Armoede; impressies uit de 19e eeuw (Jaarboek 27 2004 pg 16-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over armoede: 18e eeuw, 19e eeuw, periode 1900-1940


Jaarboek 27, pagina 16

 

Armoede in Castricum; impressies uit de 19e eeuw

 

Inleiding

Aan de sociale geschiedenis van Castricum werd eerder aandacht geschonken in een artikel gepubliceerd in het 20e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum onder de titel ‘Arm en rijk in Castricum in de 18e eeuw‘. Kort samengevat kwam naar voren, dat de gemeente in de 18e eeuw in toenemende mate te kampen had met de gevolgen van de verslechtering van de economie. Vooral in de laatste decennia van de 18e eeuw was de Republiek in grote economische problemen verzeild geraakt door de voortdurende toestand van politieke onrust en oorlog. De overzeese handel en de visserij kwamen in deze periode vrijwel tot stilstand. Dat gold ook voor takken van nijverheid die aangewezen waren op de import en verwerking van grondstoffen.
Hoe men het economische beeld van de 18e eeuw ook inschat, zeker is dat het aantal werklozen en daarmee ook het aantal armen vooral in de tweede helft van de 18e eeuw sterk toenamen. Dat gold niet alleen voor de steden, maar zeker ook voor de agrarische gemeenschappen in Noord-Holland, waar niet zozeer de welgestelde boeren als wel de kleinere bedrijven en de seizoenarbeiders in de verdrukking kwamen.
De balans opmakend van het sociale beleid in de ‘Frans-Bataafse periode‘ van onze geschiedenis, de periode 1795 tot 1813, is de indruk dat in overeenstemming met het landelijke beeld, ook in Castricum de armoede onder de inwoners nog verder toenam. In het 22e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum werden cijfers vermeld, ontleend aan de belastingheffing in 1812, die suggereren dat in Castricum wel ca. 40% van de bevolking in armelijke omstandigheden verkeerde. De verarming in deze periode had voor een groot deel te maken met de steeds toenemende financiĆ«le en materiĆ«le eisen die de Fransen stelden in het kader van hun oorlogsvoering en het invoeren van het zogenaamde Continentale Stelsel, dat poogde aan de handel met Engeland een einde te maken. Eind 1799 had zich in Noord-Holland bovendien nog een bloedige oorlog afgespeeld, die beslecht werd in een veldslag bij Castricum, waarbij de gemeente aanzienlijke schade opliep. In 1999 is aan deze veldslag, in het kader van de 200-jarige herdenking, ruime aandacht geschonken, onder andere in de vorm van een monument, dat nabij het gemeentehuis een plaats heeft gekregen.

Op deze prent vieren een Brit en een Hollander broederlijk het einde van de Franse tijd met zijn handelsbeperkingen: 'De zee is open en de koophandel herleeft'.
Op deze prent vieren een Brit en een Hollander broederlijk het einde van de Franse tijd met zijn handelsbeperkingen: ‘De zee is open en de koophandel herleeft’.

Nieuwe tijden

Na de aftocht der Fransen in 1813 werd Nederland een constitutionele monarchie met aan het hoofd een Oranjevorst, koning Willem I (1813-1840), een vrij eigengereide figuur, die het met de ontluikende democratie niet zo nauw nam. Niettemin was hij de inspirator van vele, vooral economische ontwikkelingen, waarvan hij hoopte dat ze de positie van Nederland en de welvaart van zijn inwoners zouden verbeteren. Slogans als: ‘De zee is open, De koophandel herleeft’ en ‘Elk dankt God, De oude tijden komen weerom, Oranje Boven’ deden opgang.
Bij zijn aantreden werd koning Willem I geconfronteerd met de Franse erfenis, onder meer een kwijnende industrie, een ingezakte buitenlandse handel en veel armoede. Hij nam inderdaad vele initiatieven ter verbetering van de maatschappelijke en economische situatie, waarvan in onze regio kunnen worden genoemd de aanleg van het Noord-Hollands kanaal (1819-1825), het tot stand komen van de eerste Nederlandse spoorlijn, Amsterdam-Haarlem in 1839 en grootscheepse ontginningen in onder andere de Castricumse duinen.

Castricum rond 1815

Pieter Kieft, die in 1814 burgemeester van Castricum was geworden, doet in 1816 voor het eerst schriftelijk verslag van de plaatselijke ‘Staat der gewassen en het vee’ aan de Commissaris van Landbouw in het 5e District van Noord-Holland te Alkmaar. De voorgedrukte rubrieken in het verslag melden, dat er in 1816 in Castricum zomergerst, rogge, haver, paardebonen, aardappelen en knollen werden geteeld. Genoemd wordt ook een geringe teelt van kool voor eigen gebruik. Er zijn ook vruchtbomen, maar die voorzien eveneens slechts in de persoonlijke behoefte. Onder ‘hakbossen’ wordt vermeld, dat ze om de 8 a 9 jaar worden gehakt, waarbij het hout in de gemeente wordt geconsumeerd. Het grasland wordt in 1816 schraal genoemd, terwijl de staat van het hooi door overmatige regenval slecht is en zelfs ‘deels op het veld verrot’. Als vee dat werd gehouden, noemt het verslag runderen, kalveren, varkens, schapen en paarden, waarbij wordt opgemerkt dat de dieren geen ziekten vertoonden. De schapen waren echter bij het slachten zeer mager, wat aan het natte weer wordt toegeschreven. Door de ‘schraalte in het gras’ was de productie van boter en kaas veel minder dan in andere jaren.


Jaarboek 27, pagina 17

In 1817 en 1818 was het weer kennelijk beter en de verslagen geven nu een wat optimistischer beeld, want de staat van het grasland wordt nu redelijk genoemd, aan hooi is ook geen gebrek en de productie van boter en kaas wordt normaal genoemd. Dergelijke verslagen geven weliswaar geen nieuw beeld van de sociale verhoudingen in Castricum, maar omdat er behalve slechte weersomstandigheden geen alarmerende opmerkingen in voorkomen, is men geneigd de situatie van althans de boerenbedrijven goed te noemen. Dat zou in overeenstemming zijn met wat bekend is over de algemene economische situatie in die periode, waarbij het boerenbedrijf wordt genoemd als Ć©Ć©n van de weinige bedrijfstakken, die zich aan de algehele malaise wist te onttrekken.

Een speciale commissie voor de armenzorg

Niettemin was er in Castricum, evenals in andere Noord-Hollandse gemeenten, nog steeds een groot aantal behoeftigen die aanleiding gaven tot zorgverlening. Dat blijkt uit een in 1816 door de Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland aan de burgemeesters verstuurde brief, waarin hij de aandacht en de deelneming van alle vermogende mensenvrienden vraagt ‘om langs eenen geregelden en doelmatige weg te worden in staat gesteld, hunne behoeftigen natuurgenoten gedurende de naderende winter te hulp te komen’ en bovendien voorstelt om in overleg met “aanzienlijke bewoners uwer gemeente” een commissie op te richten voor de inzameling, aankoop en distributie van levensmiddelen.
De burgemeester van Castricum geeft gevolg aan het verzoek en antwoordt, dat om de nood der behoeftigen in Castricum te lenigen er een “commissie is opgericht van de voornaamste inwoners, aan het hoofd waarvan ik geplaatst ben, ten einde aan de behoeftige huisgezinnen wekelijks uit te delen 22 stuks brood benevens enige droge takkenbossen; wat de aardappelen betreft, hiervan zijn de meeste kunnen voorzien, doch zulke welke ze niet hebben krijgen nog een halve zak aardappelen”.

Uit een brief van de burgemeester van Castricum eind 1816 aan Gedeputeerde Staten wordt duidelijk hoe in dat jaar de armenzorg in Castricum was georganiseerd. De zogenaamde ‘gewone bedeling’ toonde de reeds lang bestaande structuur van een Algemeen Armenbestuur, een Gereformeerd Armenbestuur en een Rooms-katholiek Armenbestuur, welke laatsten uiteraard voornamelijk de lidmaten van hun kerken ondersteunden. Deze gewone bedeling schoot nu kennelijk te kort. Vandaar het in het leven roepen van wat in de brief ‘buitengewone bedeling’ wordt genoemd, die in handen was van de hiervoor genoemde, speciaal opgerichte commissie onder leiding van de burgemeester, die wekelijks voor 12 gulden aan roggebrood en aardappelen uitdeelde.

