Castricum in opbouw (Jaarboek 30 2007 pg 3-16)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 30, pagina 3

 

Castricum in opbouw

 

In de 20e eeuw is de grondslag gelegd voor de verandering van de tuinderdorpen Castricum en Bakkum in een meer stedelijk woongebied. Vele eeuwen waren het genoeglijke dorpen met een agrarische bevolking, waar de rust slechts werd verstoord door de diligence en later door de stoomtram. De komst van het spoor in 1867, het ziekenhuis Duin en Bosch in 1909 en het kampeerterrein in 1928 hebben er veel aan bijgedragen dat de gemeente meer en meer bekendheid kreeg als aantrekkelijke woongemeente. Woningbouw verdrong de tuinderijen en de samenstelling van de bevolking veranderde in korte tijd. Met behulp van archiefstukken, foto’s en verslagen van ooggetuigen willen wij terugblikken op de vorige eeuw en proberen ons voor te stellen hoe onze woonomgeving tot stand is gekomen, met aandacht voor mensen die daarin een rol speelden.

De eerste bewoning was beperkt tot de oude strandwallen en concentreerde zich op de zogeheten geesten. Een geest was een hoger gelegen gebied waarop een nederzetting of een buurtschap was gevestigd. In de loop van de 10e eeuw is de ontginning van het gebied vanuit deze geesten grotendeels voltooid. Binnen Castricum kunnen we vier buurtschappen onderscheiden, namelijk de Kerkbuurt (rond de dorpskerk), de Oosterbuurt (Breedeweg en Doodweg), Heemstee (omgeving Heemstederweg) en Noordeind (tussen de Eerste Groenelaan en de Stetweg/Brakersweg). In Bakkum lag de oude geest in het gebied Bleumerweg – Achterlaan.

In 1812 werden Castricum en Bakkum (ten noorden van de Zeeweg) samengevoegd.

Tot diep in de 19e eeuw was veeteelt nog de voornaamste bron van inkomsten, aangevuld met enige nevenverdiensten uit de schelpenvisserij. In 1900 stond er al een melkfabriekje aan de Cieweg en in 1905 volgde de stoomzuivelfabriek ‘De Holland‘ aan de Breedeweg.

Een beeld van de gemeente gezien vanaf Bakkum in 1926. Rechts op de voorgrond de Zeeweg en links de Heereweg. De provinciale weg richting Limmen werd pas 10 jaar later aangelegd. De vele tuinderijen zijn goed herkenbaar.
Een beeld van de gemeente gezien vanaf Bakkum in 1926. Rechts op de voorgrond de Zeeweg en links de Heereweg. De provinciale weg richting Limmen werd pas 10 jaar later aangelegd. De vele tuinderijen zijn goed herkenbaar.

In de eerste helft van de 20e eeuw is het grasland in de directe omgeving van de dorpskom grotendeels in tuingrond omgezet. In 1913 werd de Castricumse Tuinbouwveiling ‘Ons Belang‘ opgericht. Tot 1933 bestond er zelfs nog een tweede veiling die bekend stond als de ‘vrije veiling’. Er brak een lange periode aan van bloei en uitbreiding van de tuinbouw. Voor zover er al sprake was van landbouw, was die in de (negentien)twintigerjaren bijna helemaal verdwenen.

De stichting van het provinciaal ziekenhuis ‘Duin en Bosch’ en de komst van de daarbij behorende beroepsbevolking gaf in de eerste twintig jaar (van de 20ste eeuw) een hele verandering in het dorp. Verder ontdekten ook gepensioneerden en renteniers het dorp langzamerhand als aantrekkelijk woonoord. Vanwege de goede treinverbinding met de omliggende steden kwam ook kantoorpersoneel uit de Zaanstreek en Amsterdam naar Castricum.

In 1914 werden de eerste kampeerders al in het duingebied gesignaleerd. Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd de verdere ontwikkeling even gestuit, maar in 1920 werden de eerste officiĆ«le kampeervergunningen afgegeven. In 1927 verrees de eerste accommodatie op het terrein tegenover Johanna’s Hof, bestaande uit drie toiletgebouwtjes en wachthuisje.


Jaarboek 30, pagina 4

De aanleg van de Zeeweg in 1925, die de oude in slechte staat verkerende Schulpweg verving, maakte van Castricum aan Zee een volksbadplaats voor Amsterdam en de Zaanstreek.

De komst van burgemeester Lommen

In 1918 legde op zeventigjarige leeftijd Jan Mooij, een boerenzoon uit de Oosterbuurt, na dertig jaar het burgemeestersambt neer. Castricum telde toen ruim 4000 inwoners. Jan Mooij was gemeenteontvanger geweest van 1873 tot 1888 en vervolgens benoemd tot burgemeester. Tot 1914 was hij ook gemeentesecretaris. Bij zijn afscheid memoreerde hij dat hij zijn benoeming tot burgemeester te danken had gehad aan de inspanningen daarvoor van de burgerij.

Zijn opvolger is P.H.L.J. Lommen, die daarvoor burgemeester was van Ursem. Met de komst van Lommen, een vakburgemeester zoals hij genoemd werd, brak voor Castricum een nieuwe tijd aan.

Burgemeester Lommen (1885-1936) droeg op hoogtijdagen nog zijn ambtsuniform.
Burgemeester Lommen (1885-1936) droeg op hoogtijdagen nog zijn ambtsuniform.

Burgemeester Lommen (1918-1936)

Burgemeester Lommen werd op 10 september 1885 geboren en was afkomstig uit een fabrikantenfamilie in Tilburg. In 1914 werd hij burgemeester van Ursem en op 1 augustus 1918 kwam hij naar Castricum. Hij was de eerste bewoner van de ambtswoning die in 1919 aan de Stationsweg werd gebouwd.
In de gemeente veranderde onder zijn leiding veel. Stedenbouwkundige De Casseres werd aangetrokken en er kwam een uitbreidingsplan voor het dorp. Nieuwe wegen werden aangelegd en nieuwe woonwijken ontstonden. Hij stimuleerde de oprichting van een elektriciteitbedrijf, de reorganisatie van het gasbedrijf en de bouw van een nieuwe openbare lagere school. Burgemeester Lommen is lid geweest van Provinciale Staten Noord-Holland en was hoofdbestuurslid van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Hij overleed op 10 november 1936 op 51-jarige leeftijd.

Een van de eerste initiatieven die hij nam, was in 1919 de oprichting van de Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer ‘Castricum Vooruit’, die het bevorderen van de aanleg en verbetering van wegen en het verfraaien van de gemeente als belangrijkste doelstellingen zag. Dat de organisatie een verlengstuk was van de gemeente, blijkt wel uit het uit het feit dat de per 1 augustus 1919 benoemde gemeentesecretaris Van Lunen secretaris werd van deze vereniging.
De organisatie werd breed gesteund door ruim 180 leden, waaronder mevrouw Lommen en de stiefmoeder van de burgemeester, mevrouw Lommen – Sauveur (correctie 30e jaarboek op pg 108 van jaarboek 31 uit 2008).

Advertentie uit de gids van de V.V.V. 'Castricum Vooruit' uitgegeven in 1925.
Advertentie uit de gids van de V.V.V. ‘Castricum Vooruit’ uitgegeven in 1925.

VVV ‘Castricum Vooruit’

In 1925 werd ter gelegenheid van de opening van het laatste deel van de Zeeweg een toeristische gids uitgegeven waarin burgemeester Lommen schreef:
“Ons ideaal is: het dorp de comfortabele woonplaats; het onmiddellijk daaraan grenzend natuurschoon ongerept. Laat Castricum Castricum blijven, d.w.z. een mooi idyllisch dorp. omzoomd door schitterende plekjes rijk aan natuurschoon, dat is de beste aanbeveling.”

