Dorpsgenoten kijken terug op de 20e eeuw (Jaarboek 23 2000 pg 16-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 23, pagina 16

 

Dorpsgenoten kijken terug op de 20e eeuw

 

Bij de overgang van de 19e naar de 20e eeuw was het leven nog eenvoudig en vol zekerheden. De kerk had grote invloed op het geestelijke en sociale leven van de dorpelingen. Kleine gebeurtenissen en de dingen van alle dag bepaalden het leven. Er waren nog geen massamedia, die de dagelijkse gang konden verstoren.
De geïnterviewden maakten de komst van elektriciteit, waterleiding, auto’s, telefoon en televisie mee. De 2e Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan het rustige dorpsleven. De gedwongen afbraak van een groot deel van het dorp en de daaropvolgende deportatie van dorpsgenoten waren traumatische ervaringen. Door de na-oorlogse herbouw en dorpsuitbreidingen veranderde Castricum volkomen en werd onherkenbaar. Hoe Castricummers het leven van toen en de veranderingen hebben ervaren, vertellen 6 mannen en vrouwen openhartig in de volgende interviews.

De samenstellers: Frans Baars en Niek Kaan

Links staat Leopold Leitner voor het huis van zijn pleegouders Anna Zonneveld-De Graaf en Teun Zonneveld, rechts staat Nel Glorie.
Links staat Leopold Leitner voor het huis van zijn pleegouders Anna Zonneveld – De Graaf en Teun Zonneveld, rechts staat Nel Glorie.

Mevr. G.M. Leitner-De Graaf, geboren 12-6-1913

We woonden aan de Bakkummerstraat door de bocht van de Vinkebaan tegenover waar nu het huis van Boddeke is. Schuin tegenover ons was het padje naar Duin en Bosch. En schuin tegenover ons woonde een weduwe en die vrouw had 9 kinderen en vroeger had je geen weduwepensioen en die heeft toen daar een kruidenierswinkeltje gemaakt. Dat mens moest toch ergens van leven. Maar die kinderen gingen daar allemaal dood aan TBC. Dat was voor de oorlog. Trien had nog verkering met die uit Heemskerk, ik zie ze nog zo wandelen, maar Trien ging ook aan TB dood. Piet lag thuis in een tent en dan moest ik van moeder Piet opzoeken en ik mocht niet zeggen, dat mijn zuster dood was. Mijn vader werkte aan Duin en Bosch, daar heeft hij veertig dienstjaren gehad. Mijn moeder, Regina Mors van Heiloo is op zestigjarige leeftijd overleden. Hoge bloeddruk, net als mijn man, was met 50 jaar weg, toen had je geen pillen. Ik ben in 1913 geboren en hen op school begonnen hij meester Nijsen in de school die nu nog bestaat aan de Bakkummerstraat, de School met den Bijbel. Ik hen daar maar kort geweest, want toen is de R.K.-school gebouwd. Toen moesten we lopend naar Castricum. Ik weet niet veel meer van de school af, ik ben er weinig geweest, ik was de oudste thuis, moeder helpen. Op 12 juni was ik jarig en werd ik twaalf en dan mocht je er niet af, dan moest je de zevende klas doorlopen, die kwam toen net uit. Maar er was helemaal geen zevende klas, moest je gewoon in de zesde klas blijven. Ik was de oudste van het gezin en mijn moeder naar zuster Maria-Cornelia, want toen waren het nog allemaal nonnen. Die zei, als ik af en toe maar op school kwam, dat ze geen last kreeg met de inspecteur van het onderwijs. Ik hen er natuurlijk weinig geweest, want ik was altijd thuis. In de lagere klassen moest ik ook vaak verstek laten gaan.

Ik heb nog eens een keer met een verbrand been gezeten, daar heb ik 3 maanden mee gezeten. Was ik nog een kind, moeder helpen op maandag. Nou had je in de keuken zo’n fornuis staan en daar stond zo’n grote ketel op met water met zo’n hengsel. Zwaar waren die krengen vroeger. Dan zei mijn moeder: “Lekker opstoken hoor, want ik zit er op te wachten.” Ik er hout in gedaan en het kookte zo. Ik was een jaar of tien, jonger misschien nog wel. Wil ik met die ketel naar die schuur gaan. Want we hadden zo’n achterend en ik kon niet over die ketel kijken, dat daar klompen voor liggen. De hele ketel met kokend water over mijn heen. Want ik had meteen die ketel weer met koud water gevuld en op gezet. Toen kwam mijn moeder kijken, stond ik te springen in de kamer, was ik aan het vegen met stoffer en blik, huppelend van de pijn. Was ik eerst nog in een emmer koud water gestapt bij de pomp. Mijn oudste broer heeft mij op de handkar naar dokter gebracht. Daar heb ik nog 3 maanden mee gezeten, maar ik hen nooit op school blijven zitten. Dat wilde ik ook niet, want toen ik van school af was, wilde ik graag leren, ik wilde graag verpleegster worden, Een draai voor mijn harses kreeg ik van vader, toen ik 3 keer zeurde. Moeder helpen, afgelopen. We waren thuis met 8 kinderen, ik had vier broers en drie zussen. Armoede hebben wij niet gekend, we hadden een heel zorgzame vader.

In de zomer ging ik op de tuin aardbeien plukken hij de Schermertjes, bij Piet aan de Groenelaan en Dorus, die had een fouragehandel op Bakkum. Die had achter zijn huis ook een paar akkers met aardbeien en ook een paar aan de Ruiterweg. In het voorjaar was het vuil wieden. Ik was vaak niet op school, zat ik hij Dorus op stang op de fiets, ‘s morgens om 8 uur als de kinderen naar school gingen. Die riepen: “Ik zal zeggen dat je niet ziek ben.” Dorus was blij met me, kreeg regelmatig een reep chocola. We gingen met Dorus een dagje naar Volendam met zijn vrachtwagen, kisten erop, dat was toen toch wat, zo’n uitje. Ik heb ook wel bij die jongens van Liefting gewerkt aan de Zanderij. Armoede hebben we niet gekend. Ik kan me herinneren, dat mijn vader thuis kwam met zijn loonzakje, schudde dat uit boven tafel. Zei moeder: “Dat is ook geen geld, 3 gouden tientjes en 6 zilveren guldens.” Toen had hij toch al 36 gulden bij Duin en Bosch, terwijl die van Steeman op de Linoleum-fabriek met 28 gulden thuis kwam.


Jaarboek 23, pagina 17

Er was toen ook al kinderbijslag bij. Toen ik 18 was en ook bij Duin en Bosch werkte, hoorde ik die verpleegsters mopperen, want die moesten meer betalen voor de kinderbijslag van een ander: “Grote gezinnen en wij maar betalen”.

Ik denk dat het 1942 was dat de Duitsers, ik was toen ze1f al getrouwd, het huis gevorderd hebben, dat ges1oopt moest worden. Mijn man kwam uit Oostenrijk, hij was Wener. Er kwam een he1e trein vol Oostenrijkers, verschillende zijn hier gebleven, zijn halfbroer Travnicek woont nog aan de Dorpsstraat.
Mijn man heeft zijn vader niet gekend en zijn jongste broer is in de oorlog gesneuveld. Er was geen eten toen in Wenen en een hele trein vol is hier gekomen, ze werden overal naar toe gebracht. Van de honger kwamen ze hier. Mijn man is hier blijven hangen, is bij een neef van mijn vader thuis gehaald aan de Beverwijkerstraatweg. Toen hij 18 was, is hij nog eens terug geweest naar zijn moeder. Wij hebben wel 10 jaar verkering gehad, uit en aan. In die jaren 1933 was er geen toekomst. Hij had graag willen studeren, meester Van Westen zei, dat hij kon worden wat hij wou, maar tante en oom, zijn pleegouders, zeiden: “Maar daar hebben we hem niet voor hier gehaald, hij moet maar op de tuin”. Zo ging dat vroeger, maar je krijgt later toch de brokken naar je kop. Je had toen niks in te brengen. We hebben de eerste tijd in Rotterdam gewoond, want mijn man was toen van huis gehaald, hij had zich niet eerst gemeld voor de Duitse dienst. Het was al oorlog in 1942. Hij is toch maar gegaan, want zijn leven stond op het spel. Later is hij gedeserteerd, hij moest naar Rusland. Van zijn treinkaartje heeft hij in plaats van ‘Rusland’, ‘Holland’ gemaakt. Bij kennissen in Amsterdam heeft hij zijn Duitse militaire pak uitgetrokken en is in burger lopend thuis gekomen. Dat was toen al in Castricum, want hij had gezegd, dat ik terug moest naar Castricum, ik had in Rotterdam niks te zoeken met al die bombardementen. Ik kreeg van de gemeente een huis in de Meester Ludwigstraat. Ik heb de Sicherheitsdienst aan de deur gehad. Ik hoorde al een zijspan, ik dacht: “Dat zijn militairen,” want je leefde toen natuurlijk onder een spanning. In Duitsland haalden ze zelfs de vrouwen op, het was oorlog. Wat ik toen gedurfd heb, je speelt met levens. Mijn salaris werd stopgezet, maar ik moest toch leven, ging ik op de fiets naar de Ortskommandantur in Alkmaar voor mijn centen. Ik heb tegen niemand verteld, dat mijn man gedeserteerd was, zelfs eigen ouders en broers en zusters wisten het niet. Alleen Jaap Castricum, de slager, die kon je een mes op zijn keel zetten, die zei niks. Ik ben naar kapelaan Van der Zalm gegaan en heb voor mijn man een onderduikadres gezocht in De Noord. Later is hij thuis gekomen. De buren wisten ook niet dat hij thuis was, hij zat al die jaren boven. Toen die Sicherheitsdienst kwam, lag ik het keukentje te dweilen, hoorde ik die motor al komen. Er werd gebeld en gebonsd op de deur, een soldaat met geweer in de aanslag achter in de tuin, de tweede voor en de derde in huis. Als hij toen al thuis was geweest, had hij nooit weg kunnen komen. Ik heb zo twee keer de Sicherheitsdienst in huis gehad, daar krijg je de zenuwen van, ik dacht straks nemen ze mij nog mee en ik had al twee jongens. Ik werd ook over mijn man uitgehoord. Ik reed een keer met Jan Tervoort, de commies, uit Alkmaar vandaan op de fiets en die vroeg:
“Hoor je nog wel eens wat van je man, Leo?” Ik zei: “Nee, als ze in Rusland net zo’n hekel aan die moffen hebben, als hier de Nederlanders, dan hebben ze hem allang in een graf gedouwd, zie ik hem nooit meer.” Dat zei ik toen altijd. Via kennissen kreeg ik van Klaassen, de postkantoorhouder, een brief om even langs te komen. Hij zei: “Mevrouw Leitner, komt U even mee, ik heb de Sicherheitsdienst hier gehad, ik moet alle post aan u geadresseerd, doorsturen, kan daar wat in staan?” Ik zei, dat ik het aan niemand over mijn man verteld had. Later kwam ook Jan Rozing, die mij een paar keer testte. Weer later kwam Klaassen op bezoek, die met mij wilde praten. Hij zei: “We hebben u al zo veel keren getest, zou u niet bij ons in de ondergrondse willen komen? U bent er een type voor.” Maar daar begon ik niet aan.
Mijn man had tijdens zijn onderduikperiode de naam Gerrit Vingerhoed. Toen de oorlog voorbij was en de buren merkten, dat mijn man al die tijd thuis was geweest, vroegen ze zich af hoe ik dat zo lang had stil kunnen houden. Ook mijn ouders, broers en zusters wisten van niks.
Er zat in het Gemeentehuis één van de ondergrondse, die opgepakt was, die wist op een zondag te ontsnappen. Hij vloog over de Schoolstraat, over de tuinderijen daarachter en komt bij Jo van Gerard Tromp aan de Nuhout van der Veenstraat 44. Jo staat in de keuken, dat die man bij haar de keuken in vluchtte. “Mevrouw, ben ik hier goed, wil u de hark nemen en mijn voetstappen wegnemen? Mag ik het huis verkennen, wilt u de deur op slot doen?” Hij was in alle staten. Zij ging naar kapelaan Van der Zalm, die zei: “Geef mij je sleutel en ga naar je zuster.” Dat was ik dus. Sientje Veldt van de Kooiweg, had een dochter, die is hem ‘s avonds komen halen alsof ze een verliefd stelletje waren. Het was toen heel wat voor het dorp, het was helemaal afgezet, ook veel mensen op straat, er werd verteld dat hij gegrepen was en meer van die verhalen. Na de oorlog is hij nog langs geweest om te bedanken.
De Duitsers zaten in de oorlog in de Openbare Lagere School aan de Bakkummerstraat, schuin tegenover het huis van mijn ouders, ze kwamen hij ons thuis, melk halen. Het waren Duitse bezettingstroepen, allemaal Duitsers boven de 40, die de oorlog ook niet wilden. Het waren gewone getrouwde mannen, die bij ons aan huis kwamen. Een keer in de week ging ik naar Bakkum moeder helpen, dan had ik een Ausweisz. Na de sloop van het huis, hebben vader en moeder tijdelijk aan de Breedeweg gewoond. Vader had wat koeien, die in een houten schuur hij de boerderij van Cor Poel stonden, waar nu het zwembad is. Toen het vrede was, gingen vader en moeder weer terug naar Bakkum in een huis naast Streuli, want het huis was weg. Daar hebben ze nog een jaar gewoond en toen kregen ze een boerderijwoning aangeboden aan de Brakersweg met een mooi stuk grond erbij. Het is gebeurd op 29 januari, dat weet ik nog zo goed want mijn schoonzuster was jarig. En daar zaten mijn vader en moeder, zijn tweede vrouw want mijn moeder was overleden. Toen was Lou nog thuis, was buiten bieten aan het snijden in een mand. Hij kijkt op en denkt: “Tjeemes God, waar komt die rook vandaan.” Dat was uit de boerderij van mijn vader, daar had hooi gelegen, te broeien natuurlijk. De boerderij was in de fik gevlogen en er was toch nog flink wind ook.

