Armoede; impressies uit de periode 1900 – 1940 (Jaarboek 30 2007 pg 43-50)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over armoede: 18e eeuw, 19e eeuw, periode 1900-1940


Jaarboek 30, pagina 43

 

Armoede in Castricum; impressies uit de periode 1900 – 1940

 

Het grootste deel van de inwoners van Castricum en Bakkum verdiende in het begin van de 20e eeuw zijn brood in de land- en tuinbouw en de veehouderij. Castricum telde nog geen 1900 inwoners en de samenstelling van de bevolking was feitelijk al eeuwen ongeveer hetzelfde gebleven.
De teelt van aardappelen, erwten en bonen ontwikkelde zich. Via de grove tuinbouw kwam men tot bloembollenteelt en tot de fijnere tuinbouw waaronder aardbeien en groenten. Akkers in de duinen waren nog volop in cultuur. Producten werden rechtstreeks of via handelaren aan de man gebracht. Pas in 1913 kreeg het dorp zijn eigen groenteveiling.
De eerste jaren van de vorige eeuw kenmerkten zich door een wat oplevende conjunctuur en iets meer werkgelegenheid. Castricum stond aan de vooravond van ontwikkelingen die het dorp voorgoed zouden veranderen: de stichting van het Provinciaal Ziekenhuis en de opkomst van het forensisme.

Een karig bestaan

Vanaf 1901 vulde het gemeentebestuur formulieren in die een inzicht geven in het aantal personen dat ondersteuning ontving, maar deze tonen een andere indeling en vraagstelling dan vroeger het geval was. Trachten we uit de cijfers toch een indruk te krijgen van het totaal aantal bedeelden, dan komen we voor bijvoorbeeld 1902 tot een bedeling van minstens 97 personen, deel uitmakend van 23 gezinnen. Castricum telt dan bijna 2000 inwoners, zodat het aantal bedeelden uitkomt op ca. 5 procent van de bevolking.
In het Algemeen Armenhuis verbleven vijf personen, te weten twee oude lieden, twee gebrekkigen en een kind. In 1906 is de situatie ten opzichte van  1902 weinig veranderd. Als oorzaken van de bedeling worden genoemd: ouderdom, ziekte en gebrek aan werk. In vergelijking met de situatie in vroegere perioden van de Castricumse geschiedenis valt het percentage bedeelden mee, maar dat neemt niet weg dat vele Castricummers, vooral de tuinders, maar een karig bestaan hadden.

In zijn boek ‘Schippers van het Stet’ schetst Quirinus de Ruijter de soms zeer primitieve woonomstandigheden in het begin van de vorige eeuw. Woninkjes, van 7 à 8 meter bij 4 meter, werden meestal langs de lengte van de weg gebouwd . Zij werden opgetrokken met een halfsteens muurtje; het dak dat niet hoger reikte dan 4 à 5 meter bestond uit op zogenaamde sparren getimmerde panlatten waarop de pannen werden gelegd. Vrijwel de gehele ruimte werd in beslag genomen door een woonkamer van 4 bij 5 meter met twee bedsteden. Door grote gezinnen werd een gedeelte van de zolder als slaapruimte gebruikt; tien kinderen op een lange rij was geen uitzondering. In 1928 laat de gemeentearts dokter Leenaers weten dat de slaapgelegenheden, in huizen bewoond door grote gezinnen, zeer te wensen overlaten. Onverluchte bedsteden in woonkamers schat hij op vijftig procent van het aantal woningen!

Tekening van Sijf Portegies van het huisje van Jan de Winter aan het Schoutenbosch.
Tekening van Sijf Portegies van het huisje van Jan de Winter aan het Schoutenbosch.

Uit het leven van een Castricumse tuinder omstreeks 1900

In 1947 en 1948 publiceerde het “Nieuwsblad voor Castricum, Limmen, Heemskerk en Uitgeest” regelmatig bijdragen van een niet met name genoemde Castricumse auteur, onder de naam ‘Samenspraak tussen Kris en Kras’, waarin met een karakteristiek taalgebruik plaatselijke toestanden op de korrel werden genomen. In een nummer uit 1947 haalt de auteur herinneringen op uit zijn jeugd, die een impressie geven van het moeizame bestaan van een Castricumse tuinder rond 1900.
“Toen ik nog kind was, dat is zestig jaar geleden, mocht ik dikwijls mee met vader naar de Wijk de kleine groentjes (erwten) of de Leidse hangers (tuinbonen) markten op de Meer. Dat was zo’n sensatie in mijn kinderleven of ik een kijk in de grote wereld mocht nemen. De sensatie bestond niet alleen, om boven op de zakken te zitten van de geladen handkar, bespannen met twee grote honden, maar er zat ook een tractatie aan vast. Mijn vader kwam nog niet eens het slechtst voor de dag, met twee honden bespannen wagen: de meeste bouwers van toentertijd moesten met de benenwagen achter de kar duwen naar de Wijk. Ons vertrek met dat gerei van Castricum werd dan ingeluid met zenuwachtig geblaf van Bello en Turk met een honderd pond of wat erwten of bonen, naargelang de tijden van het jaar. Elke bouwer markte zijn producten zelf, want veilingen bestonden er toen nog niet, men huurde een standplaats op de Meer en ging verkopen. Kwam er dan een koopman, ‘schagger’ genoemd, dan moest ik van vader zeggen Ome Sijmen of Ome Lou, dat scheelde een half centje in de prijs van het product. Als dan eindelijk de koop werd gesloten, dan kostte dat een glas jenever van de koper of van de bouwer bij Piet Verlee of Thijssen. Dan werd de stand gewogen op een bascule, waar de bouwer dan dik genomen werd in gewicht, want die had toch geen begrip van gewichten. Snapte deze iets van het wegen, dan was de handigheid van de Kaagridders, o.a. Pannetje Pap, Dikke Chris, Pak