Deze VVV voerde o.a. actie voor het bestraten van de Zeeweg, het uitdiepen van de Schulpvaart en een betere postbezorging.

Burgemeester Lommen voorzag grote kansen voor de gemeente als woonoord. Veel was tot dan aan het particulier initiatiefovergelaten. Er werd gebouwd langs de eeuwenoude wegen, waardoor lintbebouwing ontstond.Van een weldoordacht uitbreidingsplan was geen sprake. Eind 1919 had de woningbouwvereniging ‘Sint Joseph’ er al wel op aangedrongen, maar geldgebrek weerhield de gemeente van een voortvarende aanpak. Een rooilijnenplan was kennelijk het


Jaarboek 30, pagina 5

maximaal haalbare. Toch werd er al behoorlijk gebouwd in de gemeente. In 1923 werden 47 bouwvergunningen verleend en in 1924 liep het aantal op naar 57.

Castricum was natuurlijk nog wel een klein dorp, zoals blijkt uit een discussie in de gemeenteraad in oktober 1923 over een voorstel voor enkele nieuwe straatlantaarns.
“De heer Spaansen is van oordeel dat de verlichting bij lichte maan en gedurende de maanden mei tot en met september in de Oosterbuurt en Noordeinde enz. niet nodig is, omdat het vroeger ook niet plaats had. Hij vindt het een raar gezicht straatverlichting bij maanlicht. De heer Schipper bestrijdt de mening van de heer Spaansen; men moet niet vergeten dat het telkens stil zetten en tussentijds opwinden der uurwerken ook kosten voor de gemeente veroorzaken; bovendien is het niet zo’n raar gezicht, als bij maanlicht de verlichting is ontstoken, want het kan stikdonker zijn en goed nagegaan zal men vooral in de wintermaanden weinig avonden hebben dat het maanlicht werkelijk de wegen verlicht.” Uiteindelijk stemde de raad toch met het voorstel in. Er zou wel een lantaarn extra worden geplaatst bij de woning van de verloskundige in de Burgemeester Mooijstraat, welke lantaarn het gehele jaar gedurende de gehele nacht zou branden. Voor deze uitbreiding stelde de raad een extra krediet van 100,- gulden beschikbaar.

Tempo

Het Technisch Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten kreeg in 1925 opdracht om een uitbreidingsplan en een rioleringsplan te maken. Een plan voor verbetering van de weg Castricum-Bergen, voor de Mient en voor de Bakkummerweg is in hetzelfde jaar in voorbereiding genomen.

Van de opening in 1925 van het laatste deel van de Zeeweg tot aan het strand werd een groot feest gemaakt. Op de voorgrond met hoed in de hand burgemeester Lommen en rechts oud-burgemeester Mooij.
Van de opening in 1925 van het laatste deel van de Zeeweg tot aan het strand werd een groot feest gemaakt. Op de voorgrond met hoed in de hand burgemeester Lommen en rechts oud-burgemeester Mooij.

In 1925 werd het laatste stuk van de ‘verharde strand- of schelpweg’, later Zeeweg genoemd, door burgemeester Lommen geopend. Het eerste deel tussen de Heereweg en het kampeerterrein/Commissarishuis had de provincie al in 1922 aangelegd. De burgemeester memoreerde bij de opening nog wel even, dat de gemeenteraad het benodigde geld niet eerder beschikbaar had willen stellen – pas in mei 1924 was de raad daartoe bereid – waardoor de aanleg in twee etappes moest gebeuren.

Castricum aan Zee met badhotel Armeria van J.W. Kockx. De provincie verleende in 1930 aan M.J. Biesterbos het recht van erfpacht voor 25 jaar voor de bouw van een moderne garage en een fietsenstalling voor 40 auto's en 1500 fietsen. In 1931 volgde er nog een tweede stalling voor 1000 fietsen.
Castricum aan Zee met badhotel Armeria van J.W. Kockx. De provincie verleende in 1930 aan M.J. Biesterbos het recht van erfpacht voor 25 jaar voor de bouw van een moderne garage en een fietsenstalling voor 40 auto’s en 1500 fietsen. In 1931 volgde er nog een tweede stalling voor 1000 fietsen.

M.J. Biesterbos, overgrootvader van de huidige exploitant van het parkeerterrein, was er als de kippen bij om in Castricum aan Zee een rijwielstalling te bouwen en een parkeerterrein voor 80 auto’s aan te leggen. In 1925 verscheen op de laatste duinenrij het houten strandpaviljoen ‘Armeria’ van J.W. Kockx, dat in 1930 vervangen werd door een fraai badhotel.

Het verkeer van en naar het strand moest nog wel door Castricum en Bakkum; de provinciale weg tussen Uitgeest en Limmen en tussen Limmen en Bakkum zou pas ver in de (negentien)dertiger jaren worden aangelegd.
Raadslid Schipper concludeert eind 1925, dat Castricum zich in een opgaande lijn beweegt. Hij gelooft zeker dat dit voor een goed deel te danken is aan de manier, waarop burgemeester en wethouders de gemeente beheren. “Castricum beweegt zich in een tempo 20, 30 maal zo vlug als dit vroeger geschiedde.”

Bij de installatie van de nieuwe gemeenteraad op 6 september 1927 hield de burgemeester een bezielende toespraak: “Castricum, tot voor luttele jaren hel rustige plaatsje zonder verlangens en bijna zonder behoeften, thans prat op zijn vooruitgang en ontwikkeling. veeleischend om een schoone plaats te gaan innemen in de rij harer zustergemeenten. Castricum, vol veranderingen, strevende naar hooger; naar groei en bloei.”


Jaarboek 30, pagina 6

De samenwerking met het Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten werd om financiĆ«le redenen verbroken en de voorbereiding van een uitbreidingsplan moest opnieuw worden opgestart. De technische subcommissie voor gemeentelijke uitbreidingsplannen werd in maart 1927 om advies gevraagd over de toekomst van Castricum en Bakkum: “Teneinde geen overbodig werk te verrichten. zouden wij het op prijs stellen, indien Uwe Commissie ons zoudt willen inlichten 0mtrent de algemeene lijnen welke in acht zijn te nemen in verband mei de gewestelijke uitbreiding.”

De reactie van de provinciale commissie volgde op 25 november 1927. Men achtte Castricum zeker van betekenis als tuinbouwdorp, echter voorzien werd een krachtige ontwikkeling van de gemeente als woonplaats voor forensen. Men adviseerde villabouw tussen het station en de duinen, kleine middenstandsbouw ten oosten van het station en richting Oosterbuurt werd gedacht aan arbeiderswoningen. “Vooral zij, die op dagelijksch vervoer per spoor aangewezen zijn, zullen hun woning op niet te grooten afstand van het station willen zoeken.”

Er moest een weg komen over de Zanderij, tussen de Beverwijkerstraatweg en de Vinkebaan, die aan de duinzijde onbebouwd moest blijven. Verder werd gedacht aan een aftakking van de Rijksstraatweg tussen de Beverwijkerstraatweg en de oude Alkmaarderstraatweg, 700 Ć  800 meter ten noorden van de rooms-katholieke kerk, met een viaduct over de spoorlijn.

