Bewoning aan de Rietkamp (Jaarboek 19 1996 pg 20-24)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 19, pagina 20

 

Bewoning aan de Rietkamp

 

Inleiding

Voorafgaand aan het bouwrijp maken van een perceel grond aan de oostkant van de Rietkamp werd door de Werkgroep Oud-Castricum op 30 oktober 1993 grondboringen verricht. Dit gebied had onze belangstelling, omdat er al vanaf 1960 vele vondsten uit de 2e-3e eeuw in dat gebied werden gedaan.

De ongeveer één meter diepe boringen, aan de oostkant van de Rietkamp, gaven het vertrouwde beeld te zien van een wadzandige ondergrond met schelpen, afgewisseld met kleiplekken. Een dergelijke ondergrond was al eerder in de omgeving van de Cieweg waargenomen.
Het aantal boringen aan de Rietkamp was eigenlijk te gering om informatie te kunnen verkrijgen over eventuele in de bodem aanwezige resten van vroegere bewoning. Slechts eenmaal werd een inheemse aardewerkscherf uit de Romeinse tijd in de boorvullingen aangetroffen (zie overzichtskaart, grondboring 3). Met deze boringen zou het toch niet de laatste bemoeienis van de werkgroepleden met dit bouwperceel zijn.

Overzichtskaart met de boringen en de archeologische waarnemingspunten.
Overzichtskaart met de boringen en de archeologische waarnemingspunten.

De vondst van een pottenstapel

De voorbereidende grondwerkzaamheden waren al begonnen toen Harry Vermanen, lid van de werkgroep, op donderdag 20 januari 1994 door de heer Bleijendaal gewezen werd op een donkere plek met scherven in een smalle uitgraving, parallel aan de Rietkamp. De heer P. Bleijendaal was tijdens het bouwrijp maken van plan Molendijk-zuid, in de jaren 1965-1966, machinist op een graafmachine.
Hij stuitte toen, tijdens zijn werk, op scherven van een inheemse pot. De scherven werden mee naar huis genomen en in huiselijke kring aan elkaar geplakt, waarna de vaasvormige pot binnenshuis een plaatsje kreeg. Nu volgde Bleijendaal, uit liefhebberij, de graafwerkzaamheden met een metaaldetector.

Op de aangewezen plek maakte Vermanen een kleine insteek en stuitte daarbij op gestapelde potten (zie overzichtskaart, B). Diezelfde dag werd contact gezocht met de waarnemend provinciaal archeoloog van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), de heer J.K.A. Hagers. Deze kwam de volgende dag kijken en gaf het advies de grondverkleuringen in kaart te brengen en de pottenstapel te bergen. Een grotere betrokkenheid van de ROB was niet mogelijk. De volgende dag, zaterdag 22 januari, vond de berging plaats.
Het contact met de heer Bleijendaal leverde nog iets op. Na bijna 30 jaar in zijn bezit te zijn geweest, schonk hij in februari 1994 de door hem gevonden pot aan de werkgroep.


Jaarboek 19, pagina 21

De ongeveer 75 cm hoge pottenstapel.
De ongeveer 75 cm hoge pottenstapel.

De berging van de gestapelde potten

Tijdens de opgraving werd duidelijk dat drie potten op elkaar gestapeld stonden. De potvullingen bestonden uit zand en aardewerkscherven, de bovenste potvulling bestond merendeels uit scherven. De totale hoogte van de pottenstapel was ongeveer 75 cm. Van alle potten waren de bodems verwijderd. Er werden geen ingravingssporen waargenomen.

In de bovenvulling van de onderste pot werd een gaaf gesteeld voetbekertje van grijs aardewerk gevonden. Het 13 cm hoge bekertje lag op z’n kant. Het werd met de vulling voor onderzoek naar de ROB overgebracht. De onderzoeksresultaten waren bij het gereedkomen van dit verslag nog niet beschikbaar. Hoewel de vorm van het gesteelde voetbekertje bijzonder genoemd kan worden, lijkt het toch beschouwd te kunnen worden als gewoon gebruiksaardewerk. Zo’n gaaf exemplaar is niet eerder in Castricum aangetroffen, maar rond de Cieweg zijn er wel tientallen voetjes van gevonden.
In Noord-Holland zijn hiervan exemplaren bekend in bijvoorbeeld Texel, Schagen en Assendelft.
Uit de vulling van de onderste pot kwamen, behalve wat kleine scherfjes, ook enkele stukjes bot tevoorschijn, waaronder een door het vuur aangetast vogelbotfragmentje.

