Brandweer (Jaarboek 18 1995 pg 3-17)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 18, pagina 3

Tweehonderd jaar brandweer in Castricum

Inleiding

In het dagboek van Jan de la Chambre, schepen en burgemeester van Beverwijk, wordt een grote brand beschreven, die op 29 juli 1795 in Castricum heeft gewoed: “Deeze nademiddag om 3 Uuren ondstond aldaar een felle Brand waardoor binnen korten tijd 5 Huizen bene¬≠vens de Stalling & Schuur bij de Herberg in den Asch werde gelegt, de Herberg zelve schoon beschadigt, is echter staande gebleven. Sonder de spoedige aangebrachten Hulpe onzer Meede Burgeren van Beverwijk & Uitgeest zoude alle Huizen om de Kerk een Prooij der Vlammen zijn geworden, 8 Huis-gezinnen uit 34 Menschen waar onder 19 Kinderen geteld worden, bestaan; zijn daar door in de bit¬≠terste Armoed gedompeld; waar voor hier ter Steede op den 16 Sepbtember dezes Jaar gecollecteerd is een Zomme van 93-11- (red: 93 gulden en 11 stuivers);”

Dit is de oudste vermelding van een brand, die over Castricum bekend is. Opvallend is, dat gesproken wordt over ‘hulp’ en geen woord gerept wordt over brandweerlieden, die de brand geblust zouden moeten hebben. Branden van een dergelijke omvang kwa¬≠men vroeger vaak voor. Ons dorp is van een brand van deze omvang verder verschoond gebleven. Van vrijwel elke stad of dorp zijn grote branden bekend, waardoor steden en dorpen geheel of grotendeels in de as werden gelegd.

Brandgevaarlijk

In de steden en grotere dorpen beseft men maar al te goed de geva­ren, die aan een compacte bebouwing zijn verbonden. De wonin­gen zijn aanvankelijk geheel van hout opgetrokken, waarbij door­ gaans een schoorsteen ontbreekt. In het gunstigste geval beschikt men over een houten rookkanaal. De stookplaats is in vroeger eeu­wen een kuil in de lemen vloer. Tel daarbij nog een veelal rieten dakbedekking afgedicht met pek, en een klein ongelukje met vuur is voldoende om het geheel in korte tijd te doen afbranden.
Een belangrijk jaar in de geschiedenis van de brandweer is 1521 als Karel V een wet uitvaardigt, waardoor het bouwen van huizen anders dan van steen verboden wordt. Maar het zal nog lang duren, voordat die wet ook daadwerkelijk uitgevoerd wordt. Met name op het platteland en in de kleinere steden neemt men het met die verordening nog niet zo nauw. In vele plaatsen en zelfs streken blijven de houten huizen Рtegen het verbod in Рgewoon gebouwd worden. In onze omgeving zijn er voorbeelden te over van plaat­sen, die de wet niet letterlijk genomen hebben. Het voordeel is dat prachtige dorpen als Marken, Broek in Waterland en vele andere plaatsen in Noord-Holland met houten huizen nog bestaan.

Brandweermiddelen

Van een brandweerorganisatie is aanvankelijk geen sprake. Elke burger heeft de plicht om bij brand datgene te doen wat de plaatse­lijke overheid voorschrijft. Veel kan men niet doen: het vuur moet bestreden worden met water, dat met emmers in de brandhaard gegooid wordt. Natte zeilen moeten voorkomen dat het vuur over­ slaat naar belendende percelen. Vaak is het pand al tot de grond afgebrand, voordat men ook maar iets heeft kunnen uitrichten.
De ontwikkeling van de brandspuit begint in de zeventiende eeuw met de Neurenburger smid Johann Hautsch, die een brandspuit heeft vervaardigd: een nogal log gevaarte dat met sleden vervoerd moet worden. Zo‚Äôn succes is deze spuit nooit geweest, want de waterstraal komt uit een straalpijp, die vast verbonden was met de pomp, waardoor de waterstraal nooit het vuur dicht kan benaderen. Het is Jan van der Heiden, die op het idee komt om met slangen te werken. Het gelukt hem om in 1672 de eerste slangenbrandspuit te maken. Jan van der Heiden was een geniale man, die naast kunst¬≠ schilder en technicus ook uitvinder was. Ook aan zijn eerste ont¬≠werpen ontbrak nog wel iets zeer belangrijks. De pomp moest met de hand gevuld worden met water. Hij weet zijn uitvinding zelf belangrijk te verbeteren door ook een aanzuigpomp te ontwerpen. In 1673 komt zijn grote doorbraak als hij met zijn nieuwste brand¬≠ spuit een grote brand in Amsterdam weet te bedwingen. Hij beperkt zich niet tot het verbeteren van zijn uitvinding, maar hij is ook een begenadigd organisator. Hij ontwikkelt ook een brand¬≠weerorganisatie. Bij een brand wist men vaak niet zo gauw wat te doen, wie haalt de spuit, zijn de slangen in orde, waar zijn de lad¬≠ders. Praktische problemen waarop Van der Heiden een oplossing vond in de opstelling van een ‘brandkeur’. In 1685 wordt deze verordening in Amsterdam ingesteld, waarmee de geschiedenis van de georganiseerde brandbestrijding aanvangt.
Tweehonderd jaar later worden nieuwe stappen gezet voor een verbeterde brandwering, de komst van de stoomspuit en de uit­ bouw van het waterleidingnet.

Keuren van 1753

Uit de beschrijving van de brand waarmee dit artikel begint, kun¬≠nen we al opmaken dat het met de Castricumse brandbestrijding niet zo best moet zijn gesteld. En uit de archieven wordt duidelijk dat van een goede organisatie van de brandbestrijding tot in onze eeuw geen sprake is geweest. In het gemeente-archief komen, gedateerd 27 maart 1753, twee keuren voor met betrekking tot de brandweer, beiden ondertekend door secretaris Leonard Tempelaar. De eerste luidt: “Alzo verscheyden reysen klagten zyn gedaen, dat enige Ingezetenen van Castricum haar niet ontzien, om in hare Somerwoningen, Schuuren en elders vuur te stooken, zonder dat daar schoorstenen zyn, waerdoor grote perykel is, om brant te veroorzaken, waer tegens behoorde voorzien te worden, zo hebben Schout en Schepenen gekeurt, gelyk dezelve keuren by dezen, dat niemant zal vermogen in hare huyzen, schuuren of stal¬≠len, vuur te hebben of te stoken, als onder een schoorsteen en behoorlyke haartstee, op de boete van f 2:12:8 (red: 2 gulden, 12 stuiver en 8 centen) de bekeuring zo wel te doen by de Buuren, als by den Schout en Bode, waer voor de bekeurder de helft van de boete zal genieten, en de andere helft voor den Schout, en in dien dezelve drie dagen na de bekeuring geen schoorsteen of haartstee hebben laten maken, zo zal de Schout vermogen alle dagen de bekeuring te doen, tot zo lange het volgens deze keure is gemaakt, zodanig dat geen perykel te vrezen is.”

Nog een keur uit 1753

De tweede tekst luidt: “Alzo klagten worden gedaen, dat de Luyden zo onvoorzigtig zyn om hete gloeijende Asch op den weg uyt te gieten, waer door ongemakken en brand te vrezen zyn, zo word mede gekeurt, dat niemand hete of andere assche op den


Jaarboek 18, pagina 4

weg zal mogen uytgieten, op de boete van f 2:12:8 (red: 2 gulden, 12 stuiver en 8 centen) de bekeuring zal door de Buuren zo wel als door den Schout of Bode mogen geschieden en daarvoor de helft van de boete genieten, midts zulks aen den Schout bekend te maken”.

Johan Geelvinck

Een ander oud stuk met betrekking tot de brandweer is een keur (verordening) op de hooibroei te Castricum, die door de schout en schepenen onder Mr. Johan Geelvinck, Heer van Castricum en Croonenburgh is vastgesteld. De verordening is niet gedateerd, maar Geelvinck bezat de Heerlijkheid Castricum van 1764 tot 1802. Het document moet gelet op de namen, die daarin vermeld staan, omstreeks 1795 worden gedateerd. Het handelt over de benoeming van een viertal hooistekers. Het gaat om Jan Brakenhoff in de buurtschap Heemstede, Cornelis Schrama in de Oosterbuurt, Fulps Ranke in de Kerkbuurt en Simon Duynmayer in Bakkum. De complete tekst ervan luidt:

“Keure op het broeijen van het Hooy onder Castricum.

Schout en Schepenen der Heerlykheyd van Castricum, hebben op de propositie en goedvinden van den Wel Edelen Gestrengen Heer Mr. JOAN GEELVINCK, Heer van Castricum en Croonenburgh &c. etc. als tragtende soo veel mogelyk is, voor te komen alle ongelucken van Brant, die door het sterk broeijen van het Hooy te dugten zyn (‚Äėt welck God gelieve te verhoede) voor dit … Jaar tot Hooysteekers en Keurmeesters gecomitteert de ondergenoemde Persoonen, gevende by dese aan de selve Keurmeesters de magt, en authoriteit, om ten allen tyde als sy het nodig oordelen, Egter ten minsten eens, of tweemaal in yder week, in de Maande July en Augusty of langer na tyts omstandigheyd, soo wel, als op verzoek en aanklagte van Bueren of andere geintresseerdens daar ontrent woonende of Eygendom hebbende, te visiteeren alle Hooyhuysen, Schueren, Bergen en Klampen in Castricum staande, en cv des nodig bevindende de Eygenaars of Opsigters van ‘t Hooy aan te seggen en te gelasten, dat zy hun broeijent Hooy aanstonts sullen hebben te steecken, lugten of wel te verplaatsen uyt de Hooyhuysen, Schueren, Bergen of Klampen, soodanig dat daar geen brant van te vreesen is, met Waarschouwinge dat by nalatig- heyd of onwilligheyd sulcx met Communicatie van dese Agtb: Geregte, ten Lasten en Kosten van soodanige nalatige en onwilli¬≠ ge gedaan en besteet sal worden, en bovens dien yder dag na de Waarschouwinge te verbeuren twee Kennemer Ponde boeten voor de Schout, en zyn tot Keurmeesters aangestelt. Aldus gedaan, gekeurt en gearresteert op den Regthuyse van Castricum, en ten selven dage na voorgaande Kloeke geklep geplubliceert ter prefentie van Schouten en Schepenen den …”

Hooistekers

In een agrarisch dorp als Castricum was brand als gevolg van hooibroei een der belangrijkste oorzaken. Om dit gevaar zoveel mogelijk te voorkomen werden zogeheten hooistekers benoemd. Deze mannen controleerden zeer regelmatig, 1 of 2 keer in de week in het hooiseizoen of zolang het nodig was de temperatuur van het opgeslagen hooi. Zij deden dit met behulp van peilijzers die zo diep als mogelijk in de hooiberg werd gestoken. Zo nodig moest de hooischelf uit elkaar gehaald worden om brand te voor­ komen. Deze hooistekers of hooipeilers behoorden tot 1969 niet tot de brandweer, maar vielen rechtstreeks onder de verantwoor­ding van schout en schepenen en later van burgemeester en wet­ houders. Brandweercommandant Tinus Hopman heeft er voor geijverd, dat zij onderdeel werden van de vrijwillige brandweer. Dat was in 1969, voor niet zo lang, want het beroep bestaat sinds 1982 niet meer. De laatsten waren G. Bos voor Castricum en P. Zomerdijk voor Bakkum. Zij werden overbodig, doordat brand door hooibroei praktisch niet meer voor komt.