Jaarboek 30, pagina 44

van B. dat de bouwers toch bedrogen werden. Wilde je dan toch christelijk behandeld worden, dan kostte dat enige glazen Schiedam. Er werd gewogen met jenever. Eer vader dan het armzalig poetje in handen had en hij rekende in stuivers en schellingen, dan bleek het dat hij nog geen plak voor het pond had, terwijl soms de marktprijs 3 à 4 centen bedroeg. De bouwers rekenden in ponden en de schaggers in kilo’s, vandaar het bedrog en misstanden in prijzen en gewicht. Voordat dan weer op Castricum aantrokken werd, is Jan Oud de bakker aangedaan voor vijf centen taaitjes, dat was een bekende traditie. Een bouwer, die geen taaitjes mee naar huis nam, was niet op de Meer geweest. Of de erwten nu veel of weinig hadden opgebracht, er moest taai mee naar huis. Ouwe Castricummer bouwers weten nog wel bij ondervinding, voor je van de Meer ging dat als regel de helft van de lege zakken was gestolen.

Ik zie nog al die hondenkarren, naast elkaar aan een palenhek met een horizontale balk er overheen, voorzien van ringen staan om de honden vast te zetten, het zogenaamde parkeerterrein.
Aan een ander hek stonden hitten en muilezels vast. De Heemskerker Jazz-muziek van tegenwoordig in vergelijking met dat concert van huilende honden, balkende ezels en gierende hitten is er niets bij.

Veel huisvaders gaven een groot deel van hun inkomen aan drank uit. Het wekt geen verwondering dat er dus indringende campagnes werden gevoerd om de vaders van de drank te houden. Een uitnodiging voor een openluchtmeeting in Velsen op 2 juli 1911 werd gevonden onder de vloer van het raadhuis aan de Dorpsstraat.
Veel huisvaders gaven een groot deel van hun inkomen aan drank uit. Het wekt geen verwondering dat er dus indringende campagnes werden gevoerd om de vaders van de drank te houden. Een uitnodiging voor een openluchtmeeting in Velsen op 2 juli 1911 werd gevonden onder de vloer van het raadhuis aan de Dorpsstraat.

Iedere bouwer ‘kon’ de ezel van dronken Teun boven het lawaai uit, als de dirigent van de marktkapel. Op de markt was het een krioelende, schreeuwende mensenhoop die niets anders, volgens mijn gedachte deden als borrels drinken, gooien en smijten met kisten en manden. Dat lawaai werkte wel zo op mijn kindergemoed, dat ik bang was in deze maalstroom te vergaan. Ik werd zo angstig, dat ik aan mijn vader bleef vast hangen, als een klit dat ik eindelijk blij was als wij de markt weer verlieten.

In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk - Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram tussen Haarlem en Alkmaar dus ook door Castricum.
In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk – Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram tussen Haarlem en Alkmaar dus ook door Castricum.

Gingen wij dan eenmaal weer rijden, dan vlogen de honden langs de Rijksweg als de wind, soms nog harder dan de ‘blokkendoos’ tram, Haarlem – Alkmaar. De honden stopten uit eigen beweging bij Piet Koopman te Noorddorp, daar werd onder leugenachtige verhalen door de bouwers van zoveel van de roe, weer grote borrels ingenomen.
Zo bleef er dan een teil erwten, een paar daalders over voor moeder, voor een pak winkelvet, terwijl er van die inkomens landhuur, zaadgoed, mest enz. betaald moest worden. Men dronk niet alleen uit gewoonte maar uit balorigheid, er was toch geen uitkomst, er was eenmaal een te kort aan verdienste – elke leverancier leefde op de zomer – en dat bleef een ware nachtmerrie van het tuindergezin.”

Burgerlijk Armenbestuur

Volgens de ‘Gids der Nederlandsche Weldadigheid’ uit 1899 waren er in Nederland ca. 7500 instellingen die zich met een of andere vorm van steun aan armen bezighielden. In 1912 kwam er een nieuwe Armenwet, waarin, evenals in de oude wet van 1854, was vastgelegd dat ingeval van nood eerst familie, dan kerkelijke of bijzondere instellingen en pas op de laatste plaats overheidsinstellingen moesten helpen. Tussen ouders en kinderen, grootouders en kleinkinderen en zelfs tussen schoonouders en aangetrouwde kinderen bestond er een onderhoudsplicht.
Er bestond ook volgens de nieuwe wet geen recht op ondersteuning. De wet stond wel ‘dubbele’ bedeling toe. Het Armenbestuur behoefde niet langer afzijdig te blijven waar kerken of particuliere instellingen ook een bijdrage verleenden.

De sociale wetgeving ontwikkelde zich langzaam. In 1901 werd de Ongevallenwet van kracht en vervolgens kwam de Ziektewet (1913) en de Ouderdomswet (1919). In 1913 ontving ongeveer een vijfde van de bejaarden een ouderdomspensioentje. Het Werkeloosheidsbesluit ( 1917) en de steunregelingen uit de jaren (negentien)twintig en (negentien)dertig ontlastten de armenzorg eveneens.

In het 27e jaarboekje (2004) van de Werkgroep Oud-Castricum is een schets gegeven van de armenzorg in de 19e eeuw, die in handen was van het Rooms-katholiek Armenbestuur en het Algemeen Armenbestuur. Ook de diaconie van de Hervormde kerk speelde een bescheiden rol.


Jaarboek 30, pagina 45

Het Algemeen Armenbestuur, later Burgerlijk Armenbestuur genoemd, was feitelijk een zelfstandige instelling die ook bezittingen had in de vorm van verschillende huisjes en grond en daaruit ook inkomsten had in de vorm van huur en pacht. Om ondersteuning te kunnen krijgen, moest wat men nog aan eigendommen had, worden ingeleverd. Op die manier ontstond het bezit van het Armenbestuur. Volgens kadastrale gegevens had(den) ‘de Algemene Armen’ in 1870 zes woningen in bezit en vele percelen land met een totale grootte van 27,44 ha.
Behalve de inkomsten uit het bezit kreeg het armenbestuur een financiële bijdrage van het gemeentebestuur en werd ambtelijke ondersteuning beschikbaar gesteld. De leden werden door de gemeenteraad benoemd.

