Castricum – honderd jaar geleden 1880 (Jaarboek 04 1981 pg 28-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 4, pagina 28

 

Castricum – honderd jaar geleden 1880

 

Het gemeentebestuur had in 1880 moeite met het vinden van een hulponderwijzer; Castricum telde slechts 3 onderwijskrachten, waarvan er in het gehele jaar maar 2 posten bezet waren.
Verder was er in dit jaar het zogenoemde proces Kronenburg. Dit proces had niets uitstaande met het voormalige kasteel of met de boerderij van die naam, maar werd door de gemeente gevoerd tegen de heer F. M. Kronenburg, leverancier van brandspuiten te Alkmaar.

Op 1 januari 1880 telt Castricum 1520 inwoners, er worden in dit jaar 68 kinderen geboren, 17 huwelijken gesloten en er overlijden 37 personen. Op het einde van het jaar zijn er 1574 personen in Castricum woonachtig.

 
4 februari 1880

Bij het gemeentebestuur was een verzoek binnengekomen van de 2e hulponderwijzer D. Dekker om tot 1e hulponderwijzer op een jaarwedde van ƒ 650,- te mogen worden benoemd. De Raad besluit dit verzoek aan te houden, totdat de benoeming van een hulponderwijzer aan de orde is.
Door het vertrek van J. Klinkenberg aan het einde van 1879, was er een vacature ontstaan in de post van 1e hulponderwijzer. Om voor deze post in aanmerking te komen waren na plaatsing van een advertentie in de Haarlemmer Courant en in de Tijd, meerdere sollicitatiebrieven binnengekomen uit allerlei delen van het land (waaronder Friesland, Overijssel en Utrecht). Voor een aanstelling waren in het algemeen vele gegadigden. Ook toen solliciteerde men op meerdere advertenties. Zo kon het gebeuren, dat een eenmaal geschikt geachte kandidaat, door de gemeenteraad werd benoemd, terwijl de kandidaat juist elders een aanstelling had aanvaard. Dit kwam in 1880 voor de vervulling van de vacature enkele keren voor. Zo konden ook niet altijd de diploma’s en akten Van bekwaamheid direkt worden meegestuurd met de sollicitatiebrief, omdat ze nog van een andere sollicitatie “onderweg” waren.
Bij de keuze van de nieuwe hulponderwijzer ging het gemeentebestuur zeer zorgvuldig te werk. In overleg met de districts-schoolopzichter werden de sollicitatiebrieven beoordeeld en werden inlichtingen ingewonnen bij de burgemeester, bij het hoofd der school of bij de betreffende districts-schoolopzichter van de gemeente, alwaar de kandidaat werkzaam was. Na die selectie werden de overgebleven kandidaten uitgenodigd om naar Castricum te komen en een proeve van kennis, takt en schoon schrijven af te leggen. De kandidaat die uiteindelijk werd aangesteld, had volgens de geldende voorschriften geen recht op vergoeding van zijn reiskosten – de afgewezen kandidaten wèl.

 
18 februari 1880

In de raadsvergadering wordt F. J. H. de Waay uit Breukelen benoemd als hulponderwijzer. Hierna komt het verzoek van D. Dekker aan de orde om zijn traktement van ƒ 600.- op ƒ 650.- per jaar te brengen. Het dagelijks bestuur had een ongunstig advies uitgebracht op dit verzoek. Waarschijnlijk kwam dit omdat D. Dekker pas 7 maanden in Castricum werkzaam was. Het raadslid J. Pzn Kuijs stelt voor dit verzoek wel toe te staan. Het voorstel wordt echter met 4 tegen 3 stemmen verworpen.

 
23 februari 1880

Op deze datum wordt een schrijven ontvangen van de benoemde hulponderwijzer uit Breukelen, waarin hij bedankt voor de benoeming in verband met een aanstelling elders. De overige sollicitanten werden niet geschikt geacht of hadden door benoemingen elders reeds bedankt.