Leopold Leitner op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat en de Dorpsstraat.
Leopold Leitner op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat en de Dorpsstraat.

Jaarboek 23, pagina 18

Het hele huis is afgebrand. Toen is mijn vader met zijn tweede vrouw nog een jaar bij een vrijgezel in huis geweest aan de Brakersweg, Hogensteijn heet hij, geloof ik. Binnen een jaar stond er een nieuwe woning. Het staat er nog, daar woont mijn schoonzuster in.
Een jaar na de oorlog, denk ik, zijn we uit de Meester Ludwigstraat vertrokken naar de Beverwijkerstraatweg. Mijn oudste zoon woont daar nog nummer 146. Er woonde daar toen een onderwijzer, die wilde graag naar de Jacob Catsstraat. Die van de Jacob Catsstraat, die kwam uit Heemskerk, ene Kluft, die wilde naar de Meester Ludwigstraat. En wij wilden dus graag naar de Beverwijkerstraatweg, weer lekker vrij wonen. We moesten dus met zijn drieën tegelijk ‘s morgens om half acht verhuizen. Alles op de paard en wagen, we hadden natuurlijk niet zo veel. Mijn man had toen een leesportefeuille en was vertegenwoordiger langs de weg, hij was geen type om bij een baas te werken. Maar ja, mijn man was pas vijftig toen hij overleed, aan hoge bloeddruk. Tegenwoordig heb je daar pillen voor.
Mijn vader is bijna 90 geworden, hij was een zorgzame man, wat hadden wij een goed kosthuis thuis. Hij kocht een geit en slachtte die, dan moesten wij na schooltijd hier en daar vlees brengen, de helft hield hij zelf. In de Bakkummerstraat hadden we achter het huis ook wel varkens liggen en als hij er vier had, had hij er één voor ons eigen. Het slachten moest in huis gebeuren, dan ging het vloerkleed voor de ramen, ging mijn vader buiten kijken, of je wat kon zien. Een keer zei Bleijendaal, de politie-agent: “Toon, je ben wel verraden, je moet wel voorzichtig wezen. Er is net een jonge politie-agent, Tol heet ie, die vertrouw ik nog niet, we moeten eerst effies afwachten of hoe die is.” Ik heb nooit gezien of ze vlees van vader gehad hebben, maar dat is natuurlijk wel eens gebeurd. Ze kwamen altijd door de week een koppie halen, het was altijd heel gemoedelijk. Ze kwamen graag bij vader, die was humoristisch, kon leuk vertellen, had ook wel wat meegemaakt natuurlijk. Om de hoek aan de Vinkenbaan was de winkel van Nanne, moest ik vaak heen om klompen te passen, boven op zolder. Ze verkochten van alles, potten en pannen, groenten, van alles, Ze ventten ook langs de deur. Ja, al die huizen aan de Vinkebaan, de Zanderijweg, de Bakkummerstraat en de Mient, alles werd gesloopt door de Duitsers. We hadden thuis een hele diepe tuin, mijn vader heeft daar nog een tweede huis op laten bouwen, dat verhuurde hij. Daar heb ik als jong kind ook nog in gewoond, ik was denk ik, zeven of acht jaar. Twee bedsteden in de kamer, het was maar een klein huisje. Het waren dubbele bedsteden, de meiden onder en de jongens boven. Vader en moeder in de ene bedstee en wij in de andere, allemaal in een kamer. Er was nog geen leidingwater, we hadden een pomp thuis. Ik herinner me nog goed dat we leidingwater kregen, een kraan in de keuken, wat een weelde. Toen vader zijn vaste aanstelling bij Duin en Bosch kreeg, kreeg hij zijn pensioenpremie terug, die hij zelf betaald had. Toen gaf hij mijn moeder een wasmachine met een houten kuip en een motor, die hoog boven aan de muur hing. Een losse motor dus, dat was het begin van de elektrische wasmachine, met zo’n vliegwiel aan de kant en daar die riem op, dat was toentertijd een hele luxe. Zondagsavonds zei mijn vader tegen mij: “Geertje staan wij morgen vroeg op, doen wij de was voor moeder.” Dan lag de was, als hij om half acht naar Duin en Bosch ging, al op de bleek, achter het huis, als het mooi weer was natuurlijk.

Mevrouw Leitner met de oudste kinderen Norbert en Leo, links Anna Zonneveld - De Graaf (boven).
Mevrouw Leitner met de oudste kinderen Norbert en Leo, links Anna Zonneveld – De Graaf (boven).

We brachten onze vrije tijd heel anders door, dan nu, als het donker was zat je in huis. Wij hadden het thuis altijd gezellig, spelletjes doen. Nadat ik van school kwam, elf of twaalf jaar, moest ik bij de nonnen op naailes en dan ‘s avonds thuis kleren verstellen. Om negen uur zei moeder altijd: “Doe nou de naaimachine maar weg, gaan we een potje kaarten.” Pandoeren deden we, maar alle spelletjes deden we. Een paar jaar geleden heb ik het nog gedaan, ik zat er zo weer in. Ik bridge nu, na 7 weken les, ging ik naar een bridgeclub, tegenwoordig gaan ze een jaar naar les en kennen ze er nog niks van. Wij zijn er van jongs af mee opgevoed. Je had hier vroeger 3 politie-agenten, Koelewijn, Bleijendaal en Gorter. Twee keer in de week kwamen ze bij ons met zijn tweeën pandoeren, op dinsdag- en vrijdagavond. Dan zei Bleijendaal: “Toon het is kwart voor elven, dit is de laatste ronde, want we moeten ons nog afmelden.”

Het gezin Leitner bij de eerste communie van An, v.l.n.r. vader Leopold, tante Anna Zonneveld - De Graaf, moeder Geertruida, tante Annie Travnicek, Norbert en Leo, bruidje An met neefje Gerard Travnicek, Tonnie en René (onder).
Het gezin Leitner bij de eerste communie van An, v.l.n.r. vader Leopold, tante Anna Zonneveld – De Graaf, moeder Geertruida, tante Annie Travnicek, Norbert en Leo, bruidje An met neefje Gerard Travnicek, Tonnie en René (onder).

We moesten altijd lopen of op de fiets. Buiten het dorp kwam je bijna niet. Ik ben nog wel met de stoomtram geweest, logeren, in Alkmaar stond oom Jacob Leijen, die had een boerderij aan de Kerkedijk in Bergen.


Jaarboek 23, pagina 19

Die ging dan naar de markt en dan mocht ik met de paard en wagen, daar mocht ik een week logeren, als kind zijnde. Op de hele straat was niks anders dan die tram en toch wisten ze nog onder die tram te komen, zoals ene Ooms met zijn dronken kont.

Ik ben niet zo vaak het dorp uit geweest. Ik ben wel eens met vakantie geweest. Ik heb zelf altijd vreemde mensen in huis gehad. Mijn man liet me niks na en ik wou niet naar de bijstand. We hadden in april mijn huis gekocht. Wij huurden die woning van ene meneer Jansen in Amsterdam, die wilde er zelf in, maar wij woonden daar met veel plezier. Toen hebben we het voor het gerecht gegooid. Hij kreeg het niet voor mekaar en toen heeft Jan Borst het gekocht, die woonde in een schuurtje aan de Alkmaarderstraatweg en die dacht: “Ik krijg de familie Leitner er wel uit.” Hij werkte bij Biesterbos en die kreeg ik aan de deur met een paar heren. Die zei: “Wij hebben al een woning voor u.” Dat was een kazernewoning net over het spoor bij de Alkmaarderstraatweg. Maar daar was geen zolder en ik wilde zo’n zelfde huis terug. De gemeentesecretaris kwam toevallig een keer langs en ik vroeg: ” Moet ik er wel uit?” Het kwam voor het gerecht en mijn man ging daar zelf heen. Toen hij thuis kwam zei ik: ” Niks zeggen, hoor, eerst eten.” En toen mochten we er in blijven. In datzelfde jaar op 26 oktober komt mijn man te overlijden. Ik kon amper de hypotheek opbrengen. Ik ben altijd bar zuinig geweest, anders hadden we het niet gered. Mijn kinderen waren nog jong, de jongste was 7 en de oudste 20. Die vaarde en heeft me geweldig geholpen. Die stuurde alle weken een weekbrief op. En zo hebben we het gered. Zo gauw er een kamer leeg was, er één ging trouwen, kwam er een ander in, een student van de Hoogovens en dat betaalde goed. Ik heb nooit mijn hand opgehouden. Laatst belde nog iemand van de gemeente, ze schijnen hier een hoop geld te hebben. Die zegt: “Mevrouw Leitner, we hebben zo veel geld in kas, hebt u ergens gebrek aan, een koelkast of televisie of zoiets?” Ik zeg: “Meneer, ik bleef al vroeg zitten met mijn jonge kinderen en mijn man liet me niks na.” We hebben het gered en ik hoop dat tot mijn dood toe vol te houden. Zuinigheid hebben we vroeger wel geleerd en ik heb veel moeten werken. ‘s Morgens om half vijf mijn bed uit en om vijf uur lag ik al op het land, aardbeien plukken. Ze konden toen geen plukkers krijgen, we gingen toen ook maar op zondag plukken. Ik kreeg toen een gulden of acht per uur, dat was eind jaren zestig. Tegenwoordig wieden en schoffelen ze niet meer, we worden nou vergiftigd. Alles spuiten ze vol.

Die van Krimp, van de bakker in Bakkum, kwamen altijd bij ons vroeger aan de deur. Gingen we spelletjes doen, elf slagen halen, jokeren en miezemauzen, om twee centen. Als we wel eens bij Gerrit Groot aan de gang waren aan de Brakersweg, ging het om drie centen. Maar er waren erbij die altijd de pineut waren, dan werd het wel eens onenigheid. Dan zei Gerrit: “Dat gebeurt niet meer, niet meer als een cent.” Zo brachten wij de vrije tijd door. Zondagsavonds naar het lof, dat was het enigste uitje, dat je had. Dan konden de jongens en meiden elkaar ontmoeten. Maar ja, we durfden ook niks. Soms was ik wel eens bij Roozendaal, komt een keer Cor van Blauwe Toon binnen, die zei: “Truus, je vader is er,” dan deed ik gauw mijn jas aan en ging weg. Want om 10 uur moest ik thuis zijn. In mijn jeugd werd daar toen gedanst. Eens per jaar was er kermis, echt een dorpsfeest, maar daar hield ik helemaal niet van. Ik ging naar de bioscoop, in zo’n tent op de kermis. We hadden hier toen nog geen bioscoop. Op Bakkum stond die tent op een veldje bij de Dr Jacobilaan.
Mooie films waren dat, ‘Klokslag twaalf uur’, kan ik me nog zo herinneren, mooie film was dat. Zwart-wit en het zal wel een stomme film zijn geweest. Het kermisterrein was toen bij het sportveld van Vitesse, daar achter waar nu (red: in 2000) snackbar Veronica is. En nog vroeger stonden de kramen in de Dorpsstraat.