Juffrouw Vahl verongelukte in 1931, toen ze met haar bromfiets onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis kwam. Een gebroken zuil op de begraafplaats bij de Hervormde kerk herinnert aan haar. Op het monument staat de tekst: "Deze grafs·teen werd haar geschonken door de vrouwen van Castricum" .
Juffrouw Vahl verongelukte in 1931, toen ze met haar bromfiets onder de tram van het Provinciaal Ziekenhuis kwam. Een gebroken zuil op de begraafplaats bij de Hervormde kerk herinnert aan haar. Op het monument staat de tekst: “Deze grafs·teen werd haar geschonken door de vrouwen van Castricum” .

Hulpverlening aan de noodlijdende was, volgens de voorzitter Gerrit Louter, de gezamenlijke doelstelling. Ook het beheer van het Armenhuis, tot 1923 Weeshuis genoemd, behoorde tot de taak van het bestuur. Tot bestuurslid en tevens notuliste werd in 1922 vroedvrouw juffrouw Vahl aangewezen.

Overtoom 40-54 ca. 1930: Burgerlijk Armenhuis gebouwd in 1912.
Overtoom 40-54 ca. 1930: Burgerlijk Armenhuis gebouwd in 1912.

Een nieuw armenhuis

Op 18 april 1906 werd er in de vergadering van de Castricumse gemeenteraad voor het eerst gesproken over de wenselijkheid van de bouw van een nieuw armenhuis. Een maand later werden de wethouders Goes en Spaansen benoemd in een commissie die een onderzoek zou instellen naar de toestand van het bestaande armenhuis. Van een advies van deze commissie is niets aangetroffen, maar aangenomen moet worden dat het bestaande armenhuis in slechte staat verkeerde, want de beslissing valt ten gunste van nieuwbouw.
In het schriftelijk overleg hierover met Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, dat in 1909 aanvangt, wordt de nieuwbouw gekoppeld aan toestemming tot aankoop van de naast het armenhuis gelegen boerderij, die door Portegies op enkele tekeningen is afgebeeld en waarin een bakkerij was gevestigd.
Welke rol deze bakkerij in de plannen speelde, is niet duidelijk, maar waarschijnlijk wilde men deze, evenals het bestaande bouwvallige armenhuis, daterende uit omstreeks 1862, slopen om grond vrij te krijgen voor de nieuwbouw.

Het armenhuis (dubbele puntdak) met bakkerij aan de Overtoom hoek Schoolstraat in 1862. In 1912 plaats moest het plaats maken voor nieuwbouw.
Het armenhuis (dubbele puntdak) met bakkerij aan de Overtoom hoek Schoolstraat in 1862. In 1912 plaats moest het plaats maken voor nieuwbouw. Pentekening van Sijf Portegies.

 

Het eerste Castricumse armenhuis - met het dubbele puntdak - naar een tekening van Sijf Portegies. Het werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd, dat ca. 1911 door brand werd verwoest.
Het eerste Castricumse armenhuis – vanaf de zijkant met het dubbele puntdak – naar een tekening van Sijf Portegies. Het werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd, dat ca. 1911 door brand werd verwoest.

In 1911 volgt een begroting voor een nieuw armenhuis van het Algemeen Armenbestuur. De totale uitgaven worden geschat op 11.500 gulden, met als belangrijkste post de bouwkosten à 6.400 gulden. Verder zal de bakkerij voor 3.450 gulden worden gekocht, te financieren uit een lening. Voor de aankoop van meubilair wordt een bedrag van 500 gulden opgevoerd en voor de aanleg van acetyleenverlichting 250 gulden.
Aan de inkomstenkant treffen we o.a. een geldlening door de gemeente van 5.800 gulden. Aannemer Holman zal 600 gulden neertellen voor een partij stenen die uit de sloopwerkzaamheden resteren. Intrigerend is de inkomstenpost ‘uitkering brandschade’ à 2.200 gulden. Waarschijnlijk betreft dit de inmiddels afgebrande boerderij/bakkerij. Volgens een bijschrift op de tekening van Portegies zou deze brand in 1914 hebben plaatsgevonden, maar waarschijnlijk vond de brand in 1911 plaats. Het samenvallen van de brand van een te slopen pand met nieuwbouwplannen en het incasseren van verzekeringspenningen is te toevallig om er niets achter te zoeken. Er circuleerden dan ook geruchten over een moedwillige brandstichting.

Uit het archief aanwezig in het Castricumse gemeentehuis, blijkt dat de bouwvergunning ‘voor oprichten van een gebouw door J. Tromp, bouwkundige te Castricum, aan het Overtoom met als bestemming Armenhuis’ op 7 april 1911 werd verleend. De bouwtekening toont een trapeziumvormig gebouw, met de gevelpartij zoals die thans nog bestaat. Op de begane grond waren gesitueerd: keuken, kamer voor de moeder, ziekenzaal, twee verblijfsruimten voor de bewoners en een ontvangstkamer. De (bouw)tekening toont ook een zolderverdieping met slaapruimten en onder een gedeelte van het huis een kelder.

Het nieuwe armenhuis werd op 16 mei 1912 geopend en in gebruik genomen. Na ruim 14 jaar werd besloten waterleiding te laten aanleggen. De moeder meldde dat er wormen in het putwater zaten en dat zou niet bevorderlijk zijn voor de gezondheid. In 1928 krijgt het huis ook elektriciteit.

