Castricum, oorsprong van de naam (Jaarboek 35 2012 pg 16-20

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 35, pagina 16

Op zoek naar de oorsprong van de naam Castricum

Voor de naam Castricum is nog geen waterdich- te verklaring gevonden. Meerderen hebben zich reeds eerder met dit onderwerp bezig gehouden. Een geheel nieuwe invalshoek is de oorsprong te zoeken in de Moezelstreek, waar de patroon- heilige Castor werd geëerd in een periode dat er connecties waren van deze streek met Kennemer- land. De parochiekerk in Castricum zou gesticht zijn door de landheer Karel Martel, die vanuit zijn thuisland ‘de Moezelstreek’ een van zijn trouwe mannen met dit kerkelijk bezit heeft beloond. In deze gedachtegang is de oorspronkelijke naam Castorheem geëvolueerd tot Castricum.

Verschillende verklaringen voor de naam Castricum

Voor velen doet de naam Castricum wat mysterieus en latijns aan. Leden van de Werkgroep Oud-Castricum hebben zich bij tijd en wijle bezig gehouden met de naam van het dorp. Van Deelen (1) citeert L. van Ollefen (2) die meende dat de naam afkomstig is van ‘den Griekschen’ Castor, dat is van Castorhum, een huis waar deze Castor, in dit toen nog heidense land, als een god werd vereerd. Verder noemt Van Deelen een brief uit 1858 van de Commissaris des Konings aan de burgemeester waarin hij inlichtingen vraagt, aangezien de naam van het dorp “zo verschillend wordt geschreven.” De burgemeester Jan deQuack antwoordde dat hij daar niets van afwist: “op zijn boers zei men Kasterkom.” Hij vermeldt ook meerdere schrijfwijzen uit het verleden, die duidelijk ontleend zijn aan het archief van de vroegere abdij van Egmond. Vanaf 1644 schreef men ‘Castricum’.
Wil Steeman (3) wijst op een aantal voorheen gedane suggesties, waarvan de meeste zo triviaal zijn dat we ze hier niet herhalen. Tevens oppert hij nog de mogelijkheid dat Castricum afgeleid zou kunnen zijn van Gaast-rik-heem, rijk aan geestgrond. Taalkundig is er echter geen verband tussen gaast en cast. Karsten (4) stelt dat het eerste deel van de naam, het Latijnse castra, kamp betekent. Ook Steeman noemt castrum als legerplaats, kamp. Dat zo’n kamp in het vroegere Oer-IJ estuarium zou hebben gelegen, zo dicht bij het Romeinse forten havens bij Velsen, is vrijwel uitgesloten (5). Ter gelegenheid van de millenniumwisseling schonk Simon Zuurbier opnieuw aandacht aan de dorpsnaam Castricum, die voor het eerst ongeveer 1000 jaar geleden in de geschreven bronnen van de abdij van Egmond voorkomt (6).

Naamkundigen neigen het meest naar Castrik-heem als oorspronkelijke naam, die in elk geval een Frankische en geen Friese naam zou zijn. Door research wordt dit laatste bevestigd. Boekenoogen (7) toont aan dat in Hollands Noorderkwartier in de Frankische tijd een Fries dialect werd gesproken, gezien een aantal opvallende kenmerken en persoonsnamen die met Friese overeenkomen en alleen uit de Friese klankwetten zijn te verklaren. Hij gebruikte onder meer de grafelijkheidsrekeningen van Holland uit de14e eeuw (8). Onder invloed van de kerk was toen ongeveer de helft van het namenbestand afkomstig van heiligen en bijbelse personen, maar in de 12e eeuw droegen priesters en leken nog Germaanse namen. Onder de Friese vond hij slechts een met de lettercombinatie Cast: ‘Godilt Castardsdochter’ (8). In noordelijk Gallië werden de Gallo-Romeinse namen al snel verdrongen door Germaans – Frankische (9) die tot ver in de middeleeuwen dominant bleven, totdat het gewoonte werd doopnamen naar heiligen te noemen. Een Frankische naam bestond gewoonlijk uit twee elementen, elk met een eigen betekenis: Sigebert = Schitterende (-bert), Zege (-sige) of de naam van Clovis’ vader: Childerik =Sterk (-rik) in de Strijd (-childe). Namen van twee gekoppelde Germaanse begrippen zijn ook bij Friese namen te vinden; Sibrand = zege (sigi) en zwaard (-brand). Het element cast- vindt hierbij echter geen enkele aansluiting. De naam Castricum verklaren uit een tweedelige Germaanse naam is blijkbaar geen ‘begaanbare weg’.