Ik was 14 jaar, toen mijn broer Lou werd geboren, je wist van niks. Mijn moeder had we1 een dikke buik. Zou ik ‘s avonds met mijn vriendin Greetje Zonneveld van de Bakkummerstraat naar de kermis gaan. Ik zei: “Het moet vast geboren worden.” Dat klopte, want toen we thuis kwamen, brandde het licht nog. Buurvrouw Koper kwam helpen, mijn moeder hielp haar altijd, er kwam geen dokter aan te pas. We hadden toen dokter Van der Torre en later Van der Werf, later Van Leesten, denk ik.
Dokter Van der Werf, ik was toen een jaar of achttien, die ging met de familie Swiep van de Tetburgstraat naar Amsterdam met de auto, daar is hij door het slechte weer over de ketting van de Hembrugpont te water gereden. Hij is er zelf alleen uit gekomen en die familie is verdronken. Ik was toen bij ene zuster Van Gulik in dienst. Toen zij een keer ziek was, kwam dokter Van der Werf langs, die naar het ziekenhuis moest. Hij vroeg: “Zal ik u met de auto brengen.” Maar dat durfde ze toen niet. Later kregen we dokter Van Leesten, zijn vrouw was ook dokter, die is overleden, ze werd niet goed, ging op de bank leggen en was weg. Mooie dood hè, daar teken ik voor, nou ik zesentachtigeneenhalf ben.

De timmerfabriek 'De Volharding' van de familie Hopman aan de Vinkebaan in 1926. V.l.n.r. Siem Pepping, Co Jenster, op de motorfiets verteller Tinus met achterop zus Sjaan en vader Janus.
De timmerfabriek ‘De Volharding’ van de familie Hopman aan de Vinkebaan in 1926. V.l.n.r. Siem Pepping, Co Jenster, op de motorfiets verteller Tinus met achterop zus Sjaan en vader Janus.

Tinus Hopman, geboren 7-7-1919

We woonden aan de Vinkebaan 14 aan de zuidkant, dat later is afgebroken. Toen was de straat nog aan 2 kanten bebouwd. Op nummer 16 had mijn vader een timmerfabriek. Voor kozijnen, trappen, ramen en deuren voor de aannemers. Het waren aanvankelijk kleine aannemers, maar later in de 30-er jaren ook wel wat grotere. Er werd toen veel gebouwd, zoa1s de Geelvinckstraat, de Jacob Catsstraat, de Dr Leenaersstraat en de Brakenburgstraat. Kortekaas en Turkstra bouwden daar veel. Een timmerman, mijn vader ook, tekende zelf een huis en bouwde dat. Er waren wel bouwvoorschriften, maar nog niet zoveel. Die kwamen pas na de oorlog. Een architect had je toen nog niet nodig.
Ik kwam eerst op de R.K. bewaarschool bij de nonnen aan de Dorpsstraat. Ik weet daar weinig meer van, wel dat je op heel lange banken moest zitten, waar je achter mekaar in moest schuiven. Die nonnetjes waren hele lieve mensjes. Het waren toen grote klassen. Ik heb nog een foto van de 3e klas lagere school, waarin bijna 40 jongens zaten.


Jaarboek 23, pagina 20

Dat was de Augustinusschool, waar Bodewes onze – nog jonge – meester was. We noemden hem Bodewes, met de klemtoon op de laatste lettergreep. We legden wel eens meer de klemtoon verkeerd, iedereen had het over de spoorbomen, met de k1emtoon op bomen. Er waren 7 leerjaren, met je 13e mocht je van school af en vrijwel niemand ging naar een vervolgschool. In onze klas alleen Antoon Meijer, die priesterstudent werd en nog iemand, die naar de MULO ging. Dat was alles van de 40 jongens. Er zaten toch best briljante koppen bij, hoor. Maar iedereen moest aan het werk. Ik was wel voorbestemd om naar de MULO te gaan. Maar ‘een garnaal heeft ook een kop’, ik wilde niet. Ik wilde naar zee, maar kreeg daar geen toestemming voor. Er was toen helemaal geen voorlichting, zoals nu bijvoorbeeld, beroepskeuzebureaus. De onderwijzers zeiden ook niks tegen je ouders als je meer kon. Achteraf merkte ik, dat als ik naar zee was gegaan, dat MULO-diploma nodig had gehad voor toelating op de Zeevaartschool. Wisten wij veel. In mijn familie waren veel vissers, uit Egmond aan Zee, er zijn er veel verdronken. Mijn grootvader, een oom, de vader van mijn grootmoeder en neven van mijn vader. Dus er was geen sprake van, ik mocht niet naar zee. Toen wilde ik niks en gooide mijn kop in de wind. Dan moest ik maar gaan timmeren in de fabriek van vader. Ik had wel voor het vak naar de ambachtsschool in Alkmaar gekund, maar dat wilde ik niet. Andere jongens van mijn leeftijd gingen wel naar de ambachtsschool. Later kwam ik er zelf wel achter hoe stom ik was geweest. Toen was het overdag timmeren en alsnog – maar nu ‘s avonds – naar de ambachtsschool. Dat onderwijs was puur vakgericht met technisch tekenen en wat algebra. Boekhouden leerde ik van Piet van Westen, het hoofd van de lagere school. Middenstandscursussen waren er nog niet.

Janus Hopman (links) met zijn personeel v.l.n.r. Siem Pepping, Piet Castricum, Piet de Vries, Cor Zijp, Bertus Scholder, Jan Schuit, Marietje Schuit, onbekend, Engel en Jaap Hopman en Siem Kops, 1923.
Janus Hopman (links) met zijn personeel v.l.n.r. Siem Pepping, Piet Castricum, Piet de Vries, Cor Zijp, Bertus Scholder, Jan Schuit, Marietje Schuit, onbekend, Engel en Jaap Hopman en Siem Kops, 1923.

Later in 1948 ben ik met mijn vader samengegaan in de aannemerij. Toen heb ik daarvoor v1ak na de oorlog nog een aannemersdiploma en het diploma timmerfabrikant gehaald en toen mocht ik mij vestigen. Het bedrijf was in 1943 gesloopt. Alle bebouwing aan de Vinkebaan was toen weg, dus ook ons huis en onze fabriek. De machines ergens opgeslagen. Er was toen ook niks meer te doen, gebouwd werd er niet en er was geen hout, helemaal niks. In de eerste jaren van de oorlog maakten we nog houten speelgoed, houten huishoudelijke artikelen en ook wel meubelen. We hadden daar nog wat eikenhout voor. Waar het allemaal naar toe ging, weet ik niet, dat regelde mijn vader allemaal. Na de oorlog wilde vader zo snel mogelijk weer aan de slag met zijn bedrijf, maar dat stuitte op veel moeilijkheden bij de gemeente. Die hadden een uitbreidingsplan en er kwam een industrieterrein op het Schulpstet. Daar moesten wij toen ook naartoe, maar dat werd pas in 1952. Vanaf 1948 gingen we huisjes bouwen, zoals aan de Brederodestraat en de Schelgeest. Kees de Groot bouwde aan de Poelven die 52 duplexwoningen en daarvoor maakten wij de trappen. We woonden toen in de Pernéstraat, daarachter was een schuur, waarin we een machientje hadden, waarmee we de trappen konden maken. Er moest toen veel gebouwd worden, men had vaak een herbouwplicht voor de gesloopte woning. De schade werd door de regering vergoed. Voor 20.000 gulden had je toen een flinke woning. Na 1964 had je de grote prijsexplosie en werd alles veel duurder. In 1952 gingen we dus naar het Schulpstet, maar eerst moest daar nog een berg puin en hout van de gesloopte woningen afgevoerd worden. Dat was daar opgeslagen. Van de kalkovens lag het puin er niet, dat was in 1943 al naar Akersloot vervoerd. De wegen waren vroeger voornamelijk zandpaden met in het midden een klinkerpad, het paardenpadje. De Torenstraat was toen nog zo’n landweggetje.

De gymvereniging VIOS is in 1923 opgericht op initiatief van een kapelaan van de kerk. Alles was toen Rooms, de fanfare, de voetbalclub, de gym en noem maar op. Dat was toen zo. Op mijn 17e kwam ik bij VIOS, Cor Res had de leiding. In de oorlog stopten alle verenigingen, dus ook VIOS. Van de Duitsers mochten toen geen aparte katholieke en christelijk bonden bestaan, alles moest in een algemene bond ondergebracht worden. Maar daar deed de kerk niet aan mee. In 1945 is VIOS weer opgestart. Maar toen werd ik door Piet van der Steen gevraagd om naar Limmen te komen om daar les te geven. Want ik had inmiddels een leiderscursus gevolgd. Die club begon toen in het Patronaatsgebouw Sint Maarten in Limmen en de gymclub groeide snel. En dat drong ook tot Castricum door. De gymclub hier zakte helemaal in mekaar. Niek Steeman was toen voorzitter van VlOS en die vroeg aan mij: “Tinus, wil jij hier les gaan geven?” Ik zei direct: “Nee, dat doe ik niet”. Dat wilde ik niet, want samen met Jan Breetveld, Doris Schermer en Wim Korsman en ik waren we door kapelaan Van der Zalm als lid van VIOS geroyeerd. Omdat bij VIOS in de oorlog niet meer gegymd werd, gingen wij bij DOS gymen. Die kapelaan vond het verschrikkelijk, dat wij naar zo’n neutrale vereniging waren gegaan. Hij preekte er toen zelfs over in de kerk. Volgens hem had je daar allemaal van die blote meiden met van die gympakkies aan. Maar Steeman hield vol en zei erbij: “We betalen een rijksdaalder per uur.” En dat was toen een hoop geld. Een timmerman kreeg maar een gulden. En ik had verkering en wilde trouwen. Ik zwichtte, het was toen 1947. Ik begon met 2 dames te oefenen, meer waren er toen niet. Maar elke week kwamen er bij, ook veel kinderen. Zodoende kwamen er meer uren bij. Van dat lesgeven kon ik trouwen en leven. Maar daarnaast werd het ook steeds drukker in de fabriek, ik moest lesuren afstoten. Bovendien had je bij een vereniging geen sociale verzekeringen, en de toekomst voor een coach is onzeker. Ik stootte de jongens- en meisjesclubs af en voor mijn lol bleef ik wel leider van de dames- en herenafdelingen. Ik heb ook nog jaren in het bestuur gezeten, later ook als voorzitter. Als turners konden wij hier niet veel meer leren. In het begin van de oorlogsjaren hadden we nog wel een goede leraar, Jan de Goede uit Amsterdam. We waren zo enthousiast, dat we ook in Heemskerk DOK, heette die club, later ADO, gingen turnen. En toen mochten we met ons vieren ook mee turnen met de keurploeg van de Turnkring in Alkmaar, waar Klaas Boot Sr. de leider was.


Jaarboek 23, pagina 21

Ik kon toen wel aardig turnen, maar toen Klaas Boot Jr. op kwam zetten, turnde hij mij al snel uit de keurploeg. Hij is later vele keren kampioen van Nederland geweest. We hadden met VIOS ook een uitwisseling met een andere gym club. Dat kwam door onze ijverige secretaris Jan Kloes, die plaatste een oproep in een of ander turnblad. De reactie kwam van een club uit Limburg, Voerendaal, Furenthela heette die. Met een bus vol jongelui gingen wij daarheen. Voor Voerendaal moesten wij ons allemaal omkleden in onze gymkleding, jongens en meiden door mekaar. We wisten niet wat ons overkwam. Een hele optocht stond klaar om ons in te halen, de fanfare voorop en de schutterij, ook met muziek. Een heel tumult daar. We sliepen bij gastgezinnen. Eén of twee jaar later zijn ze hier geweest, zij hadden alleen een mannenclub. Op een veld bij Johanneshof hielden we onderlinge wedstrijden. We hadden elk jaar wel buitenoptredens, demonstraties op het Vitesse-terrein bijvoorbeeld, eerst achter garage Kooijman, waar nu Rusthof is. Later bij de Oud-Haarlemmerweg en toen waar het nu is. VIOS was een grote club geworden, 500 leden hadden we.

11 November 1948: de aankomst van her bruidspaar Tinus Hopman en Agatha Veldt bij het gemeentehuis met een erehaag van brandweermannen.
11 November 1948: de aankomst van her bruidspaar Tinus Hopman en Agatha Veldt bij het gemeentehuis met een erehaag van brandweermannen.