De commissie waarschuwde tegen te grote verwachtingen van de ontwikkeling van een badplaats Castricum aan Zee. Het werd als een typische volksbadplaats voor dagjesmensen uit de Zaanstreek beschouwd en de commissie zag dan ook geen aanleiding om het ontstaan van een woonwijk aan zee te bevorderen. Tenslotte werd geadviseerd een bekwaam deskundige aan te trekken voor het maken van het uitbreidingsplan.

Stedenbouwkundige J.M. de Casseres ( 1902-1990).
Stedenbouwkundige J.M. de Casseres ( 1902-1990).

Onderzoek van De Casseres

Op voorstel van burgemeester Lommen werd Joƫl Meijer de Casseres uit Beverwijk in maart 1928 door de gemeente Castricum aangesteld als gemeentearchitect, met de opdracht een uitbreidingsplan te ontwerpen op basis van de globale richtlijnen van de provincie. Overeengekomen werd een honorarium van 4.000,- gulden uit te betalen als het plan goedgekeurd was. Deze overeenkomst zou hem nog bezuren.

De Casseres begon met een verkenning naar de bestaande toestand in de gemeente, wat toen een nieuw element was in de stedenbouw. In die verkenning constateerde hij dat de bouw hier nog al wat te wensen overliet. Hij vond Castricum een typisch voorbeeld van een plaats waar de economische nadelen verbonden aan lintbebouwing te constateren zijn. Hij sprak van een gemis aan ‘schoonheidsbewustzijn’ op het gebied van bouwen.

 


De eerste stedenbouwkundige

Joƫl Meijer de Casseres (1902-1990) werd in 1928 door de gemeente Castricum aangetrokken als stedenbouwkundig adviseur. In 1928 zette hij zich aan een studie ter voorbereiding op een uitbreidingsplan voor Castricum. Voorafgegaan door enkele deelplannen werd in 1936 een plan voor Castricum en Bakkum vastgesteld.
De Casseres wordt de aartsvader van de Nederlandse planologie genoemd. Hij werd geboren in Beverwijk waar zijn ouders een meubelzaak hadden in de Breestraat. Hij volgde een opleiding aan de Hoge School voor Bouwkunst en Sierende Kunsten te Haarlem. In 1926 vestigde hij zijn naam


Jaarboek 30, pagina 7

door de publicatie van zijn eerste boek getiteld ‘Stedebouw’ en in 1929 introduceerde hij het begrip planologie.
Hij maakte een uitbreidings- en bebouwingsplan voor Wijk aan Zee, uitbreidingsplannen voor Eindhoven en streekplannen voor grote delen van Brabant. In 1945 werd hij persoonlijk adviseur van minister Sicco Mansholt.


 

Het bouwen van arbeidershuisjes gebeurde rond de eeuwwisseling nog uiterst primitief, zoals Quirinus de Ruijter beschreef in zijn boek ‘Schippers van het Stet’. Men besprak met de timmerman of de metselaar zijn wensen en die maakte dan een eenvoudige tekening. De huisjes werden meestal in de lengte van de weg gebouwd en waren ongeveer 7 tot 8 meter lang en 4 meter breed. De zolder, via een buitenladder bereikbaar, was de slaapruimte voor de kinderen: tien kinderen op een lange rij was geen uitzondering. Volgens de beperkte bouwvoorschriften mocht een privaat (red: toilet), buiten de woning, hoogstens 10 meter van de woning staan. Al met al kwam een huisje op 300 Ć  400 gulden.

De Casseres haalt in zijn rapport de gemeentearts dokter Leenaers aan, die in 1928 het aantal woningen waar nog geslapen wordt in bedsteden zonder directe verluchting, schat op 50 procent van het totaal aantal woningen. Intussen was bij verordening het aanbrengen van bedsteden bij nieuwbouw wel verboden.

Over de woningbouw liet De Casseres zich niet vleiend uit in een brief aan het gemeentebestuur:
“Ik wil Uw aandacht erop vestigen, dat de laatste tijd aannemers gebruik maken van mijn aanwezigheid op het gemeentehuis, om hunne – meestal in flagrante strijd mei de welstandsbepaling zijnde – plannetjes opgekalefaterd te krijgen.

Hij ontwierp enkele eenvoudige voorschriften zoals: “Bij nieuwbouw en verbouwing dient de uiterste eenvoud te worden betracht; ingewikkelde dakvormen, gecompliceerde raam- en deuropeningen en steenverbanden, die niet direct uit de constructie voorkomen, zijn afkeurenswaardig.”

Verder was als raadgeving opgenomen: “Men overwege bij het ontwerpen, waar het huis zal komen te slaan en welke indruk het daar zal maken”.

De eerste sociale woningbouw had in Castricum intussen zijn intrede gedaan. In 1914 bouwde de woningbouwvereniging Goed Wonen 14 huurwoningen aan de Dokter Jacobilaan, daarna nog eens 20 woningen aan de Bakkummerstraat en 10 aan de Zeeweg.
De woningbouwvereniging Sint Joseph wist in 1919 aan de Mient 12 huurwoningen van de grond te krijgen. In deze woningen was bij eerste oplevering ook een ledikant inbegrepen, om de overgang van bedstede naar bed te vergemakkelijken …

Kaart van Castricum die door De Casseres in 1928 is getekend ter voorbereiding op zijn geografische en sociografische beschrijving van de gemeente.
Kaart van Castricum die door De Casseres in 1928 is getekend ter voorbereiding op zijn geografische en sociografische beschrijving van de gemeente.

TracƩ Rijksweg

In zijn verkenning van de gemeente stelde De Casseres dat maatregelen om de te verwachten uitbreidingen te begeleiden nog juist op tijd genomen zouden kunnen worden. De al gerealiseerde bebouwing had naar zijn mening nog geen volstrekt onherstelbare


Jaarboek 30, pagina 8

schade toegebracht: “Het stemt tot groote vreugde dat de bestuurderen van Castricum op verrassende wijze blijk hebben gegeven de waarde van de regeling en ontwikkeling van de Gemeente te beseffen.”

Schets van De Casseres van de westelijke en oostelijke omleiding van de Rijksstraatweg. Goed is te zien dat de westelijke omleiding begint in de bocht van de Dorpsstraat bij de Burgemeester Mooijstraat.
Schets van De Casseres van de westelijke en oostelijke omleiding van de Rijksstraatweg. Goed is te zien dat de westelijke omleiding begint in de bocht van de Dorpsstraat bij de Burgemeester Mooijstraat.

Een ernstig probleem bij het maken van een uitbreidingsplan was het verschil van mening over het tracĆ© van een nieuwe ‘rijksweg’ ter vervanging van de Dorpsstraat. Nog in 1928, enkele maanden na de verlening van de opdracht aan De Casseres, werd de gemeenteraad geconfronteerd met een plan van Rijkswaterstaat voor een oostelijke aftakking van de rijksweg, op de manier die door de provinciale commissie al was aangegeven. De raadsleden waren bang dat door het omleggen van de weg als het ware een muur om het eigenlijke dorp zou worden getrokken, waardoor Castricum een dood dorp zou worden.
Vanuit de gemeenteraad kwam een beter idee. Men wilde de rijksweg tot in het dorp handhaven en dan vanaf de aansluiting met de Burgemeester Mooijstraat in westelijke richting omleiden, tot hij voorbij het dorp weer op het oude tracƩ zou aansluiten. Verder verkoos men een tunnel in plaats van een viaduct, indien Rijkswaterstaat de gelijkvloerse spoorwegovergang persƩ wilde opheffen.
Ondanks de waarschuwing van burgemeester Lommen: “Waar niet te winnen valt, is ‘t ijdel dat men strijdt”, besloot de raad, met de stemmen van Twisk, Res en Kuijs tegen, de strijd toch voort te zetten.