Het nieuwe, in 1912 gereedgekomen 'Burgerlijk Armenhuis', zoals op het bord naast de ingang staat te lezen, thans appartementengebouw op de hoek Overtoom-Schoolstraal. Op het bord staan ook de beperkte bezoekuren.
Het nieuwe, in 1912 gereedgekomen ‘Burgerlijk Armenhuis’, zoals op het bord naast de ingang staat te lezen, thans appartementengebouw op de hoek Overtoom-Schoolstraal. Op het bord staan ook de beperkte bezoekuren. Voor het huis de eerste bewoners, v.l.n.r.: Guurtje Ooms, Trijntje Ooms, Maartje Knaap, Teunis Baars en Dirk Stuifbergen. Geheel rechts de eerste armenmoeder van het nieuwe tehuis, Keetje (moeder) de Winter.

Bewoners van het nieuwe armenhuis

De eerste ‘moeder’ van het nieuwe armenhuis was Keetje de Winter, een Castricumse, geboren in 1858. Zij wordt in 1923 opgevolgd door Anna Holt, op een wedde van 159,- gulden per jaar, benevens vrije kost en inwoning. Als eerste bewoners van het nieuwe armenhuis komen we tegen Teunis Oostermeijer, Maartje Knaap, Jacob de Graaf, Maartje Gijzen, Jan Vader, Frans Baars, Teunis Baars, Guurtje Ooms, Trijntje Ooms en Dirk Stuifbergen. In een kleine gemeenschap als de Castricumse kon het niet uitblijven of de bewoners van het tehuis werden bekend onder allerhande bijnamen, zoals Dirk de Stomme voor de doofstomme schoenmaker Dirk Stuifbergen,


Jaarboek 30, pagina 46

Kale Jaap voor de kennelijk weinig haar bezittende tuinder Jaap Beentjes en dronken Heert voor de nogal diep in het glaasje kijkende Heert Zonneveld.

Sommige bejaarde Castricummers, die bij het armenhuis hebben gewoond, konden zich de verschillende bewoners en hun eigenaardigheden nog goed herinneren. Zo is er het verhaal dat Kale Jaap er een genoegen in schepte te beweren blind te zijn, hoewel bij allerlei gelegenheden bleek dat hij wel degelijk kon zien. Zo protesteerde hij bijvoorbeeld, als zijn nog niet leeggedronken borrelglaasje werd weggepakt. Hij werd dan gesard met de opmerking: “Als je blind bent Jaap, hoe weel je dan dat er nog wal in je glaasje zit?”

 


 

Het Armenbestuur verdeelt de armoede

Ter illustratie een paar besluiten van het bestuur uit de jaren (negentien)twintig en (negentien)dertig in de notulen Burgerlijk Armbestuur 1923 – 1939:

  • Verzoek om ondersteuning door J.W. wordt goedgevonden. Voorlopig 3,- gulden per week.
  • Verzoek van P.B. wiens kind voor rekening van het Armbestuur wordt verpleegd, om vervoer van het kind per auto vergoed te krijgen, wordt afgewezen.
  • Verheugd wordt kennis genomen van de mededeling van de weduwe J. V. dat zij nu hoopte zonder steun te kunnen rondkomen.
  • Gesproken wordt over J.S. die op het ogenblik wat geld heeft. Er zullen pogingen in het werk gesteld worden om uitgaven te verhalen.
  • Verzoek van C.R. of hij in aanmerking kan komen voor melk voor zijn vrouw. Wordt goedgevonden voor 4 weken en twee liter per dag.
  • Verzoek van R.S. om melk en eieren voor zijn gezin. Wordt goedgevonden, voor zover dit nodig mocht zijn. Ook is hem een deken verstrekt.
  • Besloten wordt een stuk land, ‘de Armenhalen’ genaamd, niet te verpachten. De grasveiling zal vermoedelijk meer opbrengen.
  • Geen vergoeding wordt verstrekt voor het laten plomberen van een kies, tenzij het absoluut noodzakelijk is voor de gezondheid van de patiënt.
  • Op voorstel van mej. Vahl wordt aan M.G. die thans 25 jaar in het Armenhuis woont (waarvan 10 jaar in het vorige pand) 5,- gulden gegeven, waarvan ze de medebewoners kan trakteren.

 
Ook voor de kosten van verpleging in het ziekenhuis en de geneeskundige hulp wordt vaak een beroep gedaan op het Armenbestuur. In 1927 wordt aan 31 gezinnen, totaal 120 personen, vrije doktershulp toegestaan. Verder worden regelmatig kleding, schoenen en klompen verstrekt.

De armoede uitte zich in 1934 ook in de huisvesting, zoals hier de familie Verdwaald in de Peperstraat woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was.
De armoede uitte zich in 1934 ook in de huisvesting, zoals te zien bij de familie Verdwaald, die in de Peperstraat woonde. De kinderen sliepen op de bovenverdieping, die alleen via een ladder te bereiken was. Pentekening Sijf Portegies.

 


 

Inleiding tot de crisis van de (negentien)dertiger jaren

De voortekenen van een grote wereldcrisis tekenden zich in onze land al omstreeks 1920 af. De gevolgen, die de ouderen onder ons, al was het maar uit de verhalen van vader of grootvader, zich nog kunnen herinneren, waren ingrijpend. Door stimulerende maatregelen in de tuinbouw, zoals investering in kassen en grondverbetering, was na 1924 nog wel een licht herstel in de agrarische sector opgetreden, maar dat was van korte duur. Een der oorzaken van de crisis was de overproductie in de akkerbouw en veehouderij, paradoxaal genoeg door ontwikkelingen die juist een verbetering van de productie beoogden, zoals een toename van het te betelen landoppervlak door droogmakingen. Daarnaast ondervond vooral de agrarische sector in toenemende mate concurrentie door de import van buitenlandse producten, die elders goedkoper konden worden geproduceerd en van plaatsvervangende producten, zoals margarine. De export werd gehinderd door importbeperkende maatregelen van buurlanden, waar eveneens een sterke stimulering van de landbouw en veeteelt had plaatsgevonden.