De ouders van mijn vrouw, toen mijn verloofde, werden naar Wildervank in Groningen geëvacueerd. Half Castricum was al weg. Maar mijn ouders mochten blijven, omdat ik bij de brandweer was. Die mensen kwamen dus in Groningen terecht, maar dat was helemaal niks, zij spraken Greunings en wij Castricums, ze verstonden mekaar geeneens. Maar haar broer had een comestibleswinkel in de Pretoriusstraat in Amsterdam. Daar zagen ze de Joden afgevoerd worden, verschrikkelijk was dat. Maar daardoor kwamen vele woningen leeg en haar broer zei: “Kom maar hierheen, die huizen staan toch leeg.” Niet dat alleen gezinnen zo ver weg moesten, maar ook stelletjes werden zo van elkaar gescheiden. Een broer was in Zijdewind ondergedoken, haar ouders dus in Wildervank en mijn verloofde in Amsterdam. Toen zijn we in 1944 verloofd. We hebben 6 jaar verkering gehad, in 1948 zijn we getrouwd. Er was toen helemaal niks, huizen al helemaal niet. We hebben eerst nog 4 jaar bij mijn ouders boven in de Pernéstraat gewoond. Toen zij naar het Schulpstet verhuisden, kregen wij het hele huis.

In 1941 kwam ik bij de brandweer. We zaten toen in een schuur bij de N.H.-kerk, naast Eikel de fietsenmaker, waar nu het pleintje is. In de oorlog werd de boerderij van Cor Groen in brand gestoken als represaille. Van de Duitsers mochten wij niet blussen. Pas toen zij weg waren, konden wij erbij. De boerderij was natuurlijk verloren, maar het huis bleef behouden. Onder de hooiberg kwamen nog 2 auto’s vandaan, die daar opgescholen waren. De Duitsers hadden die gelukkig niet gezien. Maar ja, die waren nou ook verbrand. Ook in de Pernéstraat werden drie huizen in de brand gestoken, ook als represaillemaatregel. Maar daar konden we op de hoek wachten tot ze weg waren. Daar is alleen de bovenverdieping afgebrand. Later is het weer helemaal hersteld. De brandweer heeft ook nog in een schuur aan de Overtoom gezeten en weer later in de doorrijstal bij de Rustende Jager. De regen kwam van alle kanten binnen, het dak was helemaal verrot, bestond alleen uit dakpannen en geen dakbeschot. Je keek zo door de pannen naar buiten. Als het geregend had, stond er wel 20 tot 30 cm water in. Met de verhuizing naar de Brakenburgstraat was dat gelukkig over. Later werd ik zelf commandant. Eigenlijk wilde ik niet zo graag, ik had het druk met de zaak, maar ja het komt op je weg. Burgemeester Smeets, ik was toen al brandmeester, vroeg of ik commandant wilde worden.

Daar moest ik wel even over denken, want dat vergde natuurlijk weer veel tijd. Ik ben het 11 jaar geweest tot 1978. Dat was wel te combineren met mijn zaak. Als er wat gebeurde, hoefde ik er toch niet persé bij te zijn. Dat was niet zo erg als ik er niet was. Een commandant spuit niet als er brand is. Dat moeten de mensen doen. Als commandant was ik de organisator, of directeur, als je wilt. De mensen moesten het doen, ik moest ze het vertrouwen geven. Ik stuurde ze naar cursussen. Castricum groeide en ook het korps breidde zich uit. Toen ik commandant werd, waren er 14, toen ik vertrok 36 brandweerlieden. Voor de hoge gebouwen, die hier verrezen, hadden we geen materiaal, nu nog niet. Het gaat daar meer om preventie, mensen moeten veilig kunnen vluchten. Het is nu allemaal regionaal geregeld, dat begon in mijn tijd al. Groot materieel staat ergens centraal klaar. Dan hoeft niet elk korps over kostbaar materieel te beschikken. Tegenwoordig moet men heel veel leren. Over ongevallen en gevaarlijke stoffen en zo. Het wordt steeds moeilijker om vrijwilligers te vinden voor het korps, er worden teveel eisen gesteld. Je kan er pas bij als je 2 jaar een opleiding heb gevolgd, en dat is nog maar het begin. Zij, die hogerop willen, moeten voor 14 dagen of een maand naar de brandweerschool. Er zijn bijna geen eigen bazen, of middenstanders meer bij het korps. Een uitstervend ras. De meesten zijn werknemers en werkgevers zijn er niet zo happig op om vrij te geven als er wat aan de hand is. Gelukkig werken nu een aantal mensen bij de gemeente en Duin en Bosch, die zijn wat makkelijker.

Voor je vrije tijd had je voor jongens vanaf 14 jaar het Patronaat en de Jozefgezellen. In het huis van Goes, een mooie en grote oude villa, recht tegenover het gemeentehuis aan de Dorpsstraat. Daar waar nu de winkels en de Corso staan. Je kon daar dammen, kaarten, sjoelbakken en biljarten en zo. Ik ken nog jongens bij mij op de biljartclub, die het daar geleerd hebben en het aardig kunnen. Maar het moet wel een rot biljart zijn geweest, want ze spelen allemaal keihard. Dat krijg je er niet meer uit. Op zondag was er dansen bij Willem Beentjes, café De Vriendschap, later dancing De Oude Schimmel. Ook bij Eggers in De Rustende Jager. En eens in de zoveel tijd bij Willem Borst op Bakkum op zondagmiddag. ‘s Middags had je de vespers en ‘s avonds het Lof. Na het lof mocht je pas dansen. Op zondag mocht je voor 12 uur van de kerk geen wedstrijden houden. Het lof was een prachtige gelegenheid voor de jongens en de meiden om elkaar te ontmoeten.
Vroeger had je geen vakantie, bij mijn vader in het bedrijf ook niet. Met de Castricumse kermis kwam de beer los. Want dan kreeg je 3 dagen vrij. Daar werd voor gespaard. De Bakkummer kermis was maar 2 dagen, zondag en maandag, daar kregen we geen vrij voor.


Jaarboek 23, pagina 22

De mannen-turnploeg van VIOS in 1941 met v.l.n.r. leider Jan de Goede, Engel Zonneveld, Wim Korsman, Dorus Schermer, Van Bakel, Cor Groen, gemeentesecretaris Jan van Lunen, Niek Borst, Tinus Hopman, Jan Breetveld, Herman de Groot en Antoon Lute.
De mannen-turnploeg van VIOS in 1941 met v.l.n.r. leider Jan de Goede, Engel Zonneveld, Wim Korsman, Dorus Schermer, Van Bakel, Cor Groen, gemeentesecretaris Jan van Lunen, Niek Borst, Tinus Hopman, Jan Breetveld, Herman de Groot en Antoon Lute.

Kon je op zondag en maandagavond heen. Kermis werd ook thuis gevierd, dat begon met een borreltje, voor je naar de kermis ging. Bakkum was een kleine kermis, het speelde zich af bij Willem Borst en bij ‘Willem van Cas’, Willem Castricum, café De Goede Verwachting, bij de Haagsche weg. Op maandag was daar katknuppelen, er zat geen kat meer in. Vroeger wel, toen waren ze niet zo kinderachtig. Na de oorlog is het langzamerhand verdwenen. De kraampjes stonden bij beide cafés. De ‘Draai van Braak’ was een bekende attractie. Die draaimolen van de familie Braak uit Egmond aan de Hoef, is er nog steeds. In Castricum kwam elk jaar een bioscooptent. Met stomme films en een explicateur. Die tent was van de firma De Jong uit Edam: Een film was toen een sensatie. Ik heb ‘De Jantjes’ gezien en ‘De dikke en de dunne’. Met een paar films trokken ze het hele jaar het land door. Alleen in de steden waren bioscopen. Later heeft Jan Res een bioscoop, de ‘Corso’ gebouwd. Het huis van Goes was al gesloopt en er kwamen winkels bij. Dat huis was veel te groot om te behouden. Men ging toen veel naar de film, er was niks anders.

Jan Twisk had een koets met paard en daarmee zijn we een keer naar Alkmaar gereden, onderweg veel opgestoken. Verkeer kwam je amper tegen, het was er niet. Het dorp zag er vroeger heel anders uit. De Dorpsstraat bestond uit klinkers, asfalt was er niet. Er lagen nog wel de rails van de tram, maar die reed allang niet meer. Langs de straat lagen nog stukken sloot met bruggetjes naar de huizen. Bij de Augustinusschool hield het dorp op. Aan de andere kant had je de Oude Alkmaarderstraatweg met de Rooie Buurt en even verderop het huis van Veldt en de boerderij van Piet Kuijs en Borst, de metselaar. Dan kreeg je een hele tijd niks, tot je bij de Kooiweg kwam. Dan zat je al een heel end in de binnenlanden. Dat was een heel eind weg. Dan had je de Torenstraat, zonder huizen, alleen maar tuinderijen. Het Cieweggetje was er met een sloot vol modder en prut. Op het eind van de Torenstraat had je de boerderij van Piet Bos en nog zo’n 4 huisjes, dat was alles. Op de Ruiterweg had je het huisje van “Schele Sijmen’ (Sijmen Stuifbergen) en nog een paar huisjes aan de overkant. Dan kwam je bij de Mient, daar stonden een paar huisjes, ook de boerderij van Gerrit Bos. De bakkerij van Hemmer stond op de hoek. Bij de Vinkebaan kwam je in de bewoonde wereld, daar stonden flink wat huizen in lintbebouwing aan weerskanten van de straat. Dat ging zo door in de Bakkummerstraat. Achter die huizen overal tuinderijen. Er waren ook nogal wat winkeltjes. Die van Willem Nanne, de groenteboer. Die had al een soort warenhuis met galanterieën, ‘diggelen’, klompen, lucifers en al dat gesnor. Recht tegenover ons woonde de weduwe Meijer, die begon een winkeltje in manufacturen, toen haar man overleden was. Zij kocht haar spu1len bij Kofa-Spruyt in Alkmaar. Dan had je de paardenslagerij van Jan Huiberts en Jan Hartog de fotograaf. Daar kon je foto’s afdrukken en zo. Familiefoto’s kon hij niet zo, daarvoor ging je naar De Rooij in Limmen. In de bocht zat timmerman Nootebos, eerst Vlaar, en dan Floor Dop (Twisk) de smid. Hij besloeg ook paarden. Mijn vader bestelde zijn ijzerwerk voor de fabriek bij hem. Op de hoek van de Vinkebaan en de Sifriedstraat woonde Wub van Weene, de revueman en Sinterklaas. Zijn zolder lag vol met revue-attributen en kleren. Als kinderen, ze hadden ook een jongen Jaap en een dochter Alie, gingen wij oorlogje voeren in het duin in de kostuums van de revue. Wij vochten ook tegen andere buurten, allemaal in het gemoedelijke, hoor. Op mijn 12e kreeg ik een windbuks voor mijn verjaardag. Daar leerde ik aardig mee schieten. Naast ons woonde Willem Nanne, die had een zoon Wim, even oud als ik. Op een dag zei hij tegen mij: “Jij met dat rot ding, dat kreng ken hier geenees komme. O, nee, ga maar eens staan.” Toen ging hij gebukt staan en schoot ik hem precies in zijn kont. Hij gilde als een mager speenvarken. We hebben toen de broek van zijn kont gestroopt, allemaal jongens er omheen en wij zagen een gaatje met bloed. Toen zijn we met zijn allen naar dokter Leenaers gegaan, die woonde om de hoek aan de Mient. Die heeft het eruit gehaald. Hij zei tegen mij: “Als je dat nog eens doet, Tinussie Hopman, dan zal het je beste beurt niet worden.” Van mijn vader kreeg ik natuurlijk ook op mijn donder en dat ging niet zachtzinnig.

Het echtpaar Duijn-Gijzen: Joh. Duin, geboren 28-2-1921

Ik moest eerst een jaar naar de school hier in Bakkum, De Openbare Lagere School (De School met den Bijbel), want ik gold als een bleekneusje. Ik ging daar elke dag met een stel jongens heen. Die woonden in het spoorhuisje aan het einde van de Bleumerweg, die man werkte aan het Spoor. Voor de tweede klas moest ik natuurlijk naar de katholieke school in het dorp. In Bakkum hadden we meester Nijsen als hoofd van de school, die had de vijfde en zesde klas, juffrouw Geuzebroek de eerste en tweede klas en meester Filippo de derde en vierde. Meester Van Westen was het hoofd van de Augustinusschool in Castricum, hij was een strenge meester. Als je vervelend was geweest, kreeg je een klap met de stok. Thuis dorst je dat niet te zeggen, want dan kreeg je thuis ook nog onder het motto: “Je zat het er wel naar gemaakt hebben.” Er heerste een grote discipline op school, toen. Schoolverzuim kwam bijna niet voor. We kregen wel landbouwverlof om thuis te helpen, aardbeien, bonen en erwten plukken en zo. Het schooljaar liep toen nog van 1 april tot 1 april, dat is pas na de oorlog veranderd. Er waren toen ook de 7e en 8ste klas voor de jongens, die tot hun 13e op school moesten blijven. Er zaten niet veel jongens in die klassen. Vele kinderen waren blijven zitten. Vervolgonderwijs was voor weinigen weggelegd, dat waren voornamelijk kinderen, wier ouders bij Duin en Bosch werkten.