Koninklijke bezorgdheid

In een circulaire van Gedeputeerde Staten in Haarlem uit november 1816 aan de gemeentebesturen wordt in verband met de heersende armoede de ‘vaderlijke bezorgdheid’ van de koning uitgesproken, met name over de steeds toenemende duurte der levensmiddelen en er worden ook maatregelen aangekondigd. De uitvoer van aardappelen en boekweit wordt bij wet verboden. De buitenlandse graanhandel blijft echter ‘om zeer wijze redenen’ gehandhaafd. Rijkswerken en werken van plaatselijk nut dienen ook gedurende de winter zoveel mogelijk voortgang te vinden.
De bezorgdheid van de koning uitte zich soms in gedetailleerde voedseladviezen, zoals in een missive van de Minister van Binnenlandse Zaken uit november 1816, waarin wordt gesteld, dat het Zijne Majesteit aangenaam zou zijn om als voedsel voor de armen aan te wenden “het geleij van beenderen, in de godshuizen en andere gestichten van liefdadigheid; daar deze geleij aan het onderzoek van het Geneeskundig Bestuur over de Armee onderworpen geweest zijnde de nuttigheid van dezelve na herhaald gedane proeven heeft erkend”. Een soort bouillon voor de armen dus.

De niet meer bestaande duinboerderij 'Klein Johanna's Hof', die tijdens de duinontginning in de 19e eeuw in bedrijf was.
De niet meer bestaande duinboerderij ‘Klein Johanna’s Hof’, die tijdens de duinontginning in de 19e eeuw in bedrijf was. Gesloopt in 1920.

Tewerkstelling

Een initiatief om de toenemende armoede een halt toe te roepen was in 1818 de oprichting van de Maatschappij van Weldadigheid, die zich ten doel stelde om van de 190.000 armen in ons land er 150.000 in te schakelen bij ontginningsarbeid van natuurgebieden. In de geest des tijds, die armoede associeerde met luiheid, vonden velen dit een nobel plan en het kreeg dan ook grote steun, onder meer van koning Willem 1. In Drenthe werden zogeheten koloniƫn gesticht met namen als Willemsoord en Wilhelminaoord voor degenen die op vrijwillige basis wilden migreren. Landlopers en bedelaars konden aan het werk worden gezet in de afzonderlijke koloniƫn Veenhuizen en Ommerschans, namen die door hun geschiedenis ook thans nog vrij luguber klinken.
De gemeenten kregen nu de gelegenheid om tegen een vergoeding personen die daarvoor in aanmerking kwamen, te bewegen naar deze werkkampen te verhuizen. Hiervoor was in principe de medewerking van de betrokkenen nodig, maar vormen van dwang werden niet geschuwd. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een schrijven uit 1830 van de heer Feith, referendaris voor het Armwezen, aan de Castricumse burgemeester Kieft, die in een niet bewaard gebleven brief kennelijk advies had gevraagd, hoe hij twee van de bedeling levende Castricumse vrouwen naar Ommerschans kon krijgen. Feith antwoordde dat de twee vrouwen niet onder dwang naar de koloniĆ«n konden worden gezonden, maar adviseerde om hun bijstand in te trekken. “Niets bezittende zullen zij, naar alle gedachten bedelen, en alsdan zouden zij in de termen vallen van vagabondage, en alzoo kunnen opgenomen en naar de Ommerschans kunnen gerenvijeerd worden, echter altijd als zij niet gebrekkig of ziek zijn.”
De afloop van deze geschiedenis is niet bekend, maar uit de schaarse gegevens kan men opmaken dat er inderdaad Castricummers naar de werkkampen zijn gestuurd, hoewel het om incidentele gevallen lijkt te gaan.


Jaarboek 27, pagina 18

Boerderij 'De Brabantse Landbouw', de oudste in het duingebied. Gebouwd in 1770 in opdracht van Andries Deutz van Assendelft. De eerste huurder was Evert Asjes.
Boerderij ‘De Brabantse Landbouw’, de oudste in het duingebied. Gebouwd in 1770 in opdracht van Andries Deutz van Assendelft. De eerste huurder was Evert Asjes.

Ontginningsarbeid

Zoals reeds opgemerkt werden er tijdens de regeringsperiode van Willem I initiatieven ondernomen om op grote schaal de landontginning aan te pakken, want er was een relatief nog vrij groot oppervlak van ons land, dat daarvoor in aanmerking kwam. Men hoopte hiermee een aantal vliegen in Ć©Ć©n klap te slaan: een drastisch terugdringen van de werkloosheid en daarmee van de bijstand, omscholing van werklozen tot landarbeiders en het in cultuur brengen van woeste gronden ten bate van landbouw en veeteelt.
Directe gevolgen voor Castricum had de ontginning van het nabijgelegen duingebied, waarmee in feite al in de 18e eeuw een aanvang was gemaakt onder de naam ‘Brabantsche Landbouw’ maar waarvan het resultaat uiteindelijk tegenviel, omdat veeteelt er succesvoller bleek dan de eigenlijke landbouw.
Aan de latere, meer grootschalige ontginning van de duinen is de naam van jhr. mr. Daniƫl Theodore Gevers van Endegeest verbonden, die in 1824 plannen indiende om ten behoeve van de landbouw de duinvalleien te ontsluiten, waarbij hij werd gesteund door koning Willem I, die voor dat doel omvangrijke duinterreinen aankocht. In 1834 was een beperkt deel der plannen gerealiseerd. Ontgonnen was ongeveer 200 hectare duinterrein, waarop rogge, haver, gerst en aardappelen werden verbouwd, terwijl er ook runderen graasden.
Niettemin liep de ontginning langzamerhand vast. Berekeningen over de agrarische activiteiten lieten zien dat de kosten veel hoger waren dan de opbrengst, onder andere door de dure bemesting en dus bestonden de activiteiten op den duur alleen nog maar uit consolidatie, hoewel tot ver in de tweede helft van de 19e eeuw nog boeren een bestaan in het duingebied trachtten op te bouwen. Lange tijd werden in het duin ook schapen gehouden, maar daaraan kwam na 1880 een voorlopig einde. Elders in dit jaarboekje een artikel over de geschiedenis van Johanna’s Hof, naar welk artikel wij verwijzen voor veel meer details betreffende de duinontginning.
Succesvol of niet, de ontginning van het duingebied is ook voor Castricummers een bron van bestaan geweest. Hoewel de schade achteraf meevalt, illustreert de ontginningsgeschiedenis, hoe al in de vorige eeuw natuur werd opgeofferd aan de economie. Met een waardeoordeel moet men echter voorzichtig zijn, want de meeste armoedzaaiers waren ongetwijfeld meer geĆÆnteresseerd in een beter bestaan, dan in meer natuur.

Het feit dat de geboorteplaats als domicilie van onderstand kon worden aangemerkt, terwijl men elders woonde, betekende veel administratieve rompslomp. Veel gemeenten gingen er dan ook toe over elkaar aan te schrijven op voorgedrukte formulieren, waarvan hier een voorbeeld. In het archief van Castricum bevindt zich een map met honderden van dergelijke aanvragen voor vergoeding van ondersteuningskosten.
Het feit dat de geboorteplaats als domicilie van onderstand kon worden aangemerkt, terwijl men elders woonde, betekende veel administratieve rompslomp. Veel gemeenten gingen er dan ook toe over elkaar aan te schrijven op voorgedrukte formulieren, waarvan hier een voorbeeld. In het archief van Castricum bevindt zich een map met honderden van dergelijke aanvragen voor vergoeding van ondersteuningskosten.

Het ‘domicilie van onderstand’

In 1815 kwam een nieuwe Grondwet tot stand. Hierin was van een regeling der armenzorg nog geen sprake, maar wel eiste de wet, dat jaarlijks aan de Staten Generaal een uitvoerig verslag over de armoede zou worden uitgebracht. Op grond van de treurige toestand, die uit deze verslagen naar voren kwam, werd bij wet van 28 november 1818 het zogenaamde ‘domicilie van onderstand’ ingevoerd. Dit hield in, dat behoeftigen aanspraak zouden kunnen maken op de algemene armenzorg in hun verblijfplaats, als ze daar ten minste vier jaar hadden gewoond. Bij een kortere verblijfsduur kwamen ze ten laste van de armenzorg in hun geboorteplaats.
Deze regeling, die lang van kracht is geweest, kan achteraf een slechte regeling worden genoemd, want ze gaf een enorme ergernis bij de gemeentebesturen door de grote administratieve rompslomp en het geschuif met bedeelden tussen geboorte- en woonplaats, waarbij de situatie nog werd gecompliceerd, omdat de plaatselijke kerkelijke armenzorg zich niets aan de regeling gelegen liet liggen. We komen hierop nog terug.