Het resultaat was een prijsdaling van agrarische producten, waardoor het boerenbedrijf steeds minder lonend werd. Dit had weer de uitstoot van arbeidskrachten en een toenemende werkloosheid onder de landarbeiders tot gevolg.

Regelingen voor werklozen

Tegen de financiële gevolgen van werkloosheid bestond er in de eerste helft van de 20e eeuw weliswaar geen verplichte sociale verzekering, maar vanaf de eerste jaren na de eeuwwisseling bestonden er wel mogelij kheden om zich vrijwillig tegen werkloosheid te verzekeren, waarvan echter vooral door de beter geschoolde arbeiders en ambtenaren gebruik werd gemaakt.
Tot de regering was doorgedrongen dat men niet alle werklozenzorg onder de armenzorg kon brengen.
Er ontstonden steunregelingen en er werden instanties in het leven geroepen voor steunuitkeringen, zoals arbeidsbureaus, waarbij steuntrekkers zich moesten inschrijven.


Jaarboek 30, pagina 47

In september 1932 hielden land- en tuinbouwers uit Noord-Holland een betoging in Amsterdam. De aandacht werd gevestigd op het verlies dat gemiddeld per hectare werd geleden door de scherpe daling van de prijzen voor agrarische producten. Verder werden producten getoond die deze zomer bij duizenden kilo's op de mestvaalt werden geworpen, het zogenaamde 'doordraaien'.
In september 1932 hielden land- en tuinbouwers uit Noord-Holland een betoging in Amsterdam. De aandacht werd gevestigd op het verlies dat gemiddeld per hectare werd geleden door de scherpe daling van de prijzen voor agrarische producten. Verder werden producten getoond die deze zomer bij duizenden kilo’s op de mestvaalt werden geworpen, het zogenaamde ‘doordraaien’.

Bedroeg de gemiddelde werkloosheid in 1930 landelijk nog 4 procent van de beroepsbevolking, in 1936 was die opgelopen tot 17,9 procent om daarna weer heel langzaam te dalen.

Het bedrag van de ondersteuning werd berekend volgens normen die nogal eens werden gewijzigd en die erop neer kwamen dat men nooit meer dan 65 procent van het laatstgenoten loon als steun kon ontvangen en dat bovendien nog voor een beperkte periode. Men moest, op straffe van inhouding van de uitkering, aangeboden werk waarvoor men geschikt was, accepteren. Een van de vervelendste maatregelen was dat men zich een- of tweemaal per dag op het gemeentehuis moest melden om aan te geven dat men inderdaad niet (zwart) werkte. De melding werd met een stempel op een naamlijst aangegeven. Dit dagelijks ‘stempelen’ door de werklozen werd een begrip.

De crisis slaat toe in Castricum

De wereldcrisis van de (negentien)dertiger jaren had voor vrijwel alle sectoren van de Nederlandse samenleving grote gevolgen. In een statistisch rapport uit 1931 werd aangetoond dat de agrarische sector in Nederland verliesgevend was geworden, waarbij vooral de toestand van de tuinders slecht werd genoemd.
Wat Castricum betreft werd inderdaad vooral de agrarische sector getroffen. Hoewel de werkloosheid in ons dorp al langere tijd een oorzaak van armoede en bedeling vormde, nam ze nu zulke vormen aan, dat de ‘klassieke’ armoede van weduwen, gebrekkigen en ouderen geheel naar de achtergrond werd gedrongen.
Reeds het jaarverslag van de gemeente over 1930 sprak van een slechte toestand in de tuinderij: “Waardoor de werkeloosheid een veel grotere omvang zal hebben dan in voorgaande jaren en dus gesproken kan worden van crisis-werkloosheid, omdat tuinders, die andere jaren hun werkkrachten in dienst konden houden, dit thans niet meer kunnen, maar een nooddruft (red: gebrek aan voedsel) zal ontstaan, waardoor de mensen zullen worden gedwongen zelf op werk uit te gaan of op andere wijze steun zullen moeten krijgen.”

Een gevolg van de crisis in Castricum tekende zich in de eerste plaats af in een scherpe stijging van het aantal door het Maatschappelijk Hulpbetoon gesteunde gezinnen: 5 in 1931, 6 in 1932, 22 in 1933, 35 in 1934 en 77 in 1935. De stijging van de gemeentelijke bijdrage aan het Maatschappelijk Hulpbetoon over genoemde periode is navenant: van 4.000 gulden in 1931 tot bijna 17.000 gulden in 1935. Deze sterke toename van het aantal bedeelde gezinnen en van de gelden hieraan gespendeerd was vooral toe te schrijven aan de stijging van de armoede onder de tuinders. De omvang van de traditionele armenzorg en de ondersteuning van armen door de kerken veranderde volgens beschikbare cijfers nauwelijks.

Dorpsstraat 70 ca 1943: achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor.
Dorpsstraat 70 ca 1943: achter deze (onbekende) jongens het distributiekantoor.

