeleeuwse kogelpotresten.
afb. 6 Opgraving van middeleeuwse kogelpotresten.
Middeleeuwse kogelpotresten na de restauratie.
afb. 7 Middeleeuwse kogelpotresten na de restauratie.

Verder bestond de vondst uit twee lichtbruine kogelpotdelen, waarschijnlijk afkomstig van een en dezelfde pot. Evenals elders werden ook hier splinterscherfjes van al eerder genoemd importwaar aangetroffen. Een klein vierkant staafje van lichtgrijs gelaagd natuursteen van 6 x 1,5 cm kan een deel van een slijpsteentje zijn. Alles wijst erop dat we te maken hebben met bewoningsmateriaal uit de 12 – 13e eeuw.


Jaarboek 12, pagina 6

Kenmerkend voor het gehele traceŐĀ waren de doorsneden van waarschijnlijk verlande waterlopen (kavelsloten) tot een diepte van 2 meter, gerekend vanaf het maaiveld. Zoals ook al bij de beschrijving van het horizontale vlak werd vermeld, was dezelf¬≠de ‚Äėmarmerstructuur‚Äô ook in het staand profiel (oostwand) in de eerste uitgraving goed waarneembaar. Dat er van verspoeling sprake is geweest werd bevestigd door een aantal opmerkelijke vondsten.

Behalve de verlande waterlopen bevonden zich in de oostwand van de eerste uitgraving ook een drietal verstoorde plaggen constructies. Aangenomen wordt dat dit restanten waren van waterputten. De putten waren grotendeels vergraven, waarmee ook de kernen met eventuele put inhoud verloren zijn gegaan. Bij twee van de drie putten kon duidelijk vastgesteld worden dat het ronde constructies waren van gestapelde zoden of plaggen. Opmerkelijk was dat van alle drie putten slechts de basis was overgebleven. Dit kon niet toegeschreven worden aan de graaf­ werkzaamheden. Door de doorwoelde bodemstructuur mag aangenomen worden dat de put wanden door watergeweld uit elkaar geslagen zijn. Veel archeologisch materiaal leverden de putten niet op. Uit put nr. 1 kon een Badorf-bodemscherf gebor­gen worden. Daarmee zou de put in de 9e Р10e eeuw gedateerd kunnen worden.

De derde plaggen constructie. De plaggen structuur is goed zicht¬≠ baar. De "marmerstructuur‚ÄĚ in de bovengrond lijkt hier niet meer aanwezig te zijn.
afb. 8 De derde plaggen constructie. De plaggen structuur is goed zicht¬≠ baar. De “marmerstructuur‚ÄĚ in de bovengrond lijkt hier niet meer aanwezig te zijn.

Uit eŐĀeŐĀn van de slootvullingen en uit de wand werd eveneens wat middeleeuws aardewerk aangetroffen. In de vloer van de ver¬≠ diepte uitgraving werd nog een vierde put constructie waarge¬≠nomen. De constructie was ongeveer 45 cm in het vierkant en bestond uit enigszins aangepunte en in de grond geslagen plankjes. Door de ontgraving was het restant nog slechts 25 cm hoog.

Het tweede vlak

Volkomen willekeurig leken de grijszwarte banen en vlekken die zich op de vloer van de tweede uitgraving aftekenden. Veel splinterscherfjes van 9e Р12e eeuws aardewerk en stukjes bot konden daarin aangetroffen worden. In de zuidoosthoek wer­ den twee plaggen constructies aangetroffen. Gelukkig hadden hier geen teleurstellende vernielingen door graafwerkzaamhe­den plaatsgevonden. Eerst werd de linker constructie aan een onderzoek onderworpen. Het horizontale vlak werd geschaafd en weldra tekende de basis van een put zich af in de vorm van zorgvuldig gelegde zoden. De zoden tekenden zich duidelijk af door het lichtere zand dat zich er tussen bevond.

Eerst werd de linker constructie onderzocht. Weldra tekende de basis van een put zich af in de vorm van zorgvuldig gelegde zoden.
afb. 9 Eerst werd de linker constructie onderzocht. Weldra tekende de basis van een put zich af in de vorm van zorgvuldig gelegde zoden.

Een coupure maakte snel duidelijk dat onder de zodekrans een ton was ingegraven. Nader onderzoek toonde aan dat het een halve ton was met drie houten hoepels, (zie afbeelding 10).
De vulling van de ton (afm. 80 x ll0 x l04 cm) bestond uit blauw­achtig zand met 1 Pingsdorf-scherf.

