Castricummerpolder, bestuur (Jaarboek 12 1989 pg 12-22)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 12, pagina 12

 

Het bestuur van de Castricummerpolder

 

In het 9e jaarboekje is uitvoerig geschreven over het ontstaan van het landschap en de strijd tegen het water, uitmondend in de aanleg van diverse dijkjes in onze gemeente. Dit artikel zal vooral de taken, organisatie en bestuur van de Castricummer­ polder belichten.
De Castricummerpolder werd begrensd aan de noordzijde door de Stetweg en Brakersweg, aan de oostzijde door de Brakersweg, Nesdijk, Ziendijk en het Koogdijkje, aan de zuidzijde door het Heemskerkerdijkje en de Maar- of Korendijk en aan de west­ zijde door de hogere gronden van de duinen.

De bemaling geschiedt vanaf omstreeks 1600 door de Dogmolen in Uitgeest nabij de gemeentegrens van Castricum, die het water uitslaat op de tochtsloot, die in open verbinding staat met de Uitgeestermeer; de polder behoort ten aanzien van de afwa¬≠tering tot het gebied van de Schermerboezem. Meerdere eeu¬≠wen heeft de Castricummerpolder als zelfstandig waterschap bestaan; in 1977 is ze opgeheven en opgegaan in het water¬≠ schap ‘Het Lange Rond‚Äô. De Bakkummerpolder ligt onder de be¬≠maling van de Groot-Limmerpolder en valt verder buiten het bestek van dit artikel.

De eerste vormen van bestuur

Al vele eeuwen geleden is er sprake van enig bestuur betreffen­ de polderzaken als dijken en wateringen. Bij handvest van 21 maart 1292 verleende graaf Floris V aan de Kennemers een lan­drecht, volgens welke de heemraden het recht verkregen om schouw te drijven over dijken, sluizen, watertochten enz.
In de handvesten uit 1347 van hertog Willem van Beieren, 5e graaf van Holland staat “Ende in dijcken, wegen en wateringen sal die Schout mitte Schepenen schouwen, als dat toebehoort”. Volgens het Kennemerrecht door hertog Filips van BourgondieŐą in 1455 bij handvest bevestigd, hadden Schout en Schepenen in ieder dorp het recht om alle sluizen, sluistochten, wateringen, dijken, dammen, binnenwegen en uitwegen te keuren en te schouwen, zonder dat de baljuw van Kennemerland hierover enig gezag kon uitoefenen.

In de middeleeuwen hoort het toezicht op een goede afwatering en de aanleg of instandhouding van waterkeringen en wegen tot de taak van het gemeentebestuur. We mogen veronderstel­len dat het gemeentebestuur door de verkregen bevoegdheden­ zij het met beperkte middelen en mogelijkheden, de waterover­last wist te beperken. In een aantal gemeentelijke keuren of ver­ ordeningen is vastgelegd, waaraan de Castricumse burger zich heeft te houden.

In de keuren uit 1679 opgesteld door de schout Duijm vinden we onder andere de volgende bepalingen:
“Niemand zal in ‚Äôt opheynen van zyn Sloten ofte Wateringen de wegen ofte de dyken te nae afsteken of graven, ook de materie daer van niet weg te voeren, nog met heyningen te nae aen de wegen te komen, maar zorg te drage dat de wegen op die wytte en breette worden gelaten als dezelven op den 14 Juny 1682 gekeurt en gemeten zyn geweest, ook aen niemand anders zyn grond, en dit alle op de boete van 42 Schellingen”.
Een andere keur luidde:
“Geen Sloten nog Wateringen te stoppen daer het water aen de ene zyde hoger staat als aen de andere kant, zulks dat die water¬≠lozing daermede belet wordt, en dat op de boete van 5 Kennemer Schellingen te verbeuren ten allen tyden als daer iemand op bekeurt word, ofte daerna bevonden word iemand het zelve gedaen te hebben, daer van de Molenmeesteren zo wel de be¬≠ keuring zullen mogen doen als de Schout ofte Bode”.

De afsluiting van de belangrijkste zeegaten in de middeleeuwen.
afb. 1 De afsluiting van de belangrijkste zeegaten in de middeleeuwen.

Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen

Ook in groter verband zijn belangrijke besluiten genomen om de wateroverlast te verminderen. Al in 1544 wordt het Hoog­ heemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en Westfriesland opgericht.
Dit lichaam is belast met het beheer van de zogenaamde Scher­ merboezem. Door deze oprichting- bij octrooi door Keizer Karei V op 17 dec. 1544 te Gent gegeven- wordt in feite goedkeuring verleend om een aantal waterstaatkundige werken te bouwen, die leiden tot de vorming van een afzonderlijke boezem met als hoofddoel het binnenstromen van het zeewater tegen te gaan. Tot deze werken horen o.a. de bouw van de sluizen te Edam en een deur in de sluis van de Nieuwendam.


Jaarboek 12, pagina 13

Al eerder waren de belangrijkste zeegaten gedicht. Nog in de 13e eeuw stonden de grote binnenmeren als Beemster, Scher­mer en Purmer in open verbinding met het water van de Zuider­zee en het IJ. Voortdurend gingen bij stormachtig weer grote landoppervlakten verloren. Door vooral plaatselijke maatrege­len werden deze zeeverbindingen in grote mate beperkt met na­me door de bouw van de Schardam omstreeks 1319, de Nieuwendam in de Crommenye in 1357 en de Nieuwendam in de Purmer Ee in 1400.
Door de open haven van Edam en de open sluis in de Crommenyer Nieuwendam werd echter toch nog grote overlast van het getij ondervonden en ging nog veel land verloren. Zolang de gro­te meren niet door goede dammen met sluizen van het buiten­ water waren afgesloten, was van enig beheersen van de grote binnenboezem in het Noorderkwartier geen sprake. De oprich­ting van genoemd Hoogheemraadschap moest hier verandering in brengen.

Een min of meer stabiele toestand, geschapen door de voor­ noemde besturen op plaatselijk en regionaal niveau, werd aan het einde van de 16e eeuw wreed verstoord, toen de Spaanse troepen bij het beleg van Alkmaar hier brandend en plunderend doortrokken, alles vernield achterlatend. Nadien waren landerij­ en verlaten, de sloten waren vervuild, dichtgegroeid en ver­stopt. De lage landen konden het water niet kwijt raken. Nadat de Spaanse troepen voorgoed waren vertrokken, de rust en de veiligheid waren teruggekeerd, trokken de belangen van de landbouw weer de aandacht en kwam van lieverlee weer een geregelde afwatering tot stand.

Detail van een kaart uit het begin van de 17e eeuw; bij de pijl is de Castricummermolen aangegeven. Aan de zuidkant loopt de Korendijk met daarbij de buurtschap Heemstede, welke zeer na­drukkelijk op het kaartje staat aangegeven.
afb. 2 Detail van een kaart uit het begin van de 17e eeuw; bij de pijl is de Castricummermolen aangegeven. Aan de zuidkant loopt de Korendijk met daarbij de buurtschap Heemstede, welke zeer na­drukkelijk op het kaartje staat aangegeven.