Een draagbare brandspuit in 1805

De gemeente Castricum besluit tot de aankoop van een brandspuit op een aanbieding van Mr J.H. Onderdewijngaart Cansius uit Delft: “Bericht van intekening op verbeterde draagbare brand¬≠ spuiten, ten einde langs die weg meer algemeen te maken: Deze gemeente is nog nooit van zulke een onontbeerlijk werktuig voor¬≠ zien geweest, waarvan de kosten ten hoogste  64,- gulden kunnen belopen.” De spuit wordt door de schout ontvangen en deze maakt daarvan in de vergadering van 7 augustus 1805 melding: “De brandspuit zal berusten onder toezicht van de schout en ten zijnen huize, opdat daar van ingevalle van nood altijd gebruik gemaakt kan worden.”

Landelijke organisatie

In 1815 gaat de overheid zich nadrukkelijk bemoeien met de orga¬≠nisatie van de plaatselijke brandpreventie en bestrijding. Gedateerd 22 juni 1815 krijgt de gemeente een rondschrijven van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, waarin men vooruitlo¬≠pend op een komend brandweerreglement waarschuwt voor de gevaren van hooibroei. Met beveelt de gemeenten aan “om de bin¬≠nen de Gemeenten zich bevindende Brandspuiten met alle zorg en accuratesse te doen examineren en proberen en ook deswegens de noodige verordeningen te maken, teneinde in het onverhoopte geval van brand, tot hulp dergene die dit onheil zoude mogen tref¬≠fen, te kunnen spoeden”.
Wat er met de missive gebeurd is, wordt niet vermeld. Behoudens de aanstelling van de hooistekers, bekommert men zich er kennelijk niet zo om. De gemeente Castricum beschikt voor haar uitgestrekte grondgebied met vele zeer verspreid liggende boerderijen over 1 draagbare brandspuit. De spuit is in 1805 voor een bedrag van 68 gulden en 10 stuivers aangekocht. Het is een – zelfs voor die tijd – ouderwets geval, dat met emmers van water moet worden voorzien en ook de spuit moet met de hand worden bediend. In 1830 tellen Castricum en Bakkum samen 791 inwoners en 134 huizen.

Provinciaal ingrijpen

Op 20 juni 1816 sturen de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland een brandweerverordening als gevolg van hooibroei naar de gemeenten met het verzoek om deze voor Castricum vast te stellen.

Brand ...
Brand …

Jaarboek 18, pagina 5

Burgemeester Kieft (1814-1836) krijgt op 13 maart 1827 een waar¬≠schuwing, omdat er in Castricum geen brandreglement is. Men ver¬≠ wijst naar het algemeen reglement ‘ter voorkooming en blussching van brand’ van 27 november 1823 dat voor de gehele provincie is vastgesteld. Daarnaast wordt gewezen op de verplichting tot nale¬≠ving van dat reglement en het zich er naar te gedragen. Kieft doet waarschijnlijk niets met de brief. Inmiddels is Jan de Quack burge¬≠meester (1837-1852) geworden, als een der raadsleden op 8 augus¬≠tus 1838 het gevaar van hooibroei ter sprake brengt. Hij doet een beroep op de raad om de voormalige keur op het hooipeilen weer in werking te stellen. Het antwoord is dat bedoeld reglement door de provincie nooit bekrachtigd is en derhalve niet van toepassing. Uit de toevoeging: “Er zal een nieuw reglement opgesteld moeten wor¬≠den ter goedkeuring door Gedeputeerde Staten”, blijkt wel dat er niets aan gedaan is. Aangezien men op dat reglement niet kan wach¬≠ten, worden met directe ingang twee hooipeilers aangesteld: Klaas Stet en Jacob de Graaf. Zij worden beloond met 10 gulden per jaar voor hun activiteiten. Om de bevolking in kennis te stellen van de maatregel, wordt een publicatie aangeplakt, met de aansporing om aan de heren alle medewerking te verlenen.

Eindelijk maatregelen

Verondersteld had mogen worden, dat de gemeente iets met de voorstellen van de provincie zou doen, maar niets is minder waar. Het is alweer tien jaar later als ‘de Heer Staatsraad Gouverneur’ (tegenwoordig Commissaris der Koningin) zich op 1 maart 1848 andermaal tot de gemeente wendt met de dringende boodschap om de beschikbare brandblusmiddelen in goede staat te brengen en te onderhouden. Men komt in de gemeenteraad tot de conclusie dat wegens het – met name in warme zomermaanden – gebrek aan water in de uitgestrekte gemeente het gebruik van een ‘gewone’ brand¬≠ spuit geen zin heeft. De nog aanwezige ‘draagbare’ spuit zou – als die tenminste functioneert – wel ter plaatse bruikbaar zijn. Met wei¬≠nig kosten moet dat vermaledijde apparaat toch weer aan de praat te krijgen zijn. Men schrijft dit aan de gouverneur, die – blij met het antwoord – aanspoort om de pomp onverwijld te laten repareren. De spuit wordt naar brandspuitmaker Martinus Eymen in Beverwijk gestuurd. De burgemeester rapporteert, dat hij “op giste¬≠ren de spuit heeft ge√Įnspecteerd en dezelve heeft zien werken, dat de spuit een straal water ter dikte van eenen gewonen mansduim tot eene hoogte van dertien a veertien ellen opgeeft en door niet meer dan twee mannen behoeft te worden bewerkt”. Daar blijft het niet bij, want in hetzelfde jaar wordt een brandweerreglement vastgesteld. Op maandag 14 augustus 1848 wordt het personeel van de brandspuit benoemd. Uit de 27 kandidaten worden 12 man¬≠nen gekozen, de commandeurs H. Handgraaf en J.F. Rommel, de pijpleiders C. Breedveld en J.F. Beudeker. Er zijn vier pompers, C. de Groot, J. Kuys, P. Liefting, en E. Winkelman. Tenslotte vier waterdragers te weten A. Dekker, A. van Duijn, L. Houttuin en B. Lute. Alle benoemden krijgen een exemplaar van het reglement toegestuurd met tegelijkertijd de aankondiging voor een eerste ‘excercitie’.

Het reglement van 1848

Het reglement van 1848 omvat 31 artikelen, die ons nu informatie geven over de organisatie en de beschikbare middelen. Over de beschikbare middelen kunnen we kort zijn: er is 1 draagbare spuit, die op een vaste plaats op het raadhuis wordt bewaard, “vanwaar dezelve zonder moeite of tijdverlies zowel bij nacht als bij dag naar buiten kan worden gebragt”. De al genoemde twaalf man¬≠ schappen, waaronder de eerste en tweede commandeur, moeten tussen de 20 en 50 jaar oud zijn en zij moeten bovendien bij voor¬≠keur in de kom der gemeente wonen. De burgemeester heeft het opperbevel over het ‘gansche brand wezen’. Ook aan de burgerij worden verplichtingen gesteld: de naaste buren moeten zo snel mogelijk de burgemeester van de brand in kennis stellen, die onverwijld de dorpsklok moet laten luiden. Hij zal ook nog twee wagens met paarden moeten ‘requireren’ (red: opeisen). “Deze wagens voor het raadhuis gekomen zijnde, zullen de pompers en waterdragers, de brandspuit op eenen der wagens zetten en zich vervolgens op de beide wagens verdelen, zoodanig dat zich op elk dier wagens een commandeur bevindt en daarmede zoo spoedig mogelijk rijden naar de plaats waar de brand is.” Men moet vervolgens de spuit zo dicht mogelijk bij de brandhaard zetten. “Terstond daarop zul¬≠len de waterdragers uit de naastbijgelegene beeck, put of pomp het water met emmers aanvoeren en in de bak van de brandspuit storten”. Pompers en pijpleiders moeten elkaar beurtelings bij het (handmatige) pompen aflossen. Tweemaal per jaar – in april en oktober – wordt een oefening gehouden. Er staan boetes op het niet verschijnen tijdens brand of oefening. Dronkenschap is taboe: “Iemand der manschappen tot de dienst van de brandspuit behoorende, beschonken zijnde, zal verbeuren bij brand eene gulden en bovendien onmiddellijk worden heengezonden.” Ook belediging van de commandeur wordt met een gulden bestraft.

Weinig branden

Het gemeentelijk jaarverslag van 1851 verwijst onder het hoofd¬≠ stuk ‘Openbare veiligheid’ nog eens naar het reglement van 1848 en er wordt opgemerkt, dat in 1851 en zelfs gedurende een groot aantal jaren in de gemeente geen brand is ontstaan. De manschap¬≠ pen hebben aangedrongen op de aanschaf van een moderne spuit, maar de gemeente herhaalt dat dit in verband met het probleem van het watertekort in de gemeente geen zin heeft. In de jaarbegro¬≠tingen wordt telkens vijf gulden uitgetrokken voor onderhoud van de oude brandspuit.

Machteloos

Als er brand uitbreekt, staat de brandweer voor een verloren zaak. Voordat de brandmelding binnen is, de wagens met paarden opge¬≠trommeld, de manschappen aanwezig en de spuit opgeladen, is al geruime tijd verstreken. Tel daarbij nog de afstanden, die via slecht onderhouden zandpaden afgelegd moeten worden. Bij de brand aangekomen, moet men maar hopen, dat er in de buurt een sloot te vinden is. De afstand tussen de sloot en de brandspuit moet telkens met emmers afgelegd worden om de pomp te vullen. Bij enige branden, die uitbreken, heeft de brandweer dan ook geen enkel succes. Burgemeester Rendorp (1852-1867) krijgt te maken met enige fikse branden. Het begint op 2 juli 1860 als kort na de middag herberg ‚ÄėDe Roskam‚Äô in Bakkum vlam vat. De brandweer moet met de gebrekkige hulpmiddelen toezien dat het pand geheel afbrandt. Inmiddels heeft schoolmeester C. Schut in 1858 een agentschap van een verzekeringsmaatschappij geopend. Men kan zich nu tenminste tegen brandschade verzekeren. Ook de afge¬≠brande herberg was verzekerd, maar de inboedel niet. Dat bracht A. Hageman ertoe om huis met inboedel te verzekeren. Gelukkig maar, want zijn boerderij brandde op 8 mei 1864 geheel af. Of ook Simon Louter verzekerd was, weten we niet. Maar op 4 september 1866 woedde er een hevig onweer boven Noord-Holland. Verscheidene boerderijen gingen in vlammen op, waaronder die van Louter aan het Noordend. Geen enkele brand kon dus geblust worden. Ondertussen is er weer een nieuwe burgemeester – H. Zaalberg – verschenen, die slechts 1 jaar (1868-1869) zal blijven. Hij rapporteert dat een adequate brandspuit hard nodig is, maar het geld ontbreekt. Ook zijn opvolger burgemeester C.H. Moens (1869-1877) krijgt met enige flinke branden te maken. Het is 22 april 1870, als in de woning van rijksveldwachter en jachtopziener Pieter de Boer aan de Rijksstraatweg brand uitbreekt. Behalve de geredden – een kind, twee geiten en een varken – wordt alles een


Jaarboek 18, pagina 6

prooi der vlammen. Het jaar 1871 eindigt met twee branden: de woning van Hendrik van der Heijden in de Oosterbuurt gaat op 25 september in vlammen op. De tweede bewoner – het gezin van Cornelis Orij – raakt alles kwijt. Zij zijn niet verzekerd. En op 4 december is de kapitale boerderij van D. Meijne aan de beurt. Het huis met veestalling, kapberg en boet vatte om 11 uur ‘s avonds vlam. De gehele wintervoorraad van koren, hooi en stro ging ver¬≠loren. Het vee kon voor het merendeel worden gered, 5 koeien kwamen echter in de vlammen om.