Nader onderzoek toonde aan dat het een halve ton was met drie houten hoepels.
afb. 10 Nader onderzoek toonde aan dat het een halve ton was met drie houten hoepels.

Jaarboek 12, pagina 7

De tweede plaggen constructie bevond zich ¬Ī 100 cm zuidelij¬≠ker, gedeeltelijk in de wand van de sloot, die de scheiding vorm¬≠ de van de eerste en twee uitgraving. Onder de gestapelde zoden bevond zich geen ton of enig ander houtwerk. De vulling bleek te bestaan uit wat een mestpakket genoemd kan worden. De vraag of een ‘beerput’ zo dichtbij een waterput wel aanvaard¬≠baar was, lijkt niet aan de orde geweest te zijn.
Een tiental meters noordelijker bevond zich eveneens een constructie van gestapelde zoden met een maximale hoogte van 40 cm. Onder de gestapelde zoden werd een houten raam­werk aangetroffen, welke een slordig vierkant van ca. 80 cm vormde.
Een vierde plaggen constructie is niet onderzocht.

Het wandprofiel van de tweede uitgraving vertoonde tot onge­veer 3 meter een prachtige gelijkmatige structuur van blauwzand lagen met en zonder schelpen en afgewisseld met sliblaagjes en vegetatiebandjes. Oude sloten en mogelijk natuurlijke wa­terlopen hebben in de zo regelmatige structuur diverse hevige verstoringen veroorzaakt. In een van die waterlopen werd in de vulling veel huttenleem aangetroffen en werden enkele middel­eeuwse (9e Р10e eeuw) scherfjes gevonden.

Het derde tot en met zesde vlak

Mede door de slechte weersomstandigheden konden deze vlak¬≠ken moeilijk op archeologische bijzonderheden gecontroleerd worden. Het derde vlak leverde enkele late kogelpotscherven op. Als oppervlaktevondst werd in het zuidelijk gedeelte van het vijfde vlak een bandoor van een Pingsdorf-pot gevonden alsme¬≠de een scherf van een Siegburg-kan. Aan beide zijden van de oprit naar boerderij ‚ÄėKronenburg‚Äô werd in het vijfde en zesde vlak, als vulling in oude waterlopen, vooral veel rood aardewerk en steenwerk gevonden.
De vulling bestond onder anderen uit schotel- en bakpanfrag­menten uit de 14e-15e eeuw (zie afbeelding 11). Het meest bijzon­der is een schotelfragment met een ingekraste voorstelling van een wapenschild, waarin het motief van een duif goed te her­kennen is. (zie afbeelding 12). Waarschijnlijk moet de schotel ge­rekend worden tot de groep der fantasie-heraldiek en be­schouwd worden als een laat 15e eeuws of zelfs 16e eeuws product. Andere uit de schervenmassa, geselecteerde vondsten zijn:
2 kommetjes met oortjes; 1 klein schaaltje en 2 dubbelorige niet volledige grapen. Dit rode aardewerk is te dateren in de 16e eeuw (zie afbeelding 11).
Resten van een grote kan met een hoogte van 35cm van blauw­ grijs aardewerk uit waarschijnlijk de 14e eeuw (zie afbeelding 13).

Rood aardewerk (14e - 16e eeuw).
afb. 11 Rood aardewerk (14e – 16e eeuw).

 

Schotelfragment met wapenschild, uitgevoerd in slib-kras techniek. (15e - 16e eeuw).
afb. 12 Schotelfragment met wapenschild, uitgevoerd in slib-kras techniek. (15e – 16e eeuw).

 

Grote kan van blauwgrijs aardewerk. Hoogte: 35 cm.
afb. 13 Grote kan van blauwgrijs aardewerk. Hoogte: 35 cm.