 
1 april 1880

De hoofdonderwijzer Franciscus Ludewig had een verzoek tot de burgemeester gericht om de schooluren tijdelijk te mogen veranderen, totdat er in de vacante betrekking voorzien was. In de raadsvergadering deelde de burgemeester mee, dat het gemeentebestuur tegen deze verandering geen bezwaar had. De schooluren zouden dan worden van 9-11 1⁄2, van 11⁄2-31⁄2 en van 41⁄2- 61⁄2 uur.
In de stukken van het gemeentearchief komen we een lijst tegen van alle personen, die verplicht bij de brandweer waren ingedeeld. Alle volwassen mannen onder de 45 jaar vielen in principe onder de verordening op het brandwezen en waren ingedeeld. In totaal bestond het aantal manschappen in 1880 uit 209 mannen, voor het overgrote deel in geval van brand belast met de taak van pomper en slanghouder. De namen in de lijst die 4 of meer keer genoemd worden zijn: Bakker, Brakenhoff, Castricum, Dekker, Duin, de Groot, de Graaf, Kuijs, Liefting, Mooij, Nijman, van der Park, Schotvanger, Stuifbergen, Stet, Twisk, Tromp, van Weenen, Zonneveld.
De Brandraad in de gemeente Castricum had in haar vergadering van 29 maart besloten om het gemeentebestuur te verzoeken enige werkzaamheden uit te voeren:
* dat een hekje moge worden gemaakt voor de ingang van het spuithuisje aan de Kramersweg, opdat van tijd tot tijd, wanneer zulks nodig wordt geacht, de deuren kunnen worden opengezet, terwijl de toegang tot het huisje toch afgesloten blijft, deze maatregel zoude dienstig zijn om daardoor meer droogte in het huisje te verkrijgen.
* dat in het belang der slangen het wenselijk worden geacht, dat de slangen der spuit worden getaand.
* dat ter bekoming van water bij het ontstaan van brand in de kom der gemeente, de sloot tussen het perceel van de heren Kreur (Hermana State), Rommel (Kerkzicht), Kehl en Mooy worden opgemaakt, uitgediept en ter lengte van ongeveer 50 meter worden beschoeid, terwijl in de watering (Korte Cieweg) alwaar die sloot een aanvang neemt, een uitdieping te bewerkstelligen om de toevoer van het water daardoor te bevorderen.

Verder wordt het reglement zo gewijzigd, dat bij oefeningen een vierde der manschappen wordt opgeroepen, uitgezonderd de brandmeester, adjunct-brandmeester, kommandanten en kwartiermees- ters, die bij elke oefening tegenwoordig moeten zijn. De pijpleiders, werklieden, pompers, bedienden en verdere manschappen kunnen aanspraak maken op een schadeloosstelling van tien centen.

 
21 april 1880

Dirk Dekker, hulponderwijzer, had zich opnieuw gewend tot het gemeentebestuur om nog eens het verzoek in overweging te ne-


Jaarboek 4, pagina 29

men om zijn salaris van ƒ 600.- op ƒ 650.- te willen brengen; „Daar het voor mij niet mogelijk is werkzaam te blijven aan een school waar ik wat salaris betreft beneden een nog te benoemen collega zal staan”. De gemeenteraad besluit nu met ingang van 1 juli 1880 dit verzoek in te willigen.

Ingekomen is een rekening van F. M. Kronenburg, leverancier van brandspuiten te Alkmaar, ten bedrage van ƒ 125,80, welke rekening volgens het oordeel van het dagelijks bestuur van de gemeente met ƒ 55,- moest worden verminderd, aangezien de voor deze som herstelde gebreken der spuit, een gevolg waren van het defect dat de 14e juni 1879 bij het proberen der spuit was ontstaan. Dit defect nu was een gevolg van onvoldoende soliditeit der spuit, zoals uit de verklaring van N. de Wolf, opzichter der gemeentewerken te Beverwijk dd. 6 april 1880 bleek en Kronenburg had zich bij onderhandse akte van 7 september 1877 juist verbonden gedurende 6 jaren voor de soliditeit in te staan.
Kronenburg had echter met deze door het dagelijks bestuur voorgestelde vermindering geen genoegen genomen en dientengevolge was de burgemeester dezelfde ochtend gedagvaard om te Alkmaar op 5 mei 1880 a.s. voor de kantonrechter te verschijnen. Alsnu vroeg de voorzitter aan de Raad goedkeuring om in deze zaak te mogen procederen tegen F. M. Kronenburg, welke goedkeuring wordt verleend met algemene stemmen, nadat er vooraf enige discussie heeft plaats gehad en de voorzitter de Raad in overweging heeft gegeven of het wenselijk is voor een zodanig kleine som een proces te wagen.

 
2 juni 1880

E. Berendsen uit Oldenzaal wordt door de gemeenteraad met ingang van 15 juli 1880 benoemd tot hulponderwijzer. De heer Berendsen is hier niet werkzaam geweest, waarschijnlijk heeft hij voor de benoeming bedankt; een schrijven daaromtrent ben ik echter niet tegen gekomen.

De Heer C. Mooij Jzn. krijgt op zijn verzoek eervol ontslag als wethouder, lid van de gemeenteraad en als ambtenaar van de burgerlijke stand. De redenen van zijn plotseling vertrek zijn mij niet bekend; in de brief waarin Mooij zijn ontslag indiende, maakte hij hier met geen woord melding van.

 
28 juli 1880

Er is een brief ontvangen van de Rijksopziener op de spoorwegdiensten, waarin de stichting van een goederenloods op het stationsemplacement van Castricum wordt bericht.

 
11 augustus 1880

In de raadsvergadering worden als gevolg van het ontslag van C. Mooij Jzn. de volgende personen benoemd: Jacob Brakenhoff tot wethouder, W. Melker tot raadslid, A. van der Park tot ambtenaar van de burgerlijke stand en D. Schotvanger tot armenvoogd. De overige raadsleden waren op dat moment Jacobus Apeldoorn, J. Pzn. Kuijs en F. Glorie. Jan Pzn. Kuijs en Adrianus van der Park werden bij raadsbesluit van 30 september overigens nog kandidaat gesteld voor de benoeming van “zetter” voor de direkte belastingen met ingang van 1 januari 1881. Voor alle ge- meenten van de provincie werden voor deze functie kandidaten gesteld.