Dit alles week af van de opdracht die eerder aan De Casseres was gegeven. Hij voorzag grote problemen en schreef beleefd: “dat de behandeling van bovengenoemde afsnijding door mij niet wordt geambieerd.”

Omdat Rijkswaterstaat geen nadere beslissing nam over het tracƩ van de rijksweg en ook de provincie niet achter de wens van de gemeenteraad stond, werd De Casseres opgedragen alvast een algemeen uitbreidingsplan voor Castricum op te stellen, waarbij de rijksweg door Castricum gehandhaafd werd. Een schematisch ontwerp voor zowel een oostelijke als een westelijke afsnijding moest er dan maar aan toegevoegd worden.
Het plan waar De Casseres met tussenpozen aan werkte, bestond verder uit drie hoofdpunten: woningbouw aan de Puikman, verbreding van de Dorpsstraat en de creatie van een dorpsplein aan de Dorpsstraat ter hoogte van de oude kerk, waarvoor de panden naast het gemeentehuis en de doorrijstal aan de overkant dan gesloopt zouden moeten worden.
Voor het nieuwe profiel van de Dorpsstraat maakte De Casseres een zeer gedetailleerde tekening, waarbij naar een wegbreedte van 9 meter werd gestreefd, 6 meter rijweg en twee rijwielpaden van elk 1,5 meter. Het rooilijnenplan werd eind 1928 vastgesteld en op 13 september 1929 nog verder verfijnd. Om de indruk van lintbebouwing tegen te gaan werd de minimale onderlinge afstand van gebouwen op 25 meter bepaald. Nog geen jaar later werd het hele rooilijnenplan door de raad weer ingetrokken. De provincie wilde zich er alleen over uitspreken in het kader van een uitbreidingsplan.

In 1929 stemt de raad in met het plan voor de aanleg van de Van der Mijleweg in Bakkum, waardoor de gevaarlijke bocht in de Bakkummerweg, tegenwoordig Bakkummerstraat, wordt opgeheven en de toegang tot de ‘badplaats Castricum aan Zee’ sterk verbetert. De provinciale commissie voor de gemeentelijke uitbreidingsplannen wilde zich nog niet over het ook door de raad aanvaarde plan


Jaarboek 30, pagina 9

voor uitbreiding van de gemeente uitspreken. Gedetailleerde plannen waren, aldus de commissie, slechts nodig voor ‘ De Puikman’, de Zanderij, omgeving Bakkummerstraat en de omgeving van het station.

Algemeen uitbreidingsplan

In april 1931 is er dan eindelijk uitsluitsel van Rijkswaterstaat: het tracƩ van de rijksweg door het dorp zal voorlopig gehandhaafd blijven. De Casseres zette zich opnieuw aan een algemeen uitbreidingsplan voor het hele grondgebied van Castricum. Hij deed dat echter met grote tegenzin, vanwege de in zijn ogen voortdurende detailkritiek van de provinciale commissie. Hij was inmiddels ook al aan de slag voor de gemeente Eindhoven en bij de planologische dienst van de provincie Noord-Brabant.

De provinciale commissie bleef erbij dat de oostelijke afsnijding in de plannen moest worden opgenomen. Een verbetering van de rijksweg door het dorp achtte de commissie nooit een voldoende oplossing, vanwege het bochtige tracĆ©, de geringe breedte en de gelijkvloerse spoorwegovergang. De commissie adviseerde voorlopig een plan op te stellen voor een villawijk op het land genaamd ‘De Puikman’ en voor een tuindorp op de Zanderij.

In januari 1932 zond De Casseres het uitbreidingsplan Castricum 1 in, dat De Puikman inpaste in het gebied tussen duinrand, spoorbaan en Rijksstraatweg. Een afzonderlijk plan maakte hij voor het gebied tussen de Burgemeester Mooijstraat en de Ruiterweg, waarin de reeds aangelegde Geelvinckstraat, die buiten zijn bemoeienis tot stand was gekomen, ook was opgenomen.
Het plan werd op 21 oktober 1932 door de raad vastgesteld, maar door Gedeputeerde Staten (op de plannen voor De Puikman na) afgewezen. Met het plan voor De Puikman, eerst tien villa’s, later 57 woningen, zou als het ware een schil van woningbouw achter het station worden gerealiseerd.

Uitbreidingsplan voor Castricum en Bakkum vastgesteld op 31 maart 1936. De oostelijke omleiding is erop aangegeven.
Uitbreidingsplan voor Castricum en Bakkum vastgesteld op 31 maart 1936. De oostelijke omleiding is erop aangegeven.

Plan 1936

Nog steeds moet er een algemeen uitbreidingsplan komen. De lange duur van de planvoorbereiding begint het gemeentebestuur te irriteren. Burgemeester Lommen constateert in een brief d.d. 8 augustus 1933 aan De Casseres: “We zijn nu 5 jaren met het uitbreidingsplan van Castricum bezig. als ik daar aftrek plus minu 1,5 jaar voor stil liggen inzake de omlegging van de Rijksweg en plannen Puikman en Geelvinckstraat, dan blijft er 3,5 jaar over voor andere werkzaamheden. U zult toch wel aanvoelen, dat wij nu sterk beginnen te verlangen naar het einde.”

Op 31 maart 1936 kon de gemeenteraad eindelijk de plannen goedkeuren voor Castricum 1 en Castricum 2 (Bakkum) met inbegrip van een schematisch aangegeven oostelijke afsnijding van de rijksweg en een aanzet voor woningbouw achter het station (Puikman), in de richting van het bestaande wijkje ‘De Duinkant‘ ten noorden van de Kramersweg.
Ook de provincie kon zich ermee verenigen. Het finale uitbreidingsplan uit 1936 is voor grote delen van Castricum nog tot in de jaren (negentien)zestig van kracht gebleven. Zelfs nu (in 2007) zijn er nog een paar plaatsen waar dat plan formeel nog van toepassing is.
Het partiĆ«le plan voor de Puikman ten westen van de spoorlijn, aansluitend aan de wijk De Duinkant achter het station, is vlak voor de oorlog deels uitgevoerd en voor de aanleg van de Atlantikwall weer afgebroken. De rijksweg heeft in de jaren (negentien)vijftig een ‘iets’ ander tracĆ© gekregen en van een omleiding van het doorgaand verkeer is het nooit meer gekomen.

Forensisme

Vooruitlopende op het uitbreidingsplan was er vanaf 1927 al een begin gemaakt met de aanleg van de Geelvinckstraat. Daarna volgden de PernƩstraat, Jacob Catsstraat, Koningin Julianastraat, Nuhout van der Veenstraat en Meester Ludwigstraat.


Jaarboek 30, pagina 10

De overgang van Castricum van tuinderdorp in een forensenstadje heeft in de jaren (negentien)dertig, ondanks alle problemen met betrekking tot de wegenstructuur, maar vergemakkelijkt door de lage grondprijzen tengevolge van de crisistijd, echt een aanvang genomen. Het inwonertal steeg van 5.182 in 1927 tot ruim 8.400 in 1941. In 1927 woonden er 74 forensen in de gemeente.
In 1931 vond de elektrificatie van de spoorlijn plaats. De reistijd Amsterdam-Castricum per sneltrein bedroeg toen nog maar 30 minuten. Het aantal forensen nam steeds meer toe: in 1947 werden 717 forensen geteld. In 1953 was meer dan de helft van de beroepsbevolking forens, wat neer kwam op 1.029 inwoners; een toeneming in zes jaar met 63 procent.