 

De molen De Dog in Uitgeest nabij de grens van Castricum - ook vaak Castricummermolen genoemd - omdat deze molen meerde­re eeuwen de bemaling verzorgde van de Castricummerpolder.
afb. 3 De molen De Dog in Uitgeest nabij de grens van Castricum Рook vaak Castricummermolen genoemd Рomdat deze molen meerde­re eeuwen de bemaling verzorgde van de Castricummerpolder.

Het beheer door molen – of poldermeesters

Windbemaling bestaat in Noord-Holland reeds in de 15e eeuw. Door de bouw van een molen kan de waterhuishouding enorm worden verbeterd. Het bouwjaar van de eerste molen in de Castricummerpolder is niet bekend. Op oude afbeeldingen van voor 1600 vinden we reeds een klein watermolentje aan de Bogaerdsdijk (zie het artikel over de Albert’s hoeve in het 9e jaar­ boekje).
In de Groot-Limmerpolder werd in 1588 vergunning van de Sta¬≠ten verkregen om 2 achtkante watermolens te bouwen; het is waarschijnlijk dat de bouw van de Dogmolen – ook veelal Castri¬≠cummermolen geheten – in dezelfde periode heeft plaats gehad. De bouw van een molen, de zorg voor de financieŐąle middelen en de inning van de polderlasten, maakte een goede organisatie noodzakelijk. Het beheer van de polder is al vanaf een vroeg stadium gevoerd door molenmeesters, later ook poldermeesters genoemd. De twee molenmeesters werden gekozen door de Schepenen en stonden onder toezicht van het gemeentebestuur. Vaak maakten zij zelf ook deel uit van dit bestuur. Bij de benoe¬≠ming werd zoveel mogelijk in acht genomen, dat een molen¬≠ meester in de Oosterbuurt of Kerkbuurt en een molenmeester op het Noordeinde woonachtig is.
Eenmaal per jaar leggen de molenmeesters aan de hand van de molenrekening in de raadsvergadering verantwoording af aan het gemeentebestuur. Bij de behandeling van de molenrekening worden ook uitgenodigd de drie hoogstaangeslagenen in de polderbelasting. In deze vergadering wordt dan tevens de belasting per bunder (omslag) voor het lopende jaar vastgesteld. De hoog¬≠ te van de omslag hangt af van de financieŐąle toestand; zijn er veel kosten aan de molen dan gaat de omslag omhoog. In de pe¬≠riode 1837 tot 1869 varieert de omslag van 50 tot 150 cent per bunder; de Castricummerpolder was toen 869 bunder en 45 roe¬≠ den (869,45 ha) groot.


Jaarboek 12, pagina 14

Detail van de kaart van 'de Heerlijkheid Castricum’ uit 1737. Het rijtje boerderijen ten westen van de molen vormen het reeds lang geleden verdwenen buurtschap Benes onder Uitgeest.
afb. 4 Detail van de kaart van ‘de Heerlijkheid Castricum‚Äô uit 1737. Het rijtje boerderijen ten westen van de molen vormen het reeds lang geleden verdwenen buurtschap Benes onder Uitgeest.

Een molenrekening uit 1779

De oudst bewaard gebleven molenrekening doet verslag over het jaar 1779. De financieŐąle verantwoording wordt ten overstaan van het gemeentebestuur afgelegd door de molenmeesters Pieter Duijneveld en Gerrit de Groot. Gezien de enorme bedragen die zijn uitgegeven aan molentimmerman, metselaar, smid en anderen, moet de molen bijna geheel of gedeeltelijk zijn ver¬≠nieuwd. De totale kosten bedragen in dat jaar 4.232 gulden, waarvan aan de molen 4.000 gulden wordt uitgegeven. Het jaar¬≠ salaris van de molenaar Cornelis Sijmensz bedraagt slechts 82 gulden; hij hoeft geen huur te betalen voor het land dat hij rond de molen in gebruik heeft.
De hoge investering aan de molen wordt bekostigd uit twee le­ningen van elk 600 gulden, waarvan er een wordt afgesloten bij Mr. Joan Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum; bovendien wordt een extra omslag geheven over 900 morgen tegen twee gulden per morgen.

Aanhef van de rekening van de Castricummer polder uit 1782.
afb. 5 Aanhef van de rekening van de Castricummer polder uit 1782.

Ook is de molenrekening uit het jaar 1786 bewaard gebleven. De totale kosten in dat jaar belopen 1.532 gulden, aan de molen vinden we slechts de kosten van kleine reparaties. Wel wordt nog melding gemaakt van een onkostenpost van 105 gulden, die is terugbetaald aan Pieter Duijneveld; dit bedrag is hem als schepen afgeperst op 7 okt. 1787 door stropende Pruisische huzaren.

De inkomsten aan poldergelden werden wel vaker voor bijzon¬≠dere doeleinden aangewend. Doordat de polderzaken en het daarmee samenhangende financieŐąle beheer vanuit het gemeen¬≠tebestuur werden geleid, kon het voorkomen dat poldergelden misbruikt werden om de dorpsschulden te verminderen. Zo zijn de dorpsschulden, die zijn ontstaan door reparaties in 1780 aan de kerktoren, aanleiding voor een zogenaamde vrijwillige gift van gemiddeld 800 gulden – voor die tijd een aanzienlijk bedrag – uit de polderkas aan het dorp Castricum en dat gedurende vier jaren.

Slecht onderhoud aan de sloten

Zoals ook al uit keuren uit de jaren 1756 en 1765 bleek, liet het onderhoud aan de sloten veel te wensen over. Ook in 1823 komt in de gemeenteraad uitvoerig de klachten ter sprake van de eigenaren van landerijen, die onder water blijven staan. Dit is rechtstreeks het gevolg van het niet schoonhouden van de slo­ten door de belendende eigenaren, waardoor de afwatering naar de watermolen wordt verhinderd en het water niet kan worden weg gemalen.

In deze raadsvergadering wordt besloten om per jaar een extra schouw te houden. Bij de schouw moet een ieder er dan voor gezorgd hebben, dat de wateringen belendend aan zijn land be­hoorlijk zijn opgemaakt, zijn uitgediept en een voldoende breedte hebben. In mei wordt een schouw gehouden op de wa­teringen grenzend aan de hooilanden; deze wateringen moe­ten minimaal tien voeten hondsboschmaat breed zijn, de modder hieruit komende moet op de walkanten behoorlijk worden geslecht en alle dammen moeten op maaiveldhoogte wor­den gebracht.
In juni wordt een schouw gehouden aan de weilanden en de bos- en zaadlanden; daarbij is naast het heinen (red: schoonmaken en afsteken) van de sloten ook inbegrepen het snoeien van bomen en hagen, grenzend aan de wegen en het verwijderen van ruigte. Deze sloten moeten minimaal zeven voeten hondsboschmaat breed zijn. De derde schouw wordt ge­houden in september en omvat het geheel.

Titel van de eerste keur uitgegeven in 1877 door een zelfstandige waterschap 'de Castricummer polder’.
afb. 6 Titel van de eerste keur uitgegeven in 1877 door een zelfstandige waterschap ‘de Castricummer polder‚Äô.

Tijdens de ambtsperiode van burgemeester Jan de Quack ver¬≠schijnt in 1841 een gedrukt reglement: “wegens de Schouwin¬≠gen over vaarten, wateringen, slooten en beken; alsmede de dammen en wegen, de boomen, bosschen en hagen en de wal¬≠len langs de wegen, dijken en paden binnen den polder van de gemeente Castricum en Bakkum”.