Jaarboek 12, pagina 8

Een andere categorie vormt het harder gebakken steengoed. Deze waar laat zich niet zo gemakkelijk beschrijven. Over het algemeen zal het hier importwaar betreffen uit de Duitse Rijnstreek, maar ook producten uit de Limburgse Maasstreek is goed mogelijk. Het geselecteerde materiaal bestaat hoofdzake­lijk uit bodem- en halsfragmenten, waarvan het merendeel waarschijnlijk in de 16e eeuw thuishoort, maar enkele delen ook uit de 14e en 15e eeuw kunnen zijn. (zie afbeelding 14). Twee wandscherfjes zijn van appliques voorzien; bestaande uit vooraf in vormen gedrukte bladmotieven (o.a. eikenblad). De op­ gelegde kleiribbels vormen de takken of ranken. In de 16e eeuw was Keulen een belangrijk productiecentrum van deze waar. Ook enige stukken meerkleurig majolica (16e eeuw) bevonden zich tussen het overige schervenmateriaal.
Oppervlakkige verkenningen in het zesde vlak, tussen de oprit naar ‚ÄėKronenburg‚Äô en de Uitgeesterweg leverden wat Badorf-, Paffrath-, rode en okergele kogelpotscherfjes alsmede een halve verzwaringssteen op. Deze vondsten wijzen ook hier weer op bewoning in de 10e – 12e eeuw.

Selectie bodem- en halsfragmenten van steenwerk.
afb. 14 Selectie bodem- en halsfragmenten van steenwerk.

Het zevende, achtste en negende vlak

Het zevende vlak leverde een kleine concentratie inheemse scherven op uit de Romeinse tijd (le-3e eeuw). Ons vermoeden dat in dit gebied meer bewoningsresten uit de Romeinse tijd verwacht konden worden, werd bevestigd. Gezien vanaf de Heemstederweg, aan de rechterkant van het slootje, werd in het achtste vlak een grote hoeveelheid scherven uit de le Р3e eeuw gevonden. De scherven leken zich te bevinden in de oever van een oude waterloop. Van een systematisch onderzoek kon geen sprake zijn. De omgeving was inmiddels door machinale graaf­ werkzaamheden teveel verstoord. Veel scherven konden gebor­gen worden, voordat de volgende dag het vernietigende graaf­ werk voortgezet zou worden.
Uit de schervenmassa konden naderhand twee grote potten ge­deeltelijk in elkaar gezet worden. Tot de ontbrekende delen be­horen ook de bodems (zie afbeelding 15).
In het achtste vlak kwamen ook verspreid enkele kogelpot­scherfjes voor.
In het negende vlak werd in de wand van de uitgraving een plaggen constructie waargenomen. Naar alle waarschijnlijkheid is dit een waterput geweest. Voor zover kon worden nagegaan was de put niet op een houtconstructie gefundeerd. De putvulling bestond uit zwaar humeuze grond, waarin faunaresten en enkele scherfjes uit de 1e Р3e eeuw. Verdere verkenningen in het negende vlak leverde een concentratie, fragmentarisch, grijs kogelpotaardewerk op, uit de late middeleeuwen. De scherven be­vonden zich in een donkere verkleuring waarin ook paalresten

Twee grote potten uit ongeveer de 2e - 3e eeuw na Christus. Gro­te delen, waaronder de bodems ontbreken.
afb. 15 Twee grote potten uit ongeveer de 2e Р3e eeuw na Christus. Gro­te delen, waaronder de bodems ontbreken.

werden waargenomen, alsook enkele verstrooide scherven uit de 1e Р3e eeuw. Een andere verkleuring bevatte enig aardewerk uit de Romeinse tijd en enkele verstrooide scherven uit de mid­deleeuwen, waaronder Pingsdorf. Hoewel de uitgraving in het negerde vlak een hoge rug doorsneed, leverde dit toch geen bij­zondere kenmerken op.

Met de vondsten uit het achtste en negende vlak lijkt een relatie gelegd te kunnen worden met eerdere vondsten aan de Rietkamp en aan de Cieweg. Aan de Rietkamp zijn indertijd drie waterputten van gestapelde zoden gevonden in combinatie met eveneens zorgvuldig vervaardigd 1e Р3e eeuws aardewerk. Ge­ zien de concentratie waterputten zou de Rietkamp en omgeving een woonkern uit de Romeinse tijd doen vermoeden. In de om­geving van de Cieweg, Dr. de Jonghweg en Het Strengh zijn wa­terputten, in verschillende uitvoeringen en tamelijk dicht bij el­kaar gevonden. Ook hier zou een woonkern uit de Romeinse tijd verondersteld kunnen worden.