Jaarboek 23, pagina 23

Die hadden een vast salaris en hadden wat meer armslag als de tuinderskinderen. Zelf heb ik allerlei cursussen gedaan. Landbouwcursus in Egmond Binnen. Ik denk dat het de eerste cursus in de omgeving was, want ik was l6 en er waren erbij, die waren wel 30. Het duurde 2 winters, 2 avonden in de week, van 7 tot l0. Er zat van alles bij, ontwikkeling, boekhouden, EHBO en houtbewerken. Lassen leerde ik op de ambachtsschool in Alkmaar. Bij de ontwikkelingscursus zat ook spreekvaardigheid, dat was wat angstig.

De oorspronkelijke boerderij van de familie Duijn aan de Bleumerweg omstreeks 1914. De schuur ging door brand verloren, de boerderij is afgebroken en vervangen door de huidige.
De oorspronkelijke boerderij van de familie Duijn aan de Bleumerweg omstreeks 1914. De schuur ging door brand verloren, de boerderij is afgebroken en vervangen door de huidige.

De enigste vrije dag, die we hadden, was zondag. Maar ook op zondag vroeg op, melken. Iedereen in het dorp werkte toen 6 dagen in de week. In onze vrije tijd hadden we de Jozefgezellen voor de jeugd vanaf 17 jaar. Je kon daar kaarten, biljarten, gezellige avonden, maar er werden ook wel ontwikkelingsavonden georganiseerd. Toen ik 18 was mocht ik op dansles bij Arends hier in het dorp. En op zondagavond gingen we te dansen. Om 7 uur ging de danstent open, eerst moest je naar de kerk, naar het lof en dan zagen we elkaar en bedacht je met wie je later op de avond wilde dansen. En om een uur of half acht gingen we naar de danstent. De Jozefgezellen was in een groot gebouw van Goes tegenover het oude gemeentehuis. In dat gebouw waren nog andere groepen, als de Kruisvaart. Dansen was bij De Oude Schimmel, Roozendaal heette dat toen. Ook bij Eggers in de Rustende Jager kon je dansen. Het duurde tot half elf en om elf uur kon je thuis wezen.
Als het vroor ging de ijsbaan open, op het Stet, gewoon op de sloot. In de winter konden we niks doen, dus konden wij schaatsen. Als het gesneeuwd had, gingen we eerst ‘s morgens de baan schoonvegen. Schaatsen was toen zwieren, een soort kunstschaatsen, zeg maar. Daar op de Schulpvaart op het Stet is de ijsclub opgericht. Later is een weiland uitgegraven aan de Zeeweg voor de ijsbaan. Mogelijk is die uitgraving geweest voor zandwinning voor Alkmaar. Voor de Zeeweg van het kruispunt in Bakkum naar Limmen is het Duinmeer uit gegraven. Daarvoor was een spoorlijntje aangelegd. Een klein stoomlocomotiefje trok een rits kiepkarretjes. Elke dag werden mannen met bussen aangevoerd om het werk te doen. Volgens mij waren het werklozen uit Haarlem. In oorlogstijd kwamen er veel mannen uit Rotterdam om kabels te leggen voor de Duitsers. Die werden ingekwartierd op Duin en Bosch.

Vader Reinier Duijn (links), Jansje Duijn - Bakker, dochter Truus, op de bok Piet, Gerard, Jaap en Jo, en de knecht Jaap Groot in 1928 (onder).
Vader Reinier Duijn (links), Jansje Duijn – Bakker, dochter Truus, op de bok Piet, Gerard, Jaap en Jo, en de knecht Jaap Groot in 1928 (onder).

In oorlogstijd mochten alleen zij in Bakkum blijven, die voor de voedselvoorziening werkten. Wij kregen dan een Ausweisz, met foto en vingerafdruk. Je was wel gebonden aan tijden, om acht uur bijvoorbeeld moest je ‘s avonds binnen blijven. Dan zat je bijvoorbeeld op een mooie zomeravond in het zonnetje, dan mocht je niet weg. Het was wel eens angstig voor vader en moeder, want als je voor achten door de controlepost was gegaan, kon je nog wel even blijven kletsen met een vriend binnen de zone. Als je dan om een uur of negen thuiskwam, was het: “Waar ben je gebleven, we waren ongerust.” Natuurlijk was ik ook wel eens te laat bij de wacht, die was in het eerste doktershuis. Eigenlijk moest je dan een nacht overb1ijven. Werd je naar de Ortskommandant gebracht in het domineeshuis, tegenover De Kern. Maar ik was ook wel eens te laat, dan zaten die wachten te suffen, die zeiden: “Ach mensch, lass gehen.” Ik was toen begin 20. Ik hoefde niet naar Duitsland voor de Arbeitseinsatz. Mijn jongste broer zou wel moeten. Maar we hadden toen dokter Van Nievelt, die was een huisvriend. Nou was het eten erg schaars, maar wij waren zelfvoorzienend, graan, we slachtten een kalf, we hadden melk en nog meer. En tabak niet te vergeten. Elke middag werd er pap gekookt en dan kwam Van Nievelt ook een lekker bordje pap mee eten. Hij zorgde dat mijn jongste broer een verklaring kreeg, dat hij zogenaamd TBC had. Ik hoefde niet naar Duitsland, omdat ik in de voedselvoorziening zat. Als er razzia kwam, kwam de plaatselijke politie op de fiets waarschuwen. Wij hebben eigenlijk nooit echt last gehad van die Duitsers. Wel hadden we een schuilplaats gemaakt in de hooiberg. Wij zaten tenslotte in de leeftijdsklasse, die door de Duitsers werd opgepakt. Mijn vrouw zag hoe in Akersloot mannen zomaar van de straat werden opgepikt. Allemaal aan elkaar vastgebonden trokken ze voorbij het schoollokaal, waarin wij zaten. Allemaal jonge jongens waren het.

Deze foto is gemaakt op dezelfde dag in 1928 mei v.l.n.r. vader Reinier, zoon Piet, Jansje Duijn - Bakker, Jaap Groot en de kinderen Gerard, Truus, Jo en Jaap.
Deze foto is gemaakt op dezelfde dag in 1928 mei v.l.n.r. vader Reinier, zoon Piet, Jansje Duijn – Bakker, Jaap Groot en de kinderen Gerard, Truus, Jo en Jaap.

Jaarboek 23, pagina 24

Wij hebben zelf op de boerderij nooit een inval gehad. Ook al hadden wij een onderduiker zitten. Wij kwamen die Duitsers alle dagen tegen. Ze hadden bij ons een paard op stal. Het leek wel of ze het zelf ook niet zo royaal hadden. Ze kwamen regelmatig melk halen. We hadden een soort vertrouwen onderhand.

Gré Gijzen, geboren 29-6-1926

Ik zat ook op de Augustinusschool, de meisjesschool. De jongens- en meisjesschool waren gescheiden door een schutting, alleen door een kier kon je naar de jongens kijken. Juffrouw Renkel had de eerste klas, er was ook een Duitse zuster, een klein dikkertje en lastig. Van de
andere nonnen kan ik mij de namen herinneren van Servatia, Odulpha, Beata en Fulgentia. Die laatste was een lieverdje. Ik herinner me nog zuster Johanna, die is maar kort geweest. Daarna kwam juffrouw Tromp, de dochter van aannemer Tromp. Juf Meijne gaf ook les. Als je wat gedaan had, of je werk slordig gemaakt, moest je je hand neerleggen en sloeg ze met een liniaaltje, vreselijk, was dat. De tweede juffrouw Renkel had de vijfde klas. De gezusters Renkel kwamen uit Akersloot. Het waren nette dametjes, ze gaven goed les, maar ze waren heel streng. In de vijfde klas kregen we van één van hen zangles en moesten 3 klassen bij elkaar komen. Vreselijke lol, natuurlijk, met zijn drieën in de bank en de rest allemaal staan. Maar ze had de discipline erin. Ik heb nog even in de achtste klas gezeten, tot ik dertien was. Er waren wel klassen met wel vijftig kinderen. Zelfs de gecombineerde 7e en 8e klas was groot. Het was een ander onderwijs, dan tot en met de zesde klas. Andere sommen bijvoorbeeld, die je op de MULO kreeg. Er was geen huishoudles, wel handwerken. Die nonnen zaten erg in het katholieke onderwijs. Ze kregen een volwaardig salaris en dat was voor de orde, waarin zij zaten goed. Ze woonden in het zusterhuis, naast de kerk. Ze zaten ook op de bewaarschool. Het gebouwtje van de bewaarschool is er nog, er zit nu (red: in 2000) een fysiotherapeut in. Er zijn nu nog 2 klasjes in, ik was er kort geleden en het uitzicht was nog precies hetzelfde als in mijn tijd. Mijn vader was timmerman, hij heeft zijn eigen huis nog gezet in de Torenstraat. Het huis moest gesloopt voor de doortrekking van de Torenstraat. Het stond precies op de plaats waar nu de rotonde is. Toen ik van school kwam, wilde ik graag doorleren. Maar mijn vader had het aan zijn maag en moest geopereerd worden. Daardoor verdiende mijn vader een stuk minder. De voorzieningen waren niet als nu. Dus moest ik in een betrekkinkje. Bij meester Emst. Van het geld, dat ik verdiende, mocht ik naaien leren. Mijn moeder kon mij thuis wel goed gebruiken, maar ik was de oudste van de zeven en er moest geld op de plank komen. Ik werkte 2 dagen in de week en verdiende 2,50 gulden per dag, dat was nog een goed loon voor die tijd voor een meisje. Ze hebben hun huis in de dertiger jaren niet hoeven te verkopen, zoals zo vele anderen dat wel moesten. Mijn moeder breide erbij voor anderen, dat kon ze heel best. De dagen, dat ik thuis was, naaide ik voor anderen. Voor verschillende mevrouwen maakte ik wat aparte kleding. Dat verdiende beter, dan met werken.
Voor de meisjes was er het Meisjespatronaat, dat werd in de bewaarschool gehouden. Het werd geleid door de vrijgezelle oudere dames. We deden daar spelletjes met elkaar, we gingen wandelen, er was ook wel eens een spreker. We gingen ook wel naar duin, uitleg over planten, wel leerzaam allemaal. Alles werd door de kerk georganiseerd, als algemene vorming. Je had ook de Maria-congregatie. De ontmoetingsplaats van jongens en meisjes was het lof op zondagavond.
Wij moesten evacueren, eerst naar de Kleis in Uitgeest, daar hebben we, denk ik, een jaartje gezeten. Toen moesten we weg om ruimte te maken voor de spoorbaan. Dat bericht kwam ‘s morgens en ‘s avonds zaten we in Akersloot. Zo zaten we met ons gezin in een schoollokaal met alles wat we hadden en dat was niet veel, hoor. Daar hebben we meer dan een half jaar gezeten, het was verschrikkelijk. Toen zijn we stiekem terug gegaan naar ons eigen huis in de Torenstraat. Na de oorlog moest het toch afgebroken worden voor de uitbreiding. Kregen we eerst een huis aan de Zaalbergstraat aangeboden tegenover de apotheek, maar dat was veel te klein voor zeven kinderen.
Als de fanfare een uitvoering gaf, gingen we daar naar toe, dan was er bal na en daar heb ik Jo leren kennen. Ik heb zelf ook verschillende keren meegedaan aan een revue. Met Wub van Weenen heb ik ook nog meegedaan, hij was van de EHBO, dacht ik. Daarvoor had ik al meegedaan met revues van de Jozefgezellen met Henk en Jan Schram bijvoorbeeld, Jan Rozing was daar ook bij. Al die verenigingen als de fanfare, EHBO en zo gaven allemaal uitvoeringen. Wub van Weenen gaf wel 2 tot 3 uitvoeringen, dat duurde tot zo’n half elf, dan gingen alle stoelen aan de kant en was het bal. Vaak op muziek van een accordeon. Dat duurde dan wel tot 2 uur ‘s nachts, dat waren leuke avonden. Dat waren de plekken waar je elkaar ontmoette.