Ondervoeding

Bij het Armenbestuur kwamen in 1935 signalen binnen van de huisartsen Van der Sluis en Leenaers over ondervoeding onder schoolkinderen. Met name in de praktijk van dokter Leenaers zou dit vrij veel voorkomen. De directie van het ziekenhuis Duin en Bosch werd bereid gevonden om voor 13 cent per liter maaltijden te leveren. Volgens opgave van de hoofden van de lagere scholen ging het in de winter 1935/1936 om 40 kinderen van de jongensschool; 29 van de meisjesschool; 18 van de bewaarschool en 15 van de openbare school, totaal 106. Daar op de christelijke school geen kinderen uit de eigen gemeente voor voeding in aanmerking kwamen en men niet bereid was aan kinderen van buitengemeenten voeding te verstrekken, werd die school uitgesloten van deelneming.
Enkele werkelozen werd opgedragen te zorgen voor het halen van het eten en voor het opdienen en schoonmaken werd de Vrouwenbond ingeschakeld.
De regeling heeft in ieder geval tot de winter van 1938/1939 bestaan. In november 1939 wordt besloten om de schoolvoeding niet meer te verstrekken wegens de distributiemaatregelen, de verhoogde kostprijs en tenslotte omdat de verstrekking niet meer nodig is. De ondervinding heeft aangetoond dat de kinderen (vooral van de jongensschool) de voeding niet meer waarderen. Besloten wordt in plaats van schoolvoeding vet aan de personen die ondersteuning kregen te verstrekken en wel ter gelegenheid van Kerstmis. Alsdan zal accijnsvrij vet kunnen worden verkregen.

Stempelen in Castricum

De meeste kleine boeren in Castricum waren voor het overleven van de crisis aangewezen op de steunregelingen, die door rijk en gemeente in het leven werden geroepen. De diverse vormen van steun aan werklozen in Castricum, zoals men die in het archief kan terugvinden in verslagen en naamlijsten, tonen vanwege het ontbreken van inzicht in de onderlinge samenhang een wat chaotisch beeld van de organisatie. Duidelijk is in ieder geval dat de steuntrekkers werden ingeschreven bij het gemeentelijk bureau voor Steunverlening en Werkverschaffing. Zij moesten dagelijks op het gemeentehuis stempelen. Het raadhuis werd te klein voor al die mensen. Burgemeester en wethouders schreven in 1936: “De toestand is nu zoo, dat in de ochtenduren, wanneer de werkloozen komen stempelen, de secretarie vrijwel ontoegankelijk is voor andere personen, welke aldaar zaken te bespreken wat eveneens een onhoudbare toestand is. De gang van het raadhuis is gedegradeerd tot opslagplaats van de te verstrekken levensmiddelen, wat eveneens een onhoudbare toestand is.” Besloten wordt daarom om het gedeelte van het gebouw dat nog als woning werd gebruikt bij het raadhuis te trekken.

De door de regering vastgestelde steunnormen en regels, waaraan men moest voldoen om voor steun in aanmerking te komen, werden door Burgemeester en Wethouders van Castricum ‘vertaald’ in een reglement dat aan alle ondersteunde werklozen beschikbaar werd gesteld.
Onder de kop ‘Aan den gesteunde werklooze’ vangt het reglement aan met bangmakerij: “Toen onlangs één uwer werd geverbaliseerd.


Jaarboek 30, pagina 48

omdat hij gezinsinkomen had verzwegen, gaf deze voor niet met de bepalingen op de hoogte te zijn.” Vervolgens werd benadrukt dat dit niet als excuus mocht gelden en dat voortaan eenieder werd geacht op de hoogte te zijn van de steunregeling.
De overheid attendeerde gemeentebesturen op kwalijke praktijken van de werkloze.
Bijvoorbeeld met betrekking tot cafébezoek: “De regeering stelt zich op het standpunt, dat alleen naar behoefte wordt gegeven. Iemand, die zich veelvuldig aan cafébezoek schuldig maakt, zou het bewijs leveren, dat een te hoge steun wordt toegekend of dat hij op één of andere wijze de steunregeling saboteert.” Over het zogenaamde stempelverlof werd opgemerkt: “Het gebeurde wel dat in voorkomende gevallen verlof van stempelen werd gegeven 0m werkloozen in de gelegenheid te stellen om te visschen. Stempelverlof mag evenwel niet dan in de hoogst noodzakelijke gevallen worden toegestaan, dus zeker niet om te visschen.”

Het graven van het duinmeer 'het meertje van Vogelenzang' in 1934 was een van de werkverschaffingsprojecten. Het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorl(jn.
Het graven van het duinmeer ‘het meertje van Vogelenzang’ in 1934 was een van de werkverschaffingsprojecten. Het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorl(jn.

Ter bestrijding van de werkloosheid en armoede stelde de gemeenteraad al in 1922 geld beschikbaar om werklozen te werk te stellen in het provinciaal duingebied. Het uurloon was veel lager dan in het bedrijfsleven om de prikkel te laten bestaan daar weer zo spoedig mogelijk naar terug te keren.
Tot de werkverschaffingsprojecten, waarbij ook Castricumse steuntrekkers werden ingeschakeld, behoorden werkzaamheden in de duinen, de aanleg van een fietspad langs de Zanddijk en de aanleg van de Zeeweg, tussen de Provinciale weg en de Heereweg. Het duinmeertje, ook wel Karpervijver genoemd, werd in 1934 met handkracht uitgegraven en het zand werd met lorries getransporteerd naar de Zeeweg voor de aanleg van het viaduct over de spoorlijn.

In 1938 wordt nog besloten een rioleringsplan uit te voeren voor 1/3 in het vrije bedrijf en voor 2/3 gedeelte in werkverschaffing. In de raad is er een heftige discussie tussen degenen die het algemeen belang c.q. de gemeentefinanciën het zwaarste laten wegen en degenen die arbeiders niet meer willen laten werken voor de laagste lonen. Uiteindelijk wordt het compromis bereikt.

Vader Jacob Zonneveld.
Vader Jacob Zonneveld, bijnaam Jaap van Kees, geb. 11 mei 1888, overleden 19 juli 1970.