Watervoorziening

In de gemeenteraadsvergadering van 8 april 1868 brengt Zaalberg het gebrek aan bluswater ter sprake. In 1867 is de spoorlijn in gebruik genomen, waarnaast sloten zijn gegraven. Die wil Zaalberg benutten om de precaire situatie met het bluswater in de kom van het dorp te verbeteren. Er bestaat nog geen waterleiding­ net, de inwoners halen hun water uit een bij de woning gelegen put of pomp. Castricum had drie beken, die richting polder liepen. Deze beken waren via greppels met de land- en tuinbouwgebieden in het dorp verbonden en stonden in de zomer regelmatig droog. Er worden maatregelen genomen om het water dichterbij het raad­ huis te krijgen. Zaalberg wil naast verbetering van de watertoevoer ook een eigentijdse brandspuit. Mooie woorden, maar het duurt bijna tien jaar voordat een echte brandspuit wordt aangeschaft.

Krachtdadig optreden

Burgemeester Moens, die Zaalberg na korte tijd opvolgt, weet in zijn achtjarige ambtstermijn geen verbetering aan te brengen. In januari 1875 laat hij drie raadsleden nog onderzoeken welke spuit aangeschaft moet worden. Met zijn opvolger Jonkheer Mr. J.W.G. Boreel van Hogelanden (1877-1888) breken andere tijden aan. Hij zal de zaken groots aanpakken. De eerste stap is 750,- gulden op de begroting van 1879 te zetten voor de aanschaf van een brandspuit.
De aankoopnota van F.M. Kronenburg, “Leverancier van bekroon¬≠ de brandspuiten” uit Alkmaar van 7 september 1877 vermeldt een handbrandspuit met zuigbuizen en straalpijpen. Die hoeft dus niet meer handmatig met water gevuld te worden. Een hele verbetering voor de manschappen, maar vooral voor het resultaat. De volgende stap is de bouw van een brandspuithuisje aan de Kramersweg. Op die plek staat een schuthok, dat verplaatst moet worden naar een plek bij het huis van P. de Graaf aan de Oudeweg. Het spuithuisje heeft lange tijd als zodanig dienst gedaan. Het pandje met een karakteristieke gevel is in 1961 afgebroken, na ook nog tientallen jaren dienst te hebben gedaan als Kruisgebouwtje. Op dezelfde plek staat nu (red: anno 1995) het pand van makelaar Kloes. De voortvarende bur¬≠gemeester heeft inmiddels ook een nieuwe brandverordening opgesteld. Hij pakt ook de organisatie grootschalig aan, te groots zoals weldra zal blijken. Het aantal manschappen wil hij van 12 naar 101 brengen. Maar raadslid J. Kuys Pzn. gaat nog verder, maar liefst 187 koppen moet het korps gaan tellen. De burgemees¬≠ter vindt dat wat erg veel, maar de motie van Kuys wordt met 3 tegen 2 aangenomen.

Iedereen moet meewerken

Aan het hoofd komt een brandmeester, geassisteerd door een adjunct; er zijn 6 commandanten, 16 kwartiermeesters en 164 manschappen. Tot de functies behoren pijpleiders, werklieden, slanghouders, (128) pompers, slangbewaarders en tenslotte 2 licht­ dragers. Daarnaast wordt nog een Brand-raad benoemd, die het toe­ zicht op de brandblusmiddelen en het personeel heeft. De bran­d-raad bestaat uit de voorzitter, brandmeester J. Kuys Pz. (het raadslid van de motie) en adjunct-brandmeester O.J. Kehl en ver­volgens de commandanten, W. Melker, K. v.d. Berg, J. Koopman, J. Res, J. Stam en F. Twisk Czn. Of dit alles nog niet genoeg is, worden volgens de verordening nog eens 33 mannen aangesteld voor aanvullende werkzaamheden als het wegruimen van brandge­vaarlijke goederen, het luiden van de torenklok en nog eens 6 lichtdragers. Van 12 is de bezetting uitgegroeid tot 220 manschap­ pen. Nu moet de maximum leeftijd veertig jaar zijn, maar als blijkt dat de kom der gemeente niet zoveel mannen van die leeftijd heeft, vindt men een eenvoudige oplossing en wordt de leeftijd naar 45 jaar verhoogd.

Verdere maatregelen

De eerste oefening met het voltallige brandweerkorps wordt na de aflevering van de nieuwe spuit op 18 juni 1879 gehouden. Geen onverdeeld succes. Aan de manschappen ligt het niet, op drie na komt iedereen opdagen. Willem Liefting, Klaas Steeman en Comelis Roskam worden voor hun afwezigheid beboet. Het nieu­we apparaat vertoont allerhande mankementen. De spuit wordt in Alkmaar gerepareerd, waarvoor 55,- gulden in rekening wordt gebracht. Dat pikt de burgemeester niet, want er is toch zes jaar garantie. Hij vraagt eerst deskundig advies, waaruit blijkt dat het een construc­tiefout betreft. Uiteindelijk wordt een schikking getroffen. Het advies is gevraagd aan de gemeente-architect van Beverwijk N. de Wolf, die ook desgevraagd een advies uitbrengt over de wateraanvoer. De gemeente wil een nieuwe brandput laten maken, maar De Wolf vindt een eenvoudiger oplossing. Simpel een sloot uitdiepen, die vanaf de spoorsloot naar de woning van Mooij loopt. Daarnaast moet een beschoeiing in de beek bij Reinders worden aangebracht. Tenslotte beveelt hij de aankoop van een aanjager bij de brandspuit aan. Spoedig wordt, met zoveel manschappen, de behoefte aan een tweede brandspuit gevoeld. Die wordt natuurlijk niet bij Kroonenburg gekocht, maar F.W. Stoel uit Alkmaar mag de zuig-perspomp in 1881 voor 250,- gulden leveren.

Zuigpomp, te gebruiken in put of sloot.
Zuigpomp, te gebruiken in put of sloot.
Perspomp.
Perspomp.

De werking van de ‘witte’ pomp: bij brand wordt de slang van de zuigpomp in een sloot gelegd. De perspomp wordt dicht bij de brandhaard geplaatst. Door middel van gekoppelde slangen wor¬≠den de pompen met elkaar verbonden. Twee pompers bedienen de zuigpomp en vier de perspomp. Andere pompers staan gereed om het zware werk over te nemen. Als men vijftien minuten gewerkt heeft, wordt het bevel ‘kwartier’ gegeven. De zes mannen krijgen dan een glaasje jenever of brandewijn. De andere groep neemt ondertussen het pompen over.

De witte en de bruine ploeg

De twee pompen worden in het vervolg onderscheiden als de wi tte en de bruine pomp. De witte is ondergebracht in het spuithuis aan de Kramersweg en voor de nieuwe bruine wordt een onderkomen gevonden in het voormalige lijkhuisje bij de gemeentetoren. Het huisje is daartoe ten koste van 50,- gulden verlengd. Raadslid Jb. Kuys heeft nog wel eerst aangedrongen op ventilatie in het huisje. De manschappen worden over de beide spuiten verdeeld. De ploegen worden onderscheiden door een bruine of witte armband, die bovendien doorlopend genummerd zijn. De commandanten en kwartiermeesters van de ploegen zijn herkenbaar aan de witte of bruine stok. Brandmeester en adjunct hebben een stok met hun rang en het gemeentewapen. De stok van de brandmeester is nog in de huidige brandweerkazerne aanwezig. In 1884 wordt de ver¬≠ ordening nog eens aangepast. Opvallende artikelen zijn, dat bij brand tussen 4 uur ‘s middags en 8 uur ‘s morgens niet alleen de klok geluid wordt, maar dat ook ratelaars de ronde zullen doen om de manschappen op te roepen. Daarnaast schijnt het nodig te zijn geweest om een verbod op te nemen om het spuithuisje open te breken als er geen sleutel aanwezig blijkt. Er kunnen paarden en voertuigen van de burgerij gevorderd worden en een dronken medewerker wordt direct gearresteerd en pas ontslagen als hij zijn roes heeft uitgeslapen. De beide ploegen worden in 1878 drastisch ingekrompen, de personeelssterkte gaat van 220 naar 136 man.

Weinig verandering

Ondanks deze maatregelen verandert er niet echt iets. Er wordt bijvoorbeeld regelmatig gesproken over de slechte toestand waarin


Jaarboek 18, pagina 7

één der pompen zich bevindt. Na drie jaar experimenteren laat men die eindelijk eens repareren. Zelfs over een paar sleutels voor de spuithuisjes wordt eindeloos gepraat en rapporten geschreven. In de tussentijd breken weer een paar branden uit, waarbij de brandweer machteloos moet toezien hoe de woningen geheel afbranden. Echte veranderingen zullen pas ruim na de eeuwwisse­ling plaatsvinden. In de vergadering van de Brandraad in april 1898 wordt voor het eerst gesproken over een vrijwillige brand­ weer, maar ook die zal nog lang op zich laten wachten.

We maken nu een sprong in de tijd. Inmiddels is J. Mooy in 1888 burgemeester geworden en zal dat blijven tot 1918. In 1911 wordt om niet nader vermelde redenen de brandspuit, die in het huisje aan de Kramersweg staat, ver¬≠kocht. Het spuithuisje bij de gemeentetoren wordt verkocht aan Bernardus Res voor 200,- gulden. Het geld wordt bewaard voor de aankoop van grond ‘ter gele¬≠gener tijd’. In plaats van enige verbetering, blijkt nu dus dat de vele spuitgasten het vanaf nu met 1 spuit moeten doen.

De ommekeer

Bij zijn aantreden op 1 juli 1918 treft de nieuwe burgemeester P.H.L.J. Lommen een slecht functionerende brandweer aan, die zich met twijfelachtig materiaal moet behelpen. Op 23 oktober 1919 richt hij zich tot de raad en zegt hij dat hij aan de Commis­saris van de Koningin heeft geschreven, dat hij geen verantwoordelijkheid bij brand, gezien de toestand van de brandmiddelen, kan aanvaarden. Hij heeft de gemeenteopzichter een rapport over de inrichting van de brandweer laten opmaken. Hij geeft de raad te verstaan dat er onmiddellijk maatregelen moeten worden geno­men. J. Schuijt sputtert tegen en wil op de bekende manier nog eens uitstel. Hij wil het bouwvallige apparaat nog eens laten repa­reren en misschien later een nieuwe brandspuit kopen. Lommen vraagt aan Schuijt of hij de verantwoordelijkheid dan wil dragen. Als men blijft sputteren over het vele geld dat dit gaat kosten, geeft Lommen aan dat de investering door een geldlening afgedekt kan worden. H. Schipper vindt, dat er gelet op het rapport weinig anders op zit, waardoor de burgemeester als hoofd van de brand­ weer zijn verantwoordelijkheid kan dragen. Lommen heeft zijn zaak goed voorbereid en zonder hoofdelijke stemming wordt het college van B&W gemachtigd om voor 5.600,- gulden brandblusmiddelen aan te schaffen.