Job. Duijn

De kermis was het hoogtepunt van het jaar. Je was het hele jaar in de plooi, maar met de kermis nam je wat biertjes en borrels en kwam je wel eens scheef thuis, maar dat werd dan getolereerd. Daar spaarde je het hele jaar voor. In Castricum gingen we op zondag en dinsdag naar de kermis, geen 3 dagen, dat kon niet. Op Bakkum was op maandag het eerste deuntje, dat was prachtig. Oudere en jongere Bakkummers door elkaar. Je ging bij elkaar eten, ook dat was traditie. Met een lange sliert jongens en meisjes over de Bakkummerstraat, druk was het toch niet, en dan ergens eten. Maar ja met melkenstijd moest je toch naar huis, want die beesten moesten gemolken worden. Het feest was bij Borst. Maar Willem Castricum aan de Heereweg had ook een café, daar werd een grote danstent gebouwd, naast zijn kroeg, waar nu dat tankstation staat. Een grote houten tent met zeildoek. Maar op een gegeven moment werd die tent niet meer gebouwd en verplaatste de kermis zich naar Borst in de Bakkummerstraat. Bakkum was toen eigenlijk de hoofdkermis. Ik denk dat daar toen in die tijd de grote zaal gebouwd is. Het was gezellig met kramen, schommelschuitjes en de zweef. Eerst stonden die op een terrein naast het café van Willem Castricum, naast de Haagsche weg.


Jaarboek 23, pagina 25

Er was toen een spel, dat heette katknuppelen. Er was een vat dat hing tussen twee palen en in dat vat hing een touwtje met knopen. Je had knuppels met een beitel erop. Je moest met die bijl eerst de ringen van het vat stuk gooien en elk ring was bijvoorbeeld 2 kwartjes. Net zolang tot het vat uit elkaar viel en het touw met knopen aan de beurt was. Ik heb wel gehoord dat er nog vroeger een levende kat in het vat werd gezet, men was vroeger nogal bruut met die dingen. Dat spel werd door de kastelein georganiseerd. Ik denk dat de kermis in de dertiger jaren verplaatst is naar de Bakkumerstraat. De loop raakte toen ook uit het café van Willem Castricum.
Op de Castricummer kermis was een bioscooptent met films van De Dikke en De Dunne. Dat was op het toenmalige veilingterrein aan de Dorpsstraat-Overtoom. Wat ik mij ook herinner was een Hypodrome met paarden. Boven de stationsvijver bij hotel Beentjes, hij had een bijnaam Zwarte Cor, werd een danstent gebouwd. Daarvoor zat Jan Twisk erin. Je had toen ook het café van Kehl, later heette het Ammeraal, in de Burg. Mooijstraat-hoek bij de Stationsweg. Dat was ook een danstent, net als Roozendaal, De Rustende Jager en Beentjes in de Dorpsstraat. Er kwamen dan ook veel jongeren uit de wijde omgeving naar Castricum. De kermis in Bakkum kreeg op een gegeven moment de naam van Bakkummer oorlog, maar dat is zwaar overdreven. Er waren wel eens vechtpartijtjes, maar dat was heel gering. Maar ook toen was er wel eens wat aan de hand.

 Het gezin van de vertellers met de dochters Ans (links) en El (rechts).
Het gezin van de vertellers met de dochters Ans (links) en El (rechts).

Er waren hier op Bakkum rond de Bleumerweg heel wat winkeltjes, zelfs hier recht tegenover het kruidenierswinkeltje van Schermer. Je had de bakkers Krimp en Wester, later Matze. Naast Matze had je de kruidenierswinkel van Zonneveld. En tegenover het café van Willem Castricum, melkboer Cor de Winter. De bakkerij van Wester was vroeger een café. De prijs van een borreltje (jenever) was 6 cent, bier was niet zo in trek.

Er kwamen op een gegeven moment (de negentiendertiger jaren) mensen uit Amsterdam en de Zaanstreek op de fiets op zaterdagmiddag. Het begin van het toerisme, het strandleven kwam op gang. Die mensen wilden hier overnachten. Henk Twisk, hier aan de Bleumerweg, bood die mensen onderdak, hij had al ervaring opgedaan bij boerderij Johanneshof. Hij vroeg een of twee kwartjes per nacht slapen in het stro in de stal. De jongens beneden en de meiden boven. Om de bokken en de geiten te scheiden, ging Twisk wel eens hij de jongens slapen, als het te onrustig werd. Een andere buurman ging het ook doen. Twintig, dertig slapers op een zaterdag was heel gewoon en dat verdiende toentertijd lekker. Er waren regelmatig problemen om de pacht op te brengen van de 30 ha land, die van advocaat Kraakman werd gepacht. De jongens kregen geen loon, een zakcentje, dat was alles. Je kreeg 2,50 gulden voor een avondje uit, een biertje was toen 15 cent en de entree een kwartje. Als je 7 glazen nam, betaalde je een gulden.
Reizen was er toentertijd niet zo bij. Hooguit naar Alkmaar voor een uitvoering in het Gulden Vlies, als ‘De witte non’ en ‘Rooie Sien’.

 Het gezin Gijzen in 1952, v.l.n.r. Niek, Conny, moeder Corrie Molenaar, Gerard, Wim en Gré, vader Wim, Piet en Cor.
Het gezin Gijzen in 1952, v.l.n.r. Niek, Conny, moeder Corrie Molenaar, Gerard, Wim en Gré, vader Wim, Piet en Cor.

Tweede pinksterdag was ook een bijzondere feestdag, naar Volendam met de trein bijvoorbeeld.
Of naar Bergen op de fiets om een uur of één en daar kwam een hele meute van overal vandaan naar toe. Dat was in het café, waar nu het pannenkoekenhuis is in de bocht van Bergen naar Schoorl bij de skibaan. Dat was een buitengebeuren er was ook buiten een dansvloer aangelegd. Er kwamen ook veel boerenjongens met hun meiden met de paardenkar. Dat gebruik was al oud, want mijn moeder kwam daar ook al. Je moest of vroeg thuis zijn om te melken, of je had iemand gevraagd om dat voor je te doen, zodat je kon blijven.

Putje (bedevaartsoord in Heiloo) was ook een soort uitje, maar dat was meer een kerkelijke vorming. Je had daar ook verloofden bedevaarten. Pater Toebosch deed vaak die verloofden dagen. Hij deed ook eens een missieweek, dan kreeg je alle dagen vorming. Hij had dan de hele jeugd en als je er niet was, kwam hij overdag kijken wat er aan de hand was. De hele jeugd zat dan in de kerk en kreeg je van die knetterende preken. Die verloofden bedevaarten waren heel gezellig. Je ging daar met je meisje naar toe. Bij Putje waren veel cafetjes, terrasjes en winkeltjes, er kwamen veel pelgrims en was er elke dag wel een bedevaart. Er was ook een aparte treinhalte. Als de wind een beetje noordelijk was, kon je op Bakkum de fanfare horen spelen. ‘Maria op de bergen’. De bedevaarten werden ook vanuit de parochie georganiseerd, Castricum ook.


Jaarboek 23, pagina 26

De kerk in Castricum loopt langzaam maar zeker leeg. Maar ga die kerk niet slopen, want dan staat Castricum op zijn kop. Het is een monument. Als het financieel niet meer draagkrachtig is, zal de Bakkummer kerk het onderspit moeten delven. De kerk was toen een wezenlijk onderdeel van ons leven, van de hele dorpsgemeenschap. Alles draaide zo ongeveer om het kerkgebeuren. Je deed daar je eerste vriendje op, je had er de feesten, de processies in de kerk en in de tuin van de pastorie.

Het was een hele eer om bruidje te mogen zijn, mooi jurkje aan, met Sacramentsdag bijvoorbeeld. Als je grote communie deed, kreeg een jongen een plusfour, een soort middenvorm tussen de korte en de lange broek. Die lange broek kreeg je pas als je van school af kwam, dan was je het heertje. Pastoor Goes was een gemoedelijk mannetje en erg bemind. Er waren ook 3 kapelaans, die allemaal geestelijk adviseur waren van een vereniging of organisatie. De Jozefgezellen bijvoorbeeld, en de meisjescongregaties, sportclubs, maar ook de standsorganisatie als het LTB (Land- en Tuinbouwbond). Maar ook bij de fanfare, toneelclubs, noem maar op. De avonden werden altijd geopend met de christelijke groet: “Geloofd zij Jezus Christus, in alle eeuwigheid, Amen”. Maar ik vond dat op een gegeven moment uit de tijd en het bestuur van de LTB vond dat toen ook. Op zondag waren er drie missen, op zaterdag niet, dan was er biecht horen van vieren tot achten. Dat alles was er om ons het het gareel te houden. Je wist absoluut niet wat je verkeerd gedaan had, je zei maar wat in de biechtstoel. Dat lijkt nu allemaal zo gek, maar je moet alles in de geest van de tijd zien.

De familie Grond in de auto 'het kasteel' met open kap en houten spaken; links op de treeplank de verteller.
De familie Grond in de auto ‘het kasteel’ met open kap en houten spaken; links op de treeplank de verteller.

J.A. Grond, geboren 8-6-1921

Mijn ouders woonden in Amsterdam aan de Nassaukade bij de Raampoort. Hij had een houthandel en ‘s zomers gingen we vaak naar buiten toe. We hadden het erg goed. We waren al een paar keer in het Gooi geweest, tot mijn vader besloot om naar het noorden met vakantie te gaan. “We gaan naar Bakkum”, het was 1929. Mijn vader had daar een huis gehuurd aan de Eerste Groenelaan, het huis staat er nog, nummer 8 bij mevrouw Kramer. Er woont nu een familie Baltus in, goed onderhouden, ziet er keurig uit. Je kon er als kind prachtig spelen in een grote tuin er was een ruim uitzicht. Zoveel huizen waren er nog niet. Het was het Bakkummer gedeelte van de straat, tussen het spoor en de Bakkummerstraat. Mijn vader had voor zijn handel een vrachtwagentje, een T-Ford. Alles werd op het Fordje geladen, kleding, huisraad en beddengoed. Dan zei mijn moeder: “Als die wagen voor de deur komt, kan alles mee.” Mijn vader had zelf een kasteel van een auto, een Dodge, met een open kap en gele spaken, een robuuste auto met alles erop en eraan. Het T-Fordje had zelf het allernoodzakelijkste. In de cabine keek je zo door de planken op straat. Eerst moest die aangezwengeld worden. Af en toe kookte de motor en moest er water bijgevuld worden. De richtingwijzers moesten met een touwtje bediend worden. Als de klanten geholpen waren, kwam het Fordje voorrijden. En zo vertrokken we naar Bakkum. Er was nauwelijks verkeer op straat. We reden via de Haarlemmerweg, Halfweg, naar Haarlem, over het Velserpont, naar Bakkum. Mijn broer moest in de laadbak bovenop de lading, zodat het er niet af wapperde. Zo hard ging het toch niet. Er was geen laadvloer in de auto, maar de chauffeur had wat planken meegenomen en op de vloer gelegd. Bewegwijzering was er nauwelijks. We gingen de hele maand augustus, want dan hadden we vakantie. Op Koninginnedag 31 augustus gingen we meestal weer naar huis.

De familie Wokke in 1929 in de tuin achter het huis.
De familie Wokke in 1929 in de tuin achter het huis.

Als alles was uitgeladen, stuurde mijn moeder mijn broer naar de kaashandel aan de Bakkummerstraat 50, aan het einde van het laantje. Hij kwam pas een half uur later terug, omdat hij daar van die gezellige mensen had ontmoet. “Eén van die mannen daar wordt priester-missionaris.” En dat wilde mijn broer ook worden, dus dat schoot in de roos. Die man was Nelis Wokke. Mijn moeder wilde ook wel weten wat voor mensen die van Wokke waren en zo kwam het contact tussen onze gezinnen tot stand. Wokke was arbeider, tuinder en kaasboer. Achter zijn huis had hij een groot stuk land met groenten, aardappelen en aardbeien. Dat land liep helemaal door tot de duinen, je kon zelfs een stukje het duin oplopen. We kregen meer contact met de Wokkes, mijn moeder kocht daar van alles, ook groenten en fruit. Ze ging ook wel naar andere winkeltjes in de buurt. Zo leerden wij Dirk Wokke, de baas, kennen. Ze hadden een heleboel kinderen. Twee zoons gingen het klooster in, één werd priester en ook dochter Trientje ging het klooster in. We mochten Dirk helpen met kazen. We kwamen in een grote ruimte met planken en allemaal kazen en een beetje beschimmeld. Als hij zo’n grote kaas verkocht, moest die eerst schoongemaakt worden. Hij zette die kaas in een machine met messen, die wij moesten draaien, net zo lang tot alle schimmel eraf was. Wij mochten ook mee kaas venten naar Heemskerk. Een paardenkar met drie wielen. We hielpen ook mee in de tuin, plukken en zo. Voor ons jongens een prachtige tijd. Ik was toen acht jaar en wij waren met zijn zevenen. Wij speelden met hun kinderen, die van onze leeftijd waren, krijgertje en verstoppertje. Nou hadden wij ook familie in Heerlen in Limburg en die kwamen met zeven kinderen en oma ook naar Bakkum. Huize Klasina aan de Bakkummerstraat. Zij kwamen met de lijnbus Heerlen-Hoensbroek, die had die vader speciaal voor het gezin gecharterd. Daar is nog een foto van. Ook met die kinderen speelden wij en ook die van Wokke deden mee. Mijn vader reed elke dag met zijn Dodge naar de zaak in Amsterdam. Dat moest toen wel, er was een beurscrash geweest, het was een moeilijke tijd. Met de moeders liepen we naar het strand. We schepten zand en bouwden kasteeltjes, de moeders zaten in zo’n grote strandstoel. Om een uur of vier kwam vader ons met zijn grote auto ophalen. Iedereen, ook alle kinderen uit de buurt werden in de auto geladen. We zaten wel op de motorkap en op de bumper en zo reden we heel voorzichtig de Zeeweg af, dat kon toen makkelijk, er was toch geen verkeer. De camping was er nog niet, er stonden wat tentjes en een ijskarretje op het strand en je had dat hotel Armeria bovenop het duin.