Verslaggeving over 1821

In 1822 beschikken Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, dat de gemeenten een opgave van het aantal armen moeten doen, op voorgedrukte formulieren. In januari 1823 geeft de burgemeester van Castricum hieraan gevolg en stuurt hij gegevens in van het jaar 1821. Dat er verschillende overzichten zijn, met doorhalingen en verbeteringen, werkt verwarrend, maar de volgende reconstructie is aannemelijk.
Door de Algemene Armen, die waarschijnlijk nauw samenwerkten met de Gereformeerde Gemeente, werden 45 personen bedeeld. Door de ‘Armmeesteren’ der Rooms-katholieke Gemeente werden 84 personen gesteund, verdeeld over 19 families. Indien er geen overlapping van de beide vormen van armenzorg was, volgt uit deze verslaggeving, dat er in 1821 in Castricum 129 personen werden bedeeld, ca. 18 procent van de 724 inwoners in dat jaar. Als oorzaak voor de ondersteuning van 65 der 84 kerkelijke personen wordt genoemd gebrek aan werk van de kostwinner. De resterende groep bestond uit personen die niet konden werken, zieken, weduwen en bejaarden.
Uit deze cijfers spreekt in vergelijking met vroegere perioden een verschuiving in het patroon van de armoede. Werkloosheid gaat in toenemende mate de omvang van de armoede bepalen. Dat er, ondanks het feit dat het boerenbedrijf niet slecht rendeerde en ook de schelpenvisserij goede jaren beleefde, toch een grote werkloosheid was, gold voor de gehele agrarische sector. De historicus Van Loo constateert dat er in deze periode in de kustprovincies, door de modernisering van de landbouw en de vrij grote sociale tegenstellingen tussen loonarbeiders en herenboeren, regelmatig van werkloosheid sprake was, vooral buiten het drukke zomerseizoen. In de zomer was er volop werk en kon men op de boerenbedrijven zelfs buitenlanders gebruiken, vooral Duitsers, die in Nederland werk zochten omdat het in eigen land economisch nog slechter was gesteld. In de winter was er echter weinig werk en omdat er geen werkloosheidsregelingen bestonden, kwam dan een deel van de landarbeiders zonder inkomsten. Het was volgens Van Loo dus geen structurele, maar een periodieke werkeloosheid waardoor men in de moeilijkheden kwam en op de armenzorg een beroep moest doen. Van Loo merkt nog op, zoals ook uit de Castricumse gegevens is gebleken, dat het wekelijks brood de basis van de armenzorg was. Dit werd verstrekt in de vorm van grote roggebroden van 2,5 kg en alleen bejaarden die dat harde brood niet konden kauwen, kregen het fijnere tarwebrood.

De hongerjaren

In de periode 1837-1852 met Jan de Quack als burgemeester van Castricum, was het volgens Zuurbier, die deze periode in het 4e Jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum bespreekt, voor veel Castricummers nog steeds uiterst moeilijk om het hoofd boven water te houden. Castricum telde vele armen en ondersteuning behoevende personen. Het gemeentebestuur kreeg verschillende malen ten behoeve van het armbestuur financiĆ«le ondersteuning uit de provinciale kas. De armoede trof voornamelijk weer dezelfde groepen als voorheen, waaronder de landarbeiders. De veeboeren met een eigen bedrijf verging het niet zo slecht en zij hadden, als we de schrijver Nicolaas Beets mogen geloven, plezier in hun bestaan. Hij schetst onder zijn pseudoniem Hildebrandt de Noord-Hollandse veeboer als een vrij zorgeloos type: “Want de vrouw houdt van opschik en zoetigheid, en de man weet grof geld te verteren als hij uit is voor zijn plezier. In dit regenjaar 1841 is het hooi bitter slecht uitgevallen, maar toen de kermisklok te Alkmaar geluid had, kwamen er niet minder sjezen en wagens om binnen, langs alle wegen en door alle poorten, beladen met boeren en boerinnen, die er zich de witte wijn en de rode met suiker en al wat verder tot opscherping der levensgeesten ter tafel kon worden gebracht, en de pontekoek (red: goedkope soort stroopkoek met het gewicht van 1 pond) daarbij, niet minder om lieten smaken dan in enig vorig jaar…”

Lang niet voor iedereen was het feest. In de periode 1845-1848, wel als ‘hongerjaren’ aangeduid, werd het probleem van de armoede in de steden, maar ook op het platteland, zeer zorgwekkend. Hiervoor waren verschillende oorzaken. Sinds 1815 was de bevolking, die in de 18e eeuw nog stagneerde of zelfs terugliep, snel toegenomen. Dat geldt ook voor Castricum, waar het aantal inwoners van


Jaarboek 27, pagina 19

1815 tot 1846 toenam van 730 tot 1073. Omdat het grondgebruik nauwelijks was geĆÆntensiveerd, leidde deze bevolkingsgroei tot meer werkloosheid. Doordat de bouw van huizen geen gelijke tred had gehouden, waren ook de huurprijzen flink opgelopen. Verder heerste in geheel Europa de aardappelziekte, waardoor grote delen van de oogst mislukten. De teelt van de aardappel was in ons land in de 19e eeuw dusdanig sterk toegenomen, dat in 1845 de toenmalige Minister van Binnenlandse Zaken opmerkte: “Dat hij thans als het meest noodzakelijke voedingsmiddel voor de lagere en zelfs voor een gedeelte der middelstanden in Nederland te beschouwen is.”
De schimmelziekte was dus vooral voor de armere bevolkingsgroepen desastreus. Aardappelen werden vrijwel onbetaalbaar en ook de prijzen van vervangende voedingswaren stegen enorm. De ondervoeding nam toe en armen werden zelfs het slachtoffer van de hongerdood. Het kwam hier en daar tot hongeroproer, wat de regering grote zorgen baarde. De aardappelziekte zal zeker ook zijn gevolgen hebben gehad voor de toen reeds vrij omvangrijke aardappelteelt in Castricum, hoewel over de mate van de lokale schade en zijn gevolgen, gegevens ontbreken.

De armoede uitte zich ook in de huisvesting, zoals hier afgebeeld door Sijf Portegies: een armelijk huisje aan het duin, waar de familie Verdwaald woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was.
De armoede uitte zich ook in de huisvesting, zoals hier afgebeeld door Sijf Portegies: een armelijk huisje aan het duin, waar de familie Verdwaald woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was.

Als armoedegrens voor een gezin in de kustprovincies rond 1850 noemt de economische geschiedschrijving een inkomen van 300 gulden per jaar, dat kon worden verdiend door geschoolde ambachtslieden, middenstanders, handelaren en agrariƫrs met een eigen bedrijf. Het zomerdagloon lag in deze periode in Castricum volgens gemeenteverslagen voor een ongeschoolde landarbeider gemiddeld op 80 cent, zodat hij bij werkloosheid gedurende de winter gedoemd was om aanzienlijk beneden de armoedegrens te blijven. Had hij een gezin dan moest indien enigszins mogelijk de vrouw uit werken gaan, waarbij ze echter voor hetzelfde werk als haar echtgenoot nog niet de helft betaald kreeg. Noodgedwongen werkten dus veelal ook nog kinderen uit dergelijke gezinnen mee, om ongeveer 1 gulden per week te verdienen, genoeg voor de huishuur. Dit had uiteraard zijn negatieve effecten, zoals schoolverzuim.
Steeman schetste in een artikel over de geschiedenis van de Castricumse dorpsschool de moeilijkheden, waarmee Cornelis Schut, die van 1825 tot 1859 als schoolmeester in Castricum werkzaam was, werd geconfronteerd en noemt daarbij het schoolverzuim van “grote lummels, die wegens ‘doppers plukken’ en ander werk op de tuinen lange periodes uit school wegbleven”.
De reden voor het werken op het land van deze kinderen was waarschijnlijk toch niet van de veronderstelde avontuurlijke aard ‘om te ontsnappen aan het alle dagen opgesloten zitten in een benauwd ongezellig leerhok’, maar veeleer een bittere noodzaak om ook geld in het laatje te brengen. Gezien het hiervoor geschetste beeld is het niet verwonderlijk, zoals uit archiefgegevens blijkt, dat ook alleenstaande werkende vrouwen, met bijvoorbeeld een winkeltje, vaak nog ondersteuning nodig hadden.

