Boenstraatje te Bakkum (Jaarboek 16 1993 pg 22-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafés en kasteleins in Bakkum – Kampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum


Jaarboek 16, pagina 22

Een boenstraatje te Bakkum

Inleiding

Tot nu toe kwamen in het Castricums jaarboekje uitsluitend archeologische vondsten aan de orde, die in de dorpskom of in de oostelijke uitbreidingen van Castricum werden gedaan. In de na-oorlogse jaren werd Bakkum veel minder getroffen door omvangrijke uitbreidingsplannen. Het dorpskarakter is daardoor aardig behouden gebleven. Het feit dat in Bakkum dus veel minder grondverzet heeft plaatsgevonden ten behoeve van woningbouw, is één van de redenen waarom Bakkum archeologisch minder bekend is geworden.
Bakkum, zo dicht tegen de binnenduinrand gelegen, bevatte vroeger meer tuinbouwgronden dan nu het geval is. Deze tuinbouwgronden zijn nu voor een deel bezet met woningen. Aan de oostkant, op de overgang van hoger naar lager gelegen gronden, wisselen tuinbouwpercelen, bollenland en weidegronden elkaar af. Het laag gelegen land bestaat uitsluitend uit weidegronden. Dit laag gelegen gebied, tussen de binnenduinrand en de strandwal waarop Limmen ligt, is een voormalige strandvlakte, die nu deel uitmaakt van de Groot-Limmerpolder. Tuinbouw- en bollengronden worden, in tegenstelling tot weidegronden, intensief bewerkt. Vooral door het diepploegen worden grondsporen vernietigd en gaan archeologische voorwerpen, die zich daarin bevinden, verloren.

Toch kan het intensief bewerken van tuinbouw- en bollengrond ook archeologisch vondstmateriaal opleveren. Dit is zowel in Castricum als in Bakkum gebeurd en het vondstmateriaal werd aan de Werkgroep Oud-Castricum afgestaan. Hoewel deze losse vondsten iets illustreren over de bewoningsgeschiedenis, is het oorspronkelijke verband, waarmee zij zich in de bodem bevonden hebben, verloren gegaan en daarmee ook belangrijke informatie. Grondsporen en archeologisch materiaal, veilig onder de grasmat, blijft beter bewaard voor archeologisch onderzoek, mits beroeps- en amateurarcheologen verandering van grondgebruik nauwlettend in de gaten houden. Verandering van grondgebruik heeft geleid tot de Bakkumse vondst die nu beschreven gaat worden.

De locatie

Toen de gebroeders Zomerdijk het weiland achter de duintjes, aan de oostkant van de Heereweg in eigendom verkregen, werd het omgezet in bollenland. Het was Herman Zomerdijk, zelf lid van de Werkgroep Oud-Castricum, die enkele leden van deze werkgroep op het spoor van een mogelijke archeologische vondst bracht. Op de akkers, achter de genoemde duintjes, tegenover Jeugdherberg “Koningsbosch”, werd tijdens ploegwerkzaamheden last ondervonden van puin. Op de scheiding van het eerste en het tweede perceel, ongeveer 10 meter vanaf de duinrand, bevond zich een plek met een hoge concentratie puin.

Zomerdijk had het voornemen deze plek van puin te zuiveren. Bakstenen en aardwerkscherven kwamen te voorschijn. Op een diepte van ongeveer 75 cm werd een bakstenen vloertje aangetroffen. Naar aanleiding hiervan werden op 9 december 1972 enkele leden van de werkgroep in de gelegenheid gesteld waarnemingen te doen.

De vondstlocatie van het bakstenen vloertje.
De vondstlocatie van het bakstenen vloertje.

Het vondstmateriaal

Behalve scherven en bakstenen kwamen er ook enkele fragmenten van rode vloertegels tevoorschijn. De dikte van de grote vloertegel-fragmenten bedroeg 4 cm. De kleinere tegels waren 16 cm in het vierkant en 2,5 cm dik. Voorts bevatte de grond veel mortel, houtskool, verbrande houtresten, spijkers enz. Een aan- zienlijke hoeveelheid scherven bevond zich direct op het vloertje. Dit aardewerk dateert uit de l6e eeuw of zelfs eind 15e eeuw. Een belangrijk gegeven is dat dit overwegend roodgebakken aardewerk aan de binnenzijde geglazuurd is en aan de buitenzijde slechts morsvlekken vertoont. Alleen een driepoot kannetje van crèmekleurig aardewerk is zowel aan de binnenzijde als aan de buitenzijde met groene glazuur overtrokken.