De raapvondsten van de Goudtuinen

Talrijk zijn de vondsten die gedaan werden op een tuinbouwper­ceel bekend als de Goudtuinen. Steeds weer kwam bij bewer­king van de grond, archeologisch materiaal tevoorschijn. Gedu­rende een reeks van jaren werd het vondstmateriaal door de ei­genaar, de heer C.J. Beentjes verzameld en aan de werkgroep Oud-Castricum overgedragen. Hoewel deze zogenoemde raap­ vondsten erg fragmentarisch zijn, zijn ze toch van groot belang voor het reconstrueren van de bewoningsgeschiedenis van dit gebied in het bijzonder en Castricum in het algemeen. De vondstdichtheid en de vondstverscheidenheid wijzen erop dat dit gebied door de eeuwen heen steeds weer voor bewoning in aanmerking is gekomen.

Zoals al eerder is gesteld, behoorde Castricums grondgebied rond 300 voŐĀoŐĀr Christus tot een binnendelta, waarvan de mon¬≠ding ten noorden van Egmond lag. De bij eb droogvallende gronden waren niet geschikt voor bewoning. Rond 100 voŐĀoŐĀr Christus kwam hierin verandering toen het mondingsgebied verlandde. (Zagwijn)
Spoedig na dit verlandingsproces moeten de bewoners van de oude strandwallen – die al veel eerder bewoond waren – zich ook op de stroomruggen of wallen gevestigd hebben. In 1950 wer¬≠den daartoe de eerste aanwijzingen gevonden. Tijdens de aan¬≠ leg van het infiltratiegebied, t.b.v. de drinkwatervoorziening, werden bij boerderij ‚ÄěDe Brabantse Landbouw‚ÄĚ bewonings-


Jaarboek 12, pagina 9

resten aangetroffen. Aangenomen werd dat het hier bewoning betrof uit de IJzertijd, en wel van enkele eeuwen voŐĀoŐĀr onze jaar¬≠ telling. Wat de datering betreft lijkt de verlandingstheorie en de waargenomen bewoning niet geheel met elkaar in overeenstem¬≠ming te zijn. Het is mogelijk dat de verlanding hier al eerder tot stand is gekomen. Ook het gebied als de Goudtuinen moet spoe¬≠dig na verlanding voor bewoning in gebruik genomen zijn. In to¬≠taal werd 85 kg bewoningsafval verzameld. Opmerkelijk daarbij is, dat bijna 71% van het materiaal bestaat uit vondsten daterend uit de voŐĀoŐĀr Romeinse IJzertijd en de Romeinse tijd. De rest is middeleeuws en jonger keramisch afval. Tussen het voŐĀoŐĀr Ro¬≠meinse materiaal bevindt zich een type versierd aardewerk, dat vele overeenkomsten vertoont met vondsten elders. Het materi¬≠aal werd in Zuid-Holland aangetroffen en is ook bekend van op¬≠gravingen in Krommenie en Assendelft. Het toont aan, dat dit aardewerk in een groot verspreidingsgebied voorkomt.
Wat de Castricumse vondsten betreft, zullen we ons maar hou¬≠ den aan de verlandingstheorie van Zagwijn en veronderstellen dat de vroegste bewoning van de Goudtuinen tussen 200 en 100 voŐĀoŐĀr Christus een aanvang nam.

Potscherven met meervoudige golf- en zigzaglijnen en streepbundels.
afb. 16 Potscherven met meervoudige golf- en zigzaglijnen en streepbundels.

 

Een verzwaringssteen en een klein kommetje, gevonden op de Goudtuinen en daterend van rond de jaartelling.
afb. 17 Een verzwaringssteen en een klein kommetje, gevonden op de Goudtuinen en daterend van rond de jaartelling.

Romeins import-aardewerk biedt nogal eens de mogelijkheid de bewoningsgeschiedenis van een inheemse nederzetting te kun¬≠nen dateren. Op de Goudtuinen is enig Romeins importwaar ge¬≠vonden. De gevonden hoeveelheid was echter gering. Het Ko¬≠ninklijke Penningkabinet te ‚Äôs-Gravenhage, determineerde een munt als een dupondius uit de tijd van Keizer Vespasianus (69-79 na Christus). Het vermoeden bestaat dat aan het eind van de le of begin van de 2e eeuw na Christus de bewoning, hier ter plekke, beeŐąindigd werd en een nieuw woongebied rond de hui¬≠dige Cieweg in gebruik werd genomen. Het type inheemse aar¬≠dewerk met de aldaar gevonden resten Romeinse importwaar ondersteunen deze veronderstelling. Na enkele eeuwen, onge¬≠veer in de 4e eeuw, moet ook het gebied rond de Cieweg als woongebied verlaten zijn.

