Bewoningssporen in de Oosterbuurt (Jaarboek 19 1996 pg 15-17)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 19, pagina 15

 

Romeinse en Middeleeuwse bewoningssporen in de Oosterbuurt

 

Keltische gouden munt uit de periode 50 voor tot 50 na Chr. van de stam der Nervi. Deze stam had haar woongebied in België en Noord-Frankrijk. Afgebeeld is een gestileerd paardenfiguur. De munt werd aangetroffen in een paalkuil van de boerderij die in of kort na 272 werd gebouwd. De munt is daar mogelijk als bouwoffer gedeponeerd.
Keltische gouden munt uit de periode 50 voor tot 50 na Chr. van de stam der Nervi. Deze stam had haar woongebied in België en Noord-Frankrijk. Afgebeeld is een gestileerd paardenfiguur. De munt werd aangetroffen in een paalkuil van de boerderij die in of kort na 272 werd gebouwd. De munt is daar mogelijk als bouwoffer gedeponeerd.

Inleiding

Meer dan 15.000 vierkante meter gedocumenteerde vlakken en profielen, ca 3.500 sporen van paal- en afvalkuilen, van greppels en waterputten, meer dan 120 dozen van elk 20 kg aan aardewerk, bot, steen, glas, leer, hout, metaal en munten, waarvan alleen al het aantal aardewerkscherven op meer dan 10.000 stuks wordt geschat, zijn het resultaat van zeven maanden archeologisch onderzoek in de Oosterbuurt te Castricum. De opgravingen werden door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) in samenwerking met de Stichting Werkgroep Oud-Castricum en met financiële steun van de gemeente Castricum en de provincie Noord-Holland verricht vanaf september 1995.
De opgraving wordt momenteel stukje bij beetje door verschillende specialisten in de laboratoria te Amersfoort geanalyseerd. Archeologen, zoölogen, ecologen, dateringsdeskundigen, deskundigen op het gebied van munten, metalen en leer, conservatoren en restaurateurs werken hand in hand om de stukjes van de puzzel tot een verhaal over gebruik en bewoning van dit stukje Castricum te smeden. Men mag evenwel niet verwachten dat een dergelijk omvangrijk archief in een periode van drie maanden kan worden geanalyseerd, hoewel belangrijke vorderingen zijn gemaakt. Noodgedwongen kunnen op deze plaats slechts enkele hoofdzaken aan de orde worden gesteld die, naar wij hopen, toch een aardig beeld geven van wat het onderzoek heeft opgeleverd.

Kolonisatie

Het Oer-IJ liep via Beverwijk, Heemskerk en Castricum in noordelijke richting en stond bij Egmond in open verbinding met de zee. Omstreeks het begin van de jaartelling neemt de invloed van de zee in het mondingsgebied van het Oer-IJ af. Rond die tijd wordt het gebied in gebruik genomen door de mens. Ze treffen er een ruig landschap aan van hoog opgeslibde kwelders en brede geulen. Een paar kilometer westelijker ligt een duingordel die een barrière vormt tegen de zee. Ondanks de afname van de zee-invloed wordt het gebied in die tijd nog regelmatig vanuit de geulen overstroomd. Dit verhindert in die beginfase permanente vestiging. Het gebied zal vooral voor (seizoens?)beweiding van vee zijn gebruikt.
Deze wijze van gebruik krijgt een permanenter karakter wanneer de kwelders door regelmatige overstroming zo hoog zijn opgeslibd dat ze uiteindelijk alleen nog incidenteel bij zeer hoog water of stormvloeden worden overstroomd.
De archeologische sporen laten dit proces goed zien. Van dat eerste gebruik resteren (alleen nog?) wat greppels. Later neemt het aantal greppels toe die soms ovale, ronde of rechthoekige areaaltjes omgeven. De ontwikkeling eindigt met de aanleg van een west-oost georiënteerd systeem van min of meer rechthoekige kavels.