 
31 augustus 1880

De hoofd- en 1e hulponderwijzer kregen een gratificatie toegekend voor bewezen diensten. Gedurende het eerste halfjaar van 1880 kon wegens gebrek aan sollicitanten de betrekking van een 2e hulponderwijzer niet vervuld worden, waardoor de werkzaamheden van de hoofdonderwijzer (Ludewig) en de hulponderwijzer (Dekker) aanzienlijk vermeerderd werden, zodat zelfs de schooluren verlengd moesten worden. De gratificatie bedroeg resp. ƒ 100.- en ƒ 60.-.

Ook in het 2e halfjaar bleek niet in de vacature te kunnen worden voorzien; het zou tot begin 1881 voortduren. Op 17 januari van dat jaar werd mej. A. W. B. de Hoog benoemd tot hulponderwijzeres.
De jaarsalarissen waren vanaf 1 november 1880 voor het hoofd der school ƒ 800.-, voor een 1e hulponderwijzer ƒ 700.-, voor een 2e hulponderwijzer ƒ 650.- en voor een onderwijzeres ƒ 500.-.

 
28 september 1880

In de raadsvergadering deelt de burgemeester mede dat hij een onderhoud gehad heeft met de heer Mr. J. C. Vonk, advocaat te Alkmaar, over de beëindiging van het proces Kronenburg en dat genoemde heer Vonk uit naam van F. M. Kronenburg heeft voorgesteld, dat het gemeentebestuur de kosten van registratie der akten ten bedrage van ƒ 28.50 benodigd in het proces en ƒ 5.- voorkomende op de rekening van Kronenburg zal bekostigen en dat Kronenburg alle andere kosten zal dragen. Door deze schikking zal een eindvonnis, waardoor alleen meerdere kosten gemaakt zullen worden onnodig zijn.
De burgemeester wijst op het gevaar van dit eindvonnis, daar de kantonrechter zijn vonnis over de bedoelde ƒ 5.- opschortende tot na de verklaring der deskundigen, wellicht de gemeente wat de bedoelde ƒ 5.- betreft in het ongelijk kan stellen en bijgevolg tot een gedeelte van de algehele onkosten van het proces kan noodzaken.
Na enige deliberatie besluit de raad het voorstel van de heer Vonk aan te nemen, doch wenst, dat de ƒ 5.- bovenbedoeld door Kronenburg in rekening gebracht voor het proberen der spuit, door hem en niet door de gemeente betaald zullen worden. De heer Kronenburg zal uiteindelijk met dit raadsvoorstel genoegen nemen.

 
29 oktober 1880

De raad neemt het besluit om de jaarwedde van de burgemeester met ƒ 50.- te verhogen en zo te brengen op ƒ 300.-. De burgemeester Jonkheer Mr. J. W. G. Boreel van Hogelanden woonde op het landgoed Meervliet te Velsen en was doorgaans maar één dag per week in Castricum. Hij kreeg jaarlijks van de Minister dispensatie van de verplichting om in Castricum te wonen. Het burgemeestersambt was een nevenbetrekking; het salaris was daarop duidelijk afgestemd (vergelijk met het jaarsalaris van de hoofdonderwijzerƒ 800.-).

 
8 november 1880

In de raadsvergadering deelt de voorzitter mee, dat “de heer dokter Schuit, die gedurende de ongesteldheid van de heer A. Reijnders, alhier zijne praktijk heeft waargenomen, den voorzitter in overweging heeft gegeven om met het oog op de slechte gezondheid en hoogen leeftijd van genoemden heer Reijnders ten koste der gemeente eene vroedvrouw aan te stellen; ook de heer Reijnders had zijne ingenomenheid hiermede betuigd!
Na enige discussie besluit de raad met vier tegen twee stemmen geen vroedvrouw te benoemen “aangezien er vroeger ook geene vroedvrouw in de gemeente was geweest, toen er geen dokter was, de noodzakelijkheid daarvan alsnu ook niet inzag”.


Jaarboek 4, pagina 30

 
2 december 1880

De raad had het genot van vrije woning van het hoofd der school op ƒ 75.- per jaar geschat. Volgens het oordeel van Gedeputeerde Staten is deze som te laag geraamd en moet op minstens ƒ 100.- gebracht worden.
De raad besluit echter, dat deze som van ƒ 75.- niet te laag is gesteld, “daar hoewel de huurprijs zeer gering mag geacht worden te zijn, dat wilde men dergelijke huizen verhuren tegen een hoogeren prijs men alsdan geene huurders zoude vinden en handhaaft mitsdien het besluit in de vorige vergadering genomen”.

 
31 december 1880

De gemeenterekening over het jaar 1880 bedroeg aan ontvangsten ƒ 11081,- en aan uitgaven ƒ 9272.-. Het batige saldo bedroeg derhalve ƒ 1809.-.

S. P. A. Zuurbier

Print Friendly, PDF & Email