De vrijwillige brandweer, 11 februari 1920

Daar blijft het niet bij, want burgemeester Lommen zit nog met de gebrekkige organisatie van de brandweer. Het korps bevat veel te veel manschappen en kan alleen daardoor al niet effici√ęnt functioneren. Daarbij komt dat met de nieuwe spuit minder mensen nodig zijn. Hij besluit dan ook tot een ingrijpende verandering. De ver¬≠ plichte brandweerorganisatie wordt ontbonden. Daarvoor in de plaats moet in navolging van omliggende plaatsen als Alkmaar, Beverwijk en Zaandam een vrijwillige brandweer komen. Castricum is een dorp dat zich snel uitbreidt. Hierop is de hopeloos ver¬≠ ouderde brandweerorganisatie absoluut niet ingesteld. De kom van het dorp krijgt langzamerhand een aaneengesloten bebouwing met alle brandgevaren vandien. Lommen zorgt voor een nieuwe veror¬≠dening en er wordt uitgekeken naar geschikte personen voor het nieuwe vrijwillige brandweerkorps. Criteria zijn: leeftijd, beschik¬≠baarheid, bereikbaarheid en uiteraard geschiktheid om hun werk te kunnen doen. Met name wordt gedacht aan mannen die in de dorpskom, of in Bakkum hun werk hebben. Zo wordt bijvoorbeeld aannemer-timmerman Gerrit Kabel benaderd. Hij heeft zijn werk¬≠ plaats aan de Dorpsstraat 24, in een schuur achter het pand van burgemeester Mooy. Hij heeft een zestal knechten, Jan Houtenbos, Sip Veenstra, Jan Tromp en Dirk Tromp. Jan Schuijt en Janus Hopman. Gerrit Kabel met 2 knechten sluiten zich aan. Daarnaast weet Lommen enige andere bekende plaatsgenoten als de smeden Cor Peperkamp en Dorus de Groot te strikken. De Vrijwillige Bandweer wordt op 11 februari 1920 opgericht. Per 20 februari 1920 wordt de nieuwe brandweerverordening vastgesteld en de twaalf brandweerlieden worden benoemd. De mannen van het eerste uur zijn: J. Tromp van de Oosterbuurt als commandant, B.J. Roemer en J. Lute als motormachinisten en Q. Stolk als assis¬≠tent. Er zijn twee pijpleiders, J. Houtenbos en G. Kabel en drie slanghouders C.J. Peperkamp, Th. de Groot en G. de Nijs Jbzn. Deze mannen zijn ingedeeld bij de motorbrandspuit. Voor de handbrandspuit in Bakkum worden aangesteld: A.C. Borst als commandant en C. de Groot en J. Hoebe.

De verordening van 1920

In de verordening van 1920 wordt gesproken over de nieuwe motorbrandspuit, die in het spuithuisje naast de gemeentetoren wordt geplaatst. De handbrandspuit staat in het spuithuisje te Bakkum naast de woning van de rijksveldwachter. Er wordt in de verordening onderscheid gemaakt tussen de organisatie van de vrijwillige brandweer in Castricum met de nieuwe motorspuit, en de oude organisatievorm in Bakkum met de oude handspuit. Er worden ook nieuwe vergoedingen geregeld: in Bakkum krijgen de brandweercommandant, opperbrandmeester en brandmeester voor elke brand vijf gulden en drie gulden voor een oefening. De manschappen van de handbrandspuit krijgen 75 cent voor hel eerste uur en ver-


Jaarboek 18, pagina 8

volgens twee kwartjes voor elk volgend uur. Daarnaast krijgt degene, die de brand gemeld heeft, een gulden, de brandroeper krijgt een rijksdaalder; degene die de handspuit met paard en wagen vervoert beurt vijf gulden. De leden van de motorbrandweer krijgen een vaste jaarlijkse vergoeding van twintig gulden en vervolgens 75 cent of 50 cent per uur. De handspuit wordt van de hand gedaan, zo blijkt uit de aangepaste verordening van 1926, waarin deze spuit niet meer wordt genoemd.

De motorspuit Otto, die in 1920 is gekocht van de gemeente Zaandam.
De motorspuit Otto, die in 1920 is gekocht van de gemeente Zaandam.

De nieuwe motorspuit

De beoogde technische verbetering moet uit Zaandam komen. Die gemeente gaat tot aankoop van een autospuit over en biedt de motorspuit voor 2.500,- gulden te koop aan. In januari 1920 wordt de koop gesloten, maar in afwachting van de auto moet de oude spuit nog even in Zaandam blijven. Die bewijst daar op 20 januari nog eens goede dienst door vijf uur onafgebroken een grote brand in de graanpakhuizen ‘Java’ te bestrijden.
Begin maart wordt de ‘Otto’ in Castricum afgeleverd. Een prachti¬≠ge machine, die de trots van het brandweerkorps is en nu staat opgesteld in de huidige brandweerkazerne. Bij de aankoop wordt de inventarislijst van de motorspuit meegeleverd, waaruit blijkt dat de motorspuit 500 liter per minuut levert. Bij de vele onderdelen worden onder andere drie kaarslantaarns en een koperen bel genoemd. Als op 14 april 1921 raadslid H.J. Zandbergen vraagt hoe de resultaten met de nieuwe spuit zijn, kan de voorzitter trots mededelen, dat de spuit zeer goed voldoet. Er was nog wel een probleem met de watertoevoer, maar dat is verholpen. Zandbergen constateert enige maanden later echter, dat bij een brand in de Schoolstraat gebleken is, dat de spuit niet voldeed. Het probleem blijkt aldus Lommen te zitten in de slechte watertoevoer: de water¬≠ putten hebben te weinig capaciteit voor ‘Otto’. Zandbergen wil daarom de waterputten verbeteren, maar deze keer wil Lommen even afwachten. Hij wil aansluiting op het waterleidingnet. Zandbergen is ook niet tevreden over de houding van het brand¬≠ weerpersoneel tijdens de oefeningen. De voorzitter belooft de heren een waarschuwing te geven.

Rapport van 5 juni 1923

Lommen brengt verslag uit aan de raad omtrent de toestand van de brandweer, waarin hij concludeert, dat de motorspuit in goede staat is en voldoende capaciteit heeft. Hij geeft het probleem van de watervoorziening aan.
“Vanuit de sloot bij J. Twisk is de Rijks straatweg te bereiken tot aan het Caf√© ‘Sportlust’. Vanuit de sloot bij P. Schotvanger is de geheele Burg. Mooystraat te bestrijken. Vanaf de Cieweg kwam men tot aan de winkel van Heideman, met twee slangen tot aan het Caf√© van de Erven van Benthem. Om de geheele kom van het dorp te kun¬≠ nen bestrijken is het noodig om: bij de Cieweg te zorgen voor vol¬≠doende water, op de hoek bij Goes een brandput te maken vanuit het pompstation aan de Cieweg, zeer gewenscht zou zijn een brandput te maken in de richting van de R.K. kerk. Overleg zal worden gepleegd met de directie van (melkfabriek) ‘De Holland’ (Breedeweg) teneinde de Oosterbuurt gedeeltelijk te kunnen bestrij¬≠ken. Aangekocht diene te worden 200 meter slang. De handbrandspuit voldeed goed, gaf spoedig water, de putten voldeden eveneens goed. Op het oogenblik is de capaciteit nauwelijks voldoende, daar er te Bakkum veel wordt bijgebouwd; wellicht is er eene overeen¬≠komst te treffen met de directie van het Provinciaal Ziekenhuis om de brandputten van die inrichting te mogen gebruiken”.
De genoemde sloot bij J. Twisk is de spoorsloot bij Funadama, nu (red: anno 1995) Jasmin Garden en caf√© Sportlust is op de hoek Dorpsstraat-Burg. Mooystraat. Schotvanger is de kastelein van ‘De Harmonie’, nu (red: anno  1995) Wong‚Äôs Palace. De winkel van Heideman staat op de plaats waar nu Huitinga is gevestigd. En caf√© Van Benthem, wordt later ‘De Vriendschap’, het huidige (red: anno 1995) Sam Sam. Goes woont tegenover het oude raadhuis. De raad gaat met Lommen’s voorstellen accoord en er worden afspraken gemaakt met de directie van de melkfabriek over de watertoevoer naar de Oosterbuurt. de brandputten worden geslagen en met Duin en Bosch worden nieuwe afspraken gemaakt.

Waterleiding

De geschiedenis rond de aansluiting op het waterleidingnet wordt beschreven op pagina 23 van het artikel over de gezond­heidszorg in het 17e jaarboek­je. Uit het artikel blijkt dat er vanaf 1911 gesproken is over de met name voor de volksge­zondheid zo noodzakelijke waterleiding. Vanwege de problemen met de aanvoer van bluswater wacht ook de brandweer op de aansluiting. Aan het besluit tot aansluiting gaat een hevige rel vooraf, die door een brand veroorzaakt wordt. Op zondagmorgen 17 februari 1924 breekt er brand uit in de bollenschuur van de gebroeders Gerrit en Simon Twisk aan de Dorpsstraat (dezelfde plek waar nu (red: anno 1995) Jan Twisk zijn bloemen- en plantenhandel heeft). Na het bran­dalarm spoedt de brandweer zich naar het spuithuisje aan de Kramersweg en bij de


Jaarboek 18, pagina 9

brand aangekomen, plaatst men de pomp bij de spoorsloot. De slangen worden uitgerold en aangesloten, maar al wat er gebeurt: Otto geeft geen druppel water. De bevolking neemt dit de nu toch zo goed georganiseerde brandweer zeer kwalijk. De bewoners van de dorpskom verenigen zich en er wordt een petitie opgesteld. Vierenvijftig personen ondertekenen de brief, die naar het ge¬≠ meentebestuur wordt gestuurd. Onder de vele bekende namen tref¬≠ fen we ook de handtekening van pastoor Engering aan. Uit de pro¬≠testbrief blijkt, dat geen der spuitgasten een sleutel van het spuit¬≠huisje had dat daarom moest worden opengebroken. De motor¬≠ spuit was bevroren en gaf pas na twee uur water. Er waren geen brandhaken en de brandklok had niet geluid. In de raadsvergade¬≠ring van 17 maart 1924 wordt de verantwoordelijke man, burge¬≠meester Lommen, stevig onder vuur genomen. Lommen heeft ondertussen een onderzoek ingesteld en komt met een uitvoerige verklaring. Drie brandweermannen, die nabij het spuithuis wonen, blijken een sleutel te hebben. De nalatigen zullen ongetwijfeld een stevige uitbrander hebben gekregen. Door de koude en vochtig¬≠heid gaf het magneetmechanisme te weinig vonk. Iedere spuitgast hoort te weten dat de brandhaken- en ladders in de gemeentetoren hangen. Hij heeft de vergeetachtigen hierop ernstig gewezen. Over het laatste punt zegt hij: “Ook in het vervolg zal de brandklok niet luiden, dat is geheel overbodig. Voor een behoorlijke gang van zaken is het beste, dat zij die niet behooren tot de brandweerlieden of onmiddellijk bij de brand betrokken zijn, rustig aan hun werk of in bed blijven. Aan tal van dwarskijkers ontbreekt het bij een brand nooit. Zij lopen den spuitgasten in den weg, dringen zich op het terrein, geven zelfs ongevraagd bevelen en bederven in de regel meer dan zij goedmaken. Het vaste corps aangevuld met drie √† zes personen, zo heeft de praktijk geleerd, is meer dan voldoende”. Hij geeft aan waar nodig maatregelen genomen te hebben.