Ter behartiging van de gezamenlijke belangen werd in 1935 een Forensenvereniging opgericht. De leden betaalden 1,50 gulden per jaar. Behalve aandacht voor de dienstregeling van de Spoorwegen, kwam de vereniging ook in actie als het ging om het onderwijs, de sport of het culturele leven in Castricum.

Burgemeester Lommen heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de opbouw van het dorp en de richting waarin het zich heeft ontwikkeld. Op 10 november 1936 overleed deze geliefde burgemeester, nog slechts 51 jaar oud. In een hoofdartikel in een speciaal rouwnummer van de Castricummer Courant beschreefde redacteur Carel J. Brensa de persoon van Lommen o.a. als volgt:
“Hij was een mensch onder de menschen van de gemeente. Voor alle medewerking was hij te vinden zonder aanzien des persoons. Het tegemvoordig bestaande uitbreidingsplan hielp hij mee scheppen. Aanleg van nieuwe wegen en straten, verbeteringen in den gemeentedienst, de oprichting eerst van het elektrisch bedrijf en de overgang daarna naar de Provincie waren bestuursdaden van zijn hand.”

Tweede Wereldoorlog

Mr. Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo, volgde burgemeester Lommen op. De nieuwe burgemeester werd op 15 februari 1937 feestelijk geĆÆnstalleerd. De herinrichting van de oude Rijksstraatweg/Dorpsstraat was inmiddels in volle gang en Ć©Ć©n van zijn eerste officiĆ«le handelingen was de heropening op 2 augustus 1937.

De opening van de vernieuwde Dorpsstraat door burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo op 2 auguslus 1937.
De opening van de vernieuwde Dorpsstraat door burgemeester Van den Clooster, baron Sloet tot Everlo op 2 auguslus 1937.

In de samenstelling van de raad kwam een belangrijke wijziging door het aftreden van wethouder Hemmer en de verkiezing van de SDAP’er Hellinga tot wethouder, naast P. de Vries van de R.-K. Staatspartij.

De nieuwe burgemeester was blijkens zijn nieuwjaarstoespraak in 1939 vol lof over de vooruitgang en de bloei van de gemeente. Het aantal ondersteunden liep terug en de daling van de grote werkeloosheid van de (negentien)dertiger jaren zette zich voort. Met de uitvoering van een rioleringsplan, waarbij ook werklozen te werk gesteld werden, was begonnen. Een negental nieuwe straten werd aangelegd dan wel verlengd en er werden bouwvergunningen verleend voor 222 woningen.
Ook wijdde de burgemeester enige woorden aan de geboorte van Prinses Beatrix en aan het ambtsjubileum van Koningin Wilhelmina. “In deze moeilijke tijden beseffen wij meer dan ooit de hooge betekenis van ons Koningsschap en het gelukkige bezit van een wijze Vorstin.”

Tegen de achtergrond van deze woorden is de bekering van deze burgemeester tot de ideologie van de bezetter moeilijk te begrijpen. Hij werd in 1941 gepromoveerd tot burgemeester van ‘s-Hertogenbosch. Bekend is dat hij daar verschillende acties ondernam om het lot van joodse oorlogsinvaliden en ook voor andere Bosschenaren van joodse huize te verlichten. Kennelijk zag hij in dat hij de verkeerde weg had ingeslagen, want hij bedankte in 1942 voor de NSB en nam per 1 juli 1943 ontslag als burgemeester.

Op 29 augustus 1942, de NSB-vlag wapperde van de gemeentelijke kerktoren, werd burgemeester Masdorp in Castricum geĆÆnstalleerd. Hij zei onder andere: “De democratie is reeds verslagen, rest nog slechts vijand nummer 1, het bolsjewisme.”

De aanleg van de Atlantic Wall, een grootscheepse evacuatie en de afbraak van honderden woningen stond de gemeente vervolgens te wachten. Woningen aan de Vinkebaan, Onderlangs, Kramersweg, westzijde Mient, Stetweg, kalkovens aan het Schulpstet en de nieuwe nog niet of nauwelijks bewoonde woningen aan De Puikman gingen tegen de grond. Ook het fraaie badhotel (Armeria), dat in 1930 in Castricum aan Zee was gebouwd, moest op last van de bezetter worden gesloopt.

Bevrijding en wederopbouw

De oorlog liet in Castricum zijn sporen na. In het 8e jaarboek van Oud-Castricum is daar al uitgebreid op ingegaan. Castricums nieuwe burgemeester C.F. Smeets, voorheen gemeentesecretaris van Assendelft, werd op 16 november 1945 enthousiast ontvangen. Op zijn schouders werd de zware taak gelegd om leiding te geven aan de wederopbouw. Een van de vele sprekers bij de installatieplechtigheid vatte de opdracht als volgt samen: “Burgemeester; maak Castricum groot en blij!”

Burgemeester Smeets opende op 3 september 1946 de eerste vergadering van de nieuw gekozen gemeenteraad. Sinds 4 juli 1941 waren er geen vergaderingen meer geweest.
De eerste 10 maanden werkte hij alleen samen met de SDAP’er T. Hellinga, die raadslid was van 1923 tot 1941 en wethouder vanaf 1938. Toen in september 1941 het wethouderschap


Jaarboek 30, pagina 11

werd verlaagd tot ‘knechtsschap’ van de burgemeester, had hij ontslag genomen. In 1945 keerde hij weer in die functie terug, tot de eerste verkiezingen werden gehouden.
De heren P. de Vries en G. Meijer vormden in september 1946 het nieuwe college. De Vries (KVP) was al raadslid in 1923 en was ook in 1931 en 1935 tot wethouder gekozen. Meijer (Partij van de Arbeid) kon als vertegenwoordiger van de ‘nieuwkomers’ worden beschouwd. Hij had in 1939 Amsterdam voor Castricum verruild en had een woning betrokken in de toen net opgeleverde Prinses Julianastraat.

Het herstel van beschadigde woningen had de eerste prioriteit, zodat zoveel mogelijk oud-inwoners naar Castricum terug konden komen. Door het dubbel bewoonbaar maken van de panden werd geprobeerd meer gezinnen te huisvesten. Het aantal inwoners dat op 1 januari 1945 nog maar 3.733 bedroeg, was een jaar later al gestegen tot 6.625.

Wederopbouwplan 1947. Hierin is de oostelijke omleiding opnieuw aangeduid en is ook een westelijke randweg opgenomen. De Brink wordt als het nieuwe middelpunt van de gemeente gezien.
Wederopbouwplan 1947. Hierin is de oostelijke omleiding opnieuw aangeduid en is ook een westelijke randweg opgenomen. De Brink wordt als het nieuwe middelpunt van de gemeente gezien.

Ook op papier werd aan het herstel hard gewerkt. Ir. F.J. Gouwetor van het adviesbureau Verhage, Kuiper en Gouwetor kreeg opdracht een Wederopbouwplan op te stellen. Castricum zou na de herbouw een fraaier en gerieflijker woonoord moeten worden dan het ooit was geweest. Op 18 december 1947 werd het Wederopbouwplan van kracht.

Stedenbouwkundige ir. Gouwetor (1903-1972). Hij ontwierp ook de woningen en de patiobungalows ten westen van het buurtwinkelcentrum Kooiplein.
Stedenbouwkundige ir. Gouwetor (1903-1972). Hij ontwierp ook de woningen en de patiobungalows ten westen van het buurtwinkelcentrum Kooiplein.