In de omgeving van de pottenstapel tekenden zich grijze banen in het lichte zand af (zie overzichtskaart, A). In deze grijze banen werden enkele verstrooid voorkomende scherven en wat botmateriaal gevonden. De grijze banen waren vermoedelijk greppelsporen, een verschijnsel dat algemeen wordt waargenomen tijdens opgravingen van nederzettingen uit de Romeinse tijd.

Na restauratie van de drie gestapelde potten bleek dat de bodem van de bovenste pot er met zorg afgeslagen is. De breukrand is erg gelijkmatig. Het bodemgat is maar amper wijd genoeg (15,5 cm) om het gesteelde voetbekertje er door te kunnen 1aten. Bij de twee andere potten zijn de breukranden aan de onderkant erg grillig en de openingen zijn groter. Uit de in de vulling aangetroffen scherven kon een halve, eveneens bodemloze pot samengesteld worden en er bleven nog wat niet plaatsbare scherven over.

Dat er veel scherven werden aangetroffen in de vulling van de bovenste pot, zou een aanwijzing kunnen zijn dat daarop nog een pot heeft gestaan. Zo dicht onder het maaiveld kunnen stukken, die niet naar binnen waren gezakt, verloren zijn gegaan.

De hiervoor beschreven pottenstapel is niet de enige in Castricum en de regio. In 1972 werd aan de Cieweg een pottenstapel binnen een huisplattegrond gevonden en ook op het Hoogoventerrein te Velsen zijn dergelijke constructies tijdens opgravingen aangetroffen. Tot nu toe werden ze beschouwd als kleine waterputten voor huishoudelijk gebruik. Of deze gebruiksfunctie ook toegekend kan worden aan de gestapelde potten van de Rietkamp is te betwijfelen. Het kleine bodemgat van de bovenste pot maakt het water scheppen immers niet gemakkelijk. Of het moet zo geweest zijn dat op de pot met het nauwe bodemgat nog een bodemloze pot heeft gestaan en het kleine bodemgat zich ruim voldoende onder het grondwaterpeil heeft bevonden.

Gesteeld voetbekertje gevonden in de onderste pot van de pottenstapel.
Gesteeld voetbekertje gevonden in de onderste pot van de pottenstapel.

Overige waarnemingen

Halverwege de uitgraving aan de zuidkant, haaks op de sleuf langs de Rietkamp, bevonden zich naast elkaar twee dicht geraakte sloten. De voormalige sloten strekten zich uit in de richting noord-zuid.


Jaarboek 19, pagina 22

Leden van de werkgroep bezig met het ontgraven van het runderskelet.
Leden van de werkgroep bezig met het ontgraven van het runderskelet.

Het waren de bermsloten aan weerszijden van de oprit, die ooit vanaf de hoek Breedeweg-Heemstederweg naar de Albertshoeve leidden (zie overzichtskaart, D). In de strook grond tussen de twee sloten bevond zich veel puin, dat eertijds als wegverharding opgebracht zal zijn.
In deze sleuf, iets oostelijker van de sloten met de oprit, werd een grijze plek waargenomen, waarin het complete skelet van een rund werd aangetroffen. Blijkens de daarbij gevonden scherfsplinters moet deze begraving in een van de laatste eeuwen hebben plaatsgevonden (zie overzichtskaart, C).

Het vervolg

Half februari 1994 werd de bouwlocatie nogmaals bezocht. In een nieuwe uitgraving, voor de feitelijke woningbouw, werd volop geheid. In de bouwsleuf aan de noordzijde waren de heipalen al de grond ingedreven en was men al met de heiwerkzaamheden de noordwesthoek gepasseerd.
In de zuidoosthoek tekenden zich heel duidelijk lange donkere banen, grote en kleine donkere plekken in het lichte zand af. Hoewel de heiwerkzaamheden vanwege de ingetreden vorst onderbroken werden, maakte de vorstperiode het onmogelijk de tijdsruimte te benutten voor een archeologische verkenning. Zodra de dooi intrad werd daarmee begonnen. Grondsporen werden ingetekend en vondstmateriaal uit een grote afvalkuil werd geborgen (zie overzichtskaart, Aa). De werkomstandigheden waren uitermate slecht.