Commotie

Vervolgens gaat hij heel handig over op het ontbreken van een goede watertoevoer doordat er nog geen aansluiting op het water­leidingnet is. Zolang dat ontbreekt, kan hij er niet voor instaan, dat het niet weer zal gebeuren. Schipper en Zandbergen nemen het voor de burgemeester op, zij menen dat de organisatie van de brandweer nu goed geregeld is. Maar H. Hemmer wijst op de grote brand in Vriezenveen en vraagt zich af of de Castricumse brandweer een dergelijke catastrofe zou kunnen voorko­men. Besloten wordt om in afwachting van een rapport van de Gezondheids­commissie het onderwerp op de agenda van de volgende vergadering te zetten. Op 24 juli 1924 wordt met vijf tegen vier stemmen het voorstel aangenomen. Uit de stemmenverhouding blijkt, dat bepaald niet iedereen het belang van de waterleiding inziet. Dat blijkt nog eens uit de vergadering van 24 oktober als de nieuwe bouwverordening, met name een gewraakt artikel over verplichte aanslui­ting op het waterleidingnet, op de agenda staat. De Vries wijst op het belang van de brandbestrijding. Doorslaggevend voor hem is, dat de watervoorziening bij brand onvoldoende is. De tegenstemmers hebben succes en het gewraak­te artikel wordt op 11 december uit de verordening geschrapt. Op 17 maart 1925 wordt het voorstel tot het aanbrengen van brandkra­nen op het waterleidingnet wel aangenomen. Voor de brandweer een historisch besluit.

Eind 1925 de slangenwagen uit Alkmaar.
Eind 1925 de slangenwagen uit Alkmaar. V.l.n.r. Johan Weda, machi­nist Jaap Lute, commandant Jan Tromp, Jan Houtenbos, Dorus de Groot en Dirk de Winter.

Eind 1925 koopt men een slangenwagen van de brandweer in Alkmaar. Het is een open wagen met zitplaat­ sen, een bergruimte voor de slangen en een rek bovenop voor de ladders. In hetzelfde jaar besluit men om het spuithuisje op het ter­rein van de Ned. Herv. kerk te verlaten en de motorspuit over te brengen naar een schuur aan de Schoolstraat/Overtoom naast het armenhuis. Voor 550,- gulden wordt het eerst nog aangepast en opge­knapt.

De boerderij van Th. Liefting in brand

Dat er veel mis kan gaan bij het blussen van een brand vertelt ons het rapport van de brandweercommandant J. Tromp over de brand van de boerderij van Th. Liefting. Omdat dit rapport de toenmali­ge werkwijze zo goed weergeeft, wordt het rapport hier volledig opgenomen.
“Op dinsdag 16 November 1926 des morgens om zes uur werd ik geroepen voor een brand, welke was uitgebroken in de boerderij van den Heer Th. Liefting in de Oosterbuurt en bewoond door de familie Bomars. Onmiddellijk heb ik mij toen naar de motorspuit begeven, omdat daar ter plaatse geen waterleiding is en trof daar ook al aan de brandmeesters Houtenbos en De Groot. Jb. Brakenhoff Jr. heb ik direct met een boodschap naar de Burge¬≠meester gezonden. Met de motorspuit en alle slangen rukten wij toen uit, na ook nog Jn. Korsman te hebben gecommandeerd ons te helpen. Al heel spoedig ontmoetten wij de voerman Jb. Jannes met zijn paard, die ik had aangesteld om ons materiaal naar de brand te brengen en zoo kwamen wij zoo vlug als het had kunnen gaan op de plaats des onheils aan, waar echter het geheele gebouw al in lichter laaie stond en voor de aangrenzende percelen en in de omtrek bestond er weinig gevaar doordat het mooi stil weer was. De brandmeester Jn. Boon was ook vrij spoedig op zijn post. Wij stelden de spuit op bij de watering op ongeveer 250


Jaarboek 18, pagina 10

meter van de brand, doch hadden veel pech, daar de motor niet wou aanslaan en toen hij dit na een poos wel deed, konden wij niet veel druk op de slangen krijgen, zoodat wij weinig water kregen om te blusschen en eindelijk besloten wij om te trachten met de slangen op de waterleiding vanaf de brandkraan bij C. Spaansen den brand te bereiken, daarvoor hadden wij ook de slangen van Bakkum noodig, welke ik heb laten halen. Met de auto van Jo de Groot arriveerde dan ook na eenige tijd de slangen van Bakkum en ook de brandmeesters en hun commandant. Over tuinen en wei­land hebben wij toen getracht den brand te bereiken, doch het bleek dat wij lengten te kort hadden en toen heb ik de auto naar Duin en Bosch en Limmen gezonden om slangen ter leen te vra­gen, doch het bleek dat die niet paste op de onze. Toen hebben wij alle slangen weer opgenomen en zouden wij het maar weer eens met de motorspuit probeeren en na alles nog eens goed nagezien te hebben, bleek dat de haalbuis niet luchtdicht aan de spuit was verbonden en na dit euvel met een goede dosis consistentvet te hebben verholpen, hadden wij eindelijk voldoende water om de brandende massa en vooral het hooi te bewerken.

De slangen van ons konden echter de druk niet doorstaan en in de een na de andere sprong een gat, zoodat wij nog maar een paar goede slangen hebben en het noodzakelijk is dat er nieuwe worden aangeschaft. Met al deze werkzaamheden was geruimen tijd heen¬≠ gegaan en het was ‘s avonds zes uur eer wij het vuur, voor zoover wij konden, gebluscht hadden en de spuit voorlopig geen dienst meer behoefde te doen. Voor den nacht heb ik twee wachten bij den brand geplaatst en zelf ben ik ook tot half elf gebleven, want er was nog steeds druk werk om het smeulende hooi nat te houden. Den volgende morgen om zeven uur was ik weer op het terrein aanwezig en de wachten deelden mede, dat zij den geheele nacht werk hadden gehad om het vuur dat geregeld uit het hooi te voor¬≠ schijn kwam te blusschen. Ik wilde het terrein dan ook niet verla¬≠ten, want het was niet uitgesloten of het hooi zou weer in vlam slaan, hetgeen ook bleek want voordat het middag was, moesten wij de spuit weer in werking stellen. Den geheele dag ben ik toen bij den brand gebleven en ‘s avonds was ik weer genoodzaakt om twee brandmeesters te halen en wij hebben tot ‘s nachts 1 uur bijna onophoudelijk moeten spuiten, daar het vuur in het hooi steeds aanwakkerde. In dien nacht had de brandmeester Houtenbos het ongeluk met zijn been bekneld te raken tusschen twee steenbrokken, waardoor hij zijn been bezeerde en zich den volgende morgen onder geneeskundige hulp moest stellen. Donderdagmorgen om vijf uur hebben wij den brand overgegeven aan het personeel van den eigenaar doch ‘s avonds waren wij weer genoodzaakt de spuit in werking te stellen daar weer veel vuur aanwezig was. De nacht van Donderdag op Vrijdag heeft het personeel van den Heer Liefting bij den brand gewaakt.

Vrijdag ben ik weer den geheelen dag op het terrein aanwezig geweest, daar ik de zaak nog lang niet vertrouwde en er in het hooi nog veel vuur zat. Dien dag hebben wij na hard werken en veel water gooien het laatste aanwezige vuur bezworen. De spuit hebben wij vrijdagmiddag om vier uur van het terrein gehaald en opgebor¬≠gen, doch het was ‘s avonds half negen eer al het vuur was gedoofd, doch dien nacht heeft het personeel van Liefting nog gewaakt. E√©n van de brandmeesters heeft gedurende deze brand waar wij elkan¬≠der zoo hard noodig hadden, niets van zich laten hooren of zien, zoodat ik de brandraad adviseer hem als zoodanig te ontslaan en voor hem een ander te benoemen. Hoewel wij bij deze brand met vele moeielijkheden en tegenspoed te kampen hebben gehad en veel critiek van de zijde van het publiek hebben moeten verduren, kan ik niet nalaten mijn groote tevredenheid uit te spreken over de brandmeesters en ook die van Bakkum, voor de goede samenwerking en het vele werk dat zij bij deze brand hebben verricht en ik twijfel niet of deze brand is voor ons zeer leerzaam geweest en bij een volgende keer zal alles veel vlotter verloopen als er vooral maar voor gezorgd wordt, dat ons materiaal goed in orde is.

Bij deze brand hebben hulp verleend: J. Tromp, commandant 56 uur, de brandmeesters J. Houtenbos 25 uur, Th. de Groot 40 uur en J. Boon 12 uur. Van Bakkum A. Borst 10 uur en C. de Groot, Jb. Borst en Jb. Weel elk 12 uur. De brandmeester Houtenbos, die door een ongeval zijn been heeft bezeerd, zal eenige dagen zijn werkzaamheden niet kunnen verrichten. Nog werden door mij aan¬≠ gesteld: Dorus Metselaar en J. Groentjes elk 24 uur, J. Korsman 5 uur en Cor Tromp 16 uur. Jb. Brakenhoff Jzn als boodschapper naar den Burgemeester, Jb. Jannes vervoer der spuit van en naar de brand en Jo de Groot vervoer met auto. Onkosten: D. Brandjes aan koffie 2,- gulden, J. van Benthem 25 sigaren en A. van Benthem 2 kan jenever. Terwijl door de Secretaris ook nog sigaren en brood en worst zijn gecommandeerd. De Brandmeester, J. Tromp”.

De gemeenteraad

Het ligt voor de hand dat dit voorval, dat voor commandant Tromp een nachtmerrie moet zijn geweest, aanleiding was om de burge¬≠meester vanuit de raad weer eens danig aan de tand te voelen. Als bij de begrotingsbehandeling op 9 december 1926 de brandweer aan de orde is, breekt men los. Zandbergen constateert dat veel mis is gegaan en eist regelmatiger oefeningen. De Vries vindt dat er ondeskundig te werk is gegaan, bij een sterke wind had een grote ramp kunnen gebeuren, meent hij. Men vraagt zich ook af, of de gewonde Jan Houtenbos nog schadeloos gesteld moet wor¬≠den. Lommen neemt de kritiek ter harte, maar men is toch wel hardleers. Want er gaat een jaar voorbij, voordat met het besluit neemt om de gammele slangen voor 250,- gulden te vervangen. Bij de behandeling van de begroting voor 1930 wordt op 30 december1 929 weer uitvoerig de organisatie van de brandweer besproken. Er is net een grote brand in Zeeland geweest en raadslid Aukes vraagt bezorgd of B&W de verantwoordelijkheid met het oog op dergelijke catastrofes nog wel aan kan. Hellinga wijst er op, dat er op de begroting geen geld is uitgetrokken voor een alarmsignaleringssysteem voor de brandweer en ook de druk op de waterlei¬≠ding is niet hoog genoeg. In december 1931 heeft men weer kri¬≠tiek op het functioneren van de brandweer. Aanleiding vormen nu twee branden die op 17 en 18 oktober hebben gewoed, ‘s Zaterdags brandt de boerderij van C. Hollenberg aan de Alkmaarseweg af en de volgende morgen breekt er brand uit in het huis van Kl. Bloedjes aan de Kramersweg. Zijn huisje met schuur¬≠tje ligt al tegen de grond als commandant Tromp tegen zessen arri¬≠veert.