De oorsprong van de parochie Castricum

Eind 7e eeuw kreeg Pippijn de Middelste als Major Domus de macht in handen in Francia Rinensiss, het Oost-Frankische rijk, toen Austrasië genoemd. Nadat Pippijn de eenheid in het Frankische Rijk had hersteld door het opstandige westelijke Neustrië te verslaan, heroverde hij Fresia Citerior, het Friese gebied ten zuiden van de Rijn, waartoe Brabant en Zeeland behoorden. Franken, die zich in het bezette gebied vestigden, en de inheemse adel bond hij aan zich door schenkingen van landerijen en verdubbeling van hun weergeld. Deze ‘homines Franci’ vormden een betrouwbare heersende klasse. Pippijn stierf in 714 en werd opgevolgd door zijn natuurlijke zoon Karel Martel. Nadat in 719 ook de Friese koning Redbad was gestorven, benutte Karel de kans om heel westelijk Friesland te bezetten, mogelijk zelfs tot aan de Lauwers, het riviertje op de grens van Friesland en Groningen. De politiek van het belonen van loyale medestanders zette hij voort. Strategisch gelegen koninklijke domeinen ontstonden er aan de zeegaten en riviermonden (10).
Volgens een oorkonde, gegeven in de stad Trier, schonk Karel Martel de villa Adrichem aan Willibrord. De inhoud van deze oorkonde was meer dan driehonderd jaar later nog bekend bij Thiofried, abt van Willibrords klooster te Echternach (1083-1110). In een tweede oorkonde schonk Karel Martel ‘de kerk gebouwd in de villa Felison’ aan Echternach (11). Deze abdij lag in het thuisland van de Pippiniden. Koene c.s. (12) wijden een uitgebreide be-


Jaarboek 35, pagina 17

schouwing aan deze giften, maar toch blijft veel onduidelijk over de relatie tussen beide. D.P. Blok laat dit in het midden en spreekt slechts van het complex Velsen/Adrichem (12). De villa Adrichem moet vrij groot zijn geweest met horige boeren en een Herenhof. Karel Martel heeft de strategische ligging ervan zeker ook onderkend. De overdracht aan Willibrord, een loyale vazal van Pippijn II en Karel Martel, is vermoedelijk geen gift geweest maar een koningsgoed. Hierover behield de koning de zeggenschap en genoot Willibrord de revenuen.

Fragment 1 van een kaartje met de indeling van de bisdommen, waaronder het aartsbisdom Trier met het Moezeldal en de plaatsen Koblenz en Trier.
Fragment 1 van een kaartje met de indeling van de bisdommen, waaronder het aartsbisdom Trier met het Moezeldal en de plaatsen Koblenz en Trier.
Fragment 2 van een kaartje met de indeling van de bisdommen, waaronder het aartsbisdom Trier met het Moezeldal en de plaatsen Koblenz en Trier.
Fragment 2 van een kaartje met de indeling van de bisdommen, waaronder het aartsbisdom Trier met het Moezeldal en de plaatsen Koblenz en Trier.