Jaarboek 23, pagina 27

We hadden van die ouderwetse katoenen zwempakjes aan … Verkleden deden we tussen de strandstoelen. Als we thuiskwamen, zaten we allemaal onder het zand, werden eerst de Limburgse kinderen afgespoeld en later de rest.

 De broertjes Grond in. de tuin aan de Nassaukade in Amsterdam, de verteller staat rechts.
De broertjes Grond in. de tuin aan de Nassaukade in Amsterdam, de verteller staat rechts.

Als we in de 1e Groenelaan gingen spelen, was het hoogtepunt de bel van het spoor, als de bomen dicht gingen. Voor ons Amsterdammertjes was dat prachtig, dat zag je bij ons niet. We wachten dan tot de trein kwam, met de stoomlocomotief voorop en meestal veel goederenwagens. We telden ze en schreven dat op. Op zondag moesten we naar de kerk in Castricum. Gezamenlijk liepen we over het spoor door de velden met aardappelen en zo naar de Dorpsstraat. We liepen het hele land door, via plankjes over sloten tot we bij de Kleibroekerweg kwamen. Alles was nog land. En het dorp klein.
Pastoor Engering was er. Bij de kerk was het spannend, boeren die in hun sjees naar de kerk kwamen, op zijn zondags gekleed, in het zwart, de vrouwen een kapje op met een rieten hoedje. Naar de kerk. gaan, was toen een hele onderneming. Toen Engering stierf, kwam pastoor Van Oostwaard. Hij stelde zich aan mijn ouders voor als: “Ik ben pastoor Van Oostwaard, twee nulletjes, een beetje S en T en het mannetje van een eend.” Het contact met Wokke bleef bestaan. Wokke had ook een auto, een luxe wagentje, van het merk Whippet. Op een keer had hij zin om naar ons in Amsterdam te gaan. Maar toevallig hadden wij zin om naar Wokke in Bakkum op visite te gaan. En onderweg zagen wij in de verte een bekende auto aan komen rijden. Het was bij de brug in Halfweg. Dat kon je toen makkelijk zien. Wokke draaide toen maar om en met zijn allen naar Bakkum. In de aardbeientijd plukte Wokke voor ons een slof aardbeien, die met de bode naar Amsterdam werd gebracht. En zo hadden wij om 12 uur voor 2,50 gulden heerlijke verse aardbeien. Wokke en mijn vader zijn in hetzelfde jaar 1953 gestorven.

Om de een of andere reden bleven wij een paar jaar weg uit Bakkum. En op een gegeven moment zei mijn vader: “We gaan naar Castricum,” het was 1934. We reden met inmiddels een andere Dodge naar de Dorpsstraat. Daar stond een groot huis, met een grote voordeur en aan weerskanten een groot raam. ‘Hermana State‘ stond op de voorgevel. Het was heel deftig en leeg. In de grote gang stond een mooie staande pendule, die elk half uur heel deftig ‘bim-bam’ sloeg. Het leek wel een paleis met openslaande deuren naar de overdekte veranda. Dan kwam je in de tuin en als kind kon je het eind daarvan niet zien. Ik liep maar door, tot ik eindelijk aan een straat kwam, dat de Cieweg bleek te zijn. Ik was toen 13. Er waren 2 grote kamers aan de linkerzijde, een voor- en achterkamer. Wij noemden dat zaal 1 en 2. Aan de andere kant nog een grote kamer, zaal 3, en een grote keuken. Het was een enorm pand met wat oude meubels en breekbare spullen, die van mijn moeder in de kast moesten vanwege het breekgevaar. Een grote tafel werd op de veranda gezet, waar we konden eten. Bezoek kwam, zoals toen gebruikelijk, achterom. We hadden contact met de familie Stuyt, een notaris, geen familie van de architect, die de RK kerk en het gemeentehuis gebouwd heeft. Zij woonden aan het einde van de Dorpsstraat bij de spoorovergang in een grote villa. Voor hun huis was een sloot met een bruggetje naar hun huis.

Mijn vader hield van de duinen. Als hij ‘s avonds van zijn werk kwam, vroeg hij ons mee, de duinen in. Dan gingen we bij Kornman het spoor over en door de Duynkant, dat toen nog een bewoonde buurt was, naar Kijk Uit. Ook ‘s winters, als we in Amsterdam waren, gingen we met hem naar Castricum. Dan liepen we over het strand in de kou. Dat is tot het laatst zo gebleven. Wij hielden van Castricum.

Mijn vader is er nooit gaan wonen. Hij heeft er nog wel aan gedacht om Hermana State te kopen. Het huis was van H.J. Heideman. Die bad een manufacturenwinkel De Zon aan de Dorpsstraat, waar nu (red: in 2000) Huitinga is. Met Heideman gingen we fietsen over die bomenweg naar de Schulpvaart bij Limmen. Daar bij de brug was een cafeetje van Kees de Groot, kregen we een flesje Fosco, tegenwoordig beet dat Chocomel. Vaak vingen we niks, maar als we wat vingen, moest mijn moeder die visjes schoonmaken en bakken. Later gingen we bij het Kanaal bij Akersloot vissen. Wat genoot ik van dat alles. Het Noordhollandse landschap, in alle rust, een met zon overgoten weg en boten, die door het Kanaal voeren en achter ons een melkrijder, die de melkbussen kwam brengen en de volle meenam. Dat waren heerlijke uitjes. In Hermana State, waar we een hele maand woonden, was een grote zolder boven. We woonden daar met zijn achten, mijn jongste zusje was toen vijf. Als je ‘s morgens wakker werd, dacht je: “Wat woon je toch lekker in dit dorp.” Hoorde je in de verte de smederij van Cor Peperkamp. Het slaan op het aambeeld. Daar besloeg bij de paarden. Buiten op straat stond een stellage, waar een paard in moest staan om beslagen te worden. Als hij niks te doen had, stond hij op zijn klompen buiten voor de smederij. Later, toen er niet meer zo veel paarden waren, ging bij over op fietsen. Mijn vader kocht voor mijn kleine zusje een fietsje bij hem, zo kon ze in onze tuin fietsen leren. Dat kon makkelijk, zo groot was die. Moeder zei wel dat we niet door de perkjes mochten fietsen, want dan gingen de plantjes kapot. Maar dan zei Heideman: “Och, laat die kinderen toch.” Op zaterdag moesten we de tuin opknappen, zodat die zondags weer netjes was. Aan de overkant van Hermana State had Heideman dus zijn winkel en daarnaast stond een houten huisje, daar woonde Jan van Benthem, de postbode met zijn vrouw. Huitinga heeft het later als opslagruimte gebruikt. Toen werd alles gesloopt en heeft Huitinga dit erbij getrokken. De auto van mijn vader mocht van Heideman gestald worden in de doorrijstal, waar nu (in 2000) ‘Het Theater’ is. Daarnaast zat slager Van der Woude en daarnaast de kapperszaak van Grote Bertus, Stuifbergen. Heideman ging zaterdags altijd naar die barbier om zich te laten scheren.


Jaarboek 23, pagina 28

Het statige Hermana State aan de Dorpsstraat in 1944, waar de familie Grond in de vakanties verbleef.
Het statige Hermana State aan de Dorpsstraat in 1944, waar de familie Grond in de vakanties verbleef.

De Dorpsstraat was toen een stille straat, waar op zondag de boeren met hun koetsen naar de kerk kwamen. De tram reed al niet meer. Na de dood van burgemeester Lommen, betrok burgemeester Sloet tot Everlo op Hermana State de eerste 2 grote kamers, die wij zaal l en 2 gedoopt hadden. Daar konden wij toen niet meer in, wel in een ander deel van het huis, een intieme gezellige kamer. Daar volgden we in spanning – via de radio – de Olympische Spelen in Berlijn van 1936. Als het regende maakten we legpuzzels met de afbeeldingen van De Uiver en de Pelikaan Toen woonden we dus met Sloet, zo noemden de Castricummers hem kortweg, in een huis. Hij was wat agressief, kort van memorie en een beetje ontactisch. Als hij thuis kwam, liep hij met zo’n gezicht rond. Zei Heideman: “Sloet, wat is er nou weer.” “Ik heb gedonder gehad in de gemeenteraad, die kerels willen ook nooit wat en toen heb ik ze uitgefoeterd.” Dan zei Heideman: “Man, dat ken je niet doen.” Er zaten toch eerbiedwaardige leden in als Hemmer en Kuijs. Maar hij kon niet zo goed aan ze wennen. Mijn vader sloot zich ook bij Heideman aan en zei, dat hij dat niet zo moest doen. “Praat ze maar een beetje naar de mond, anders heb je geen leven hier.”

Eens per jaar was er kermis op het oude veilingterrein aan de Dorpsstraat. Mijn vader ging dan met andere mannen bij café Broksma zitten, waar nu (in 2000) ‘Onder de pannen’ zit. Dan dronken ze daar een borreltje. Wij stadskinderen zagen nooit een kermis. We vonden het prachtig om de kermis te zien opbouwen. Wij mochten de draaimolen in en ballengooien. Er was ook een ‘Steile wand’, een soort grote ton, waarin een man op een motorfiets tegen die steile wand op reed. Die heette Pillon, het was toen 1936. Heideman stelde mijn vader toen voor om Hermana State van hem te kopen. Hij had geld nodig, maar ook voor mijn vader waren het crisisjaren. Vader kon het geld niet uit de zaak trekken. Bovendien waren de verbindingen te slecht om elke dag op en neer te rijden. Mijn vader wilde eigenlijk wel graag. De prijs voor het kapitale huis met grote tuin was 3.000,- gulden. Hij hoefde het niet eens in een keer te betalen, elke maand 100,- gulden was ook goed. Het ging toch niet door. Het was natuurlijk ook een oud – uit 1790 – houten huis, dat geschilderd moest worden en opgeknapt. Het was een prachtig houten huis met turven als isolatie opgevuld. In 1937 kwamen we nog een keer terug in Castricum, maar toen konden we niet meer in Hermana State terecht. Toen zijn we bij bakker Juffermans, later Uljee, terechtgekomen. Daar was niet zo veel ruimte voor ons, dan gingen wij kinderen op de zolder van Hermana State slapen. Daar lagen we dan weer op die grote zolder op matrassen op de grond. Als we om 9 uur door moeder naar bed gestuurd werden, gingen we erheen. Dan kwamen we eerst door de keuken bij Heideman. Hij woonde eerst achter zijn winkel, maar bewoonde nu zelf een deel van Hermana State. Dan kregen wij eerst een kopje koffie en mijn broer een sigaartje en bleven we zitten kletsen tot half elf. Dan moesten we van hem naar bed. Er was geen elektrisch licht op de zolder, we gingen met een oliepit naar boven. Als het ‘s morgens licht werd, ging beneden de deur open en riep Aaf Heideman, een van de kinderen, : “Jongens half acht.” Dan begon de dag weer en gingen we bij moeder ontbijten in het huis van Juffermans.