Overeenkomst met Alkmaar

Door deze en eerdere voorvallen heeft de raad mogelijk weinig ver­trouwen gehad in de capaciteiten van het eigen korps. In ieder geval wordt in december 1933 een regeling met Alkmaar gesloten voor hulp bij Castricumse branden door de vrijwillige brandweer van Alkmaar. Castricum betaalt daarvoor een jaarlijkse vaste bijdrage plus vergoedingen als daadwerkelijk hulp wordt verleend. Dit besluit valt, zoals te verwachten is, niet in goede aarde bij onze mannen. Met name Jan Tromp, Toon Borst, Cees en Dorus de Groot voelen zich door het gemeentebestuur nogal bevoogd. Voor zover bekend is er nooit enig beroep gedaan op Alkmaar. De regeling is in 1955 opgeheven. In een rapport van 29 oktober 1935 vermeldt de secretaris van de brandraad (hij is ook gemeentesecretaris) dat in Castricum 400 meter slang aanwezig is met een motorspuit, een brandslangenwagen en diverse hulpmaterialen. In Bakkum ligt 350 meter slang met toebehoren en ook daar is een slangenwagen.
Er woeden in 1935 wat kleinere branden, waaronder bij Siem Bra¬≠kenhoff ‘in de Bossen’ op de hoek van de Beverwijkerstraatweg en de Oud-Haarlemmerweg. Het is kermismaandag en de brand breekt uit tijdens het traditionele ‘eerste deuntje’. Er heerst onder de brandweerlieden een jolige sfeer, want op deze kermismaandag


Jaarboek 18, pagina 11

Foto waarschijnlijk gemaakt in 1936 hij de intocht van burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo.
Foto waarschijnlijk gemaakt in 1936 hij de intocht van burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo.

wordt er vergaderd en de jaarlijkse ver¬≠goeding van twintig gulden wordt uitge¬≠keerd. Na de melding vertrekt men naar ‘de Bossen’ en begint met flinke stralen het vuur te bestrijden. Vanwege de ter plekke aanwezige persleiding lukt het uitstekend om veel water te geven. Nu had een der spuitgasten, Jan Houtenbos, net een bekeuring gehad van de Limmense veldwachter De Koekoek. Wetend dat omliggende dorpen assisten¬≠tie verlenen tijdens de kermis, ziet Jan de gewraakte diender tussen de toe¬≠ schouwers staan. Jan neemt zijn kans waar en spuit de agent compleet de grep¬≠pel in. Maar onder de kreet: “Niet doen jongens, hou op, ik ben het”, kruipt de veldwachter uit de greppel. Tot schrik van Houtenbos kruipt echter niet die Limmen uit de greppel, maar blijkt het de eigen gewaardeerde veldwachter Gorter te zijn. De combinatie van rook, vlammen en verhitting, maar vooral drank zullen de oorzaak van de vergissing zijn geweest. Siem Brakenhoff zal zeker niet meegelachen hebben, zijn huis brandde ondanks het vele water geheel af.

De oorlogsjaren

In 1936 overlijdt Lommen. Hij wordt opgevolgd door een man met een lange naam, C.A.F.H.W.B. van den Clooster, baron Sloet tot Everlo. Lommen heeft een duidelijk stempel gedrukt op de organisatie van de brandweer. Spijtig voor hem en het korps dat er niet zo veel succes is geweest. In 1938 verhuist de brandweer van de Schoolstraat naar een garage aan de Dorpsstraat, gelegen tussen fietsenmaker Eikel en ‘het huis met de kogel’. Na de capitulatie van het Nederlandse leger in mei 1940 krijgt Castricum in die zomer uit de overtollige legervoorraden de beschikking over een nieuwe auto. Het is een Chevrolet, een commandowagen met 8 zitplaatsen en een trekkerkoppeling. Deze wordt ingezet als trekker-manschappenwagen en dit wonder van vooruitgang kan moei¬≠teloos de oude Otto gaan trekken. Voor niet al te lang helaas, want in 1943 wordt de wagen door de Wehrmacht weer opge√ęist. Bijna zijn we de Otto in 1944 kwijtgeraakt. Vanwege de oorlogsomstan¬≠digheden wordt het korps uitgebreid tot 40 man. Het wordt uitge¬≠breid met een hulpbrandweer. Men treedt graag tot de hulpbrandweer toe, omdat men dan in het dorp mag blijven wonen. Daarnaast wordt een brandweerzegel op het persoonsbewijs geplakt, waardoor men ook is vrijgesteld van de beruchte ‘Arbeitseinsatz’. Van de oorspronkelijke in 1920 benoemde ploeg zijn nog drie mannen over, A.C. Borst, C. de Groot en Th. de Groot. Daarna zijn een vijftal nieuwe mannen toegetreden, G. Ronk, Jh. Res, G. de Rooy, B. van Benthem en A. Dekker. Toon Borst volgt in 1940 Jan Tromp als commandant op. Vanwege zijn leeftijd wordt hij in 1942 door Cees de Groot opgevolgd. In 1945 wordt Gerit Ronk tot waarnemend commandant benoemd. In 1946 wordt Joh. Res tot commandant aangesteld.

Werken voor de vijand

Van de Duitsers krijgt de brandweer de opdracht om aan het strand palen te ‘spritzen’: langs de vloedlijn worden palen geplaatst, waarop mijnen worden bevestigd. De brandweer moet hiervoor gaten spuiten, waarbij gebruik is gemaakt van onze oude motorspuit. Als de Duitsers bevel geven om Otto bij laag water dichter naar de zee te brengen, waarschuwt men tevergeefs de opdrachtge¬≠vers. En bij de opkomende vloed gebeurt, wat men heeft gevreesd. De brave Otto verdwijnt in de golven. De volgende dag weet men met man en macht met behulp van staaldraad, kettingen en een locomotief, Otto weer op het droge te brengen. Helaas geeft hij geen water meer; hij wordt overgebracht naar de gemeenteloods. Otto was trouwens ook bijna de oorzaak van een gevaarlijke toe¬≠stand op het strand. Door het lawaai dat hij produceerde, hadden de brandweermannen niet in de gaten, dat de Duitsers het strand af renden. Achteraf bleek, dat Engelse jagers een aanval hadden gedaan. Zelfs het lawaai van mitrailleurs werd niet opgemerkt. De brandweermannen hadden pas in de gaten dat er iets aan de hand was, toen zij de jagers weg zagen vliegen. Niemand werd gelukkig door de kogels geraakt.

Branden

Door laswerk van Dorus de Groot breekt op 6 augustus 1940 een gevaarlijke brand uit in de gashouder. Hierop heeft onze brand­weer geen antwoord en de hulp van Alkmaar, dus toch, wordt ingeroepen. Deze dekt het dak af met een laag schuim en het loopt goed af. De gasfabriek is daarna nog eens het doelwit van Engelse jagers en raakt zo weer in de brand. Ook nu weer paniek vanwege het ontploffingsgevaar, maar de commandant besluit toch tot blus­sen. De vlammen lekken uit de gaten waar de mitrailleurkogels zijn binnengedrongen. Met veel vindingrijkheid weet men de steeds weer oplaaiende vlammen, stuk voor stuk te doven, door de gaten met houten proppen te dichten. Op 9 oktober 1944 worden drie woonhuizen in de Pernéstraat als represaillemaatregel door de bezetters in de brand gestoken. De opgetrommelde brandweer mag het vuur niet bestrijden en wacht op enige afstand tot de Duitsers zijn verdwenen. Men kan het vuur wel doven, maar de huizen zijn toch grotendeels uitgebrand. Een dag later hetzelfde tafereel bij Cor Groen, wiens boerderij aan de Kerkedijk langs de spoorlijn in brand wordt gestoken. De boerderij met al het hooi en twee onder het hooi verstopte auto’s gaan verloren. Aan het einde van de oorlog


Jaarboek 18, pagina 12

zijn er vrijwel geen brandblusmiddelen meer over. De auto en de pomp zijn weg en uitrustingsstukken zijn er ook niet meer.

Een nieuwe tijd

Als op 5 mei 1945 de oorlog is be√ęindigd, blijft de brandweer be¬≠rooid achter. Maar gelukkig wordt er snel een oplossing aangebo¬≠den. Er is veel overtollig legermateriaal en daarvan mogen de Castricummers een auto met spuit uit het Amsterdamse depot komen halen. Het is een Engelse Austin, met het stuur dus rechts en met een bel boven de cabine. Het is een dichte wagen met aan weerszijden zitbanken. De auto heeft een trekhaak voor de Harland motorspuit met een capaciteit van 3000 liter per minuut. Na enige tijd worden de manschappen verrijkt met nieuwe kle¬≠ding: donkerblauwe battledress uniformen met rubber laarzen. De pakken zijn niet waterdicht, maar dat neemt men op de koop toe. Als op 16 november 1945 C.F. Smeets tot burgemeester wordt benoemd, breekt een nieuw tijdperk voor de brandweer aan. Hij zal veel tot stand brengen en daarnaast toont hij veel belangstel¬≠ling, zowel voor de organisatie als voor de mensen. Dorus de Groot volgt in 1947 Joh. Res als commandant op. Op 8 november 1948 wordt de ‘Vereniging Vrijwillige Brandweer’ opgericht. Gerrit Ronk is de animator voor de oprichting van deze personeelsvereniging geweest en wordt tot voorzitter gekozen. Met veel liefde en  enthousiasme heeft hij die vereniging geleid. De nieuwe commandant krijgt onder andere als taak om zijn mannen het zogenaamde ‘aflegsysteem’ bij te brengen. Dit systeem was een organisatievorm met als doel om water zo effici√ęnt mogelijk bij de brand te brengen. Elke brandweerman krijgt hierbij een nummer toebedeeld en wordt dan geacht precies te weten, wat te doen. Maar men is er niet aan gewend om les te krijgen. Het kost Dorus de Groot dan ook de grootste moeite om zijn hardleerse mannen het systeem aan te leren. Of Dorus het zelf wist, is een tweede, hij las het voor uit een boekje. Maar uiteindelijk heeft men het sys¬≠teem onder de knie, behalve als er brand uitbreekt, want dan ver¬≠geet men die nieuwe instructies even en wordt op de aloude manier gewerkt. De brand wordt dan wel geblust, alleen niet vol¬≠gens het boekje. Pas in een veel later stadium vanaf 1967 worden de manschappen naar cursussen gestuurd. Er zijn dan opleidingen tot bijvoorbeeld brandwacht eerste en tweede klas.

Brandweerlieden voor het gemeentehuis in 1949. V.l.n.r. comman­dant Dorus de Groot, burgemeester Smeets, Gerrit Ronk, Ber van Benthem en P. van Maarleveld. Op de achtergrond de voormalige doorrijstal, waarin toen de ijssalon van Niek de Groot was geves­tigd. In een gedeelte van de doorrijstal was tot 1955 de brand­weerkazerne ondergebracht.
Brandweerlieden voor het gemeentehuis in 1949. V.l.n.r. comman­dant Dorus de Groot, burgemeester Smeets, Gerrit Ronk, Ber van Benthem en P. van Maarleveld. Op de achtergrond de voormalige doorrijstal, waarin toen de ijssalon van Niek de Groot was geves­tigd. In een gedeelte van de doorrijstal was tot 1955 de brand­weerkazerne ondergebracht.

Huisvesting

Met de huisvesting van de brandweer is het hopeloos gesteld geweest. In 1947 wordt J.W. Beyersbergen als aankomende direc­teur van Gemeentewerken aangesteld als ondercommandant. Hij krijgt tot taak om eens kritisch naar de organisatie van de brand­ weer te kijken. Smeets ziet met lede ogen het erbarmelijke onderkomen aan, waar het materieel is opgeslagen. In de oude doorrijstal naast De Rustende Jager is geen mogelijkheid om de slan­gen te drogen, er is geen toilet, zelfs een kraan ontbreekt. Het dak lekt aan alle kanten, waardoor de zoldervloer deels is vergaan en tot overmaat van ramp ligt de vloer onder het straatniveau. Bij een flinke regenbui staat de vloer 20 centimeter onder water. Het plan wordt nu geboren om een eigentijds onderkomen te realiseren. Beyersbergen en Smeets pakken de kwestie energiek aan, want op 10 juli in het jaar van zijn benoeming wordt een ontwerp met de architecten Nielsen en Spruyt besproken. Maar niet alles werkt mee en het zal toch nog jaren duren voordat de felbegeerde brand­ weerkazerne er staat.