Zoekend naar de oorsprong van de parochie Castricum toonde ik eerder aan dat zij geen dochterkerk van de abdij van Egmond was (13). Zij komt ook niet voor op de kerkenlijst uit het ‘Liber Sancti Adalberti’ (ca. 1150) en gezien de strijd van de monniken en buren van de abdij ca. 1100 tegen de buren van Castricum ligt dit ook niet voor de hand. Van de buren van Castricum werd gezegd dat: “Zij machtig waren door afkomst en fortuin daardoor bron en aanleiding waren tot haat, tweespalt, na-ijver en hoogmoed” (14). Een later Egmonds document noemt hen ‘het onbezonnen driftig volk van Castricum’. Zij stonden bij de kloosterlingen in een kwade reuk. Dat Castricum een dochter van Limmen was, is zeer onwaarschijnlijk, want zij zou dan door de bisschop, wiens bezit zij was, bij de overdracht in 1108 met haar dochterkapellen Akersloot en Uitgeest aan het Utrechtse kapittel van St.-Marie zijn vermeld. Tenslotte is er ook geen indicatie dat Velsen de moederkerk was. In de 19e eeuw werden lijstjes gevonden in een Echternachs Sacramentarium met namen van Hollandse en Friese kerken die het klooster hadden toebehoord. Zij zijn bestudeerd door D.P. Blok, die ze vergeleek met de in de oorkonde van 1063 genoemde namen (15). Het oudste lijstje van voor 1000 noemt alleen de moederkerken, de latere uit de 11e eeuw ook de dochterkerken Agathenkirica, Hemezenkyrke, Ascammedelf, Spirnereuualt, Sloton, Harleim (Beverwijk, Heemskerk, Assendelft, Spaarnwoude, Sloten en Haarlem). De oorkonde uit 1063 noemt vrijwel dezelfde namen (16), maar ook hier is geen spoor van de naam Castricum te ontdekken.

Castricum en Heemskerk

Hoe de parochie Castricum is ontstaan en wie de stichter was, kan men hoogstens vermoeden. In de Frankische tijd werden sommige heiligen vereerd door adellijke geslachten; onder deze ridderheiligen waren St.-Joris, St.- Catharina (van Assendelft) en St.-Pancratius (Castricum). De parochiekerk van Castricum is waarschijnlijk door een aanzienlijk of adellijk heer gesticht (13). Op grond van een vergelijking met andere romaanse kerkjes kwam W.J. Reder, die toezicht hield op de restauratie van het gebouw in 1953 tot 1956, tot de conclusie dat de kerk van Castricum in de eerste helft van de 11e eeuw moet zijn gebouwd (17). Bij de restauratie in 1992 werd langs de binnenzijde van de muren een sleuf gegraven voor de aanleg van een drainagesysteem en kreeg ik de gelegenheid de oudste muren tot aan de grondslag te onderzoeken (13). Dit onderzoek bevestigde de conclusie van Reder. De grootte van de


Jaarboek 35, pagina 18

dorpskerk uit de 11e eeuw was voor die tijd vrij fors, wat overeenstemt met het bericht dat omstreeks 1100 de buren van Castricum ‘rijk en machtig waren door afkomst en fortuin’. De kerk omvatte het huidige kerkschip, behalve het travee dat kerk en toren met elkaar verbond.

Heemstede en Heemskerk

Heemstede in het ambacht Castricum ligt op een kleine ovale geest tegen de grens met Heemskerk. Dit heeft tot de onjuiste gedachte geleid dat er een relatie zou kunnen bestaan met de naam Emeke, de stichter van de Hemezen-kyrika (15). Emeke (de dialectische H weggelaten) had volgens Groesbeek op eigen grond en kosten een kapel gesticht, de latere parochiekerk van Heemskerk (18). De Friese naam Emeke was in de middeleeuwen bekend. Onder de aan de abdij Egmond tiendplichtige boeren op het land tussen Rekere en het Schoorl(?)woud wordt Emeke in Emekencamp genoemd (19). In de grafelijkheidsrekeningen van Kennemerland en Westfriesland, 1343-1344, vinden we onder de uitgaven Emeke, die vleeschhouwer, 2 schouderen, 2 hammen, 4 sc.,4 d.’ (20).

De Cock wees op de rechte Korendijk, die een vroeger bestaand grensbos zou hebben vervangen, waarbij de ambachtsgrenzen kunnen zijn gewijzigd (21). De Maerdijk of Korendijk aan de noordkant van de grenssloot, die de duinrand met Heemstede verbindt, is vermoedelijk in de tweede helft van de 12e eeuw aangelegd (22). De naam Heemstede is een verbastering van Hemstede (23); toponymisch (red: naamkundig) is er geen enkel verband met de persoonsnaam Emece. Hem betekent akker, een omheind of door een sloot omgeven stuk land (24). Op het akkerland, de hem, omgeven door lager drassiger weiland, werd koren verbouwd, waarmee de naam Korendijk is verklaard. Hemstede wordt ook genoemd in het archief van Egmond, waar de stichters van de abdij, graaf Dirk II (†988) en zijn echtgenote Hildegard, een in Hemstede gelegen hoeve aan het klooster schenken (25).