Herinneringen van Loek Zonneveld geboren op 10 december 1930 in Bakkum

“Het was in de (negentien)dertiger jaren, zoals in de meeste grote gezinnen, armoede troef. We waren met z’n veertienen en zestien met vader en moeder erbij. De oudste was het huis al uit die had een betrekking met kost en inwoning. Als je zo rond de 14 was, dan ging vader een baas voor je zoeken en moest je aan het werk en degenen die er onder kwamen moesten moeder thuis helpen. Of het een jongen of een meisje was dat maakte niet uit. Stofzuigers had je nog niet; er was ook geen stroom. Er was alleen gas in huis. We hadden zeil, balatum, dat werd bij elke verhuizing weer in mekaar gepast. Er viel natuurlijk steeds meer af. Op het laatst hadden we in het middenstuk geen zeil meer. Daar ging dan een kleed over. Het balatum ging dan in de goede kamer. Je woonde eigenlijk in de grote keuken. Alleen als er visite was, kwam ze in de goeie kamer. Daar stonden dan effe knappere stoelen. Gebruikt werden ze praktisch niet. Het was armoe troef. Vader Jaap ging ‘s morgens vroeg de deur uit als hij werk had en kwam ‘s avonds om zes uur, half zeven thuis en dan kon ie thuis nog een beetje aan de gang. In het voorjaar had hij altijd wel spitwerk. Hij ging achter mekaar door. Het was een ras-spitter. Grote tuinen omspitten 2 tot 3 steken diep. In de winter werkte hij als het half kon bij de PWN. In de zomer zat hij weer op de tuinen.

Bij het PWN ging hij delven (red: graven). Er waren veel te veel konijnen. Je moest een bepaald aantal konijnen op een dag hebben dan had je je loon. Alles wat meer was, werd niet meegerekend. Er werden een paar kanten van een hol dichtgemaakt, dan uitgraven en dan met een hondje die konijnen er uitjagen. De jachttijd was rond oktober tot januari. Dan mocht je geen konijnen meer jagen en dan was het weer delven. Een van mijn oudere zusters vertelde dan wel dat ze ‘s morgens voor schooltijd het duin in ging op de fiets. Dan ging ze vader opzoeken. Dan werden er twee of drie konijnen onder haar jurk op haar buik gebonden met een touwtje. Die konijnen bracht ze dan naar Cor van Duin en dan had moeder weer een paar centen. Hij had ook wel eens geen werk. Ik weet nog dat je met je stempelkaart naar het gemeentehuis ging om een pakje margarine te halen. Een pakje kostte, dacht ik, zo’n 11 cent.


Jaarboek 30, pagina 49

Je moest wel betalen natuurlijk maar heel weinig. Ze moesten twee keer per dag stempelen op het gemeentehuis en dan kreeg jeje steun van Maatschappelijk Hulpbetoon. Die wisten in wezen wie hulp nodig hadden. Ik kan me herinneren dat in 1937, iemand van die organisatie bij ons aan kwam. We zaten in de keuken om de tafel. Moeder sneed het brood en ieder kreeg twee sneden. Het brood werd gewoon verdeeld. Zij sneed het brood gewoon op de borst. Dat mens dat komt binnen en zegt dat ze even komt kijken. Ze loopt zo door naar de slaapkamer. Ik denk dat het op een maandag is geweest, de lakens lagen nog op zo’n kastje. Het waren juist de goeie lakens. Er was niks stuk hoor, zo arm als we waren. We hadden nooit kapotte kleren aan naar school. We hadden wel broeken waar een stuk ingezet was, maar het was nooit stuk. Dat was met het beddengoed precies hetzelfde. Ze keek naar de lakens en in de linnenkast. Ze deed de kast dicht en ging weg. Dat was het.

Moeder Cornelia M. Zonneveld - Bakker, geb. 17 maart 1892, overleden 18 oktober 1971.
Moeder Cornelia M. Zonneveld – Bakker, geb. 17 maart 1892, overleden 18 oktober 1971.

Ik kan me niet herinneren dat mijn ouders ooit iets van Maatschappelijk Hulpbetoon hebben gehad. Het was zelfs zo met aannemen (red: katholiek feest voor de eerste heilige communie). Ik zal toen een jaar of negen geweest zijn, er was helemaal geen geld voor een pakkie. Toen mocht ik van het kerkbestuur een pakkie halen bij Jaap Twisk op de Dorpsstraat. Toen had ik een soort plusfour. Normaal hoort zo broek op je enkels te zitten. De mijne kwam niet hoger als m’n knieën.
In 1945 werd het Maatschappelijk Hulpbetoon effe anders. Toen kwamen er andere mensen. Joop Zentveld kwam ertussen. Die kwam overal. Als er iemand dekens nodig had dan zorgde hij er wel voor. Ook zij van Bertus Stuifbergen, die kruidenier van Bakkum. Dat was allemaal in de naperiode maar toen hadden deze mensen niets meer nodig. De jongens waren allemaal groot. Toen ze klein waren, toen was het er niet. In 1960 kwam zij van Klaas Beentjes vragen of mijn vader soms een paar baaien (red: van wol of flanel) hemden moest hebben. Toen zei ik tegen haar dat had je  20 jaar terug moeten vragen. Het enige waar je die man nog een plezier mee kan doen dat is een bonkertje (red: jasje). De zijne is al 30 tot 40 jaar oud. Ze kwam later terug en toen heb ik met mijn vader bij Alleman een nieuw bonkertje mogen halen. Voor al die dingen die je toen gernist heb, heb je nauw dat bonkertje. Hij heb (red: heeft) er niet zo gek veel plezier van gehad, maar goed hij heeft dan toch dat bonkertje gehad. Dat was het Maatschappelijke Hulpbetoon zoals ik het gekend heb.”