Na een langdurige onderbreking moet sinds de vroege midde­leeuwen de Goudtuinen doorlopend bewoond zijn geweest. Het verzamelde middeleeuwse archeologisch materiaal is gelijk aan de vondsten elders langs de Heemstederweg. Ook hier dus scherven van vroege en late kogelpotten en in veel geringere mate scherven van importwaar; zoals Badorf, Pingsdorf en Paffrath.

Aan de hand van de vroegere kogelpotscherven en de Badorfer importwaar, mogen we veronderstellen dat deze plek omstreeks de 9e eeuw weer bewoond werd. Een bijzondere vondst (1979) uit de vroege middeleeuwen is een bronzen schijffibula met in­ geschreven Andreaskruis (waarin centraal een cirkel), een vul­ling van rood email en een gegoten naaldhouder. De naald ont­breekt. De diameter van de fibula is 1,8 cm (zie afbeelding 18). Vergelijkbare exemplaren zijn bekend uit Domburg op Walche­ren (1976) en Limmen (1983).

De grijze kogelpotscherven vormen tezamen met enige Pingsdorf- en Paffrathscherven aanwijzingen dat de bewoning tot in de 10e t/m 13e eeuw ter plekke heeft voortgeduurd. Scherven van steenwerk (op de draaischijf vervaardigd en hard gebakken) vertegenwoordigen de bewoning vanaf de 13e t/m 16e eeuw. Tot het vondstenmateriaal behoort ook een Friese munt uit de 17e eeuw. Het jaartal is niet meer volledig te lezen.

Een andere munt is van de Verenigde Oostindische Compagnie met het jaartal 1790. Een wasknijperveertje en enig ander re­cent afval brengt ons terug in de 20e eeuw. En nog steeds wordt er op de Goudtuinen gewoond.

Een schijffibula met een vulling van rood email en ingeschreven Andreaskruis, daterend uit de Vroege Middeleeuwen.
afb. 18 Een schijffibula met een vulling van rood email en ingeschreven Andreaskruis, daterend uit de Vroege Middeleeuwen.

Jaarboek 12, pagina 10

Volledigheidshalve dient melding gemaakt te worden van enke¬≠le waarnemingen die gedaan zijn ten noorden en zuidoosten van de Goudtuinen tot achter boerderij “De Groene Klaver”. De¬≠ ze waarnemingen werden verricht in de teelaarde-uitgraving van het traceŐĀ van de rioolpersleiding richting Uitgeest. Ook hier werden bewoningsresten aangetroffen uit o.a. de voŐĀoŐĀr Romeinse IJzertijd en de Romeinse tijd; zoals versierd en onversierd aarde¬≠werk. Een tweetal scherfjes, donkergrijs van kleur, vallen daar¬≠ bij op door de zorgvuldige afwerking.
Onder de vondsten bevindt zich toch een klein terra sigillata bodemscherfje met standring, waarschijnlijk afkomstig van een schaal of een kom. Dit scherfje werd gevonden in de oost-west uitgraving ten noorden van de Goudtuinen.
Een merkwaardige vondst is een klein botje (5,5 cm lang). Dit botje is enigszins wigvormig en aan eŐĀeŐĀn zijde vlak gemaakt. De kern is volgegoten met lood. Een raadselachtig voorwerpje dus, waarschijnlijk daterend uit de Middeleeuwen.

Grondboringen op het perceel ‘De Hooiweid’
(situatieschets afb. 1 D de Hooiweid)

Ten behoeve van de aanleg van de rioolpersleiding, vanaf de Heemstederweg richting Uitgeest, is het traceŐĀ vooraf middels luchtfotografie in beeld gebracht. In dit gebied met een vrij dicht en strak greppelpatroon en rechte sloten, vallen de meer natuurlijke waterlopen, evenals de gebieden die blijkbaar geen ontwatering behoeven, direct op. Ook terrein oneffenheden van b.v. oude waterlopen e.d. zijn door tint verschillen als gevolg van een grotere drassigheid of schaduwwerking op de luchtfoto’s waarneembaar.

De Hooiweid is zo’n gebied dat door de laatst genoemde ver­schijnselen de aandacht trok (zie afbeelding 19).
Daarbij zien we ons voor de volgende vragen gesteld:
‚ÄĒ Wat is de oorzaak dat dit gebied een regelmatig greppelpa¬≠troon mist?
‚ÄĒ Wat hebben de terrein onffenheden, waaronder de lintvormi¬≠ge laagte te betekenen?
‚ÄĒ Is er sprake geweest van menselijke activiteiten?