Gedeelte van de plattegrond van de boerderij uit 272 of even daarna. In het vlak zijn de wandgreppels van het gebouw zichtbaar met daarin rijen zwarte verkleuringen. de overblijfselen van de wand- en zwaardere staanderpalen. De grote donkere verkleuring bleek bij uitgraving een waterput uit de Vroege Middeleeuwen te bevatten.
Gedeelte van de plattegrond van de boerderij uit 272 of even daarna. In het vlak zijn de wandgreppels van het gebouw zichtbaar met daarin rijen zwarte verkleuringen. de overblijfselen van de wand- en zwaardere staanderpalen. De grote donkere verkleuring bleek bij uitgraving een waterput uit de Vroege Middeleeuwen te bevatten.

Op één van deze kavels worden meerdere waterputten aangelegd, die later als afvalstortplaats worden gebruikt. In de vulling van een van deze putten zijn grote hoeveelheden verbrande scherven tezamen met as en fragmenten van grote ringvormige aardewerken constructies gevonden. Deze vondsten kunnen overblijfselen zijn van het werk van een pottenbakker. Gebouwsporen ontbreken in deze fase nog geheel, wat niet betekent dat er niet in de naaste omgeving kan zijn gewoond. Hierop wijzen onder meer de enorme berg aardewerkscherven en het afval van (gegeten) dieren zoals paard, varken, schaap/geit, edelhert, maar vooral rund en vissen zoals ombervis, schelvis en meerval. Aan de noordzijde van de opgraving lagen vlak bij elkaar vijf mensen begraven. Het gaat om vier mannen en een vrouw tussen de ca. 20 en 60 jaar die gestrekt op de rug en zuid-noord georiënteerd in kuilen en greppels zijn begraven. Voorwerpen (tenzij vergaan en niet teruggevonden) met voedsel voor de laatste reis of persoonlijke bezittingen zijn niet aan de doden meegegeven.


Jaarboek 19, pagina 16

Vrijgelegd skelet van een volwassen vrouw. Ze lag naast een palissade in een greppel.
Vrijgelegd skelet van een volwassen vrouw. Ze lag naast een palissade in een greppel.

Vier van de vijf individuen waren met het hoofd naar het zuiden gelegen, de vijfde (een man) lag in tegengestelde richting. De betekenis van deze afwijkende oriëntatie is niet duidelijk. Het gaat in ieder geval niet om een door sekse ingegeven verschil.

 Kralenketting van glaspasta uit de 4e eeuw. De kralen hebben een hart van goudfolie. De ketting werd aangetroffen rand de hals van een op de buik begraven vrouw.
Kralenketting van glaspasta uit de 4e eeuw. De kralen hebben een hart van goudfolie. De ketting werd aangetroffen rand de hals van een op de buik begraven vrouw.

Unieke vondsten uit de Laat-Romeinse Tijd

De bewoningsdichtheid van het westelijk kustgebied zowel ten noorden als ten zuiden van de Romeinse rijksgrens, neemt tegen 260-270 dramatisch af. Zo sterk zelfs dat voorheen werd verondersteld dat het gebied geheel zou zijn verlaten. Als oorzaken daarvan werden politieke onrust in het Romeinse Rijk, invallen van Germaanse stammen en vernatting genoemd. De inheemse bevolking zou als gevolg daarvan samen met de Romeinen – van wie ze economisch in belangrijke mate afhankelijk zouden zijn geweest – naar rustiger streken in het zuiden zijn getrokken. Het voortbestaan tot op de dag van vandaag van prehistorische namen en archeologische vondsten (Uitgeest, Texel) tonen echter aan dat dit gebied na 260 -270 niet volledig kan zijn ontvolkt. Archeologen menen nu dat de achterblijvers zich vooral in de hoger gelegen duinen hadden teruggetrokken, en daar is tot op heden nog nauwelijks onderzoek verricht.
Tegen deze achtergrond zijn de vondsten in de Oosterbuurt spectaculair te noemen. Niet alleen voorwerpen maar ook een groot deel van een rechthoekig boerenerf zijn hier aangetroffen. De resten lieten zelfs exacte dateringen toe. De bewoning neemt een aanvang omstreeks 250 na Chr. en duurt tot minstens 325 na Chr.
De ruimtelijke ontwikkelingen in het gebruik van het erf zijn door exacte dateringen, verkregen
uit jaarringenonderzoek, uitzonderlijk goed te volgen. Er is sprake van grote bouwactiviteit, waarbij boerderijen, schuurtjes, waterputten en palissades worden gebouwd, hersteld en vervangen. Het erf wordt uitgebreid ofwel in de ruimte verplaatst. Aan de buitenzijde van de zuidelijke palissade wordt een volwassen vrouw gestrekt op de rug en het hoofd naar het oosten begraven. Ook aan haar zijn geen grafgiften meegegeven.
Van een van de boerderijen kon het grootste deel van de plattegrond worden blootgelegd. Het gaat om een houten drieschepige woonstalboerderij met een breedte van ca. 6 meter en een lengte van tenminste 36 meter. De eikenbomen die nodig waren voor de bouw van het huis werden in de winter van 271-272 geveld.