Jaarboek 12, pagina 15

Kaart van de Castricummerpolder; in de dertiger jaren opgemaakt bij een uitvoerig onderzoek naar de afwatering in de polder. In de aangegeven wate­ringen werden op 54 plaatsen de doorstromende water hoeveelheden gemeten.
afb. 7 Kaart van de Castricummerpolder; in de dertiger jaren opgemaakt bij een uitvoerig onderzoek naar de afwatering in de polder. In de aangegeven wate­ringen werden op 54 plaatsen de doorstromende water hoeveelheden gemeten.

De schouw (beschouwing) geschiedt door of namens burge­meester en wethouders, naast de poldermeesters. Er vinden nu gespreid over de zomer vier schouwen plaats; elke schouw wordt nog gevolgd door twee naschouwingen om na te gaan of er door de belanghebbenden aan hun verplichting is voldaan. Minstens acht dagen van te voren zal de schouw door middel van aanplakbiljetten worden bekend gemaakt. Een ieder die bij de schouw niet naar behoren aan zijn verplichtingen heeft vol­daan, wordt een boete van 30 cent opgelegd; als dat nog niet het geval is bij de eerste en de tweede naschouwing, welke met tussenpozen van acht dagen worden gehouden, dan bedraagt de boete resp. 60 en 260 cent. Daarna wordt op last van het ge­meentebestuur voor rekening van de in gebreke gebleven eige­naar of gebruiker van het aangrenzende land het werk aanbesteed.

Theewis Admiraal ligt dwars

Tegen genoemd reglement komt Theeuwis Admiraal, wonende in Limmen en eigenaar van een aantal percelen weiland in Castricum in 1847 in opstand. In een schrijven aan Gedeputeer­de Staten stelt hij:
– “Dat bij het Reglement het in het algemeen zeer billijke en door de misschien in Noord-Holland eeuwen heugende ge¬≠woonte aangenomen beginsel is opgenomen dat alle eige¬≠naars van landerijen onder anderen zijn belast met het schoonhouden, het reinigen en kroozen der slooten langs hun land loopende, zoodat de slooten tusschen twee belendenden gelegen door ieder hunner voor de helft worden schoongehouden.
Dat het gemeentebestuur echter hierop eene uitzondering heeft gemaakt ten eigen behoeve en overal, waar zijn eigen­dom van wegen of dergelijken aan slooten grenzen, die last bij voorschreven Reglement op de belenden de eigenaars heeft geworpen, zoodat daar, waar een landeigenaar het ongeluk heeft de gemeente tot naaste buurman te hebben de sloot niet voor de helft door dien eigenaar ende wederhelft of overzijde door het Gemeentebestuur wordt schoongehouden, maar die sloot geheel ten laste van de eigenaars der belendende lande­rijen is gebragt.
Dat de suppliant niet geheel wil ontkennen dat hier en daar soms op gelijke wijze die last aan de landeigenaars is overge­dragen maar dat dan ook overal en altijd de belendende eige­naar die de last van den sloot heeft, het genot heeft van het grasgewas dat aan den publieke weg of op den belendende ge­meentegrond groeit en dus ook als genieter der voordeelen van het overliggend terrein billijker wijze daarvan de lasten draagt; terwijl hij suppliant bovendien eerbiedig vermeent dat zulks dan ook in den regel een gevolg is van een onderlinge


Jaarboek 12, pagina 16

overeenkomst tusschen de eigenaars en de respectieve bestu­ren, hetzij uitdrukkelijk, hetzij stilzwijgend daargesteld.
Dat echter het Gemeentebestuur van Castricum voor zich wel de voordeelen wil genieten, maar niet de lasten dragen, de we¬≠gen enz. openlijk of onderhands verpacht, maar de slooten ge¬≠heel ten laste van de eigenaars laat”.

Admiraal kan deze onbillijkheid moeilijk verdragen en heeft dan ook geweigerd het werk uit te voeren aan de andere helft van de sloot, die grenst aan een rijk begroeide binnenweg, eigendom van de gemeente en door haar wordt verpacht. Door deze wei­gering heeft hij een bekeuring gekregen en is vervolgens door de kantonrechter van betaling vrijgesteld, omdat het polderbestuur niet bevoegd was om straffen te stellen. Ondanks deze vrijstelling verzoekt Admiraal in zijn schrijven een herziening van het reglement en wel zodanig dat ook de grondeigendom­ men der gemeente, zowel wegen als landerijen met dezelfde lasten als die van particulieren worden bezwaard.

De Gedeputeerde Staten erkennen in een schrijven aan het ge­meentebestuur dat de redenering van de heer Admiraal haar al­leszins gegrond voorkomt; zij wil echter afwachten tot de wet het aan polderbesturen toestaat om straffen te bepalen om daar­na een scheiding tussen polderbelangen en gemeentebelangen door te voeren. In de tussentijd acht zij het raadzaam dat de ge­meente voor het opmaken van de sloot aan haar zijde zelf de nodige zorg draagt.

Het gemeentebestuur gaat hier tegen in. Zij stelt dat het betref­fende artikel van het reglement al sinds 1756 bestaat en destijds door de ambachtsheer van Castricum is bekrachtigd, dat in alle polders in de omtrek als algemene regel geldt, dat gebruikers van land, dat grenst aan wegen, verplicht zijn ook de overzijde te heinen (red: schoonmaken en afsteken). Verder zijn er binnen de gemeente slechts twee wegen, die door de verpachting winstgevend zijn. Aan een van de­ze wegen is het land van de heer Admiraal gelegen (de Zanddijk).
Kennelijk heeft uiteindelijk de heer Admiraal aan het kortste eind getrokken, want in de verordening op het voeren der schouwen uit 1857 lezen we dat alle wateringen, die langs dij­ken, wegen of paden lopen door de schouwplichtigen van de te­genoverliggende landen moeten worden opgemaakt.

Een zelfstandig polderbestuur

Naar aanleiding van enige vragen door de Commissaris des Konings over de benaming van de Castricummer- en Bakkummerpolder constateert burgemeester Rendorp dat de samenstelling van het polderbestuur alhier geheel afwijkt van de gebruikelijke gang van zaken. Na enige discussie is de Raad het er over eens dat er een Bijzonder Reglement van bestuur moet komen, dat in overeenstemming is met het Algemeen Reglement van Bestuur voor de Waterschappen in Noord-Holland.
Op 23 dec. 1871 wordt bij Koninklijk Besluit het Bijzonder Reg­lement van Bestuur voor de Castricummerpolder goedgekeurd. Een scheiding van gemeentebelangen en polderbelangen is een feit; het waterschap De Castricummerpolder valt nu rechtstreeks onder de verantwoordelijkheid van het provinciaal bestuur.