Met woningbouw is niet gewacht tot het plan helemaal klaar was. Afgestemd op het plan van 1936 bouwde de r.-k. woningbouwvereniging St.-Joseph 37 woningen tussen het Schoutenbosch en de Oudeweg op het voormalige voetbalveld van Vitesse ’22. Het volgende woningbouwcomplex bestond uit 42 woningen aan de Leo Toepoelstraat en de Jan Hobergstraat. De woningbouwvereniging Goed Wonen bouwde aan de Poelven 45 duplexwoningen, die elk voor 2 gezinnen bedoeld waren.

Wederopbouwplan

In de toelichting op het Wederopbouwplan staat dat in stedenbouwkundig opzicht de afbraak, voor de ordening van de bebouwing en het behoud van natuurschoon, aantrekkelijke perspectieven opende. Het verdwijnen van de met de achterzijde naar de spoorbaan gelegen huizen aan de Mient en het openen van het uitzicht op het duinlandschap vanaf de hele westzijde van het dorp en vanaf de Vinkebaan, wordt een belangrijke verbetering genoemd. Er zou dus geen sprake zijn van terugkeer van die bebouwing.
“De betekenis van Castricum als forensendorp kan alleen maar gebaat zijn met het behoud, c.q. herstel van het natuurschoon in zo groot mogelijke omvang en tot zo dichtbij het dorp als mogelijk is. Het gezicht vanaf het dorp op de hoge duinen is wel zo uniek. dat alleen al op grond hiervan herbebouwing ontoelaatbaar geacht moet worden.”
Het Wederopbouwplan heeft in belangrijke mate het gezicht van het dorp bepaald. Gestreefd werd naar het karakter van forensendorp met als middelpunt een grote brink, geĆÆnspireerd door de beroemde brink van Zuid-Laren. Daar was ook het toekomstig raadhuis ge-


Jaarboek 30, pagina 12

dacht. Op de Zanderij is een villapark getekend, een idee dat al in de (negentien)twintiger jaren speelde. Er was rekening gehouden met een westelijke randweg (tussen de Beverwijkerstraatweg en de Van Oldenbarneveldweg) en een oostelijke omleiding van de rijksweg werd schematisch aangegeven. De doortrekking van de Koningin Wilhelminalaan en de Prinses lrenestraat en de Prinses Margrietstraat werden ontworpen. Het plan uit 1936 ging nog niet verder dan de lijn Ruiterweg-Prinses Beatrixstraat, maar nu werden de ten noorden daarvan liggende tuinderijen ook in de plannen betrokken. De Poelven en de Schelgeest-Vondelstraat zijn uit het plan van 1936 in het Wederopbouwplan overgenomen.

Biesterbos

Het gemeentebestuur verleende voor de eerste officiƫle herbouw woning in maart 1948 vergunning. In totaal zouden 21 7 herbouw woningen gerealiseerd worden. In 1949 wordt het Brinkplan aangepakt en de daarin opgenomen straten krijgen de namen van de straten die door de afbraak van de woningen aan De Puikman waren vervallen: Burgemeester Bareel-, Burgemeester Lommen- en Burgemeester Zaalbergstraat.
De Vondelstraat, P.C. Hooftstraat en de Constantijn Huygenstraat worden gebouwd en ook 12 bejaardenwoningen aan het Rusthof.

Het bouwbedrijf Biesterbos doet het aanbod 96 woningen te realiseren in de Oranjebuurt, waarvan er 48 voor verhuur worden bestemd. Op deze manier wordt het tekort aan woningbouw contingenten ondervangen. Het probleem voor Castricum was dat die contingenten aanvankelijk alleen werden toegewezen aan gemeenten binnen wier grondgebied of in de onmiddellijke nabijheid daarvan werkgelegenheid aanwezig was en Castricum viel daar niet onder. De gemeente omarmt het aanbod van Biesterbos dan ook om toch te kunnen bouwen.
Het is een grote stap voor de jonge Jan Biesterbos. Zijn vader, ook aannemer, schrikt zo van de risico’s die zijn zoon neemt, dat hij weigert op 28 februari 1952 bij de eerste steenlegging aanwezig te zijn.

De verplaatsing van de tuinderswoning van de familie Schut van de Koningin Wilhelminalaan naar de Prinses Beatrixstraat symboliseert de verandering van tuinbouwcentrum tot forensendorp.
De verplaatsing van de tuinderswoning van de familie Schut van de Koningin Wilhelminalaan naar de Prinses Beatrixstraat symboliseert de verandering van tuinbouwcentrum tot forensendorp.

Een enorme stunt levert Biesterbos, wanneer hij in september 1952 het stenen huis van de familie Schut, dat de verlenging van de Koningin Wilhelminalaan in de weg staat, in zijn geheel verplaatst. Het huis wordt op een soort stalen slee gezet en met een lier voortgetrokken door de Prinses lrenestraat, richting Prinses Beatrixstraat. Het huis staat nog op de plaats waar het destijds is aangekomen, op de hoek van de Prinses Beatrixstraat en de Dorpsstraat.

Jan Biesterbos bouwt verder. In februari 1953 wordt ten zuiden van de Prinses Beatrixstraat grond voor 25 woningen verkocht en ten noorden van de Prinses Beatrixstraat voor 55 en 40 woningen. De 25 en 55 middenstandswoningen zijn koopwoningen en voor de 40 arbeiderswoningen mag het gemeentebestuur huurders aanwijzen. Het gemeentebestuur heeft het aanbod dankbaar aanvaard. Uiteindelijk bouwde Biesterbos in de Oranjebuurt 376 woningen.

Tuinbouw of woningbouw

Tegen de groei van Castricum ontstaat oppositie van agrarische zijde. Omdat de beste tuingrond niet in de graslandpolder ligt, wil de Rijksconsulent voor Grond- en Pachtzaken op twee punten in een nieuw ontwerp-uitbreidingsplan van Castricum snoeien: het g deelte van het woongebied ten noorden van de Ruiterweg en het beoogde villapark op de Zanderij.
Dit levert een impasse op. Voordat met het uitbreidingsplan verder wordt gegaan, moet een bodemkarteringskaart gemaakt worden. De Provinciale Planologische Dienst van Noord-Holland wordt op 6 oktober 1948 gevraagd om een studie naar de economische kant van het forensisme en de toekomst van de tuinbouw. De vraag is of het al dan niet verantwoord is om de tuinbouw verder te verdrijven voor woningbouw.

In een rapport met de omvang van 43 bladzijden wordt de vraag van het gemeentebestuur enkele jaren later bevestigend beantwoord. Verdere verdringing van de tuinbouw ligt voor de hand en de mogelijkheid om benadeelde tuinders elders in de gemeente aan geschikte grond te helpen is aanwezig, zij het dat daarvoor drie of vier veehouderbedrijven zouden moeten wijken.
Daarmee is de strijd nog niet helemaal beslecht. Nadat uit een rapport van de Stichting voor Bodemkartering is gebleken dat de Zanderij uit eerste klas bollengrond bestaat, wordt het daar geplande villaparkje geschrapt.

De kop van een bericht in het Dagblad Kennemerland van 17 april 1953.
De kop van een bericht in het Dagblad Kennemerland van 17 april 1953.

Op 26 juni 1953 stelt de gemeenteraad een plan vast voor het gebied ten noorden van de Prinses Beatrixstraat tot aan de tegenwoordige Oranjelaan. Met bloedend hart zien veel raadsleden dat cultuurgrond voor woningbouw wordt opgeofferd. Raadslid en agrariƫr Klaas Veldt wijst op de gevoelens van eigenaren van wie de grond van vader op zoon is overgegaan.
Hij wil zijn stem aan het plan geven onder voorwaarde dat aan de eigenaren en gebruikers ,indien mogelijk, andere grond wordt teruggegeven.