In oktober 1983 hebben de heren J. Brouwer en J. Piepers, leden van de werkgroep ‚ÄėOud Castricum‚Äô, op genoemd perceel grond¬≠ boringen verricht en daarvan aantekeningen gemaakt. Aan de hand van die aantekeningen is gepoogd op de gestelde vragen (voorlopige) antwoorden te vinden.
De gehele Castricummer polder behoort tot het voormalige binnendeltagebied, bestaande uit stroomwallen, de lagere stroomruggen en delgronden met nog verschillende restgeulen. Dit binnendeltagebied werd gevormd toen de zee nog diep het land kon binnendringen. Het hoger gelegen oneffen deel van de Hooiweid (zie afbeelding 19) blijkt een stroomrug te zijn en mist daarom een regelmatig greppelpatroon. Dit gebied ligt gemid¬≠deld op -0,40 m N.A.P., terwijl het begreppelde gedeelte op de voorgrond op ¬Ī -0,60 / -0,70 m N.A.P. ligt en tot de delgronden gerekend wordt. De lintvormige tekening in het hoger gelegen gebied zou wel eens een restant kunnen zijn van een natuurlijke waterloop die de overgang van stroomrug in delgronden mar¬≠keert. Ter verbetering van de waterhuishouding moet de recht¬≠ hoekige sloot gegraven zijn, waardoor de natuurlijke afwate¬≠ring is komen te vervallen. De lagere terreingedeelten tussen de natuurlijke afwatering en de gegraven sloot werden van en¬≠kele korte greppels voorzien en wateren af op genoemde sloot.

Grondboringen hebben nog meer informatie over de Hooiweid opgeleverd. Op ondergrond van blauwzand treft men geelzand met schelpen aan, de eigenlijke stroomrug. Boringen hebben tenminste over een lengte van 16 m bewoning op deze stroom­ rug aangetoond. Er werd een 5 cm dikke cultuurlaag aangetrof­fen waarin zich scherfjes bevonden, daterend van rond het be­gin van onze jaartelling. Soms werden deze scherfjes zelfs aan­ getroffen onder de cultuurlaag.

Bij vrijwel alle boringen bleek de stroomwal overdekt te zijn met een kleilaag, dus ook de cultuurlaag. Het water, waarschijn¬≠lijk vanuit de Zijpe en het IJ, opgestuwd door de wind, over¬≠ spoelde via de restgeulen het land en liet een kleilaag achter. Deze kleilaag wordt afgedekt door een laag teelaarde die in dik¬≠ te varieert. Aangenomen wordt dat het basismateriaal ‘zand’ werd opgebracht door de zandverstuivingen die in de middel¬≠eeuwen het kustgebied teisterden. De bodemopbouw is zo ver¬≠stoord dat dit nauwelijks een natuurlijk proces geweest kan zijn. Doordat de afdekkende kleilaag hier ontbreekt, lijkt dit een ver¬≠storing te zijn die niet in verband te brengen is met de bewoningsactiviteiten van rond de jaartelling, maar van recentere da¬≠tum moet zijn.

Archeologische waarnemingen bij de aanleg van de watertransportleiding door de geest Heemstede
(situatieschets afb. 1 E sleuf voor de watertransportleiding door de geest Heemstede)

Door de aanleg van een grote watertransportleiding in 1977, die in oost-west richting de stroomwal of geest ‘Heemstede’ door¬≠sneed, kwamen over een lengte van circa 150 meter sporen vrij van bewoning uit de voŐĀoŐĀr Romeinse IJzertijd en de Romeinse tijd. Onder moeilijke omstandigheden werden in het terrein zo¬≠ veel mogelijk gegevens verzameld.
Er werd tamelijk veel aardewerk geborgen, een puinheuvel van huttenleem met verbrandingssporen waargenomen en tekenin­gen van het bodemprofiel gemaakt.

Deze archeologische waarnemingen werden verricht aan de zuidzijde van de leidingsleuf. De cultuurlaag bevindt zich op diepten van 0,40 Р1,40 m onder het huidige niveau. Het gevon­den schervenmateriaal komt erg overeen met de vondsten die gedaan zijn op het bouwterrein, waar nu de Rabobank aan de Dorpsstraat is verrezen (zie 7e jaarboekje 1984). Ook zijn er ver­gelijkingen te maken met de vondsten van de Goudtuinen.