Het meeste vaatwerk is voorzien van drie pootjes. Onder twee potten met bolle bodems, zijn lage standringen aangebracht. Sommige potten hebben het randprofiel, dat karakteristiek genoemd wordt voor nagenoeg de gehele 16e eeuw. De buitenzijde van de rand bestaat dan uit twee min of meer even zware


Jaarboek 16, pagina 23

Gedeeltelijk gerestaureerd aardewerk.
Gedeeltelijk gerestaureerd aardewerk.

horizontale ribbels. Ook de potvorm wordt dan minder rond. In een soort kan werd een harde crème-kleurige materie aangetroffen.
Op een schaal van rood aardewerk is met wit-gele kleislib een vogelmotief, waarschijnlijk een duif, aangebracht. Het geheel is overdekt met geel-groene transparante glazuur. Deze schaal, met een diameter van 28 cm, is aan de onderzijde van standlobben voorzien. Helaas werd maar de helft van de schaal teruggevonden.

Het glazuur op het gevonden aardewerk was blijkbaar door grote hitte, mogelijk van een brand, hier en daar gaan sinteren. Ook werd er een spinsteentje van het hardgebakken steengoed gevonden. De twee keien die hier eveneens aangetroffen werden, doen erg denken aan verzwaringsstenen die vroeger bij de inmaak van groenten gebruikt werden. Door de heer D. van Deelen, oprichter van de Werkgroep Oud-Castricum, werden deze stenen herkend als een graniet en vermoedelijk een gneis (red: gelamineerd of in lagen gespleten metamorf gesteente).

Het bakstenen vloertje met de uitsparing, waarschijnlijk om het schrobwater kwijt te kunnen.
Het bakstenen vloertje met de uitsparing, waarschijnlijk om het schrobwater kwijt te kunnen.

Het stenen vloertje

Nadat het losse vondstmateriaal verwijderd was, kwam er een rechthoekig vloertje tevoorschijn, van willekeurig op de platte kant neergevlijde, roodgeel gevlamde baksteentjes. De maten van deze steentjes waren 18 x 9 x 4,5 cm. Er was geen mortel gebruikt.

De vondst situatie.
De vondst situatie.

Jaarboek 16, pagina 24

Ergens, willekeurig in het vloertje, bevond zich een rechthoekige uitsparing. De daarom liggende steentjes werden op hun plaats gehouden door een viertal plankjes van slechts 10 cm breed, die op hun kant gezet waren. Door paaltjes op die vier hoeken werden op hun beurt de plankjes op hun plaats gehouden.
Over de functie van het stenen vloertje met deze uitsparing kan men slechts gissen. Het geheel doet echter denken aan een boenstraatje. De grondverkleuringen rond het stenen vloertje duiden op funderingssleuven. Enkele stenen werden nog in situ (red: op zijn plaats) aangetroffen en wel op een diepte van ongeveer 18 cm beneden het vloeroppervlak. Blijkbaar maakte het vloertje deel uit van een bouwsel, waarvan het muurwerk tot op de fundering toe is weggebroken. Het is mogelijk dat de stenen hergebruikt zijn.

De bewoningsgeschiedenis

Na deze vondst werd in de zeventiger jaren nog meer verspreid voorkomend schervenmateriaal uit het bollenland verzameld. Enkele scherven dateren van rond het begin van de jaartelling, hetgeen een aanwijzing is dat er toen al in dit gebied gewoond werd. Badorfscherfjes en kogelpotfragmenten, gemagerd met granietgruis en voorzien van lipvormige randen, duiden op bewoning in de vroege middeleeuwen (7e t/m 10e eeuw). De grijze kogelpotscherven met geprofileerde randen, flauwe dekselgeulen en horizontale ‘bezemstreek-versieringen’wijzen erop dat de bewoning hier ter plekke gedurende de late middeleeuwen werd voortgezet.