Volgens het nieuwe reglement wordt het polderbestuur ge­vormd door een dagelijks bestuur en een college van hoofdinge­landen. Het dagelijks bestuur bestaat uit drie poldermeesters, waarvan een de voorzitter.
Het college van hoofdingelanden wordt gevormd door vier be¬≠langrijke grondeigenaren uit de polder en heeft tot taak het da¬≠gelijks bestuur te controleren op een zuinig beheer van de financieŐąn.
De poldermeester en een secretaris Рpenningmeester worden tel­kens voor een periode van drie jaar, de hoofdingelanden voor een periode van vier jaar benoemd. Leden van het polder­bestuur moeten minimaal vijf hectare land in eigendom hebben. Stemgerechtigd zijn de ingelanden, die minimaal 1 hectare land in eigendom hebben. De ingelanden die meer dan 10, 20 of 30 hectare hebben mogen resp. 2, 3 of 4 stemmen uitbrengen bij de verkiezing van een lid van het polderbestuur.
Op 15 mei 1872 worden door de stemgerechtigde ingelanden van de polder de bestuursleden gekozen. Tot voorzitter wordt Cornelis Mooij, tot poldermeester worden Arie van der Park en Wulbert van Weenen gekozen; hoofdingelanden worden Maar­ ten Duijn, Jacob en Gerrit Brakenhoff en Frans Glorie. Jacob Kuijs is benoemd tot secretaris Рpenningmeester.

Aan de achterkant van het gemaal bij de in gebruik name van de nieuwe ruwoliemotor in 1934, het was het einde van het stoom­gemaal; v.l.n.r. J. van den Boogaard, G. Louter, J. Dam, J. Bijman, J. van der Park, L. Schermer, G. Veldt, C. Spaansen en 2 onbeken­den.
afb. 8 Aan de achterkant van het gemaal bij de in gebruik name van de nieuwe ruwoliemotor in 1934, het was het einde van het stoom­gemaal; v.l.n.r. J. van den Boogaard, G. Louter, J. Dam, J. Bijman, J. van der Park, L. Schermer, G. Veldt, C. Spaansen en 2 onbeken­den.

Functionarissen van de Castricummerpolder

In de onderstaande lijst zijn de personen genoemd, die vanaf het begin in 1872 tot het einde van 1976 een functie bekleedden voor de Castricummerpolder; het jaartal voor de naam geeft het jaar der benoeming aan:

Voorzitter:
1872 Cornelis Mooij
1876 Jacob Pzn Kuijs
1915 Cornelis P. Spaansen
1919 Franciscus Schut
1927 Cornelis Poel
1933 Cornelis P. Spaansen
1962 Johannes Dam sr.
1969 Johannes G.S. Schermer

Secretaris-penningmeester:
1872 Jacob Pzn Kuijs
1875 Adrianus Dekker
1878 Dirk Groen
1883 Bernardus A. Theissling
1922 Gerrit Louter
1947 Gerardus Louter
1975 Cornelis G.M. Louter

Molenaar/machinist:
1848 Arie Mooij
1878 Engel Mooij
1884 Klaas Ooijevaar
1932 Klaas Ooijevaar jr.
1947 Cornelis Deijle
1962 Johannes P.C. Dam

Bode:
1872 Cornelis Bakker
1882 Klaas Stuifbergen
1914 Lambertus Stuifbergen
1940 Guurtje Stuifbergen

Hier worden niet de gekozen poldermeesters en hoofdingelan­den genoemd, omdat deze lange lijst te veel ruimte zou vergen.


Jaarboek 12, pagina 17

Veranderingen in het reglement van bestuur

Op het oorspronkelijk ‘Bijzonder Reglement van Bestuur voor de Castricummerpolder‚Äô komen door de tientallen jaren heen verschillende wijzigingen, die telkens door de Provinciale Staten worden besloten en vervolgens bij Koninklijk Besluit worden goedgekeurd. Vergelijken we bijvoorbeeld het reglement van bestuur van 1964 met dat van 1871 dan zijn de verschillen be¬≠trekkelijk gering: om lid van het bestuur te kunnen zijn, is nu het bezit van 1 hectare land voldoende of het bezit van be¬≠bouwd eigendom, waarvoor men een omslag betaalt minstens gelijk aan de omslag voor 1 ha. onbebouwd. Op dezelfde basis heeft men nu stemrecht; men heeft niet meer stemmen bij gro¬≠ter grondbezit.

Een jaar Castricummerpolder

Om enig idee te geven van de activiteiten van het polderbestuur is het wel en wee gedurende een jaar uit het archief van de pol­der gelicht; gekozen is voor het jaar 1889 Рnu honderd jaar gele­den. Elk jaar is er een terugkerend aantal onderwerpen, waarmee het polderbestuur zich dient bezig te houden. Om er enkele te noemen:

  • de reparaties aan de molen, salaris en onkosten van de mole¬≠naar
  • verpachting van viswater en van grasgewas op wegen en dij¬≠ken
  • onderhoud van wegen, uitdiepen van vaarten, dempen van sloten
  • zaken betreffende duikers, pompen, het gemaal; herstellen van schoeiingen
  • vaststelling, bekendmaking en uitvoering van de schouwen
  • vaststelling van de begroting, financieŐąle administratie
  • inning van polderlasten en omslag onderhoud St. Aagtendijk/
    zeeweringen (deze werden door het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier bij haar oprichting in 1919 overgenomen)
  • verkiezing van bestuursleden

 
In het jaar 1889 zijn er 106 ingelanden, die stemgerechtigd zijn, ofwel een grondbezit hebben van minstens eŐĀeŐĀn hectare. Lid van het bestuur mogen de ingelanden zijn met een grondbezit van meer dan vijf hectare; in 1889 zijn daartoe 47 personen gerech¬≠tigd. De onderstaande lijst geeft de namen van de personen of instellingen met in dat jaar meer dan 15 ha land in de Castricummerpolder in bezit:

Detail van het schild op de in 1896 gebouwde molen 'De Dog.’
afb. 9 Detail van het schild op de in 1896 gebouwde molen ‘De Dog.‚Äô
  1. M.J. Deutz, douairieŐÄre van D.F. Gevers, woonplaats Oegstgeest, grootte bezit 56,8 hectare
  2. Rooms Katholieke Kerk, woonplaats Castricum, grootte bezit 36,7 hectare
  3. Jacob Pzn Kuijs, woonplaats Castricum, grootte bezit 35,4 hectare
  4. Wed. van Wulbert van Weenen, woonplaats Castricum, grootte bezit 32,4 hectare
  5. Jacob Brakenhoff, woonplaats Nijmegen, grootte bezit 30,7 hectare
  6. Pietertje Vennik, wed.van J. Muijs, woonplaats Castricum
  7. Wulbert Melker, woonplaats Castricum, grootte bezit 28,7 hectare
  8. Adriaan Laan, woonplaats Wormerveer, grootte bezit 26,6 hectare
  9. Mari P.Th. Previnaire, woonplaats Haarlem, grootte bezit 25,5 hectare
  10. Jacob Czn Kuijs, woonplaats Castricum, grootte bezit 24,4 hectare
  11. Pieter van der Park, woonplaats Castricum, grootte bezit 21,1 hectare
  12. Willem Groot, woonplaats Castricum, grootte bezit 21,0 hectare
  13. Arie Asjes, woonplaats Castricum, grootte bezit 21,0 hectare
  14. Algemene Armen, woonplaats Castricum, grootte bezit 20,3 hectare
  15. Frans Glorie, woonplaats Castricum, grootte bezit 19,9 hectare
  16. Arie van der Park, woonplaats Castricum, grootte bezit 19,6 hectare
  17. Gerrit Brakenhoff, woonplaats Castricum, grootte bezit 17,6 hectare
  18. Jan Sz Prins, woonplaats Wormerveer, grootte bezit 17,3 hectare
  19. Jan Jz Schermer, woonplaats Castricum, grootte bezit 16,9 hectare
  20. Gerrit Albrink, woonplaats Uitgeest, grootte bezit 15,8 hectare
  21. Cornelis Spaansen, woonplaats Castricum, grootte bezit 15,4 hectare