Zo werd ook op Heemstede streepband-aardewerk aangetrof¬≠fen. Dit type uit de voŐĀoŐĀr Romeinse IJzertijd blijkt op Heemstede soberder versierd dan de vondsten op de Goudtuinen.
Romeins-importwaar werd, voor zover bekend, niet waargeno­men. Aangenomen wordt dat de bewoning van voor onze jaar­ telling en voor de komst van de Romeinen dateert.
Voorts werd in een geringere hoeveelheid jonger aardewerk ge­ vonden. Een enkel scherfje zou als middeleeuws aangemerkt kunnen worden. Het merendeels rode en geglazuurde aarde­ werk moet van recentere datum beschouwd worden.

Detail van de luchtfoto, gemaakt in opdracht van het Hoog­heemraadschap van de Uitwaterende Sluizen. Het gebied waar een regelmatig greppelpatroon ontbreekt is een gedeelte van de Hooiweid.
afb. 19 Detail van de luchtfoto, gemaakt in opdracht van het Hoog­heemraadschap van de Uitwaterende Sluizen. Het gebied waar een regelmatig greppelpatroon ontbreekt is een gedeelte van de Hooiweid.

Jaarboek 12, pagina 11

Samenvatting

Door de archeologische waarnemingen ten oosten van Castri-cum is meer bekendheid verkregen over de bewoningsgeschie-denis van dit gebied. Om te begrijpen waarom juist in dit gebied zoveel archeologisch materiaal wordt aangetroffen is het nodig iets te weten over de ontwikkeling van dit landschap, dat steeds de invloed van de zee heeft ondervonden. In perioden dat de zee minder ver het land indrong kon in brak of zoet water in alle rust veenvorming optreden. Zo vormde zich achter een stelsel van strandvlakten en wallen een uitgestrekt veengebied. De gronden van Castricum liggen in een gebied van een voormalig zeegat, dat later veranderde in een estuarium, waarop verschil¬≠ lende rivieren uitmondden. De ontstane binnendelta met zand¬≠ banken en stroomgeulen reikte tot het latere Wijkermeer, dat in verbinding stond met het Oer-lJ. Ongeveer 100 voŐĀoŐĀr Christus verlandde het mondingsgebied voorgoed. Slechts enkele geulen voerden nog water naar zee af. De binnendelta kwam droog te liggen en er vond in lagere delen veenvorming plaats.

Bewoning op Castricums grondgebied bestond zeker al in de laatste eeuwen voŐĀoŐĀr de jaartelling. Talrijker zijn de bodem¬≠ vondsten uit de eerste eeuwen van de jaartelling. De bewoningsresten in het gebied rond de Cieweg en Heemstederweg lijken afkomstig te zijn van nederzettingen die op een stelsel van stroom of oeverwallen hebben bestaan. Als gevolg van de toene¬≠ mende invloed van de zee, lijkt de bevolking na de Romeinse tijd (4e eeuw na Christus) nagenoeg uit het kustgebied wegge¬≠ trokken te zijn. Rond de 7e eeuw komt de bewoning weer op gang.
Omstreeks de 12 eeuw ontstond een nieuw zeegat ten noorden van ons gebied, de Zijpe. Via de Rekere, een voormalig riviertje, kon het water de vlakte bij Castricum bereiken. Ook vanuit de Zuiderzee via het IJ en het Wijkermeer werd veel wateroverlast ondervonden. De dijkenbouw kwam op gang. De hoger gelegen gronden met de buurtschappen Noord-End, Oosterbuurt en Heemstede werden aan de oost- en zuidzijde door een stelsel van dijken met elkaar verbonden, waarmee dit gebied tegen het steeds opdringende water veilig gesteld werd. (Boogaards- en Korendijk). Er is echter nog een reden denkbaar waarom dit ge­bied van levensbelang was. Naar mate de bevolking in het kust­ gebied gedurende de middeleeuwen toenam, nam ook de ont­ bossing van het tamelijk vlakke oude duinenlandschap toe, het­ geen niet zonder gevolgen bleef. Akkers raakten ondergestoven en de vorming van het hogere jongere duinlandschap kwam op gang. We kunnen ons voorstellen dat onder invloed van die duinvorming de middeleeuwse bevolking zich genoodzaakt zag om zich naar het oosten van Castricums grondgebied te ver­ plaatsen. Water en zand moeten voor deze kustbewoners eeu­wen lang bronnen van hinder geweest zijn.
Vanaf de vroege middeleeuwen is het Castricums grondgebied continu bewoond gebleven. De vele vondsten uit verschillende tijdperken vormen in dit gebied daarvoor een overtuigend be¬≠ wijs. Dat de Romeinen op de hooggelegen gronden van het voormalige kasteel ‚ÄėKronenburg‚Äô rond het begin van de jaartel¬≠ling reeds een steunpunt hadden is een veronderstelling, die vooralsnog niet is bewezen.