Armenwet van 1854

In de regeringsperiode van koning Willem III (1849-1890) werd op 28 juni 1854 een nieuwe armenwet van kracht. Hoofdbeginsel was, dat de armenzorg werd overgelaten aan kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid en dat het Burgerlijk Armenbestuur of de gemeente alleen zouden bijspringen, als men niet voor ondersteuning door andere instanties in aanmerking kwam. Wel werd vastgelegd, dat armen die door de kerk werden ondersteund ook uit het Algemene Armenfonds een aanvullende ondersteuning konden krijgen. Met deze wet beoogde de overheid zich om financiƫle redenen zoveel mogelijk aan de armenzorg te onttrekken. De wet hield overigens wel bepalingen in over de samenstelling en het beheer van de burgerlijke instellingen, terwijl de kerkelijke besturen en bijzondere instellingen wat dit betreft volkomen vrij werden gelaten.
De definitie van ‘domicilie van onderstand’ uit de wet van 1818 bleef overigens gehandhaafd en leidde in de praktijk tot grote problemen. De wet kende ook een aparte regeling voor bedelaars en landlopers. Men kon worden gevangen gezet en vervolgens veroordeeld tot tewerkstelling in werkkampen als Veenhuizen en Ommerschans.

Verslaggeving 1857-1866

Na invoering van de Armenwet in 1854 werd door het Castricumse gemeentebestuur jaarlijks weer een nieuw type formulier bij het provinciaal bestuur ingediend met opgaven van het aantal bedeelden. Hoewel deze opgaven soms moeilijk interpreteerbaar zijn, door veranderingen en doorhalingen, komen we over een periode 1857 tot 1866, dus betrekkelijk kort na het tot stand komen van de armenwet, tot het volgende beeld. In de cijfers betreffende de door het Algemeen Armenbestuur bedeelde armen zijn niet begrepen de ingevolge de bepalingen van het ‘domicilie van onderstand’ elders bedeelde oud-Castricummers.
Van de nieuwe armenwet, met name de beoogde verschuiving van de algemene armenzorg naar de kerkelijke armenzorg, kwam niet veel terecht, omdat de kerkelijke instanties eenvoudigweg niet over


Jaarboek 27, pagina 20

voldoende financiƫle middelen beschikten. Dat blijkt ook voor Castricum op te gaan. De bedoeling om het Algemeen Armbestuur te ontlasten komt uit de cijfers zeker niet naar voren. Integendeel, de algemeen bedeelden vormen de meerderheid.

Tabel met het aantal door de verschillende vormen van armenzorg bedeelde Castricummers in de periode 1857-1866.
Tabel met het aantal door de verschillende vormen van armenzorg bedeelde Castricummers in de periode 1857-1866.

De tabel suggereert, dat over genoemde periode gemiddeld ca. 15 procent van de Castricumse bevolking in een of andere vorm werd ondersteund. Op grond van hiervoor vermelde gegevens kwamen we tot de conclusie, dat in 1821 ca. 18 procent van de Castricumse bevolking werd bedeeld. Ten opzichte van dat jaar is er van een essentiƫle vermindering in het percentage armlastigen dus nauwelijks sprake en blijkt er nog steeds een vrij omvangrijke en aanhoudende armoede in ons dorp. De jaarlijkse schommelingen in het totaalcijfer van de bedeelden, zoals die in de tabel tot uiting komen, worden toegeschreven aan de wisselende werkloosheid, die weer in verband wordt gebracht met de oogst. Een tegenvallende aardappeloogst wordt herhaaldelijk genoemd. Het verslag over 1865 accentueert de samenhang tussen armoede en werkloosheid door op te merken dat de vermindering van het aantal behoeftigen na de top in 1864 vermoedelijk het gevolg is van meer werk.

Enig inzicht in de financiĆ«le gang van zaken verschaft de schriftelijke verantwoording, die jaarlijks door het Algemeen Armenbestuur werd afgelegd. Nemen we als voorbeeld het jaar 1858, waarin door dit bestuur voor de bedeling werd uitgegeven: contant geld 540 gulden, etenswaar 160 gulden, ‘armlastige’ huishuur 200 gulden, brandstoffen 60 gulden, schoenreparaties 30 gulden en geneeskundige hulp 148 gulden. Over het jaar 1858 werd een bedrag van 124 gulden als inkomsten uit collecten verantwoord, wat dus verre van toereikend was om de opgesomde armenzorg te betalen. Het gemeentebestuur sprong dan ook bij met aanzienlijke subsidies om het tekort te dekken; in 1858 met 1.100 gulden.

Problemen met het ‘Domicilie van onderstand’

In 1855 was als reactie op de nieuwe armenwet door de bisschop van Haarlem een Reglement op het Armenwezen afgekondigd, dat voorzag in een betere structurering van de rooms-katholieke parochiale armbesturen. Dit reglement hield echter geen rekening met de wettelijke bepalingen over het domicilie van onderstand, want het was ondoenlijk de kerkelijke ondersteuning in een bepaalde plaats uit te breiden tot personen, die wel ter plekke waren geboren, maar inmiddels elders verbleven.


Jaarboek 27, pagina 21

Volgens de Gemeentewet van 1851 werden gemeentebesturen verplicht elk jaar verslag te doen van de toestand der gemeente aan de hand van een vragenlijst. Wat betreft Castricum klaagt burgemeester Jacob Rendorp, in 1852 opvolger van Jan de Quack, in deze verslagen voortdurend over de uitwerking van de armenwet met betrekking tot de bestaande regeling over het domicilie van onderstand.
Hij toonde daarbij een antipathie tegen de kerkelijke armenzorg, omdat die zich niets aantrok van de elders wonende ex-Castricummers, aan wie de gemeente verplicht was ondersteuning te verlenen. Als voorbeeld de volgende ontboezeming van de burgemeester in 1856:
“Deze gemeente voelt een zeer nadelige werking der Armenwet, daar oneindig veel meer behoeftigen dan vroeger uit andere gemeenten van heinde en verre ten laste van de gemeente komen, die vroeger bij de kanalisatie en ontginning der duinen hier Ć³f waren gehuwd Ć³f enige jaren verbleven en later weder elders hun bestaan zoeken. Dus komen de nieuwe Armenwet en de Reglementen der Kerkelijke Armenverzorging onze gemeente zeer duur te staan. Voorts is de toenemende bevolking onder de mindere klasse en de voortdurende duurte van de levensmiddelen, terwijl de daglonen niet verbeteren, een grote hinderpaal in het verbeteren van het lot der behoeftigen en de middelen om daarin te voorzien zijn buiten ons bereik.”

Een aantal jaren later, in 1863, is er nog weinig veranderd en schrijft de burgemeester:
“Toestand nagenoeg hetzelfde. Wij moeten alweder herhalen, wat reeds zo vele jaren is aangehoord: dat de armenwet tot zeer nadelige en kostbare werking en strekking is van de gemeenten ten platte lande, immers zo lang het verschil blijft bestaan tussen deze wet en de kerkelijke reglementen ten aanzien van onderstandsdomicilie en dat ook ten verschaffen van geneeskundige hulp, evenals schoolgelden en begrafeniskosten niet buiten verhaal wordt gesteld. Er zijn weinig mogelijkheden ter verbetering.”