Door de nog bevroren ondergrond kon het dooiwater uit de bovenlaag niet wegzakken. Hierdoor en door de hardheid van de grond konden de vondsten met moeite geborgen worden. Ook drongen de inmiddels hervatte heiwerkzaamheden zich steeds meer op en moest uiteindelijk op last van de aannemer de bouwlocatie worden verlaten. Slechts een deel van het archeologisch materiaal kon worden geborgen. Op dezelfde dag dat de leden van de werkgroep de bouwput moesten verlaten, werd de locatie in de middag door Erwin Bastiaan uit Beverwijk bezocht, om het terrein met de metaaldetector af te zoeken. Daarbij stuitte ook hij op de genoemde afvalkuil en hij pulkte er een hoeveelheid scherven uit de grond. Door een eerder contact ter plekke met de werkgroepleden was hij bekend met hun archeologische activiteiten. In april kwam hij twee dozen met scherven afleveren.

Uit de gedeeltelijk ontgraven afvalkuil werd 2 kg huttenleem, 3 kg botmateriaal en 58,5 kg aardewerkscherven geborgen. Met als uitgangspunt de verschillende randtypes, kon vastgesteld worden dat er resten van meer dan 80 potten gevonden zijn. Mede door de inbreng van Erwin Bastiaan konden 3 potten helemaal gerestaureerd worden. De grootste pot is 22 cm hoog, gladwandig en uitgerust met twee zogenaamde knobbeloortjes. In Castricum zijn voordien wel tientallen randfragmenten met dit type oortjes gevonden, maar niet eerder een complete pot. De tweede pot is 19 cm hoog en de rand is op verschillende plaatsen breed uitgeknepen. Slechts 13 cm hoog is een potje dat tot op de schouder gladwandig is en waarvan de onderste pothelft besmeten, dat wil zeggen, geruwd is.

De drie gerestaureerde potten, afkomstig uit de afvalkuil. Links de pot met de knobbeloortjes, rechts de pot met breed uitgeknepen randdelen, vooraan het potje met de ruwe onderhelft.
De drie gerestaureerde potten, afkomstig uit de afvalkuil. Links de pot met de knobbeloortjes, rechts de pot met breed uitgeknepen randdelen, vooraan het potje met de ruwe onderhelft.

Veel imposanter moeten de potten geweest zijn waarvan de gevonden bodemstukken, wandfragmenten en de tot wel 3 cm brede gekartelde en ongekartelde randen getuigen. Over het algemeen zijn dit resten van potten met een klein bodemvlak en een wijde potmond (ongeveer met een diameter van 25 cm). Sommige randfragmenten vertonen een schouderknik. Om krimp en scheuren tijdens het drogen van de klei zoveel


Jaarboek 19, pagina 23

mogelijk te beperken is het meest gebruik gemaakt van organisch mageringsmateriaal. Slechts een enkele scherf geeft magering met schelpgruis te zien. Uit de afvalkuil zijn ook randfragmenten van hoge potten met een nauwe potmond gevonden, ongeveer met een diameter van 9,5 cm.

Potbodems met een gat. Het gebruiksdoel is vooralsnog onbekend.
Potbodems met een gat. Het gebruiksdoel is vooralsnog onbekend.

Potten met een rond gat in de bodem komen wel vaker voor, maar vragen omtrent het gebruiksdoel kunnen nog steeds niet bevredigend beantwoord worden. Ook in Castricum zijn al eerder enkele potbodems met een gat gevonden. Uit de afvalkuil van de Rietkamp is een niet compleet potje afkomstig dat ongeveer 15 cm hoog geweest moet zijn. In de potbodem, met een middellijn van 6,5 cm, is een mooi rond en tamelijk groot gat, met een diameter van 2,5 cm aangebracht.

Een dik stuk aardewerk met een ronding is waarschijnlijk een fragment van een potdeksel. Deze potdeksel moet een diameter gehad hebben van ongeveer 35 cm. In de jaren zestig is al eens eerder een kleiner exemplaar met handgreep gevonden.

Tussen de scherven van inheems, met de hand vervaardigd, aardewerk werd een dunwandige potbodem gevonden van een op de draaischijf vervaardigde pot. Het is een geïmporteerd product, waarschijnlijk ontstaan onder de handen van een Romeinse pottenbakker, die zich in een van de noordelijke provincies van het Romeinse Imperium gevestigd zal hebben. De pottenbakkerij kan zich ergens in het huidige Belgisch-Vlaanderen bevonden hebben. De draairingen zijn aan de binnenzijde goed te zien. De kern van het aardewerk is grijs. Aan de buitenzijde lijkt een laagje zwartbakkende klei aangebracht te zijn, waarmee de pot egaal is afgewerkt.