Ook het steengoed is rijkelijk onder het verstrooide vondstmateriaal vertegenwoordigd. Verschillende lichtgrijze bodemstukken met geschulpte standringen zijn afkomstig van produkcen uit het Duitse Siegburg en omgeving. Deze producten zijn beter bekend als 13e – 14e eeuwse ‘Jacobakannetjes’. Ook vroegere en latere steengoedfragmenten werden op het land gevonden. Een 16-tal koekenpanstelen vertoont een grote variatie. Deze stelen van rood aardewerk vormden één geheel met de koekenpannen waarvan ze afkomstig zijn. De enige korte en holle steel, waarin een stok gestoken kon worden, vertegenwoordigt een vroeg type koekenpan met lensvormige bodem. Koekenpannen met echt vlakke bodems komen pas in de 15e eeuw voor. Deze koekenpannen waren voorzien van platte massieve stelen. In de loop der eeuwen trad er een geleidelijke verandering in de vorming van de stelen op. Aardewerk koekenpannen bleven tot in de 19e eeuw in gebruik.

Rood en grijs aardewerk komt tot het eind in de 15e eeuw naast elkaar voor, daarna verdwijnt het grijze aardewerk. Ook dit grijze aardewerk bevindt zich tussen het vondstmateriaal.
Het vervaardigen van roodbakkend aardewerk, het opbrengen van loodglazuur en slibdecoraties, zet zich tot ver in de 19e eeuw voort. Het is dan ook niet eenvoudig om dit gewone gebruiksaardewerk exact te dateren. Op het land werden ook enkele majolica-fragmenten gevonden. Majolica is crème- of witbakkend aardewerk, overtrokken met een wit fond met daarop blauwe of meerkleurige decoraties. Dit type aardewerk komt vooral in de 16e – 17e eeuw in de huishoudens terecht.

De grote kaart van “t Hoogh-Heemraetschap van de Uytwaterende Sluysen in Kennemerlandt en de West-Vrieslandt” van 1680, getekend door Johannes Jansz Douw, laat op deze locatie enige bewoning zien. Opmerkelijk is dat de kaart op deze locatie nog vele aanknopingspunten biedt met de huidige situatie, zoals het huidige wegenpatroon en de duintjes aan de oostzijde van de Heereweg.

E. Mooij

Detail van een kaart naar de situatie in 1680.
Detail van een kaart naar de situatie in 1680.

Jaarboek 16, pagina 25

 Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg 'Koningsbosch'.
Het bollenland achter de duintjes, tegenover jeugdherberg ‘Koningsbosch’.

Geraadpleegde literatuur

  • Groeneweg, G.C., Bergen op Zooms aardewerk (IV); de pottenbakkerij “Croonenburg”. Westerheem XXXVII-5-1988, blz. 261.
  • Renaud, J.G.N., Middeleeuws ceramiek. A.W.N.-monografie no. 3, 1976, blz. 93.
  • Steenhouwer, K.J. en Warringa, A.H.C., Archeologie in de praktijk. Fibula – van Dishoeck, Weesp, 1985, blz. 147.
  • Voskuil, J.J. , V an vlechtwerk tot baksteen. Geschiedenis van de wanden van het boerenhuis in Nederland. Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek, Arnhem; Uitgeverij Terra, Zutphen 1969, blz. 118-119.
De boerderij, die vroeger aan de Heereweg te Bakkum heeft gestaan tegenover jeugdherberg 'Koningsbosch', maar door omstandigheden het veld heeft moeten ruimen.
De boerderij, die vroeger aan de Heereweg te Bakkum heeft gestaan tegenover jeugdherberg ‘Koningsbosch’, maar door omstandigheden het veld heeft moeten ruimen.

Op den ouden grond

Dit is de titel van een gedicht, gemaakt in 1984 als herinnering aan de boerderij van de familie Twisk, die tegenover jeugdherberg Koningsbosch stond en die enkele tientallen jaren geleden is gesloopt.

Waar eens de boerderij toch stond,
met bomen er om heen.
Staat nu ons huis wel nieuw en mooi,
maar het leven ging ook heen.

Het erf, de stal en ook de dors,
dat alles is voorbij.
Het land en vee dat werd verkocht,
gesloopt de boerderij.

Al was de dag soms zwaar en lang,
het gaf het leven kleur.
Want ieder jaargetijde bracht,
zijn eigen klank en geur.

Het voorjaar op ‘t land, het jonge gras,
de zomer met het hooi.
En herfst met nevel over het land,
zelfs ‘s winters was het nog mooi.

Dan stond het vee weer in de stal,
in langen rij geschaard.
En in de dors de paardenstal,
sliep rustig dan het paard.

Maar wat geweest is, is niet meer,
al het ouden is voorbij.
Het nieuwe huis staat op de grond,
van den ouden boerderij.

mevr. J. Twisk – Wassenaar

Print Friendly, PDF & Email