Om welke aantallen elders verblijvende, maar door de gemeente Castricum ondersteunden, ging het nu eigenlijk? Het verslag over 1866 noemt als ‘elders ondersteund’ 10 gezinnen.
Een voorbeeld van de administratieve rompslomp die voortvloeide uit de bepalingen over het domicilie van onderstand treffen we aan in het jaar 1868.
Het armbestuur van Alkmaar had de ondersteuning van de aldaar woonachtige weduwe Maartje Essink naar Castricum doorgeschoven, omdat zij uit Castricum afkomstig was. De burgemeester van Castricum maakt hiertegen in september van dat jaar bezwaar in een brief aan de burgemeester van Alkmaar. Hij schrijft onder andere:
“De toestand der geldmiddelen van het armenbeheer alhier, uitgeput door de vele bedeelingen aan elders inwonende doch hier armlastige armen gedoogt niet dat cijfer voor buitenbedeeling steeds te vergrooten. Het komt mij voor dat eene weduwe met twee kinderen die gezond is om te werken en hare kinderen niet zo jong meer zijn en zelven welligt wat kunnen verdienen, niet zoo juist in de termen valt van onderstand.” En hij haalt nog eens uit: ‘Jammer dat de RK armen zich doorgaans van de zorg van armen geheel onttrekken.”

De kwestie wordt in handen gegeven van de voorzitter van het Castricumse Algemeen Armenbestuur, die een maand later aan zijn collega in Alkmaar schrijft, dat hij een gesprek met Maartje Essink heeft gehad. Hij vervolgt:
“Alhoewel Art. 144 der Armenwet ten haren opzigte is toegepast en zij het voorwerp welverdiende te zijn der Kerkelijke liefdadigheid, zoo is het een ongelukkig verschijnsel, dat men zulke personen aan het Algemeen Armenbestuur overlaat. Intussen schijnt deze vrouw liever te Alkmaar blijven wonen, en daarom zou ik u in bedenking geven dat voor haar een besluit werd genomen om onderstand in huishuur ten bedrage van 60 cent’s weeks, zijnde hoofdzakelijk de inhoud van haar verzoek.”
Hoe de kwestie afloopt weten we niet, maar duidelijk is dat het regelen van de bedeling van buiten Castricum verblijvende behoeftigen, met echter Castricum als het domicilie van onderstand, wel wat voeten in de aarde kon hebben. En dit was wellicht nog niet eens het moeilijkste geval.

Het restitutiesysteem, waarbij de gemeenten over en weer geld voor de armen aan elkaar overmaakten, was op den duur niet te handhaven. Bij wet van 1 juni 1870 werd dit dan ook afgeschaft en werd uitsluitend de gemeente waar men verbleef als domicilie van onderstand aangemerkt.

Het boerenbedrijf en de werkloosheid

Een belangrijke oorzaak van de armoede in de vijftiger jaren van de 19e eeuw was nog steeds, evenals in 1821, de werkloosheid. In provinciale verslagen over de periode 1850-1880 wordt herhaaldelijk opgemerkt, dat het aandeel van de dagloners in de winsten van het boerenbedrijf gering was en dat zij slechts met grote moeite in hun onderhoud konden voorzien. Toch krijgt men de indruk, dat het met het boerenbedrijf in Castricum in de jaren rond 1860 niet slecht gesteld was. Uit een verslag over 1858, dat ook representatief mag worden geacht voor de omliggende jaren, blijkt aardig wat bedrijvigheid. Voor land- en tuinbouw is 114 hectare grond in bedrijf, waarop rogge, gerst, haver, aardappelen, erwten en penen worden geteeld. De totale opbrengst in geld is 14.410,- gulden.
De teelt van bloembollen in Castricum wordt in de verslagen voor het eerst in 1855 genoemd en stelde in 1858 nog niet veel voor. Er is een halve hectare in gebruik en de handel wordt gering genoemd. Wat de veehouderij betreft is er nauwkeurig geteld en noemt het jaarverslag in 1858 de aanwezigheid op Castricums grondgebied van 786 koeien, 180 kalveren, 180 varkens, 639 schapen, 201 paarden, 6 bokken, 39 geiten en 2 ezels, terwijl er ook twee schaapskudden grazen in het duingebied. Vee werd vooral verkocht op de markt in Alkmaar, waar door de Castricumse boeren jaarlijks in de orde van 125 koeien en 25 varkens werden aangeboden. In de periode waarover we spreken waren typische prijzen die werden betaald: 55 gulden voor een koe en 30 gulden voor een varken.

Voorbeeld van landbouwmechanisatie omstreeks het midden van de 19e eeuw. De afbeelding toont een hekeldorsmachine, die werd aangedreven door paarden in een tredmolen. Het is aannemelijk dat ook in Castricum in toenemende mate gebruik werd gemaakt van door paardenkracht aangedreven werktuigen. Later in de 19e eeuw werd de paardenkracht vervangen door stoom.
Voorbeeld van landbouwmechanisatie omstreeks het midden van de 19e eeuw. De afbeelding toont een hekeldorsmachine, die werd aangedreven door paarden in een tredmolen. Het is aannemelijk dat ook in Castricum in toenemende mate gebruik werd gemaakt van door paardenkracht aangedreven werktuigen. Later in de 19e eeuw werd de paardenkracht vervangen door stoom.

Als een der oorzaken van de niettemin voortdurende werkloosheid, zowel landelijk als provinciaal, wordt genoemd het in toenemende mate in gebruik nemen van arbeidsbesparende machines, vooral in de landbouw, bij het zaaien, wieden, maaien en dorsen.


Jaarboek 27, pagina 22

Tekening door Sijf Portegies van het armenhuis, het huis met dubbel puntdak, dat in 1862 in gebruik is genomen en in 1912 plaats moest maken voor nieuwbouw. De boerderij links op de tekening was in gebruik als bakkerij en is later afgebrand, waarschijnlijk in 1911.
Tekening door Sijf Portegies van het armenhuis, het huis met dubbel puntdak, dat in 1862 in gebruik is genomen en in 1912 plaats moest maken voor nieuwbouw. De boerderij links op de tekening was in gebruik als bakkerij en is later afgebrand, waarschijnlijk in 1911.

Het eerste Castricumse armenhuis

Gebrekkige oudere alleenstaanden zonder inkomsten en weeskinderen waren waarschijnlijk voor de meeste armbesturen de duurste klanten, omdat zij voortdurend zorg en ondersteuning nodig hadden, terwijl de bijstand van veel werklozen een periodiek karakter had. Daarom ontstond het besef dat men voor de opvang en verzorging van deze groep voordeliger uit zou zijn, als ze in een gemeenschappelijk tehuis zouden worden opgenomen. In de grote steden zien we dat deze gedachte in de vorm van armentehuizen, bejaardentehuizen, weeshuizen en armenhofjes al in de 18e eeuw gestalte krijgt.
De weeskinderen als onderwerp van de armenzorg in Castricum hebben we tot dusver buiten beschouwing gelaten, omdat het probleem van de ondersteuning en verzorging van wezen in Castricum van beperkte betekenis was binnen de totale armenzorg. Niettemin bestond er al sinds de 18e eeuw in Castricum een keur met betrekking tot weeskinderen, die vooral hun rechtspositie en het beheer van geƫrfde bezittingen regelde. Meestal kwamen ze onder toezicht van familieleden en werden ze in een gezin van familieleden of adoptie-ouders opgenomen, waarvoor dergelijke gezinnen dan ondersteuning ontvingen.

In Castricum komt de stichting van een tehuis voor armen en wezen voor het eerst in 1861 aan de orde.
Dit blijkt uit een brief in dat jaar geschreven door de armenbestuurders J. Kuijs en J. Muijs aan het gemeentebestuur, waarin zij voorstellen doen om een wees- en armenhuis te stichten. Zij noemen de woning van de weduwe Barend Dubbeling, die reeds eigendom was van het Algemeen Armenbestuur, hiervoor geschikt: “Indien voor dit huis een kamer gebouwd wordt van dezelfde lengte en breedte, naar evenredigheid, zouden verscheidene personen kunnen worden geplaatst, terwijl in het bestaande gebouw een stookplaats komt en voor de moeder en een ziekekamertje gemakkelijk een plaats is te vinden. Het zal worden een huis met dubbele kap, kosten ca. 1.000,- gulden, volgens een deskundige van de gemeente.” Voorgesteld wordt om dit bedrag van de gemeente te lenen tegen behoorlijke rente en met jaarlijkse aflossing van 200 gulden. Men zet er vaart achter, want de streefdatum voor oplevering is 1 februari 1862. We mogen aannemen dat het volgens de plannen is gerealiseerd, want enkele tekeningen van Sijf Portegies tonen inderdaad een ‘huis van ouden van dagen’ met twee puntdaken, de ‘dubbele kap’.
Het huis, met oorspronkelijk het adres Kerkbuurt 123, stond op de hoek Overtoom-Schoolstraat, ongeveer op de plaats waar later een nieuw armenhuis werd gerealiseerd, dat thans nog in gebruik is als appartementengebouw (Overtoom 26-36).