 
In het jaar 1889 bestaat het polderbestuur uit Jacob Pzn Kuijs als voorzitter, S. Louter en A. van der Park als poldermeesters en A. Asjes, P. van der Park, J. Schuijt en Jb. Veldt als hoofdingelan­den. In dit jaar wordt zeven keer vergaderd in de Rustende Ja­ger.
Het jaarlijks financieŐąle overzicht geeft eveneens een indruk van de omvang van het beheer van de Castricummerpolder. In 1889 is de omslag f 1,75 per hectare (in 1989 is dit bedrag gestegen tot 124 gulden); deze omslag wordt geheven over 929 ha, zijnde de oorspronkelijke grootte van de polder uitgebreid met 39 ha van afgegraven duinvlakten (de Zanderij). Verder werd f 0,25 per hectare geheven ten behoeve van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen voor de kosten van het beheer van de Schermerboezem.

De belangrijkste inkomsten in 1889 zijn:

  • bovengenoemde omslagen f 1.863,-
  • huur van jacht en viswater f 61,-
  • pacht van grasgewas van dijken en wegen f 122,-

 
De belangrijkste uitgaven in 1889 zijn:

  • onderhoud aan de molen f 890,-
  • aan wegen f 25,-
  • aan duikers, schoeiingen, bruggen f 178,-
  • heinwerk aan tochten, vaarten, sloten f 810,-
  • heinwerk aan de Kerkedijken (de helft ten laste van de Ned. Herv. kerk) f 42,-
  • kosten aan Uitwaterende Sluizen f 195,-
  • Noorder IJ en Zeedijk f 612,-
  • St. Aagtendijk f 29,-
  • administratie en huishoudelijke kosten f 147,-
  • aan salarissen/ gaarloon/ presentiegeld:
    – voorzitter 30,-
    – poldermeesters 40,-
    – secretaris – penningmeester 75,-
    – hoofdingelanden 24,-
    – molenaar 170,-
    – bode 20,-

 
De Dogmolen

Zoals eerder vermeld is onbekend wanneer de oudste Dogmo­len is gebouwd; dit zal vermoedelijk omstreeks 1600 zijn ge­weest. In 1613 zijn de vaarten verbreed om het water bij de Dogmolen beter te doen toestromen. Op een kaart uit het begin van de 17e eeuw staat de Castricummermolen reeds aangege­ven (zie afb. 2).
Van wat minder lang geleden zijn nog bewaard gebleven een or­donnantie of voorschrift uit 1768 waaraan de molenaar zich moet houden. Volgens deze ordonnantie moet de molenaar:


Jaarboek 12, pagina 18

“0p zyn Molen wel te passen en dezelve te Zeylen (by nagt ofte by dag) met bequamen windt, wanneer andere Molens kunnen malen, en niet uytslaen ofte ophouden zo lange zy dienst met malen kan doen”.
Vele voorschriften volgen over het onderhoud aan de molen, het schoonhouden van molen en molenwerf, het omgaan met vuur enz. De overtreding van een voorschrift wordt met een aantal stuivers of voor ernstige gevallen met enkele guldens be­boet. Dit lijkt tegenwoordig niet veel, maar toen was twee gul­den al meer dan een weekloon.
De boeten komen voor elk een derde aan de Schout, aan de mo­lenmeesters en aan de Armen van Castricum.

Het hart van de waterhuishouding van de Castricummerpolder: de molenaarswoning, het hoofdgemaal en de molen 'De Dog'.
afb. 10 Het hart van de waterhuishouding van de Castricummerpolder: de molenaarswoning, het hoofdgemaal en de molen ‘De Dog’.

Peilmaling

De Castricummer molen hoort tot het seindistrict van de Zuid Schermer Middenmolens. Een systeem van seinen maakt deel uit van de zogeheten peilmaling, die in 1795 is ingevoerd. Door de vele droogmakerijen en inpolderingen is de boezem in het centrale deel van Noord-Holland zeer beperkt geworden. In dro­ge zomers is er geen water genoeg en in regenrijke jaargetijden komt het voor dat hoge ebstanden van de zee het spuien van de boezem onmogelijk maken en overstromingen op de binnenlan­ den dikwijls het gevolg zijn. Door invoering van de peilmaling komt een einde aan het onbelemmerd uitmalen en wordt zelfs op gezette tijden water ingelaten.
Dit betekent dat alle op de Schermerboezem uitslaande water­ molens Рdestijds 163 in getal Рzullen stilstaan, zodra het water de hoogte van Amsterdams Peil heeft bereikt. Dit peil werd afge­ lezen bij een molen van de Starnmeer te Spijkerboor; overdag wordt het sein doorgegeven door het hijsen van een blauwe vlag, ’s nachts door het ontsteken van een lantaarn in de sein­ mast.

Van schepradmolen naar vijzelmolen

De Castricummer molen, die in 1864 reeds de naam ‘de Dog’ draagt, is een schepradmolen. Het scheprad heeft een middellijn van 6 meter, de schoepbreedte is 46 cm; de vlucht van de molen is 26 meter.
Op 17 feb. 1876 is er een voorstel in het dagelijks bestuur van de polder om de Dogmolen tot een vijzelmolen om te bouwen. De capaciteit van een vijzel is veel groter dan van een scheprad; de middellijn van de vijzel wordt 2,12 m. Vanwege de hoge investe­ring van bijna 11.000 gulden wordt een algemene stemming ge­houden onder alle ingelanden; het voorstel wordt ondersteund. Klaas Bakker, timmerman en molenmaker uit Castricum, wordt de ombouw van de molen gegund voor een bedrag van 9.945 gulden. Voor dit bedrag worden ook woonvertrekken met 3 bedsteden, een schoorsteen en een kelder in de molen gemaakt.

In 1878 volgen opnieuw hoge kosten: de molen heeft beide roe­den afgegooid en ook de as is gebroken. De oude molenaar, die niet geheel is vrij te pleiten, krijgt ontslag. Het voorstel van het polderbestuur om een ijzeren roede te kopen wordt aangeno­men. Al in 1858 werd door verscheidene ingelanden geklaagd, dat watermolenaar A. Mooij zijn zaakjes slecht behartigde. De molenaar moest op 1 sept. 1858 in de raadsvergadering verschij­nen, waarbij hem zijn verzuim werd voorgehouden; hij kreeg twee maanden de tijd om alsnog aan zijn verplichtingen te vol­doen.