De brandweerkazerne

In 1950 verwerpen zowel de schoonheidscommissie als de stedebouwkundige het ontwerp. Het voorziet in een gecombineerd gebouw voor brandweer en gemeentewerken met twee bovenwo¬≠ningen. Beyersbergen is inmiddels in 1951 commandant geworden als opvolger van Dorus de Groot en hij krijgt Piet van Maarleveld als ondercommandant. De nieuwe commandant zet de inspannin¬≠gen van Dorus de Groot voort, maar het combinatiegebouw heeft geen kans van slagen. Daarom wordt van dat plan afgezien en gaat men over tot de stichting van een gebouw voor de brandweer alleen. Op 3 september 1953 wordt het complex met twee boven¬≠ woningen aanbesteed. Aannemer Johan de Nijs van de Overtoom blijkt de laagste inschrijver voor  93.600,- gulden. Maar dit ligt boven de begroting en daarom wordt door de bestratingswerkzaamheden uit het bestek te halen de prijs tot 87.730,- gulden teruggebracht. Het gebouw wordt in 1954 opgeleverd en de kazerne kan door de Castricumse brandweer in gebruik genomen worden. Het bevat een garage met slangentoren, een les- en instructielokaal met hal, toilet en keuken. De twee bovenwoningen worden betrokken door de families Noordover en De Vries. Noordover en De Vries zijn werkzaam bij Gemeentewerken en moeten bij wekelijkse toerbeurt het brandalarmsysteem bedienen. De manschappen zijn de koning te rijk met het nieuwe luxe onderkomen.

Personeelsuitbreiding

Beyersbergen heeft zich in de tussentijd beziggehouden met ande­re aspecten van de organisatie en stuit daarbij op het materieel dat niet meer aan de eisen van de moderne tijd voldoet. Geldgebrek zal vermoedelijk de oorzaak zijn dat zijn verzoek van 14 april 1951 om modernisering en uitbreiding van het materieel niet geho­noreerd wordt. Hij krijgt uiteindelijk toch het fiat voor het plan en mag op 22 juni 1954 zijn bestelling plaatsen. Vanwege de sterke inflatie in de vijftiger jaren zijn de aanschafkosten ondertussen met 40% gestegen, zodat het aanvankelijke budget ruimschoots wordt overschreden. Castricum wordt de trotse bezitter van een uit Amerika overgewaaide noviteit, een mist- of nevelautospuit. De auto, een Austin brandweertruck, wordt bij garage De Pont in Velsen-Noord gekocht. De hogedruk-mistbrandspuit is een Bean Royal 55 pomp met drie cilinders en een stalen tank van 1500 liter. De spuit heeft een capaciteit van 225-250 liter per minuut. De auto heeft een gesloten bestuurders- en manschappencabine, een neerklapbaar ladderrek, een electrische sirene en een ver-


Jaarboek 18, pagina 13

plaatsbare schijnwerper. De leverancier van de pomp is A. Boudewijn en Zonen uit Geldermalsen. Het gaat om een draagbare motorspuit, die op een slede in het achtercompartiment van de auto wordt geplaatst. Boudewijn krijgt ook de opdracht om het geheel van auto en opbouw met de pomp bedrijfsklaar op te leveren. Door het nieuwe materieel moet de bezetting tot zestien man worden uitgebreid. Onder de nieuwe mannen treffen we bekende namen aan: Ab Weda en Antoon de Rooy in 1951 en Joop Zijlstra, Bertus Eikel, Gerrit Bedeke, Piet Gomes en Libert Eggers in 1954.

Feestelijke opening in 1955

Een nieuw gebouw, nieuw materieel, weer nieuwe uniformen en bluskleding. Er is reden om de bloemetjes eens flink buiten te zet¬≠ ten. De enthousiaste ploeg wil het feest groots aanpakken. Men is niet vergeten dat in een gemeenteloods de oude Otto staat weg te roesten. Dat stuk nostalgie zal naar de brandweerkazerne gehaald worden en een totale opknapbeurt moeten ondergaan. Gerard Hemmer, Piet Borst, Cees de Groot en Piet Gomes nemen het kar¬≠wei op zich. De oude spuit wordt helemaal ontmanteld en met veel geduld stukje bij beetje weer in zijn oude staat teruggebracht. Na vele vrijetijdsuren met sleutelen, schuren, schilderen en poetsen is dan het grote moment aangebroken. Otto moet tot leven komen. Maar al wat men probeert, hij zwijgt als het graf. Piet Borst komt op het verlossende idee: “Ether erin en hij zal lopen”. Er komt eerst enig gesputter en gehoest uit Otto‚Äôs binnenste en tot opluch¬≠ting van de mannen produceert hij even later een gezond geluid dat allengs mooier wordt.
14 Mei 1955 is de grote feestdag voor brandweer en gemeente, als het nieuwe gebouw en het materieel officieel in gebruik wordt genomen. In de optocht van de oude doorrijstal aan de Dorpsstraat naar de nieuwe kazerne aan de Brakenburgstraat rijdt de Otto, getrokken door het paard van Klaas Bos en geflankeerd door een erebegeleiding van zonen van spuitgasten, trots met zijn prachtige kleuren en glimmend koper voorop in de stoet. Daarna volgen de bellenwagen met de Harlandspuit en daarna de nieuwste aankoop, de Austin-truck met spuit. Men heeft het geluk dat het een prachti¬≠ge zonnige dag is, zodat vele belangstellenden de feestelijkheden meemaken. De opening wordt door burgemeester Smeets verricht door het hijsen van de vlag. Tot de geschenken behoren onder andere een door schilder- en brandweerman Wijnand Tromp geschonken glas-in-lood-raam, voorstellende ‘De Rode Haan’ en een door de echtgenotes van de brandweerlieden geborduurde fraaie vlag. De burgemeester overhandigt de uit 1879 stammende brandweerstaf, die geruime tijd de burgemeesterskamer had gesierd.

Donkere wolken

Door onduidelijke oorzaak ontstaat er in de jaren na 1955 verwij¬≠dering tussen commandant Beyersbergen en zijn mensen. De sfeer in het korps wordt gespannen en bereikt in de jaarvergadering van de personeelsvereniging van februari 1958 een tragisch diepte¬≠ punt, als over en weer verwijten worden gemaakt. Enige leden denken er zelfs over om op te stappen, maar dankzij aansporingen van collega’s blijft men toch bijeen. Tot opluchting van een aantal brandweerlieden kondigt de commandant zijn vertrek aan, als hij elders een baan aanvaardt. Met ingang van 1 januari 1959 wordt hem eervol ontslag verleend. Het gemeentebestuur begrijpt dat het korps een stem moet hebben in de benoeming van zijn opvolger en men krijgt daarom toestemming om een voordracht te doen. Unaniem wordt Piet van Maarleveld voorgedragen en Gerrit Ronk als ondercommandant. De nieuwe commandant ontdekt dat er zon¬≠der medeweten van het korps ondertussen een bestelling voor een nieuwe trekker-manschappenwagen is geplaatst. De door Metz in Alkmaar te leveren Chevrolet is dan al bijna gereed. Door snel te reageren kunnen nog enige aanpassingen gerealiseerd worden. Het blijkt een brandweerwagen te zijn, waaraan men niet veel plezier beleeft. Door de uitbreiding met deze wagen is er weer een aan¬≠passing van de personeelssterkte noodzakelijk. Het aantal wordt op twintig man gebracht. Van Maarleveld wordt ervaren als een goede commandant en een humaan mens. Na een ernstige ziekte overlijdt hij op 1 oktober 1964; op 5 oktober wordt hij door zijn mannen met korpseer begraven.

De zestiger jaren

Zijn waarnemer Gerrit Ronk wordt op voorstel van de leden per 1 januari 1965 tot de nieuwe commandant benoemd en Tinus Hopman tot ondercommandant. Vanwege zijn leeftijd krijgt Ronk op 16 maart 1967 eervol ontslag en wordt Hopman zijn opvolger. Ondercommandant wordt dan P. Borst. In 1965 wordt de brand­ weerkazerne in verband met nieuw materieel vergroot. De brand­ weer zelf voert daarvan een deel vanwege de hoge kosten in eigen beheer uit. Onder leiding van brandweerman Bedeke wordt met enige mannen de centrale verwarming aangepast. Die verwarming is in 1960 aangelegd ter vervanging van een te grote stinkende oliekachel, die de vergaderingen verziekte.

Nieuwe ontwikkelingen

Brandpreventie begint al bij de voorbereiding van bouwplannen, beseft Van Maarleveld. Hij stapt hiermee naar de gemeentelijke bouwkundige dienst, waar hij wat argwanend wordt aangehoord. Door geduldig doorzetten worden de weerstanden goeddeels over¬≠ wonnen. Ronk schrijft in 1964 over ‘het tere plantje dat eerst wor¬≠tel moet schieten’. Bij Hopman‚Äôs benoeming tot commandant blijkt dit plantje tot een aardig boompje te zijn uitgegroeid.
Het psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch beschikt over een eigen bedrijfsbrandweer. Er is enige samenwerking, maar in 1957 dringt de districtsinspecteur Fehres aan op een nauwere samen¬≠werking. In een bespreking in 1959 ten gemeentehuize tussen Fehres, Van Maarleveld en Kaper, hoofd van de bouwkundige dienst van Duin en Bosch, blijkt een dergelijk verschil van mening over het beleid, dat men onverrichter zake huiswaarts keert. Maar het rapport van de districtsinspectie naar het gemeentebestuur en de directie van het ziekenhuis leidt toch tot gezamenlijke oefenin¬≠gen van de beide brandweerkorpsen. Onder Ronk worden de con¬≠tacten gaandeweg beter en er worden veelvuldiger oefeningen gehouden. Tot de oefeningen behoren ook ori√ęntatieritten over het d(doolhof-)terrein van Duin en Bosch. Het terrein was toentertijd nog niet van richtingborden voorzien. In het kader van de regiona¬≠le samenwerking wordt in oktober 1965 een grote oefening gehou¬≠den met de korpsen van Castricum, Limmen en Heemskerk; ook Duin en Bosch is hierbij aanwezig.
Cursussen zijn lange tijd een onbekend fenomeen bij de brandweer. Men wordt geacht om kennis van de apparatuur onder de knie te krij­ gen door middel van een korte instructie, veelal door de commandant.

Branden

In november 1959 vat de boerderij van P. Hes aan de Hoogeweg in Bakkum-Noord vlam. Om 6 uur in de ochtend wordt er alarm geslagen. Er hangt een dichte mist, het zicht is vijf meter en zo voorzichtig mogelijk rijdend bereikt men te laat de boerderij. Pas in de directe nabijheid kan men de felle brandhaard zien. De belendende percelen zijn niet zichtbaar. Hes weet met zoon Kees en dochter Alie, zijn vrouw en kinderen uit de vuurzee te redden. Ook het vee heeft men inmiddels in veiligheid gebracht. Door de reddingsactie heeft zoon Kees zware brandwonden aan gezicht en handen opgelopen; hij moet naar het ziekenhuis vervoerd worden.