De dagelijkse leiding van een armenhuis, een bezoldigde functie, werd meestal in handen gegeven van een zogenaamde weesmoeder. De eerste weesmoeder van het Castricumse armenhuis was de in Castricum geboren Hendrika Wielaards, die in 1862, op 68 jarige leeftijd, de leiding op zich nam en deze behield tot haar overlijden in februari 1871. De eerste bewoner van het armenhuis, waarmee zij te maken kreeg, was de 65-jarige Cornelis Duijn, die op 10 januari 1862 werd ingeschreven. Hendrika Wielaards werd opgevolgd door de 32-jarige, uit Alkmaar afkomstige, Maria Steeman, die de functie van weesmoeder tot juni 1881 uitoefende. Daarna kreeg een zekere Elisabeth Zwaan de leiding, voor slechts een vrij korte periode, want zij kwam in 1885 te overlijden. Tijdens haar bewind kwamen moeilijkheden met de bewoners van het armenhuis naar buiten.
Dit blijkt uit een nogal gepeperde brief, die de voorzitter van het Algemeen Armenbestuur, de armenvoogd D. Schotvanger, in maart 1882 van het gemeentebestuur ontving. Het schrijven is niet alleen interessant vanwege de nog steeds actuele problematiek van de besteding van gemeenschapsgeld, maar ook door de visie op armenzorg, die er uit spreekt: “Tot ons leedwezen is het ons ter oore gekomen, dat de bewoners van het Algemeen Armenhuis alhier als ook geen misbruik dan toch een ruim gebruik der herbergen en kroegen maken. Wij achten het onnodig om over het laakbare dezer handelswijze der bewoners van het Armenhuis uit te wijden doch meenen U het volgende ernstig onder het oog te moeten brengen. Zooals U bekend is verkeert de financieele toestand der Algemeene Armen in eenen alles behalve gunstige toestand, zoodat zelfs uit de gemeentekas herhaaldelijk zware subsidiĆ«n aan de kas der Algemene Armen toegestaan zijn. Deze ongunstige financieele toestand is vooral te wijten aan de zware kosten van het Algemeen Armenhuis. Wij hebben gemeend die geldelijke offers in het belang der bewoners van het Armenhuis te moeten brengen, opdat de ouden van jaren en zij die ten gevolgen van bizondere omstandigheden geene werkzaamheden konden verrichten den tijd die zij in het Armenhuis door moesten brengen het zoo goed mogelijk zouden hebben. En wanneer wij nu vernemen, dat diezelfde personen in wier belang zoveel gedaan en opgeofferd wordt, en die geheel en uitsluitend leven van de goedheid en mildheid van weldenkende ingezetenen dezer gemeente hunne spaarpenningen in herbergen enz. verteren, dan kunnen wij niet nalaten U mede te deelen, dat deze handelwijze ons diep grieft.

Het is daarom, dat wij gemeend hebben dit schrijven tot U te moeten richten en wij meenen er aan toe te moeten voegen, dat aan het Algemeen Armenbestuur alleenlijk de Sorg is opgedragen om te maken dat geene personen den hongerdood sterven; wanneer Uw bestuur nu met inachtneming van den financieele toestand aan de bewoners


Jaarboek 27, pagina 23

van het Armenhuis iets meer dan het hoognodige wilt geven, dan zullen wij onze goedkeuring hier niet aan onthouden. Mocht echter dit ons schrijven niet baten en wij weder vernemen dat dergelijke misbruiken voort blijven bestaan, dan zullen wij ons genoodzaakt zien om onze goedkeuring te onthouden aan alle uitgaven door Uw bestuur te doen, zoo niet van hoogst noodzakelijke aard. Wij achten het niet ondienstig dat Gij mededeling doet van dit schrijven aan de bewoners van het Armenhuis.”

Na 1880 is opvallend de gestage afname van het aantal personen dat in het armenhuis verbleef en van de gelden waarmee de gemeente deze instelling subsidieerde: in 1880 nog met 1.761 gulden voor de verpleging van 11 personen en in 1897 nog slechts met 343 gulden voor 2 resterende bewoners. Er was nog lange tijd een weesmoeder, Jannetje Duinmeijer. Zij volgde in 1885 Elisabeth Zwaan op en genoot in 1898 een jaarwedde 104 gulden.
De afnemende populariteit van het armenhuis had waarschijnlijk met een toenemende bouwvalligheid te maken, maar niettemin bleef het tot aan de nieuwbouw in 1913 functioneren.

Herman Ruscheblatt, pastoor in Castricum van 1876 tot 1883, die niet alleen de kerkbouw voortvarend ter hand nam, maar ook de rooms-katholieke armenzorg beter organiseerde. Later was Ruscheblatt onder meer werkzaam als deken in Alkmaar.
Herman Ruscheblatt, pastoor in Castricum van 1876 tot 1883, die niet alleen de kerkbouw voortvarend ter hand nam, maar ook de rooms-katholieke armenzorg beter organiseerde. Later was Ruscheblatt onder meer werkzaam als deken in Alkmaar.

De rooms-katholieke armenzorg

In een overheersend rooms-katholieke gemeente als Castricum speelde in vroeger tijd de rooms-katholieke armenzorg uiteraard een belangrijke rol.
Van deze armenzorg zijn gegevens over een groot aantal jaren bewaard gebleven, onder andere de notulen van de vergaderingen van het Rooms-katholiek Parochiaal Armenbestuur, die aanvangen in 1877 en een vrij gedetailleerd beeld geven van deze kerkelijke armenzorg.
Het initiatief om juist in 1877 met het notuleren van de vergaderingen van dit al veel langer functionerende armenbestuur te beginnen, was het gevolg van het in 1876 aantreden van de doortastend genoemde pastoor Herman Ruscheblatt, die orde op zaken moest stellen met betrekking tot zijn voorganger pastoor Meeuwsen, die wegens langdurige ziekte de kerkelijke zaken en de administratie had verwaarloosd.
De eerste genotuleerde vergadering van het Parochiaal Armbestuur dateert van 26 januari 1877, waarbij Ruscheblatt zijn visie op de armenzorg uiteenzette aan het bijeengekomen armbestuur, dat bestond uit C. Mooij, voorzitter, J. Kuijs, ondervoorzitter, J. Kabel, penningmeester en A. Dekker, secretaris. Hij achtte het noodzakelijk, dat het bestuur staten van ontvangsten en uitgaven zou gaan bijhouden en dat de penningmeester zou worden belast met de wekelijkse uitdeling aan de armen.
Er was al direct een probleem, want penningmeester Kabel bracht in het midden dat hij te hoogbejaard en te zenuwachtig was voor het contact met de bedeelden, waarbij er zich toch wel eens onaangenaamheden zouden kunnen voordoen. Hierop werd besloten ondervoorzitter Kuijs met de bedeling te belasten.
Het armenbestuur kwam eenmaal per maand bijeen, waarbij dan eerst de offerbus, met de opbrengst van de diverse kerkcollecten over de afgelopen maand, werd geleegd en telling van de inkomsten plaatsvond. Dit was begrijpelijk een spannend moment en soms treft men in de notulen uitingen van teleurstelling aan, als de opbrengst tegenviel. Het rooms-katholieke armbestuur was namelijk wat de inkomsten en dus de mogelijkheden tot bedeling betreft aanvankelijk uitsluitend aangewezen op de kerkelijke collecten. Dit blijkt in 1879 als de deken van het bisdom Haarlem, die namens de bisschop als controleur jaarlijks bij een gecombineerde vergadering van het Rooms-katholieke Kerk- en Armenbestuur aanwezig was, vraagt naar het bezit aan onroerend goed. Geantwoord werd dat de parochiale armen in Castricum niet in het bezit zijn van onroerend goed, maar wel van roerend goed, in de vorm van twee collectezakjes en een offerbus.

In een goed jaar bedroegen de inkomsten uit de collecten ruim 900 gulden, maar daar stonden magere jaren tegenover met inkomsten van nauwelijks 500 gulden. Aanvankelijk werden er vrijwel geen financiƫle reserves opgebouwd en werd het gecollecteerde bedrag nagenoeg geheel uitgegeven aan armenzorg, onder andere ondersteuning in geld, met bedragen van ongeveer 1 gulden per week, maar ook goederen, zoals brandstoffen, kleding, dekens en haverdoppen als matrasvulling. Aan zieken werd extra melk verstrekt en een vast terugkerende post was de jaarlijkse kleding voor arme kinderen ter gelegenheid van hun eerste Heilige Communie.