Kopfragment van een gouden haarpin uit ca. 400 na Chr.
Kopfragment van een gouden haarpin uit ca. 400 na Chr.

Omstreeks 290 wordt het vermoedelijk laatste huis op dit erf gebouwd. Een opvallende groep rechthoekige kuilen zonder duidelijke functie, gelegen merendeels buiten het genoemde erf, zou ten dele gelijktijdig kunnen zijn met dit jongste gebouw. Op het moment dat ze worden gegraven, is de palissade, die werd aangelegd tussen 264 en 267, in ieder geval voor wat betreft het gedeelte aan de noordzijde, inmiddels weer verdwenen. In deze kuilen zijn vele fragmenten van op de draaischijf vervaardigde, grijze aardewerken kommen met standvoetjes gevonden. Dit type aardewerk is kenmerkend voor de late derde en vierde eeuw.


Jaarboek 19, pagina 17

Het is voor het eerst dat dergelijk aardewerk in het westelijk kustgebied in nederzettingscontext is gevonden. Na 325 gaan de sporen en vondsten een probleem vormen. Er wordt dan niet meer op de onderzochte locatie gewoond. We weten dat in ieder geval nog tot het einde van de vierde of het begin van de vijfde eeuw in de naaste omgeving gewoond moet zijn. Hierop wijzen diverse vondsten zoals een fragment van een gouden haarpin, een aantal munten en enige aardewerkscherven. Een belangrijker aanwijzing is echter het eerste skelet dat aan de oostzijde van het (inmiddels verlaten ?) erf werd gevonden. Het gaat om een vrouw van ca 30 jaar die op de buik in een kuil was geworpen. Een ketting van glaspasta rond de hals dateert de (haastige?) bijzetting ook in deze periode. Tijdens het laboratoriumonderzoek werd geconstateerd dat tijdens haar leven haar linker onderarm was gebroken en slecht geheeld. Zij zal bij het uitvoeren van haar werk behoorlijke overlast van deze breuk hebben gehad.
Van de periode tussen ca. 400 en 600 ontbreekt tot nu toe elk spoor. Pas na ca. 600 komen er weer aanwijzingen beschikbaar in de vorm van enige scherven en mogelijk ook enkele kuilen.

Middeleeuwse bewoning

De oudst exact gedateerde structuren uit deze periode, alle waterputten, zijn te plaatsen in de eerste helft van de achtste eeuw. De waterputten liggen meestal in groepjes van twee of drie bijeen in de onmiddellijke omgeving van drieschepige houten gebouwen. Vaak liggen diverse gebouwplattegronden op dezelfde plaats over elkaar heen wat een indicatie is voor de plaatsgebondenheid gedurende enige generaties. Binnen het onderzochte areaal zijn tenminste vijf huisplaatsen met bijbehorende waterputten herkend, die waarschijnlijk niet alle gelijktijdig in gebruik zijn geweest. Naast de grotere drieschepige gebouwen konden tevens enige kleinere gebouwtjes uit de grote hoeveelheid sporen worden gereconstrueerd.
In de loop van de tijd verplaatst de bewoning zich in zuidelijke richting naar de latere Uitgeesterweg. Hier werden randen van 11e-12e-eeuwse erven aangesneden. Het voorheen bewoonde areaal vervalt tot weiland of akkerland en die functie zou het tot de start van het archeologisch noodonderzoek in 1995 behouden.

J.K.A. Hagers
M.M. Sier

Doorsnede van een vroeg middeleeuwse waterput gemaakt van plaggen. De wanden zijn gefundeerd op liggende ronde balken.
Doorsnede van een vroeg middeleeuwse waterput gemaakt van plaggen. De wanden zijn gefundeerd op liggende ronde balken.
Print Friendly, PDF & Email