De heren van Castricum en van Heemskerk

De enige relatie tussen de beide dorpen Heemskerk en Castricum is dat zij in de latere middeleeuwen dezelfde ambachtsheer hadden (26). Graaf Willem II en zijn broer Floris verkochten in 1248 in volle eigendom aan de ridders Simon van Haerlem en Wouter van Egmond de ‘curtis nostram in Hemezkerke, que vulgariter Hoflant dicitur’ (onze hof in Heemskerk die in de volksmond het Hofland wordt genoemd) met alle inkomsten en toebehoren. Simon van Haerlem, overleden 1280, vestigde zich in Heemskerk waar hij veel land bezat en de jurisdictie in Heemskerk en Castricum verwierf. Zijn zoon Willem, overleden 1317, volgde hem als zodanig op. In 1318 werd Jan van Bergen, baljuw van Kennemerland, overleden 1321, beleend met het erfgoed van zijn oom Willem van Haerlem inclusief de ambachten Heemskerk en Castricum. Na zijn dood vervielen zijn goederen wegens het ontbreken van wettige nakomelingen aan de grafelijkheid. In 1327 kocht Jan van Polanen ‘onse huys tot Heemskerk’ en de ambachten Heemskerk en Castricum. Hij werd in 1339 baljuw van Kennemerlanden West Friesland en overleed in 1342. Beide ambachten kwamen later door vererving en huwelijk aan het geslacht Van Assendelft (26).

Castricum in het archief van de abdij van Egmond

De naam Castricum wordt, in enkele varianten, vermeld in de volgende archiefstukken van de abdij van Egmond(27):

  1. Aantekeningen in een oud evangelieboek (eind 11e eeuw, 1080-1100); De Evangelie-aantekeningen bevatten giften aan de abdij van de eerste graven en andere eigenaren van hoeven, kerken, goederen en rechten. Graaf Arnulf schonk het klooster in Kasterkem 21⁄4 hoeve. Van drie hoevebezitters in Castrichem worden de namen vermeld, Rantzo, Nichilominus en Albret.
  2. Liber Sancti Adalberti, waarin opgenomen het Gravenregister (1125- 1144); De schenkingen van de eerste drie graven aan het klooster zijn overgenomen in het Gravenregister van het Liber Sancti Adalberti. Daarin wordt verder het Urbarium gebruikt, een opsomming van de inkomsten uit het kloosterbezit, gepacht door personen in diverse plaatsen. Onder anderen waren dat Meinard de Casterkem in Castricum, Thedericus de Castrikem in Limbon en Wibrandus de Eskemendelf in Casterkem. Ook kreeg de abdij in Castringhem nog een revenu van 9 uncias octo den. minus.
  3. Oorkonde van 1083, de gravenoorkonde (1125-1150); De in de gravenoorkonde genoemde toponiemen zijn ontleend aan het Gravenregister (28).
  4. Annales Egmundenses, deel handschrift F (1148- 1173); Deze Annales memoreert de heervaart van graaf Floris III tegen de Westfriezen in 1168, waarin een aantal gesneuvelde edelen en andere militairen met name worden genoemd, waaronder Bruno de Kasterkem (29).
  5. Vita Sancti Adalberti II (kort voor 1143), bijna geheel teruggaande op Vita I. Tenslotte komt de naam Castricum voor in twee late kopieën uit de 15e eeuw van de Vita Sancti Adalberti secunda, in de codex A (Alkmaar) gespeld als Castrichem en in de codex B (Berlijn) als Casterkem en Kasterkem.