Molenaar Klaas Ooijevaar

Het jaar 1895 is een rampjaar; op 6 dec. gaat na blikseminslag de molen door brand verloren. Bij de brand komen de 11-jarige Anna en de 3-jarige Cornelia Ooijevaar Рkinderen van molenaar Klaas Ooijevaar Рom het leven. In dezelfde nacht gaat de nabij­ gelegen molen in de Dorregeesterpolder in vlammen op; daar­ bij vindt de 13-jarige Anna Deijle, dochter van molenaar Cornelis Deijle de dood.
De familie Ooijevaar is vele jaren molenaar op ‘De Dog’. In 1884 komt Klaas Ooijevaar, eerder woonachtig in Heerhugowaard en gehuwd met de Castricumse Apollonia Nijman op de Dog wo¬≠nen. De oude Klaas was hier niet minder dan 48 jaar molenaar; op latere leeftijd werd hij hierbij geholpen door zijn zoon Klaas, die hem na zijn overlijden in 1932 opvolgde. Klaas jr. bleef mole¬≠naar en machinist tot aan zijn pensionering in 1947. Het eerste gedeelte van de Ziendijk vanaf De Dog wordt nu nog het Ooijevaarsdijkje genoemd en herinnert ons nog aan de molenaarsfamilie, die zo lang de Castricummerpolder heeft gediend.

Overzicht van de waterlopen bij de molen en het gemaal en de ligging van de 'Valbrug'.
afb. 11 Overzicht van de waterlopen bij de molen en het gemaal en de ligging van de ‘Valbrug’.

Jaarboek 12, pagina 19

Een oude foto van de molen uit de periode van het stoomgemaal (1892 - 1934), waarop rechts nog de schoorsteen van de stoomke­tel is te zien.
afb. 12 Een oude foto van de molen uit de periode van het stoomgemaal (1892 Р1934), waarop rechts nog de schoorsteen van de stoomke­tel is te zien.

De huidige molen

De huidige molen ‘De Dog’ is een achtkante bovenkruier en is gebouwd in 1896 naar het ontwerp van de Zaanse molenmaker Vredenduin door de firma Zijthoff uit Deventer voor 8.730 gul¬≠den. Het achtkant is gemaakt van grenenhout; het wiekenkruis bestaat uit twee ijzeren roeden met een vlucht van 26 m. Gelijk¬≠ tijdig met de nieuwe molen is ernaast een molenaarswoning ge¬≠bouwd; de nieuwe molen is nooit bewoond geweest. De Dog is uitgerust met een vijzel (diameter 2,11 m), waarvan de balk van hout is maar de beschoeping van geklonken ijzer is gemaakt; deze constructie kwam vroeger meer voor, maar is nu nergens meer in een andere molen in Noord-Holland aanwezig. De vijzel heeft een opvoerhoogte van 85 cm; de molen kan maximaal 80 m3 water per uur wegmalen. De molen wordt regelmatig voor de bemaling gebruikt. In de laatste wereldoorlog deed ‘de Dog’ nog op ge√Įmproviseerde wijze dienst als meelmolen.
De laatste restauratie van de molen vond plaats in 1963 en is uit­ gevoerd voor 28.000 gulden door molenmaker Poland uit Heerhugowaard.

Door uitbreiding van de bebouwing van Uitgeest wordt de land­schappelijke betekenis en de vrije windvang van de molen steeds minder. Volgens het oude windrecht van de molen is be­paald dat een strook van 200 meter rondom de molen onbe­bouwd en onbeplant dient te blijven. Dit recht heeft nog in 1986 geleid tot een rechtszaak tussen de gemeente Uitgeest en het wa­terschap vanwege de aantasting van dit windrecht door de ge­meente Uitgeest met haar uitbreidingsplan.
In 1986 stelt de rechter het waterschap in het gelijk en is de ge­meente genoodzaakt haar bouwplannen te wijzigen.

Een stoomgemaal

Aan het einde van de 19e eeuw bestaan er ter versterking van de bemaling plannen voor de bouw van een stoomgemaal, tel­kens worstelt het polderbestuur met de hoge investerings­kosten. In de poldervergadering van 25 okt. 1892 is er een meerderheid voor de bouw, mits deze het bedrag van 20.000 gulden niet overschrijdt. De installatie bestaat o.a. uit een stoom­machine van 16 pk, een stoomketel, twee conische tandwielen en een ijzeren vijzel, die een middellijn heeft van 1,55 m.
Het ketelgebouw met machinekamer moet 9,5 m lang en 6,3 m breed worden; na goedkeuring door G.S. worden de plannen uit­gevoerd. De Uitgeester aannemer N. Potveer wordt voor 4.105 gulden de bouw gegund van het ketelgebouw.

Het gemaal bleef tot 1934 op stoom draaien. Omdat de 18 meter hoge schoorsteen aanzienlijk moest worden gerepareerd en de stoomketel moest worden vervangen viel het besluit om een Kromhout ruwoliemotor te plaatsen. De motor, die niet aan zijn verwachtingen voldeed, werd in 1940 door Kromhout vervangen door een 3 cilinder ruwoliemotor met een vermogen van 54 pk. In 1965 wordt deze zware en veel onderhoud vergende motor buiten bedrijf gesteld en is een nieuwe elektromotor geiŐąnstal¬≠leerd. De oliemotor was nog tot 1988 in het bemalingsgebouwtje te bezichtigen. In dat jaar is jammer genoeg het gebouwtje gesloopt; de bemaling wordt nu verzorgd door een moderne
pompunit (zie afb. 19).

Het polderbestuur voor het gemaal bij de in gebruik name van de nieuwe electromotor in 1965: v.l.n.r.: A. van der Lee, J.G.S. Schermer, N. Brandjes, C. Poel, J. Dam, N. Veldt en G. Louter.
afb. 13 Het polderbestuur voor het gemaal bij de in gebruik name van de nieuwe electromotor in 1965: v.l.n.r.: A. van der Lee, J.G.S. Schermer, N. Brandjes, C. Poel, J. Dam, N. Veldt en G. Louter.

De waterhuishouding binnen de Castricummerpolder

Binnen de Castricummerpolder is er nog vrij veel hoogtever­schil met het gevolg dat bepaalde gebieden last van droogte on­dervinden, terwijl elders in de polder op dat moment overlast van het water wordt ondervonden. Het waterpeil in de polder was zodanig gekozen dat de wateroverlast werd beperkt; in de hogere gebieden was er dan ook regelmatig sprake van droogte. Al in 1877 richten enkele ingelanden het verzoek aan het pol­derbestuur om een of twee molentjes voor opmaling te mogen plaatsen. Er wordt besloten om een molentje te plaatsen aan de Eerste Groenelaan. De kosten van het molentje bedragen 200 gulden; in 1885 wordt een 2e molentje opgesteld. In de sloten worden tevens stuwdammetjes geplaatst om het water op te houden; schuiven in deze dammetjes worden in de regenachtige perioden opengezet. In de lagere gebieden worden kleine windmolentjes geplaatst om het water weg te malen. Daarmee was de waterhuishouding verbeterd maar nog verre van ideaal.


Jaarboek 12, pagina 20

Vooral in langdurige droge perioden daalt het waterpeil ten ge¬≠volge van verdamping en assimilatie. Door inlaten van water uit het Uitgeestermeer bij de molen “De Dog” kan dit euvel voor zover het de laag gelegen polderdelen betreft worden opgehe¬≠ven. Voor de ver van dit inlaatpunt gelegen hogere poldergedeelten (tegen de duinkant) gaat dit niet op. Toen de ondergrondse aanvoer uit het duingebied ten gevolge van de drinkwaterwinning steeds minder werd, werd in de twintiger jaren door het bestuur van de Castricummerpolder besloten tot de bouw van een ‘grondwater-opmaalinstallatie’.