Jaarboek 30, pagina 13

Rechts van het midden in de Zanderij de nieuwe veiling "Ons Belang". De officiƫle opening van de nieuwe veiling vond plaats op 1 augustus 1952.
Rechts van het midden in de Zanderij de nieuwe veiling “Ons Belang”. De officiĆ«le opening van de nieuwe veiling vond plaats op 1 augustus 1952.

De gemeente had inmiddels al ruim 11 ha tuingrond onteigend en 40 ha aangekocht. Toch was er op 1 augustus 1952 nog een nieuw veilinggebouw geopend aan de Kramersweg. De situatie rond het oude gebouw in de bocht van de Dorpsstraat was onhoudbaar. Het gemeentebestuur had zich wel afgevraagd of een nieuwe veiling wel bestaansmogelijkheden zou hebben. Verschillende instanties op tuinbouwgebied adviseerden echter positief, waarop de gemeenteraad besloot aan de verplaatsing mee te werken. De inkrimping van de tuinbouwgronden zou zich echter voortzetten.
Vooral in de (negentien)zestiger jaren besloten veel agrariƫrs om te stoppen. Velen gingen bij de Hoogovens werken. Zo liep de agrarische productie steeds meer terug. Op 23 september 1967 werd de veiling opgeheven en was Castricum tuinderdorp af. In het 19e jaarboek is de geschiedenis van de veiling beschreven.

Groot Castricum

Stedenbouwkundige Gouwetor kreeg opdracht om een structuurvisie voor de verdere ontwikkeling van de gemeente te maken. Zijn plan dat in 1957 werd afgeleverd, voorzag in een geweldige uitbreiding van Castricum tot 40.000 inwoners; een woonstad die in de toelichting Groot-Castricum wordt genoemd. Een nieuw centrum en noordelijke, zuidelijke en oostelijke invalswegen en een westelijke randweg kenmerken het plan. De zuidelijke invalsweg zal de spoorlijn kruisen middels een viaduct. Bij het kruispunt van de hoofdwegen is het centrum gedacht. De provinciale commissie was het er in februari 1960 helemaal mee eens. Aan de gemeenteraad is het plan dan nog niet voorgelegd, in afwachting van een nieuw streekplan.

Inmiddels werd, uitgaande van de structuurvisie, een plan gemaakt voor de ontwikkeling van de zogenaamde bomenbuurt ten westen van de Kleibroek, op in 1953 nog gespaarde tuingrond. De raad verzette zich tegen de daar geplande etagebouw in drie lagen. Het plan werd in 1959 zonder etagebouw vastgesteld.

Het voorstel van een meerderheid van het college om een proefeenheid hoog bouw te realiseren wordt in maart 1960 eveneens verworpen. Alleen de fractie van de Partij van de Arbeid is er voor “omdat Noord-Kennemerland anders een groot vlak van huizen zal worden.”

Door vaststelling in 1960 van het plan in hoofdzaak ‘Oost’ (een nader uit te werken plan) wordt alvast ruimte gereserveerd voor de wijken Kooiweg, Molendijk, Noordend en een grote uitbreiding richting Uitgeest. Wethouder Veldt sprak bij de vaststelling met weemoed over zijn jeugd toen Castricum nog klein was en bestond uit een agrarische bevolking en daar ook door werd bestuurd. Hij kon zich de bezwaren van de agrariĆ«rs goed indenken, maar het algemeen en nationaal belang zal moeten prevaleren. Hij benadrukte de grote offers die hierdoor van de agrarische bevolking worden gevraagd.

Burgemeester Smeets verwoordde in een nieuwjaarsrede de groei-ambitie van de gemeente als volgt: “Wij kunnen niet onverschillig staan tegenover de woningnood, die niet alleen hier, doch in nog ergere mate in de grotere centra in de omgeving heerst. Wij hebben begrepen, dat wij een taak hebben te vervullen, door degenen die in Amsterdam, de Zaanstreek of de IJmond hun werk hebben, doch daar geen woning kunnen krijgen, aan woonruimte te helpen. Wij hebben er ons mee verzoend, dat Castricum, in een tijdsbestek van 20 jaren tot 35 Ć  40 duizend inwoners zal uitgroeien.”
Het raadslid Verkerk liet herhaaldelijk een tegengeluid horen: “Niet wat ons gemeentebestuur wil wordt t0t richtsnoer van ons handelen genomen, maar met een zeker fatalisme wordt het als een axioma aanvaard, dat ‘hogere machten’ uitgemaakt hebben dat Castricum een stad met circa 35.000 inwoners moet worden.”

Uitbreiding van Castricum volgens het in 1962 vastgestelde streekplan Noord-Kennemerland.
Uitbreiding van Castricum volgens het in 1962 vastgestelde streekplan Noord-Kennemerland.

Streekplan Noord-Kennemerland

In het ontwerp-streekplan Noord-Kennemerland wordt de structuur-visie van Castricum overgenomen. Bij de vaststelling van het streekplan op 10 december 1962 worden de uitbreidingsmogelijkheden van Castricum in oostelijke richting echter plotseling ingekrompen met enkele honderden meters. Wel wordt er enige compensatie gegeven aan de noord-oostzijde, waardoor op grondgebied van Limmen wordt gebouwd, wat een grenswijziging nodig zou maken.


Jaarboek 30, pagina 14

Door een gedeputeerde is in de vergadering van Provinciale Staten gezegd dat van Castricum een stuk is afgenomen, omdat die gemeente aarzelend staat ten opzichte van de bouw voor Hoogovenpersoneel. Een deel van de groei zou met handhaving van een bepaalde hoeveelheid open ruimte naar Uitgeest zijn overgeheveld. De raad tekent beroep aan tegen deze willekeurige beslissing. Het geplande nieuwe centrum komt hierdoor minder centraal te liggen. De raad vindt geen gehoor bij de Kroon, omdat Castricum nog voldoende armslag heeft voor uitbreidingen. Voorlopig verzoent men zich met de nieuwe situatie.

Kooiweg

In 1960 verkocht bouwbedrijf Biesterbos in enkele dagen tijd het grootste deel van de 160 koopwoningen in de Linden laan, Kastanjelaan en omgeving. Biesterbos had het gemeentebestuur wel verzocht de straatnamen op ‘laan’ te laten eindigen, omdat dit de verkoop ten goede zou komen. De woningen met een koopprijs variĆ«rende van 15.250,- tot 16.000,- gulden vlogen de deur uit.

Eind 1961 stelde de raad een uitwerking vast van het eerder genoemd plan in hoofdzaak ‘Oost’, namelijk het uitbreidingsplan Kooiweg met de op basis van de straatnaamgeving zogenoemde zeehelden- en componistenwijk. Het totale gebied werd in een keer uitgegeven, waardoor bouwbedrijf Biesterbos als medegrondeigenaar liefst 553 woningen kon bouwen.

Burgemeester Smets legde op 3 november 1962 aan de Offenbachstraat de eerste steen voor de 2000e naoorlogse woning. Met de hoed in de hand staan de burgemeester en de aannemer even stil bij deze mijlpaal.
Burgemeester Smets legde op 3 november 1962 aan de Offenbachstraat de eerste steen voor de 2000e naoorlogse woning. Met de hoed in de hand staan de burgemeester en de aannemer even stil bij deze mijlpaal.