De verhouding tussen het Rooms-katholiek Armenbestuur en het Algemeen Armenbestuur was waarschijnlijk niet slecht, hoewel zich soms merkwaardige incidenten voordeden. Zo verzoekt tijdens een vergadering in 1883 ondervoorzitter Kuijs om de kosten voor de ondersteuning van een gezin van het Algemeen Armenbestuur over te nemen. De pastoor stelt voor om te wachten tot het Algemeen Armenbestuur daarom vraagt, waarop Kuijs opmerkt dat hij de aanvraag doet als lid van het Algemeen Armenbestuur.
Dit schijnt enige verbijstering te hebben gewekt en de pastoor merkt op “dat het met zijn gevoelen niet is overeen te brengen, dat een lid van het Rooms-katholiek Armenbestuur ook tegelijk lid kan zijn van het Algemeen Armenbestuur, want dat zodanige dubbele junctie moet leiden tot bevoorrechting van den Ć©Ć©n ten nadele van de andere corporatie”.
Hij stelt voor, dat Kuijs een der twee betrekkingen opgeeft. Na enige discussie geeft Kuijs hieraan gevolg en deelt hij mee, dat hij voor het Algemeen Armenbestuur zal bedanken.


Jaarboek 27, pagina 24

In 1884 wordt voor het eerst het plan geopperd om geld voor de armen te genereren door belegging in aandelen. Als het armenbestuur in 1885 van Wilhelmina Schermer een schenking ontvangt van 1.000 gulden koopt pastoor Spiekerman, opvolger van de in 1883 naar Alkmaar vertrokken Ruscheblatt, Russische effecten. Ook in latere jaren wordt met succes geld belegd in onder andere Portugese Tabak en Russische Spoorwegen en het is duidelijk, dat de regelmatige uitkeringen, die de pastoor incasseert door het inwisselen van coupons, een welkome aanvulling vormen op de inkomsten uit de collecten. Toch blijven de inkomsten van het armbestuur te gering om alle aan- vragen voor ondersteuning te honoreren en is een selectie noodzakelijk, waarbij men zich vooral concentreert op de ondersteuning van armlastige ouderen, weduwen en wezen. Het steunen van werklozen vindt men meer een zaak voor het Algemeen Armenbestuur.

Op de vergaderingen passeerde een lijst van armen die ondersteuning genoten of nodig hadden regelmatig de revue, met een discussie over hun situatie, om na te gaan of er personen konden worden geschrapt of toegevoegd. Het armenbestuur hield nauwlettend in de gaten of de ondersteuning wel echt nodig was. Men ging bijvoorbeeld op huisbezoek, maar in een klein dorp waren er uiteraard ook andere bronnen van informatie over het doen en laten van de inwoners. Illustratief is bijvoorbeeld de in een vergadering met betrekking tot een ondersteunde weduwe gemaakte opmerking, dat zij zich veelal te Beverwijk bevond en volgens geruchten bij een weduwnaar als huishoudster in dienst was. Haar ondersteuning werd dan ook ingetrokken. Een huwelijk was reden om de ondersteuning onmiddellijk te staken, zoals in 1890, als de steun van weduwe J. Kool van 1,- gulden per week wordt ingetrokken wegens huwelijk met een jongeman, F. Baars. Eenzelfde lot onderging in augustus 1894 C. de Vries, van wie in een vergadering van het Armenbestuur werd opgemerkt dat hij “bruidegom zijnde niet meer in aanmerking mag komen om door het RK-Armenbestuur te worden ondersteund.”
Veronderstellingen over iemands privĆ©-leven konden ook aanleiding zijn om juist wel steun te verlenen. Zo treffen we in de notulen van januari 1890 de wat cryptische mededeling, dat het nodig was “op zedelijk gebied een ledikant met toebehoren ten dienste voor een zoon van een weduwe ter beschikking te stellen, welke aan gebrek van slaapstede onbehoorlijk zijn nachtrust moest genieten”.

In 1887 maakt pastoor Spiekerman zich bijzonder ongerust over de algemeen armoedige toestand waarin velen in Castricum verkeren, vooral met het oog op de naderende winter en hij heeft daarover zelfs een onderhoud gehad met de heer Schotvanger van het Algemeen Armenbestuur. Penningmeester Kabel komt met het voorstel om in samenwerking met het Algemeen Armenbestuur wekelijks te gaan collecteren voor de armen. Dit voorstel wordt vervolgens aan het Algemeen Armenbestuur en de burgemeester voorgelegd, maar het wordt afgewezen met een argument, dat illustratief is voor het bevoogdende karakter van de armenzorg: sommige armen zouden dan zĆ³ op inkomsten uit de collecten gaan rekenen, dat ze in een periode met verdiensten minder spaarzaam zouden worden.

De notulen van de Castricumse rooms-katholieke armenzorg overziend, is de algemene indruk, dat men op een nauwgezette wijze deed wat men kon. Door de vrijwel steeds tekortschietende financiƫle middelen was men wel gedwongen een selectie toe te passen op de personen die voor de bedeling in aanmerking kwamen, met als gevolg dat hun privƩ-leven nauwlettend werd gevolgd.

Een eeuw van vooruitgang?

In tegenstelling tot de 18e eeuw, waarin van economisch verval sprake was, wordt de 19e eeuw vaak als een periode van economische vooruitgang aangeduid.
Wat de periode 1850 tot ca. 1875 betreft wordt zelfs van een gouden tijd voor het boerenbedrijf gesproken. Dat was in belangrijke mate het gevolg van een toenemende export van agrarische producten, waarbij verbeterde transportmogelijkheden, zoals de stoomvaart en spoorwegen, een rol speelden. De export van kaas, boter en vlees naar landen als Duitsland, Belgiƫ en Engeland, nam aanzienlijk toe.
De groei in de export van vee was zelfs spectaculair: in het topjaar 1864 het 20-voudige van de export in 1838. Ook de export van landbouwproducten als meekrap, vlas, haver, aardappelen en aardappelmeel groeide sterk.
De grotere boerenbedrijven konden aan de toenemende vraag voldoen door in te spelen op de nieuwste ontwikkelingen, zoals de grootschalige toepassing van kunstmest in de landbouw en van zogenaamd krachtvoer, voedergranen, maĆÆs en lijnkoeken, in de veeteelt. De mechanisatie van de landbouw nam toe, onder meer door toepassing van stoommachines. Gestimuleerd door de overheid kwam wetenschappelijk onderzoek van de grond naar verbeteringen in het boerenbedrijf, met onderwerpen als onkruidbestrijding, gewasveredeling en het fokken van koeien met een verbeterde melkgift. Ook organisatorisch onderging het boerenbedrijf de nodige veranderingen, zoals de opkomst van coƶperaties, met ook voor de kleine boeren betere mogelijkheden om producten af te zetten.
Vanaf ca. 1878 werden de gunstige agrarische ontwikkelingen doorkruist door een sterk toenemende import van graan uit de Verenigde Staten en Rusland, met als gevolg een sterke prijsval, waardoor vooral de grootschalige landbouw tijdelijk in een crisissituatie belandde. Ook in andere sectoren liet de buitenlandse concurrentie zich in toenemende mate gelden.