Het pompgebouwtje aan de Cieweg nabij het kerkhof.
afb. 14 Het pompgebouwtje aan de Cieweg nabij het kerkhof.

In 1922 wordt aldus een pompgebouwtje met een pompcapaciteit van 150 m3 per uur geplaatst in de sloot langs de Korte Cie¬≠weg. Ook dit is nog niet voldoende. In 1929 geven Gedeputeerde Staten van Noord-Holland in een schrijven aan het polder¬≠ bestuur te kennen dat de waterstand niet bevredigend geregeld kan worden: “teneinde de in het noordwestelijk poldergedeelte gelegen hoge gronden (gemiddelde hoogteligging 0,10 m boven NAP) in droge tijdvakken van water te voorzien moet de wa¬≠terstand in het zuidoostelijk gebied door inlating zo hoog wor¬≠den opgezet dat de in dat gedeelte gelegen lage terreinen (gemiddelde hoogteligging 0,60 m onder NAP) wateroverlast ondervinden‚ÄĚ.
In dat jaar verleent GS goedkeuring aan de bouw van een pompgebouwtje voor opmaling aan de Tweede Groenelaan en een aan de Oude Haarlemmerweg.

Deze pompgebouwtjes worden 2,5 m hoog bij 1,5 m inwendig in het vierkant. Op de vloer op 1 m onder het maaiveld is een elektromotor van 10 pk met een centrifugaalpomp opgesteld. Het water wordt opgepompt uit geslagen bronnen van 40 m diepte. Inmiddels zijn de 3 pompgebouwtjes verdwenen. Het gebouwtje aan de Korte Cieweg is al vrij gauw verplaatst naar de Cieweg even voorbij het kerkhof (zie afb. 14, 15); in verband met de uit­breiding nabij De Boogaert is dit gebouwtje nog eens verplaatst naar de groenstrook langs de Dr. de Jonghweg (zie afb. 16); in 1983 zijn de pompgebouwtjes gesloopt.

De huidige binnenbemaling wordt gerealiseerd door zeer com¬≠pacte elektrisch aangedreven vijzels; de motor wordt automa¬≠tisch aan of afgeschakeld afhankelijk van de waterstand. Het geheel is ondergebracht in een metalen behuizing. Deze kleine vijzelgemaaltjes zijn nu opgesteld nabij het volkstuincomplex aan de Breedeweg en in plan Kooiweg Noord; de laatste om wa¬≠ter uit de Schulpvaart (Groot Limmerpolder) te pompen ter doorspoeling van de vijvers in de woongebieden. Nadat het pompgebouwtje aan de Oud Haarlemmerweg is gesloopt, zijn door ‘Het Lange Rond’ in de bronbuizen onderwaterpompen ge¬≠hangen, waarmee grondwater wordt opgepompt. Alleen een putdeksel en een stoomkast geven de plaats aan waar het ge¬≠maal zich bevindt.

Het beheer van de wegen

De aanleg en het onderhoud aan de wegen en dijken in de pol­der was een van de taken van het polderbestuur. Deze taak stamt al van eeuwen geleden toen de polders werden gevormd en belanghebbende eigenaren de handen ineen hebben gesla­gen voor de aanleg en het onderhoud van de wegen die uitslui­tend dienden voor het verkeer en de bedrijven in de polder. Naarmate de wegen meer voor algemeen gebruik dienden, kwamen de onderhoudskosten meer ten laste van de gemeentelijke of provinciale overheid. Het huidige wegen- en dijkenpatroon in het Castricumse polderlandschap is al vele eeuwen oud. Als een van de laatste werd in 1783 het Castricummerweggetje vanaf het witte bruggetje tot Uitgeest aangelegd. Ingrijpende veranderingen in het nu nog resterende polderlandschap zijn geweest de aanleg van de spoorlijn in 1866 en van de provincia­le weg Limmen РUitgeest in 1932.
Volgens een legger der wegen, die is opgemaakt in 1943, heeft de Castricummerpolder de onderhoudsplicht van de Polderdijk, de Uitgeesterweg en de Brakersweg; de Ned. Hervormde Kerk van de Korendijk en de Cieweg, enkele particulieren van de Kerkedijk en de Bogaardsdijk en de gemeente Castricum van alle overige wegen en dijken.

Hierop is de plaats van het pompgebouwtje beter te onderschei­den; het staat nog middenin de weilanden; onder de Nuhout van der Veenstraat, rechtsmidden de boerderij van C. Poel.
afb. 15 Hierop is de plaats van het pompgebouwtje beter te onderschei­den; het staat nog middenin de weilanden; onder de Nuhout van der Veenstraat, rechtsmidden de boerderij van C. Poel.

 

Het pompgebouwtje aan de Cieweg nabij de Dr. de Jonghweg is in 1983 afgebroken.
afb. 16 Het pompgebouwtje aan de Cieweg nabij de Dr. de Jonghweg is in 1983 afgebroken.

Jaarboek 12, pagina 21

Reeds honderden jaren geleden zijn in oude akten afspraken vastgelegd over het onderhoud; al in 1610 sluiten de regenten van Uitgeest en Castricum een overeenkomst betreffende een ophaalbrug over de uitwateringssloot van de Castricummerpolder bij de Castricummer watermolen. Over deze brug Рde Val­brug geheten Рliep de weg van Uitgeest naar Limmen en Akersloot.
De brug, die in 1610 onbruikbaar en vervallen is, wordt op geza­menlijke kosten van Castricum en Uitgeest hersteld en in het ver­volg onderhouden. Tussen de molen en de brug lag de sluis, die vanuit het binnenwater van de Castricummerpolder toegang gaf tot het Alkmaardermeer; een goede waterverbinding via sluis en ophaalbrug was voor de Castricummers van groot belang, omdat de weg te land vaak onbegaanbaar was. Daarom ook was Castricum best bereid om de helft te betalen aan een ophaal­ brug, die uiteraard duurder was dan een vaste brug.

Bij een grootscheepse verbetering van de weg van Limmen over Uitgeest naar Assum in 1850 (toen de hoofdverbinding Alkmaar – Zaanstreek, die aansloot op de in 1847 gereedgekomen Zaanlandse Communicatieweg) wordt de Valbrug met eŐĀeŐĀn meter ver¬≠breed. Ook nu is er een strijd tussen de gemeente Uitgeest en de Castricummerpolder over de betaling van de kosten. Het pol¬≠derbestuur erkende wel dat het metselwerk van de brug slecht was, doch meende dat dit nog jaren mee had gekund, indien de nieuwe weg er niet was gekomen. Aangezien de polder de door¬≠ vaart richting Uitgeester- en Alkmaardermeer op hoge prijs stel¬≠de, werd besloten om 200 gulden bij te dragen; het onderhoud zou weer voor rekening van de polder komen.
In sept. 1886 zijn er plannen tot de bouw van een vaste brug over de uitwateringstocht met de aanleg van verdedigingswer­ken met aarden wallen, gebouwen en grachten voor militaire doeleinden.

Het nieuwe gemaal naast de molenaarswoning is in 1988 in ge­bruik genomen en is voorzien van twee vijzelpompinstallaties.
afb. 17 Het nieuwe gemaal naast de molenaarswoning is in 1988 in ge­bruik genomen en is voorzien van twee vijzelpompinstallaties.