Extra ondersteuning

In de crisisperiode stelde het gemeentebestuur via een Gemeentelijk Crisiscomité met als voorzitter wethouder P. de Vries en als secretaris W.J. Driessen bescheiden bedragen beschikbaar voor extra steun aan werklozen, welke extra steun overigens moest worden aangevraagd. Uit bewaard gebleven formulieren hieromtrent blijkt dat in 1933 door 49 en in 1934 door 91 Castricumse gezinnen een beroep op deze extra ondersteuning werd gedaan. Op het formulier stond duidelijk aangegeven dat het ging om ondersteuning in natura, tot een bedrag van maximaal 3 à 4 gulden per aanvraag. Men komt een bonte en ietwat wrange reeks van aanvragen tegen: een werkbroek, een werkjas, een jas voor de 15-jarige Wouter, een hemd en een borstrok (red: warm hemd), een stuk katoen voor lakens en slopen, een deken, werkschoenen, kindergoed. Eén der aanvragers vult in dat hij het liefst geld wil: “Vier gulden, daar ik zelf wel van alles kan gebruiken, maar ik zou dit bedrag liever besteden aan mijn vrouw, die er veel nodiger om verlegen zit, zij kan doodgewoon de weg niet meer op.”

De situatie van vooral de kleine boeren en tuinders werd zo nijpend, dat er in 1932 een aparte commissie werd opgericht, belast met extra ondersteuning van de noodlijdende tuinders. In 1933 was door de gemeente voor deze extra ondersteuning 1.000 gulden beschikbaar gesteld en in 1934 was dat 2.000 gulden.
Deze ondersteuningsregeling voor tuinders en zijn uitvoering leidde tot politieke beroering in de Castricumse gemeenteraad.

De affaire P. de Wildt

Piet de Wildt, destijds secretaris van de r.-k. fractie in de Castricumse gemeenteraad, stelde de gang van zaken met betrekking tot de ondersteuning aan de tuinders, zoals besproken in de raadsvergadering van 16 oktober 1935, in de Castricummer Courant van vrijdag 1 november 1935 in een uitvoerig artikel aan de orde. Het voornaamste punt van kritiek van De Wildt was dat door het gemeentebestuur in 1934 slechts 2.000 gulden beschikbaar was gesteld, terwijl door Gedeputeerde Staten een bedrag van minstens 4.000 gulden was geadviseerd. Naar aanleiding hiervan had De Wildt in de raadsvergadering bij een betoog van de burgemeester, die volgens zijn zeggen altijd alles voor de tuinders had gedaan en de nood goed kende, de cijfers naar voren gebracht en uitgeroepen: “Is dat de nood goed kennen en daar naar te handelen ?”

De Castricummer Courant onderzocht de gang van zaken met betrekking tot de steun aan de tuinders uitvoerig. Het resultaat van dit onderzoek werd gepubliceerd, met als voornaamste conclusie dat in een twintigtal gemeenten met een nog intensievere tuinderij dan in Castricum, de tuindersteun niet anders of beter was geregeld. In deze gemeenten kregen de tuinders zelfs niets uit de gemeentekas, maar alleen rijkssteun via het Crisiscomité.

Herstel

Dat het na 1936 met de economie langzaam beter ging en de werkloosheid afnam, had onder meer te maken met de devaluatie (red: minder waard worden) van de gulden, welke maatregel door Nederland als één van de laatste Europese landen werd genomen. Allerlei werkverschaffingsprojecten, waaraan een werkloze kon worden verplicht deel te nemen op straffe van verlies van uitkering, kregen nu de hoogste voorrang. In de verschillende werkverschaffingen in Castricum bedroeg het aantal manweken (red: weken dat totaal gewerkt werd) in 1938 nog 1642. Er stonden gemiddeld 102 werklozen bij het plaatselijk agentschap der arbeidsbemiddeling ingeschreven. In 2415 gevallen werd steun verleend tot een totaal bedrag van ruim 22.000,- gulden.

Het aantal zorggevallen bedroeg 100 in februari 1938 tegen 114 in 1937.


Jaarboek 30, pagina 50

De burgemeester hield de gemeenteraad in 1939 voor, dat nog steeds de grootste voorzichtigheid geboden was, hoewel de economische toestand in de gemeente verbeterd was.

Intussen was, gestimuleerd door de goedkope bouwgrond, door de uitvoering van diverse bouwprojecten – o.a. Pernéstraat, Geelvinckstraat en Nuhout van der Veenstraat – het aantal inwoners op 1 januari 1939 gestegen tot 7527. Het aandeel van de agrarische bevolking was sterk verminderd. Velen waren naar andere plaatsen vertrokken, omdat er in Castricum geen bestaansmogelijkheid meer voor hen was.
In de jaren (negentien)dertig, met haar schrikbarende noodtoestanden, waarvan de herinnering velen nog altijd met huiver vervult, is het karakter van Castricum als stedelijk forensendorp bepaald.

Wim Hespe
Niek Kaan

De gemeenteraad in 1930.
De gemeenteraad in 1930. V.l.n.r.: staand: de heer B. Res Wzn, C. Kuijs, P. Twisk, J. de Nijs, H. Schipper; T. Hellinga, F.J. Aukes, P. de Vries, notulist C. Louter jr.; achter de tafel: de wethouders H. Hemmer en G. Louter sr., burgemeester P.H.L.J. Lommen, secretaris N.A. van Lunen en het eerste vrouwelijke raadslid mevr. G. Kuijs – Piepers.

Bronnen:

  • Archiefstukken betreffende Castricum in het Regionaal Archief te Alkmaar:
    – Maatschappelijke zorg, nrs. 618-662.
    – Algemeen Armbestuur, nrs. 785-799.
    – Pancratius Parochie Castricum.
    – Diaconie Hervormde Gemeente Castricum.
  • Bieleman, J., Geschiedenis van de landbouw in Nederland 19001950, Boom, Meppel 1992.
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973.
  • Loo, L.F. van, Arm in Nederland 1815-1990, Boom, 1994.
  • Rooy, P. de, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940, Van Gennep, 1978.
  • Notulen Maatschappelijk Hulpbetoon 1922-1940.
  • Ruijter W.Jzn., Q. de, Schippers van het Stet
Print Friendly, PDF & Email