De evolutie van Castor-heem naar Castricum

Van Ollefen citeerde Soeteboom in diens Saanlands Arcadia, waar deze schrijft dat Castricum komt van Castor. Laten wij de fantasierijke verklaring achterwege, dan blijkt Castorheem, hoe vreemd ook, een goed en interessant uitgangspunt te zijn voor de evolutie tot de huidige naam. Castricum behoort tot de oudst bekende plaatsen van onze streek, daterend van vóór de 10e eeuw. In de loop van zo lange tijd treden in de spreektaal en later in de schrijftaal vaak sterke veranderingen op. Bij de evolutie van Castorhem tot Castricum geven de in het archief van


Jaarboek 35, pagina 19

Egmond genoemde varianten waardevolle aanwijzingen. In het middeleeuws Nederlands lopen namen beginnend met C en die met K willekeurig door elkaar. We hanteren alleen namen met C, hetgeen het volgende oplevert: Castorhem – Castrichem, Casterchem, Castringhem, Castrickem, Casterkem, Casterkom of Castricum.

De afbeelding van de heilige Castor.
De afbeelding van de heilige Castor.

D.P. Blok veronderstelde dat Castringhem een ‘–ingheem’ naam is, plaats aan een rivier of ander water, maar gaf ook de mogelijkheid van een ‘–heem’ naam aan (30). Omdat de -ingheem vorm in het archief van Egmond maar eenmaal voorkomt, laten we die buiten beschouwing. Een onbeklemtoonde tussenlettergreep heeft in de loop van de eeuwen de neiging tot een toonloze e te vervallen of geheel te verdwijnen. Er komt soms een i voor in de plaats of de e migreert tussen t en r en de tussenlettergreep blijft bestaan. De –heem of –haim namen voor nederzetting of woonplaats, die tussen ca. 500 en 900 in zwang kwamen, zijn met hun afgesleten uitgangen –um, –om, –em in de omgeving van Castricum en ver daarbuiten nog altijd herkenbaar zoals Bakkum, Rinnegom, Hallum, Adrichem en Arem.

De zachte h van −hem wordt een ch en vervolgens vaak een harde k.

Als we de genoemde gegevens combineren, dan ontstaat een beeld hoe parochie en ambacht zijn ontstaan. In de regel gaan de parochiegrenzen, die naadloos aansloten bij die van omgevende parochies, vooraf aan de ambachtsgrenzen. De nog niet ontgonnen gronden, de wouden, de wildernis, werden als bisschoppelijk domein beschouwd en later in bezit genomen door de Hollandse graven. Omdat de parochie Castricum geen dochter van Velzen, noch van Limmen of van de abdij Egmond was, moet de parochiekerk van Castricum zijn gesticht als vrije autonome parochiekerk. Er zijn dan twee mogelijkheden: óf de kerk is gebouwd op een ‘vicus publicus’, een publiek domein, dus niet op particuliere grond, gedoteerd (red: gegeven) door de dorpelingen en bediend door een door de bewoners gekozen priester, zij het onder de jurisdictie van de bisschop, óf zij is gesticht op particuliere grond en gedoteerd door de ‘dominus’, de landheer die als grondeigenaar het recht had op de aanstelling van een priester en het beheer van de kerkelijke goederen (31).

De basiliek Sankt Castor te Koblenz.
De basiliek Sankt Castor te Koblenz.

Karel Martel had, om zich in de veroverde gebieden te kunnen handhaven, een groep invloedrijke, trouwe mannen nodig, die hij aan zich trachtte te binden door hen met allerlei al of niet kerkelijke ambten en goederen te belonen. Het aantal kerken in lekenbezit werd daardoor steeds groter. Bovendien nam de macht van deze kerkheren zelf toe. De kerkheer werd van patroon en beschermer tevens kerkeigenaar. Het is aannemelijk dat een van de Oost-Frankische immigranten uit het thuisland van Karel Martel zich heeft gevestigd in de naaste omgeving van het aan Willibrord overgedragen koningsgoed Adrichem-Velsen, al of niet daarmee verbonden voor het verrichten van diensten. Het thuisland van Karels voorgeslacht en nazaten ligt in het gebied rondom het dal van de Moezel met de steden Koblenz, Trier en Metz met Echternach, waar Willibrords klooster was gelegen, in de nabijheid. In Trier werd de oorkonde uitgevaardigd, waarbij Willibrord de villa Adrichem ontving.