Niettemin nam volgens statistieken in het laatste kwart van de 19e eeuw de werkloosheid af door de toenemende industrialisering en de daarmee samenhangende uitvoering van grote werken, zoals de aanleg van het Noordzee-kanaal, dat in 1876 werd geopend. Er begon zich een industriƫle revolutie te voltrekken, waardoor men voor arbeid steeds minder op het boerenbedrijf was aangewezen. De bereikbaarheid van werk nam toe door de aanleg en verbetering van wegen en door de komst van de spoorweg in 1867.
In het boerenbedrijf werd de uitstoot van arbeid door de crisissituatie in de landbouw ten dele ook opgevangen door de intensivering van de kleinschalige tuinbouw, gericht op de afzet van groente en fruit in de steden. Volgens de historicus Van Loo hadden de diverse ontwikkelingen, als men belastinggegevens als maatstaf neemt, pas na 1890 een scherpe daling in de omvang van de armoede tot gevolg. In Castricum lijken de positieve ontwikkelingen wat sneller te zijn gegaan, want ondanks de hiervoor genoemde bezorgdheid van pastoor Spiekerman in 1887 over de armoedige toestand van vele Castricummers, blijkt uit staten betreffende de armenzorg, die over de periode 1880-1897 beschikbaar zijn, dat het totaal aantal bedeelden tussen 42 en 69 per jaar schommelde, wat veel minder is dan de aantallen over vroegere perioden. Opvallend is dat het voornamelijk gaat om een daling in het aantal door de algemene armenzorg bedeelden, want de getallen der kerkelijk bedeelden zijn ten opzichte van vroeger nog vrijwel onveranderd. Ongetwijfeld hangt dit samen met een vermindering van de werkloosheid, omdat vooral de algemene armenzorg zich met de ondersteuning van werklozen en hun gezinnen bezig hield en de kerkelijke armenzorg zich van deze categorie afzijdig hield. Dat het in Castricum met de armenzorg tegen het eind van de 19e eeuw beter ging, wordt bevestigd door een schrijven, gedateerd 2 mei 1893, aan burgemeester en wethouders van Castricum, van de hand van de heer Schotvanger, secretaris van het Algemeen Armenbestuur, waarin hij de verbeterde toestand van de armenkas accentueert. Hij kampt echter met andere problemen, zoals blijkt uit genoemd schrijven, dat wij hier grotendeels laten volgen, omdat het illustratief is voor de toenmalige visie van een armbestuurder op de problemen van de armoede.
“Het Algemeen Armenbestuur van Castricum in aanmerking nemende, dat geheele jaren door, deze gemeente door tal van bedelaars, landloopers enz wordt als overstroomd, en die jaarlijks een niet on- aanzienlijk bedrag in deze gemeente inzamelen, om die elders te verteeren, te verbrassen of aan sterken drank te besteden. Wel zullen er eenige onder zijn, die van die opgehaalde aalmoezen een goed


Jaarboek 27, pagina 25

gebruik maken, ook zullen er wel onder zijn, die niet meer kunnen werken, maar laten dan dezulken in de gemeenten hunner inwoning, zich aldaar waar zij thuis behooren, bij het armenbestuur aanmelden even zoo als onze huiszittende armen hier doen. Het is echter van algemeene bekendheid, dat er vele van die bedelaars zijn, die van Assendelft en Krommenie komen, en daar des winters bij de werkverschaffing werk kunnen vinden, doch daar de dagloonen hun te klein zijn willen zij liever de geest op om te bedelen, dus wel een bewijs dat het bedelen nog niet zoo kwaad is en meer opbrengt dan werken en het bewijs daarvan is, dat die eenmaal den bedelzak heeft opgenomen, dezelve bij hun dood nog niet slegt, maar als erfgoed aan een ander overgaat en alzoo de bedelarij, zoo daarin niet op eene afdoende wijze wordt voorzien, eer toe, dan afneemen zal.
Ook de gelden die door vreemde bedelaars in deze gemeente jaarlijks worden opgehaald leiden in het nadeel van onze eigen armen en behoeftigen, en ook tot groot nadeel van onze instellingen van weldadigheid, want bij aldien de bedelarij zooveel mogelijk door de politie word geweerd en tegengegaan, dan zouden voorzeker de giften bij te houden collectens of inschrijvingen milder en ruimer zijn dan thans en zouden de armenkassen aanmerkelijk worden gesteund, en zoo noodig, ruimer bedeeling aan onze armlastigen en behoeftigen kunnen plaatshebben. Wellicht zal ons worden geantwoord dat onze Algemeene Armenkas thans in eene niet ongunstige toestand verkeert, doch treden wij weinige jaren terug, dan ontwaren wij al dadelijk in welken benarden toestand de armenkas, en ook de gemeentekas terwille van de armen zich heeft bevonden door het brengen van zware offers. Wel is waar dat de toestand van de Algemeene Armenkas thans zeer bevredigend is, maar hoelang zal dat duren? Dat is onzeker en hangt van de omstandigheden af, want in het Algemeen Armenhuis zijn thans weinig verpleegden, doch hoe spoedig zoude dat getal weer kunnen klimmen? Het zij door sterfgevallen met achterlating van kinderen of door oude van dagen, die zich niet meer kunnen redden en zich mitsdien ter opneming in het armenhuis aanmelden.

Om nu echter, terwijl het nog tijd is, middelen aan te wenden om de algemeene armenkas zoveel mogelijk in een gunstige toestand te houden, nemen wij de vrijheid U edelachtbaren voor te stellen:
Dat de bedelarij en landlooperij zoveel mogelijk door politiezorg in deze gemeente worden tegengegaan en de burgerij worde aangespoord om aan vreemde of buiten deze gemeente wonende bedelaars geen aalmoezen te geven, maar als zij zich, alsdan vrijwillig wilde verbinden, tot eene 3 maandelijksche bijdrage tot ondersteuning van de algemeene armenkas, dan zoude daardoor de finantieele toestand dier kas veel kunnen verbeteren.”

Ondanks de zorg van Schotvanger is de toestand van de algemene armenkas in 1899 nog steeds gunstig. In augustus van dat jaar worden de leden Schermer en Velzenboer van het Rooms-katholiek Armenbestuur door penningmeester Franse gekritiseerd wegens ondersteuning van een Castricums gezin. Volgens Franse hadden zij deze ondersteuning beter aan het Algemeen Armenbestuur kunnen overlaten, dat er financieel goed voorstaat en in 1899 zeker 2.000 gulden zou overhouden.

De verbetering van de economische situatie, die kenmerkend is voor het einde van de 19e eeuw, met een afname van de werkloosheid en daarmee van de armoede, zette zich in de 20e eeuw aanvankelijk door. Hoewel Nederland neutraal bleef, werd de gunstige ontwikkeling pas onderbroken door de Eerste Wereldoorlog van 1914-1918, met vrij ingrijpende gevolgen voor de welvaart van de bevolking. Na een herstel sloeg in een periode vanaf 1930 een ernstige economische crisis toe, met als gevolg een grote werkloosheid en groeiende armoede. Een enkele Castricummer zal zich deze moeilijke periode, die in Castricum en omringende dorpen vooral voor de tuinbouw ongunstig uitpakte, wellicht nog herinneren. In een toekomstig artikel hopen wij op de economische ontwikkelingen in de eerste helft van de twintigste eeuw en de consequenties voor Castricum nader terug te komen.

Wim Hespe

Bronnen:

  • Archiefstukken Castricum in het Regionaal Archief Alkmaar;
    – Maatschappelijke zorg, nr. 618- 662
    – Algemeen Armbestuur, nr. 785-799
    – Pancratius Parochie Castricum
    – Diaconie Hervormde Gemeente Castricum.
  • Bieleman, J.: Geschiedenis van de landbouw in Nederland 1500-1950, Meppel, 1992.
  • Bremer,J.T.:De Zijpe,deel II, 1813-1920, Schoorl, 1991.
  • Deelen, D. van: Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  • Hildebrandt; De Noordhollandse Boer, Camera Obscura, Pandora, 1996.
  • IsraĆ«l, J.I.: De Republiek 1477-1806, deel II vanaf 1647, Franeker, 1996.
  • Jansma, K.; Schroor M.: 10.000 jaar geschiedenis der Nederlanden, Rebo 1991.
  • Jelles, J.G.G.: Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands duinreservaat, Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur, mededeling nr. 87, Arnhem, 1968.
  • Loo, L.F. van: Arm in Nederland 1815-1990, Boom, 1994.
  • Schama, S.: Patriotten en Bevrijders, Agon, 1989.
  • Steeman, W.A.M.: De dorpsschool van Castricum in de jaren 1800 tot 1860, 11e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1988.
  • Vries, J. de, Woude, A.M. van der: Nederland 1500-1815, Amsterdam, 1995.
  • Woude, A.M. van der: Het Noorderkwartier, Wageningen 1972.
  • Zuurbier, S.P.A.: Het dagelijks leven in Castricum omstreeks 1840 in: Op zoek naar Castricums verleden, Schoorl, 1992.
  • Zuurbier, S.P.A.: Wie was … Jan de Quack, 4e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1981.

 

Print Friendly, PDF & Email