Einde van het waterschap ‘de Castricummerpolder’

Na uitvoerige voorbereidingen valt op 13 sept. 1976 het besluit in de Provinciale Staten om uit een oogpunt van efficieŐąnter be¬≠heer en bestuur in totaal 37 waterschappen varieŐąrend van 100 tot 5000 ha. ingaande 1 januari 1977 samen te voegen tot het waterschap Het Lange Rond.

Het Lange Rond – met een totale oppervlakte van ruim 30.000 ha – wordt verdeeld in vier waterschapsafdelingen en in acht kiesdistricten; de Castricummerpolder nu ter grootte van 998 ha, valt in de tweede afdeling genaamd Midden Kennemerland (7.494 ha) en in het vierde kiesdistrict. Met ingang van dezelfde datum worden de besturen van de 37 waterschappen opgeheven; de voorzitters krijgen een functie als hoofdingeland in het nieuwe bestuur.
Dit einde wordt officieel nog bekrachtigd bij besluit van Gedepu¬≠teerde Staten van 23 jan. 1979, waarbij het bestuur van de Castricummerpolder bestaande uit de heren J.G.S. Schermer, J.C. Twisk, N. Brandjes en C.G.M. Louter, respectievelijk voorzitter, bestuursleden en secretaris – penningmeester deŐĀcharge wordt verleent ter zake van hun beheer.

Het waterschap 'Het Lange Rond' met zijn vier afdelingen.
afb. 18 Het waterschap ‘Het Lange Rond’ met zijn vier afdelingen.

De ruilverkaveling van de Castricummerpolder

In 1986 is de ruilverkaveling Limmen РHeiloo (waarin de Castri­cummerpolder is opgenomen) in stemming gebracht en aange­nomen.
Visueel zal er door deze ruilverkaveling in de Castricummerpol¬≠der betrekkelijk weinig veranderen, omdat de structuur van de hoofdwaterlopen en de peilen daarin hetzelfde blijven. Alleen zal na de toedeling wel worden toegestaan, dat er enkele tussensloten worden gedempt. De belangrijkste werken in de Castricummerpolder zijn het vervangen van het oude hoofdge¬≠maal naast de molen ‘De Dog’ door een modern gemaal en het plaatsen van twee onderbemalingen in de lage drassige delen van de polder ter weerzijden van de provinciale weg Limmen – Uitgeest. In deze gebieden zal – om rendabel agrarisch gebruik mogelijk te maken – door deze onderbemalingen een lager peil dan in de rest van de polder kunnen worden onderhouden van maximaal 0,47 m. Volledigheidshalve wordt vermeld dat het rond de Nespolder gelegen lage land in de Groot Limmerpolder ook zal worden bemalen door de nieuwe oostelijke onderbemaling in de Castricummmerpolder.


Jaarboek 12, pagina 22

Het nieuwe hoofdgemaal is in september 1988 in gebruik geno¬≠men; het is voorzien van twee vijzelpomp-installaties met elk een capaciteit van 52,5 m3 per minuut (zie afb. 17). Omdat het polderpeil bij het hoofdgemaal onveranderd blijft (streefpeil 0,83 m – N.A.P.), kan de molen ‘De Dog’ in noodgevallen als bij een energiecrisis of bij stroomuitval blijven functioneren als windbemaling.

Einde van de huidige verkaveling

Ook al zal de structuur van de hoofdwaterlopen niet worden veranderd, toch zal de huidige verkaveling, die al zeer vele eeu¬≠wen bestaat en in belangrijke mate op natuurlijke wijze is ontstaan, grotendeels gaan verdwijnen. Een verkaveling, die de Castricummerpolder in enkele honderden percelen weiland ver¬≠deelde; waar elk perceel werd begrensd door veelal kleine slootjes en was voorzien van een naam, die in vroeger eeuwen aan het perceel was toegekend. Deze ‘veldnamen’ werden vroeger bij de verkoop van de percelen door Schout en Schepenen in de oude akten vermeld, inclusief de namen van de eigenaren van de belendende percelen om de plaats van het verkochte land aan te duiden (het kadaster werd pas in 1832 opgericht); ze wor¬≠den tot heden ten dage door de gebruikers van de weilanden in de dagelijkse omgang gebruikt. Met het verdwijnen van de kavelsloten, het samenvoegen van verscheidene percelen en het opsplitsen in andere grotere percelen zal de oorspronkelijke ka¬≠vels niet meer te herkennen zijn en zullen de veldnamen in de vergetelheid raken. Een lijst van honderden veldnamen uit de Castricummerpolder (kadaster sectie C) is opgenomen in het 9 jaarboekje.
Na uitvoering van de in het kader van deze ruilverkaveling uit te voeren verbeteringswerken mag wel worden verwacht, dat de waterhuishouding van de Castricummerpolder tot ver in de twintigste eeuw onveranderd zal blijven.

S.P.A. Zuurbier

Literatuur/Bronnen:

  1. Archief van de Castricummerpolder; streekarchief te Alk­maar.
  2. Keuren van Castricum: Oud Archief Castricum; streekarchief te Alkmaar.
  3. Het Groot previlegie en hantvest boeck van Kennemerlandt en Kennemer-gevolgh enz.; W. Lams Gzn, Amsterdam 1664.
  4. De Zeeweringen en Waterschappen van Noord-Holland; D. Kooiman, Alphen aan de Rijn, 1936.
  5. Het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland, 1544 – 1944; Mr. J. Belonje, Wormerveer, 1945.
  6. Wie water deert: Het Hoogheemraadschap van de Uitwate­ rende Sluizen in Kennemerland en West-Friesland 1544 Р1969; J.J. Schilstra, Wormerveer, 1969.
  7. Requiem voor een polder: Uitgeester – Heemskerkerbroek; Wentink T. Dzn, 1976.
  8. Het molenrijk Uitgeest – uit de geschiedenis van een dorp door J.C. Krom; Uitgeest 1980.
  9. Molens in Noord-Holland: inventarisatie van het Noordhollands molenbezit; Amsterdam, 1981.
  10. Informatie verkregen van de heren J.P.C. Dam, P. Klompma­ ker, C.G.M. Louter, J.G.S Schermer en G.J. van Wijk.
Foto van het laatste polderbestuur uit 1976; v.l.n.r. zittend het dagelijks bestuur bestaande uit de poldermeesters N. Brandjes en J.C. Twisk, voorzitter J.G.S. Schermer en secr. penningmeester C.G.M. Louter; staand de hoofdingelanden H.M. Veldt, N. Veldt, P. Dam, Th.J.N. Groen, C.L. Beentjes, molenaar J. Dam en oud-secretaris G.Louter.
afb. 19 Foto van het laatste polderbestuur uit 1976; v.l.n.r. zittend het dagelijks bestuur bestaande uit de poldermeesters N. Brandjes en J.C. Twisk, voorzitter J.G.S. Schermer en secr. penningmeester C.G.M. Louter; staand de hoofdingelanden H.M. Veldt, N. Veldt, P. Dam, Th.J.N. Groen, C.L. Beentjes, molenaar J. Dam en oud-secretaris G.Louter.
Print Friendly, PDF & Email