Jaarboek 35, pagina 20

St.-Castor (eind 4e eeuw) wordt beschouwd als de apostel van de Moezelstreek. Hij is ook de patroon van Koblenz, de plaats waar de Moezel in de Rijn stroomt en waar een klooster, gewijd aan St.-Castor, staat (32). Het is plausibel dat de oorsprong van de naam Castricum in de Moezel- streek gezocht moet worden.

ir. J. Kol

Geraadpleegde literatuur:

  1. D. van Deelen, Historie van Castricum en Bakkum, 1973, p.11;
  2. L. Van Ollefen, Stad- en dorpsbeschrijver van Kennemerland, 1796;
  3. W. Steeman, Oorsprong van gemeentenaam Castricum nooit achterhaald, Dagblad Kennemerland, december1988;
  4. G. Karsten, Noordhollandse plaatsnamen, 1951, p.45;
  5. A.V.A.J. Bosman, Het culturele vondstmateriaal van de vroeg Romeinse versterking Velsen 1, 1997, Dissertatie UvA;
  6. Simon Zuurbier, De herkomst van de naam Castricum, 23e Jaarboek Oud-Castricum (2000), p.15;
  7. G.J. Boekenoogen, De Zaanse volkstaal, 1971, p.24;
  8. H.G. Hamaker, De rekeningen der Grafelijkheid van Holland, 1876, I, p.100;
  9. Edward James, De Franken, 1988 (Ned. vert. 1990);
  10. D.P. Blok, De Franken in Nederland, 2e dr., 1974, p43, 78;
  11. A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, nrs. 3 en 4, 1970;
  12. B. Koene, J. Morren, F. Schweitzer, Midden-Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen, 2003, p.59, 75;
  13. J. Kol, De parochiekerk Sint Pancratius tot aan de reformatie, 15e Jaarboek Oud-Castricum (1992);
  14. J. Westenberg, Kennemer dijkgeschiedenis, 1974;
  15. D.P. Blok, De Hollandse en Friese kerken van Echternach, Mededelingen Instituut voor Naamkunde, Jg. VI, 1974;
  16. A.C.F. Koch, Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, nr. 84;
  17. W.J. Reder, De St. Pancratiuskerk te Castricum, 1e Jaarboek Oud Castricum (1978);
  18. J.W. Groesbeek, Heemskerk onderweg van verleden naar heden, 1978, p.17;
  19. O. Oppermann, Fontes Egmundenses (Liber S.Adalberti), 1933, p.76;
  20. H.G. Hamaker, De rekeningen der Grafelijkheid van Holland, 1876, I, p.420;
  21. J.K de Cock, Bijdrage tot de historische Geografie van Kennemerland in de middeleeuwen, 1965, p.66;
  22. Ernst Mooij, Het Castricumse landschap … een geschiedenisboek, 2010;
  23. R.E.Künzel e.a. Lexicon van Nederlandse toponiemen tot 1200, 1988, p.174;
  24. J. Verdam, Middelnederlandsch Handwoordenboek, 1932;
  25. Aantekeningen Evangelieboek, p.62, r.37 en het Liber S.Adalberti, p.69, r.3;
  26. H.J.J. Scholtens, Uit het verleden van Midden-Kennemerland, 1968, p.85/92;
  27. J. Hof, De abdij van Egmond van de aanvang tot 1573, 1973;
  28. D.P. Blok, Over de namen in het Egmondse falsum op1083, Tijdschrift voor Naamkunde, jg.16, 1984;
  29. H.C. Prinsen Geerligs, Twaalf eeuwen Kennemer Historiën, 1939, p.50/51; zie ook Cl. Bruins, Noordhollandsche Arkadia, 1732, p.410;
  30. D.P. Blok, De oudste plaatsnamen van Holland en Utrecht,1959, p.27;
  31. R.R. Post, Eigenkerken en bisschoppelijk gezag in het diocees Utrecht tot de 13e eeuw, diss. 1928;
  32. J. van der Schaar, bew. dr. Doreen Gerritzen, Voornamen, 2008.
Print Friendly, PDF & Email