Jaarboek 18, pagina 14

Een gevaarlijke brand op 10 augustus 1965, die een grote consternatie op de camping Bakkum.
Een gevaarlijke brand op 10 augustus 1965, die een grote consternatie op de camping Bakkum.
In maart 1966 brandt de houtwarenfabriek van Eling geheel af.
In maart 1966 brandt de houtwarenfabriek van Eling geheel af.

In april 1961 wordt de hulp ingeroepen voor een brand in de preekstoel van de Ned. Herv. kerk. De kerk blijft behouden, maar de waardevolle kansel gaat verloren.
In augustus 1965 breekt op het kampeerterrein Bakkum een gevaarlijke brand uit in een winkel met petroleum- en butagasvoorraad. Spoedig vliegen de butagasflessen als projectielen de lucht in. Er komen enkele ook op een rieten dak van een loods terecht, die ook vlam vat. Gelukkig zijn de meeste kampeergasten op dat moment vanwege het mooie weer op het strand, zodat zich geen persoonlijke ongelukken voordoen. Deze brand op het PWN-terrein ontlokte commandant Ronk de opmerking, dat brandweer­ lieden eerst een duinkaart moeten kopen om op het PWN-terrein een brand te kunnen blussen; sindsdien krijgt elke brandweerman van PWN een jaarkaart voor toegang tot het duingebied.

In maart 1966 wordt de houtwarenfabriek van Eling aan de Stetweg een prooi der vlammen. Lak en droog hout zorgen ervoor dat de fabriek verloren gaat.

In 1972 valt wel een slachtoffer te betreuren als op 22 december de woning van de familie De Wildt aan de Breedeweg door een felle binnen­brand wordt getroffen. De vrouw des huizes komt hierbij om het leven.

Een unicum is een heuse scheepsbrand als op 7 april 1977 assistentie moet worden verleend op het gestrande schip de Wan Chun. In deze perio­de zijn talloze branden geweest, maar het is ondoenlijk om die allemaal te noemen.

Veranderingen

In de zestiger en zeventiger jaren worden in het dorp enige grootschalige gebouwen neergezet, waarmee de brandweer geen ervaring heeft. Het gaat om de flats aan de C.F. Smeetslaan en de Loet, Sans Souci en De Ambassadeur en het winkelcentrum Geesterduin. Oud-commandant Ronk wordt bereid gevonden om de preventiezaken voor en tijdens de bouw voor zijn rekening te nemen. Advies wordt verkregen van de brandweerinspectie en van de beroepsbrandweer van Haarlem.
Burgemeester Smeets is in 1968 met pensioen gegaan en opgevolgd door Van Boxtel. Hij vraagt Hopman in 1969 om een vijfjarenplan op te stellen. Het plan staat op 2 pagina’s en wordt aan gemeente-ambtenaar J. Middelhoff, die onder andere belast is met brandweerzaken, overhandigd om daarvan een echt rapport te maken. Hij presteert het om de 2 pagina‚Äôs in een 41 pagina’s tellend rapport om te toveren. Het houdt een uitbreiding van het materieel, versterking van het korps en vergroting van de brandweerkazerne in. Het advies wordt in 1972 door de gemeenteraad overgenomen. In 1973 en 1974 worden twee Magyrus autospuiten afgeleverd. In 1974 komt er nieuwe alarmapparatuur. Smits Bouwbedrijf uit Beverwijk gaat voor 597.000,- gulden de nieuwbouw van de brandweerka¬≠zerne maken. Voor de diverse installaties wordt nog eens 187.000,- gulden uitgetrokken. Begin 1977 wordt het gebouw opgeleverd. De opening wordt vanwege ziekteverlof van burgemeester Van Boxtel verricht door loco-burgemeester H. Wokke. Jaap Hartog wordt als beroepskracht in dienst genomen. Hij wordt speciaal belast met preventiezaken.
Na een dienstverband van 37 jaar neemt Tinus Hopman op 17 februari 1978 afscheid en wordt tot erelid van de brandweer benoemd. Ton Settels volgt hem op en Cees van der Laan wordt de ondercommandant. Het korps is inmiddels uitge­groeid tot 31 man, waarvan Hartog beroeps is.

De laatste jaren

Settels is 22 jaar brandweerman geweest, waarvan vier jaar als commandant. Hij neemt afscheid op 12 juni 1982 en krijgt voor zijn verdienste de gouden eremedaille in de orde van Oranje Nassau. Gmelich Meyling is op 16 april 1978 burgemeester geworden. Als hij op 1 juni 1985 naar Den Helder vertrekt, neemt Wokke als loco-burgemeester zijn plaats voor een halfjaar in. Sinds 16 januari 1986 is burgemeester Schouwenaar de nieuwe baas over de brandweer. Hartog is op 1 juni 1982 de eerste beroepscommandant in het korps geworden.


Jaarboek 18, pagina 15

Het korps uit 1971.
Het korps uit 1971. Onder v.l.n.r.: R. Sprengers, A. Weda, J. Zijlstra, A. Burgmeijer, J. Brakenhoff, J. Weda, G. Bos, H. Twisk, G. Ronk Jr, J. Beerse, commandant M. Hopman, C. de Groot, P. Nolet, A. Houtenbos, A. Settels, W. Noordover, G. Zonneveld en H. Hemmer. Boven v.l.n.r.: C. van der Laan, G. Borst, P. Zomerdijk, H. Twisk, Th. van der Himst en H. Nuijens.

Over de laatste jaren is een aantal spectaculaire branden te mel­den, waarvan de verwoesting van het zwembad De Witte Brug in de nacht van 5 op 6 juli 1987 de meest aansprekende is en die de landelijke pers uitvoerig heeft gehaald. De pomp van de autospuit 638 is hierbij beschadigd, maar kan weer hersteld worden. Flinke klappers zijn ook de branden van de Agrarische school aan de Oranjelaan in 1981 en op 10 mei 1983 de filterfabriek Golden Super op een binnenterrein tussen de Mient en Geelvinckstraat. Het gebouw wordt niet herbouwd, want het bedrijf vertrekt naar Uitgeest.

Het jubileum van de Vrijwillige Brandweer

Op 11 februari 1995 heeft de Vrijwillige Brandweer van Castri¬≠cum op ludieke wijze haar 75-jarig bestaan gevierd. De offici√ęle receptie loopt uit in een ware happening met aftre¬≠dend ondercommandant Cees van der Laan als onbetwist middel¬≠ punt van de feestvreugde. Hij wordt door burgemeester Schouwenaar na een geestige speech onderscheiden met de gou¬≠den eremedaille in de Orde van Oranje Nassau. Door commandant Hartog wordt hij tot erelid benoemd. Tijdens de receptie wordt een tableau aan het brandweerkorps aangeboden, waarop alle namen van de manschappen staan vermeld, die in de 75 jaar dienst hebben gedaan. Opvallend is, dat de lijst slechts 101 namen bevat, een overtuigend bewijs dat de brandweermannen hart voor de zaak hebben en zich met plezier voor de gemeenschap inzetten. Hoe de toekomst er uit zal zien, moeten we afwachten. Nieuwe ontwikkelingen staan voor de deur, waarop de organisatie van de brandweer een antwoord zal moeten vinden. De snel veranderende maatschappij eist een steeds verdergaande professionalisering van het korps. Het werkterrein heeft zich in de laatste decennia razendsnel uitgebreid, hetgeen kennis over een zeer breed terrein vergt. Mogelijk dat in de verre – of wie zal het zeggen – al nabije toekomst meer beroepskrachten moeten worden ingezet.

Brand in Villa Doornduijn in 1993.
Brand in Villa Doornduijn in 1993.

Een boeiende geschiedenis

Sinds de grote brand van 1795 is er veel gebeurd met de brand­weer. Aanvankelijk moet de gehele dorpsgemeenschap meewer­ken om met zeer beperkte middelen de branden te blussen.


Jaarboek 18, pagina 16

Het gemeentebestuur stelt tot het begin van deze eeuw weinig midde¬≠len ter beschikking om behoorlijk blusmaterieel aan te schaffen. Pas met de komst van de Vrijwillige Brandweer treedt er wezenlij¬≠ke verandering in. De aansluiting door Castricum op het waterlei¬≠dingnet is voor de brandweer van grote betekenis geweest. Een kleine groep heeft zich jarenlang ingezet voor de veiligheid van de gemeenschap. Ondanks de inzet van de mannen heeft men eerst nog niet zo’n succes. Gelet op de gebrekkige middelen, die ter beschikking gesteld zijn, is dat niet zo verwonderlijk. Na de twee¬≠ de wereldoorlog heeft de brandweer zich spectaculair ontwikkeld. Door de komst van beter materieel heeft de brandweer grote suc¬≠cessen geboekt. Het korps heeft zich uitstekend aangepast aan de nieuwe tijd en is met de uitbreiding van het dorp meegegroeid. Het korps bestaat nu uit veertig manschappen met een goed uitgeruste brandweerkazerne en modern materieel.

Er liggen tweehonderd jaar van brandweerhistorie achter ons, waarin de Castricumse Vrijwillige Brandweer een boeiend aandeel heeft gehad. Het dorp mag trots zijn op het vele dat haar brandweerkorps heeft bereikt. Dat is aan de inzet van de 101 vrijwillige enthousiaste brandweermannen te danken.

F. Baar
M. Hopman

Het korps uit 1991.
Het korps uit 1991. Boven v.l.n.r.: J. Grippeling, P. Krom, D. Hilbers, W. Johannes, H. de Nas, J. Brasser, W. Noordover, C. Kerssens, F. Wark, J. Theissling, C. Suurmond en P. Zomerdijk. Midden v.l.n.r.: W. van Bruggen, J. Kooijman, J. Brakenhoff, M. Duyn, R. Oudshoorn, G. Veldt Bzn, A. Bijman, H. Lind, N. van der Park, W. de Reus, J. Zijlstra, J. Beerse, H. Borst, G. Veldt Gzn, H. Houtenbos, H. Veldt, H. Langeveld, J. Weda en R. Struik. Onder v.l.n.r.: H. Nuyens, A. Burgmeijer, P. Prinsen, A. Houtenbos, commandant ./. Hartog, burgemeester J. Schouwenaar, C. van der Laan, R. Sprengers en H. Hemmer.

Jaarboek 18, pagina 17

Verantwoording

De totstandkoming van deze geschiedenis is voornamelijk te dan­ken aan het vele archiefwerk, dat door oud-commandant Tinus Hopman is verricht. Zonder hem was dit artikel niet mogelijk geweest.
Gebruik is gemaakt van gegevens uit de archieven van de gemeente Castricum, van de Vrijwillige Brandweer Castricum en het Rijksarchief te Haarlem. Aanvullende informatie is verkregen uit Jaarboekjes van de Werkgroep Oud-Castricum. Daarnaast gegevens uit ‘De Historie van Castricum en Bakkum’ door D. van Deelen en uit het dagboek van J. de la Chambre, aanwezig in het museum ‘Kennemerland’ te Beverwijk. Informatie over de alge¬≠mene brandweerhistorie is gehaald uit ‘De geschiedenis van de brandweer in Nederland’, A.C. Broeshart, Rijswijk 1980.

Leden van de Vrijwillige Brandweer van Castricum 1920 -1995

Overzicht leden vrijwillige brandweer 1920-1995.
Overzicht leden vrijwillige brandweer 1920-1995.
Print Friendly, PDF & Email