Een merkwaardig voorwerp is een 6,5 cm hoog en 3,5 cm dik ringfragment. Het voorwerp moet een buitendiameter van 18 cm gehad hebben. De veronderstelde bovenzijde is dakvormig loopt naar buiten 1,5 cm en naar binnen 2,5 cm schuin af.
Het ringvormig voorwerp moet een onderdeel geweest zijn van een veel groter geheel, want de onderzijde vertoont een breukv1ak.

De vondsten aan de Rietkamp vormen voor de werkgroep een belangrijke aanvulling op de collectie Fries aardewerk uit de Romeinse tijd. Het beeld van de vormverscheidenheid is er completer door geworden. Opmerkelijk is dat ondanks het grote stamgebied van de Friezen het plaatselijk vervaardigde aardewerk overal dezelfde stijlkenmerken vertoont. Ook het feit dat de Friezen de draaitechniek niet van de Romeinen hebben overgenomen, zou een aanwijzing kunnen zijn, dat zij gehecht waren aan hun eigen tradities.

Fragmenten van potdeksels. Het linker fragment is afkomstig uit de afvalkuil van de Rietkamp, het rechter exemplaar is in de jaren zestig gevonden in de omgeving van de Cieweg.
Fragmenten van potdeksels. Het linker fragment is afkomstig uit de afvalkuil van de Rietkamp, het rechter exemplaar is in de jaren zestig gevonden in de omgeving van de Cieweg.

Tenslotte

Daar waar de Cieweg overgaat in de Laan van Albert’s Hoeve werden op 25 juni 1995 in een 85 cm diepe sleuf twee tegen elkaar gesitueerde tonputten gevonden (zie overzichtskaart, E).


Jaarboek 19, pagina 24

De bodem waarin zij zich bevonden tekende zich donkergrijs af in de omringende lichte zandgrond. De noordwestelijke ton moet het eerst ingegraven zijn. De resthoogte daarvan bedroeg 55 cm. De resthoogte van de tweede ton was 65 cm. Deze ton moet later geplaatst zijn, omdat deze gedeeltelijk door de wand van de eerste ton ingegraven was. De ongeveer 1 cm dikke duigen werden bijeengehouden door gespleten tenen, waarschijnlijk wilgen. De diameter van de eerste en tweede ton waren resp. 45 en 50 cm. Er werden geen merksporen op, of spongaten in de duigen gevonden.

In de bovenvulling van de eerste ton bevonden zich enkele gebakken stukken huttenleem (haardplaat- resten?) en wat botmateriaal. Uit de ondervulling kwam een misvormde steengoed-kruik, waarvan hals en oor waren afgebroken en niet teruggevonden werden. De kruik is een importproduct uit het Duitse Rijnland (Siegburg). Het is merkwaardig dat zo’n wanproduct zover van het productiegebied terecht is gekomen. Uit de bovenvulling van de tweede put kwamen enkele brokstukjes van vroege baksteen en uit de ondervulling een paar grijze aardewerk-scherven. Blijkens het vondstmateriaal zouden de tonputten uit de tweede helft van de 14e eeuw kunnen dateren.

E. Mooij

Geraadpleegde literatuur:

  • Bloemers, J.H.F., e.a., Verleden land. Archeologische opgravingen in Nederland. Meulenhof Informatief BV. Amsterdam 1981.
  • Diederik, F. Archeo-Logica, Uitgeverij Pirola, Schoorl 1989.
  • Helderman, B.J., Enige resu1taten van vijftien jaar archeologisch onderzoek in de Zaanstreek, Westerheem XX -1-1971.
  • Mooij, E., Pottenstapel als waterput in plan Molendijk, 2e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum 1979.
  • Mooij, E., De onderkant van Castricum, in Op zoek naar Castricum’s verleden. Uitgeverij Pirola, Schoorl 1992.
  • Renaud, J.G.N., Middeleeuws ceramiek, A.W.N.- monografie no 3.
  • Zuurbier S.P.A., De Sectie C van Castricum, 9e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 1986.
  • Zuurbier, S.P.A., De Albert’s Hoeve, 9e jaarboekje Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 1986.
De twee tonputten, waarvan de voorste gedeeltelijk door de wand van de achterste ingegraven blijkt te zijn.
De twee tonputten, waarvan de voorste gedeeltelijk door de wand van de achterste ingegraven blijkt te zijn.
Print Friendly, PDF & Email