Op zaterdag 3 november 1962 legde burgemeester Smeets aan de Offenbachstraat de eerste steen voor de 2000e naoorlogse woning. Aan het bouwbedrijf werd veel lof toegezwaaid, omdat er 120 goedkope koopwoningen voor Castricummers konden worden gebouwd.
De positie van het bouwbedrijf binnen de gemeente is de partij Castricums Belang een doorn in het oog. Het is het raadslid Bollen die menige aanval op het bouwbedrijf opent, maar er niet in slaagt de positie van het bouwbedrijf aan te tasten. Wel komt er concurrentie; ook andere bouwbedrijven kopen grond in toekomstige woongebieden om een vinger in de pap te krijgen.

Maquette van het plan Molendijk.
Maquette van het plan Molendijk.

Molendijk

In 1964 is het plan Kooiweg al weer nagenoeg vol gebouwd. Het gemeentebestuur heeft haast met het volgende plan: dat wordt het plan Molendijk. Belangrijk, omdat aan dit plan een nieuw winkelcentrum en de realisering van het nieuwe hoofdwegenstelsel is gekoppeld.

Bij de behandeling van het plan, met ruimte voor 1280 woningen, verzette raadslid Verkerk van de VVD-fractie zich sterk tegen alle hoogbouw in het plan, daarbij gesteund door de KVP-fractie, waarvan J.P. Kraakman voorzitter was. KVP-wethouder Veldt volgde, anders dan in 1959, het standpunt van PvdA-wethouder Meijer en burgemeester Smeets. Van deze beslissing kreeg hij later spijt: “Het zou me zeker zijn gelukt de meerderheid van de raad mee te krijgen om alle hoogbouw te weren.”

Dokter de Jonghweg in 1975: hoogbouw aan de Loet met appartementsgebouwen Landzicht, Duinzicht en Zeezicht.
Dokter de Jonghweg in 1975: hoogbouw aan de Loet met appartementsgebouwen Landzicht, Duinzicht en Zeezicht.

Op voorstel van de AR/CHU-fractie, bij monde van de heer Kaper, koos een raadsmeerderheid voor drie torenflats, elk van tien etages hoog, langs de zuidelijke invalsweg (Dokter de Jonghweg).
Het voorstel van Verkerk om aan de stedenbouwkundige op te dragen voor de rest van de geplande hoogbouw alternatieven te bedenken, wordt op 28 januari 1964 met een kleine meerderheid aangenomen.

In een jaarverslag van de Provinciale Planologische Dienst wordt plan Molendijk, van stedenbouwkundige ir. Frits Johan Gouwetor, een voorbeeld genoemd van moderne stedenbouw. De oorsprong van het nieuwe uitbreidingsplan is gelegen in de werkgelegenheid, die Amsterdam, de IJmond en de Zaanstreek bieden. Het ‘buitenwonen’ wordt een karakteristiek van het plan genoemd. Het openbare groen ‘doorspoelt’ het gehele woongebied.

Bij de uitvoering van het plan ontbrandde een hevige strijd om de bouw van 124 woningen in Molendijk-Noord. In eerste instantie waren de huizen aan de Stichting Eigen Woningbezit toegedacht. Deze stichting bouwde in Molendijk-Zuid al 97 koopwoningen en slaagde er naar het oordeel van de raad niet in duidelijk te maken dat ook de 124 woningen allemaal aan Castricumse woningzoekenden verkocht zouden worden.
Vervolgens moest de raad kiezen tussen aanbiedingen van bouw-
(red: tekst loopt door op pagina 16)


Jaarboek 30, pagina 15

Luchtfoto van Castricum in 1962. De wijk Kooiweg is in aanbouw. De oude Alkmaarderstraatweg is er nog mooi op te zien.
Luchtfoto van Castricum in 1962. De wijk Kooiweg is in aanbouw. De oude Alkmaarderstraatweg is er nog mooi op te zien.

 

Publieke tribune in het oude raadhuis tijdens de spannende debatten over woningbouw in Molendijk.
Publieke tribune in het oude raadhuis tijdens de spannende debatten over woningbouw in Molendijk. Op de voorgrond v.l.n .r.: de raadsleden G.Meijer en mevrouw M. Wentink. – Beusman van de PvdA en mr. J. Verkerk en J. de Vries van de VVD.

Jaarboek 30, pagina 16

bedrijf Biesterbos en van de combinatie Flink/De Nijs. In augustus 1967 staakten de stemmen over het voorstel van burgemeester en wethouders om het aanbod van Biesterbos te aanvaarden: 8-8. De heren W.M. Hendrikse, A. Kooiman en J. Kraakman maakten sinds september 1966 deel uit van het college. De raadsleden ir. W. Stam en J.J. Bollen voerden de oppositie aan. Er werden krantjes verspreid, zoals ‘De Noodkreet’ en stickers met de tekst ‘Geen Stam-gezwam, maar woningen’. Op het laatste moment bood de combinatie Flink/De Nijs aan onder dezelfde voorwaarden als Biesterbos te bouwen. Onder grote belangstelling op de publieke tribune werd het aanbod van Biesterbos op 26 september 1967 toch met algemene stemmen aangenomen. De volgende dag bracht het Nieuwsblad voor Castricum het nieuws in een extra editie!

Burgemeester Smeets geflankeerd door de drie grote Castricumse aannemers.
Burgemeester Smeets geflankeerd door de drie grote Castricumse aannemers. V.l.n.r. Cees Flink, burgemeester Smeets, Jan Biesterbos en Thijs de Nijs.

De groei van Castricum verliep snel; van 8.871 in 1950 tot bijna 17.000 inwoners op 1 januari 1968. Hierdoor ontstond voldoende draagvlak voor nieuwe voorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg, sport, cultuur enz. Veel daarvan is in de jaren (negentien)zeventig gerealiseerd.

Loco-burgemeester Hendrikse droeg op 3 januari 1969 de voorzittershamer over aan burgemeester Van Boxtel. Een nieuw tijdperk brak aan ...
Loco-burgemeester Hendrikse droeg op 3 januari 1969 de voorzittershamer over aan burgemeester Van Boxtel. Een nieuw tijdperk brak aan …

Burgemeester Van Boxtel

Eind 1968 nam burgemeester Smeets afscheid na 23 jaar op een zeer gewaardeerde manier leiding te hebben gegeven aan de groei van Castricum. Er werd een groots afscheid voor hem georganiseerd en hij werd benoemd tot ereburger. Dankbaarheid voerde de boventoon.
Burgemeester Nielen van Heemskerk bood een boom aan, die in de groene zone tussen Castricum en Heemskerk geplant moest worden om Castricum te beschermen tegen de wind uit de IJmond …

Per 1 januari 1969 wordt burgemeester W.C.A.M. van Boxtel – wethouder van Breda – benoemd. Hij komt in een periode van toenemende politieke spanningen en bestuurlijke vernieuwingen. Er zijn volop vragen over het toekomstige inwonertal van Castricum, de wegenstructuur, winkelcentra en andere voorzieningen. De inwoners willen ‘inspraak’, een tot dan toe nieuw begrip. Bijna overenthousiast slaat de nieuwe burgemeester de hand aan de ploeg. Zijn retorische gaven zijn groot en de raadsvergaderingen duren tot diep in de nacht, maar ondanks alle politieke problemen wordt er veel gepresteerd.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief gemeente Castricum.
  • Archief provincie Noord-Holland.
  • Archief oud-wethouder Hendrikse, in bezit van de Werkgroep Oud-Castricum.
  • Bosma, J.E., Casseres de, J.M. De eerste planoloog, 2003.
  • Ostendorf, W.J.M. Het sociaal profiel van de gemeente, 1988.
  • Ruijter W. Jzn. Q. de, Schippers van het Stet, 1974.
Print Friendly, PDF & Email