Het gebied rond de Heemstederweg aan de zuid-oostkant van Castricum, blijkt archeologisch een interessant gebied te zijn. De vele archeologische waarnemingen zijn in dit verslag gebun­deld. Men kan zich nu afvragen of het wel voldoende is om te blijven volstaan met slechts terreingedeelten zoals: Kronenburg, de Goudtuinen en Heemstede als archeologische monumenten aan te merken. Aan de hand van de nu verkregen archeologi­sche informatie zal overwogen moeten worden of het totale ge­bied rond de Heemstederweg voor toekomstig wetenschappe­lijk onderzoek beschikbaar dient te blijven. Het Castricums bodemarchief is in het nabije verleden al teveel verstoord, zonder vooraf de maximale archeologische informatie daaruit veilig te stellen. Zal dit gebied, met haar informatie over vroegere bewo­ning (o.a. rond het voormalige kasteel) in de toekomst een zelfde lot treffen?

E. Mooij

Geraadpleegde literatuur

Renaud, Dr. J.G.N. “Middeleeuwse Ceramiek” AWN-monografie nr. 3
Friederich, F.H.W. “Baardmannen”, uit Westerheem XVII 1- en 2 1968
Dingeman Korf “Tegels”, 5e stuk, pag. 117-120 Van Dis- hoeck – Bussum
Schut, P. “Een hutkom of kelder uit de 12e eeuw te Aalten Gld” uit Westerheem XXXI1 1982, pg 3-13
Diederik, F. “Een vroeg- middeleeuwse nederzet¬≠ting te Schagen” uit Westerheem XXXI2 1982, pg 53-68
Diederik, F. “Dorpen-terp, een onderzoek naar een laat middeleeuwse woonplaats te Schagen” uit Westerheem XXXII 4 1983, pg 202-213
Kouwen, C. van “Middeleeuwse aardewerk uit het land van Maas en Waal” uit Westerheem XXVI 1976 pg 12-16
Diverse medewerkers “Opgravingen in Amsterdam”, Amster¬≠dam 1977, Fibula van Dishoeck, Haar¬≠lem pg 246, 260, 262
Mooij, E. Opgravingsverslag Cieweg 1969-1970
Schermer, A.Friese put in het plan Molendijk” uit 1e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum 1978, pg 8 ev.
Mooij, E.Pottenstapel als waterput in plan Mo¬≠lendijk” uit 2e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum 1979, pg 16 en verder.
Deelen, D. van “Historie van Castricum en Bakkum” uitgeverij Pirola, Schoorl 1973, pg 12-15
Stuurman, P. “Archeologie van het jaar nul” uit Westerheem XVIII 2 1969, pg 62-79
Helderman, KJ. “Enige resultaten van vijftien jaar ar¬≠ cheologisch onderzoek in de Zaan¬≠ streek” uit Westerheem XX 1 1971, pg 44-51 en 52-83
Calkoen, H.J. “Een inheemse nederzetting bij Scho¬≠nenberg onder Velsen”, uit Wester¬≠heem XX 5-6 1971, pg 294-311
Woltering, Drs. P.J. “Schijffibula” uit Holland 1980, pg 248 en 1984, pg 227
Baars, F. en anderenVroeg-middeleeuwse waterputten en andere archeologische vondsten te Castricum, Willem de Rijkelaan/Soomerwegh 1971” uit het 6e Jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum pag. 15-22
Mooij, E. Opgravingsverslag van 13e eeuwse bewoningssporen in de uitgraving vijverpartij aan de Walstro in plan Noord-End, april-mei 1972, pg 19-23
Vermanen, H.M. Tekeningen-profiel leidingsleuf Heem­stede 1977
Stichting Werkgroep Oud-Castricum Archeologisch onderzoek b. Gebied Heemstede, Jaarverslag pag. 18, 1e jaarboekje 1978
Brouwer, 1 en Piepers, J. Boorresultaten (tekeningen d.d. 30-10- 1983)

Print Friendly, PDF & Email