Dat was onze laatste zomer in Hermana State. We gingen niet meer op vakantie in Castricum. Maar vader ging wel vaak naar de duinen, hij had een jaarkaart. Maar door de oorlog hield alles op, je mocht de duinen niet meer in. Na de oorlog – 1947 – belde mijn vader mij een keer op en zei: “We zitten in hotel Russink in Castricum.” Eerst heette dat hotel Biller en later Kornman. Zij kwamen daar regelmatig tot zijn dood in 1953. Toen ik getrouwd was en in Amsterdam woonde, wilde mijn vrouw de stad uit. Zij had ook een band met Castricum, kamperen met de gidsen bij de boer, waaraan zij goede herinneringen had.
Zij leerde daar To Juffermans kennen, die ook bij de gidsen was. In 1957 ging ik naar Biesterbos en kocht daar op papier het huis aan de Jan van Nassaustraat 11. Zo keerden we in 1958 terug naar Castricum, hoorde ik weer de kikkers en de eendjes kwaken. Wat woonden we prachtig, volkomen buiten. Vanuit huis liepen we zo de wei in, tussen de schapen door. In het dorp kwam ik mensen tegen, die ik nog kende van vroeger. Peperkamp leefde niet meer, maar het pand stond er nog. En ook Hermana State. Er was toen nog niet zo gek veel veranderd ten opzichte van voor de oorlog. De Oranjebuurt was er inmiddels en de Torenstraat. Wat ik mij van vroeger herinner, was een heel klein dorp, begrensd door de Dorpsstraat, Schoolstraat, Breedeweg en de Burgemeester Mooijstraat. Verder was er eigenlijk niks. Vanaf 1958 verdwenen langzamerhand de landerijen, werd alles volgebouwd. Zo zag ik de le Groenelaan, van mijn herinnering, verdwijnen door de bebouwing. Tijdens die bouwactiviteiten ontstond een ruzie tussen de aannemers, Biesterbos en Flink, dacht ik. Bij de bouw zorgde ik er wel voor, dat ik een architect in de arm nam, om op de bouw van ons huis toe te zien. Ik kocht het hoekhuis toen voor 25.000,- gulden en voor 2.000,- gulden kreeg ik er nog een garage bij.

De koopakte moest opgemaakt worden door notaris Van Cranenburgh, die toen in Hermana State woonde. Toen ik binnen kwam, zei hij: “Grond, kom binnen, jij weet de weg hier.” En zo zat ik daar weer in zaal 3. Van Cranenburgh draaide zijn verhaal af en ik keek in de ruimte rond. Het was allemaal oud, verveloos en verwaarloosd. Ik schrok uit mijn herinneringen op, toen Van Cranenburgh mij vroeg de akte te ondertekenen. Toen wij ons voorstelden aan pastoor Goes, zei hij: “Oh, Grond van Hermana State.” Toen ik gepensioneerd kwam ik tot mijn verrassing jullie (6e) Jaarboekje tegen met het artikel ‘Wat was Hermana State‘. Herinneringen kwamen toen boven aan een gelukkige kindertijd. Met weemoed heb ik in 1964 de sloop gadegeslagen en het huis langzaam zien opbranden. Ik stond erbij dat de aannemer al die plankjes in een brandende ketel gooide.


Jaarboek 23, pagina 29

Siem Scheerman op de arm van zijn moeder voor de ouderlijke woning.
Siem Scheerman op de arm van zijn moeder voor de ouderlijke woning.

Siem Scheerman, geboren 8-4-1923

Mijn vader Nicolaas had een tuin waar nu de Kleibroek ligt, hij was tuinder en groenteventer. Ze noemden dat ‘wijkerboer’. Wel een paar honderd tuinders uit Beverwijk, Heemskerk en Castricum ventten hun groenten uit in Amsterdam.
Het ging met de boot naar Amsterdam vanuit Beverwijk. Die vertrok om 4 uur ‘s nachts. In Amsterdam, bij de Prins Hendrikkade gingen de spullen op de kar waarmee ze naar hun wijk reden. Bertus Buter uit Castricum bracht de spullen naar Beverwijk. Later bracht Niek Scheerman het met zijn T-Fordje naar Amsterdam. Die had zijn zaak op de hoek van de Verlegde Overtoom en de Dorpsstraat, waar nu (in 2000) een snackbar is.

Dat was begonnen in de tijd dat er geen veiling was. In de negentientwintiger en -dertiger jaren tot in de oorlogstijd hebben we in Amsterdam twee dagen per week (dinsdag en zaterdag) gevent. Die wijk moest je kopen. Mijn vader heeft hem van een Kees de Wit overgenomen die veilingmeester werd. In de zomer had je de meeste soorten groenten en in de winter niet zoveel. Hij had ook wel eieren op de kar die hij weer kocht van de boeren in de buurt, o.a. Klaas Veldt, Louter en Hogenstijn op de Brakersweg. Ook geslachte konijnen en kippen werd verkocht en zelfs kiefteieren voor de oorlog.

Mijn grootvader, ouwe Sijmen, woonde aan de Brakersweg, naar hem ben ik vernoemd. Het huis staat er nog en Toon Hollenberg woont erin. Mijn grootvader ventte met boter, kaas en eieren. Hij liep helemaal naar Santpoort met een kar. Hij was ook tuinder; hij had aardappelen land in het duin en had ook land aan de Groenelaan. Toen mijn grootvader op leeftijd kwam hij bij ons in huis. Ik zie hem nog zitten bij de kachel. Toen ik 11 of 12 jaar was overleed hij daar. Mijn grootmoeder overleed al in 1900. In het begin ging het goed in Amsterdam, toen verdiende hij een paar centen. In de crisistijd verdiende hij ook niet meer als een daggeldje. Wij moesten altijd helpen in de tuin. Dat hoorde erbij. We hadden alleen vakantie als het vroor. Dan werd de haag geknipt en dan was het werk op. In de zomer mochten we een keer met vader mee naar Amsterdam: de laatste dinsdag van de vakantie. Alleen als het regende nam hij ons niet mee. Het moest dus niet regenen anders ging het uitje aan onze neus voorbij.

We werden niet van school gehouden; we hadden wel landbouwverlof in de zomer als je een jaartje of elf was. Ik ging naar de Augustinusschool tot mijn dertiende jaar. Toen had ik 7 klassen doorgelopen. De onderwijzers weet ik nog op volgorde: Juffrouw Kuiper, meester Bodewes, meester Greuter, meester Vermeulen. In de vijfde klas had ik wel drie meesters, dat was eerst Van de Vrede, toen Blum, toen Louwe. In de 6e klas volgde meester Vermeer, die noemden we Dove Gerrit en tenslotte meester Van Westen. Toen ik van school kwam kreeg ik een lange Manchester broek en ging toen meteen aan het werk in de tuin.

Nicolaas Scheerman en zijn vrouw Johanna Benning omstreeks 1936. V.l.n.r.: de zoons Niek, Bertus en Simon en de dochters Joop, Bels en Sjaan (de jongste Anna is nog niet geboren).
Nicolaas Scheerman en zijn vrouw Johanna Benning omstreeks 1936. V.l.n.r.: de zoons Niek, Bertus en Simon en de dochters Joop, Bels en Sjaan (de jongste Anna is nog niet geboren).

Ik ben toen wel vaak mee geweest met mijn vader als hulp bij het venten. Om hem te kunnen vervangen als hij ziek was, moest je de klanten natuurlijk kennen. Anders wist er geen mens waar je naar toe moest. Hij was trouwens nooit ziek. Een keer in 1942 hebben mijn broer Bertus en ik hem moeten vervangen. Toen was er een zwager van hem overleden. Later in de oorlog heb ik hem ook vervangen. Toen had hij natuurlijk een hoop klanten. De handkar ging helemaal leeg wat hij ook meenam. Het venten was een aflopende zaak, steeds meer tuinders brachten hun spullen naar de veiling. Tocht heeft mijn vader nog tot 1956 in Amsterdam gevent. Toen mijn broer Bertus ging emigreren stopte hij ermee.
Mijn broer Niek werkte bij de groentezaak van Jan Stengs.

Ik kreeg op een gegeven moment verkering. Tuinen waren er niet dus je moest een baantje zoeken. Toen ben ik begin 1949 bij Van Gelder en Zonen begonnen in de Cellulose-fabriek.


Jaarboek 23, pagina 30

Eind 1981 werd ik ontslagen en toen ben ik een jaar of zes werkeloos geweest tot mijn pensioen. Ik had mij bij de fabriek opgewerkt tot hoofdslijper. Dikke palen worden in kettingslijpers vermalen tot pulp.

Ik heb nog wel contact met vrienden uit die tijd, zoals Bank Beentjes van de Breedeweg. Daar heb ik een kleine twee jaar mee in Duitsland, in Sauerland, gezeten. Daar moest ik verplicht naar toe. Ik heb nog wel gezocht naar onderduikmogelijkheden want ik had er weinig zin in.
Achteraf vond ik het niet zo erg. Ik heb daar in een steengroeve gewerkt. Stenen laden in kiepkarren om er kalk van te maken. Heel zwaar werk, alles ging met spierkracht, en net aan te eten. Je had altijd honger. Boter en vet kreeg je niet. Hoe harder je werkte hoe meer marken je verdiende, maar wat had je aan die marken, je kon er niks voor kopen, geeneens een rode zakdoek. De marken die ik had bewaard kon ik later aan de grens nog inwisselen voor drie kwartjes per stuk. Ik had er 454 dus ik ving er begin 1946 nog zo’n 330,- gulden voor. We zaten er met vier Castricummers: Kees Beentjes, Ton Duin, Bank Beentjes en ik. Verderop zaten nog meer Castricummers dat waren Johan van Velzen, Kees Bakker en Herman Glorie.

 Bertus en Siem Scheerman voor de Augustinusschool.
Bertus en Siem Scheerman voor de Augustinusschool.

Voor schooltijd moesten we altijd naar de kerk. Als het heel slecht weer was of erg koud dan hoefden we niet. Mijn moeder was niet zo streng in de leer. Dokter Leenaers was onze huisarts. Ik denk er wel eens aan dat hij heeft vastgezeten in de Weteringsschans gevangenis, waar ik met mijn kar langs kwam. Het was een populaire huisarts. Bij kiespijn ging je ook naar hem toe. Hij was heel handig in het trekken van tanden en kiezen. Verdoven was er toen niet bij. De dokter had een auto van het merk Auburn. Hij reed altijd hard. Ik weet nog dat de dokter eens een keer bij de Kooiweg in de buurt van de weg raakte en in een sloot terecht kwam. De praktijk was aan de Mient. Er tegenover kwam het Dokterspad, waar de Dokter Leenaersstraat is, op de Mient uit. Op die splitsing stond toen een huis waar een Duitser de kapper Assman zat. Bij de Hervormde kerk zijn nog de graven te zien van een paar kinderen van hem. Het huis is later verbrand en het is nooit meer herbouwd.
Erg vaak gingen we voor de oorlog niet naar het dorp. We bleven maar wat buurten op de Groenelaan. We hadden ook nog konijnen die je moest voeren. Op zaterdag als je vrij was, ging je wel eens naar de markt in Alkmaar. Je kon de strips van Lord Listers ruilen. Als je de oude terugbracht had je voor een paar centen weer een ander. En we gingen wel eens naar de bioscoop in Beverwijk. Daar was de entree maar twee dubbeltjes en dan kon je twee films zien. Door je op het toilet te verstoppen redde je het om drie films voor twee dubbeltjes te zien.
Voor de oorlog heb ik ook nog bij een soort padvindersclub gezeten in het huis van Goes. Later kwam De Kern pas. Ik heb als jongetje van een jaar of twaalf ook nog bij de Fanfare Aloysius van Piet Kuijs gezeten waar ik trombone speelde. Ik kreeg eerst les van Piet Lute uit de Burgemeester Mooijstraat, later had hij daar een winkel.

Het ouderlijk huis van Siem Scheerman stond op de plaats van de huidige kruising Eerste Groenelaan en Kleibroek. De schuur werd in de hete zomer van 1947 gebouwd met stenen van afge- broken bunkers. Huis en schuur werden in 1965 afgebroken.
Het ouderlijk huis van Siem Scheerman stond op de plaats van de huidige kruising Eerste Groenelaan en Kleibroek. De schuur werd in de hete zomer van 1947 gebouwd met stenen van afge- broken bunkers. Huis en schuur werden in 1965 afgebroken.

Jaarboek 23, pagina 31

Later werd er gerepeteerd in de gymnastiekzaal van de school. Ik wou wel graag voetballen maar dat was te duur, dan moest je schoenen hebben, een broek en een shirtje.
Bij de Fanfare kreeg ik een trombone. Ik kon goed onthouden en leerde trombone spelen. Ik heb er maar een paar jaar bij gezeten. Twee keer op concours geweest in Heemskerk en in Bovenkarspel. We gingen langs het IJsselmeer naar Bovenkarspel en toen leunden ze allemaal voorover en ik had de trombone tussen mijn benen en daardoor boog die toeter krom. Ik kreeg ruzie met een jongen van Borst die zo’n beetje de leiding had en zo eindigde dat.

Een portret van Siem Scheerman uit de veertiger jaren.
Een portret van Siem Scheerman uit de veertiger jaren.

We gingen ook wel naar het ‘putje’ bij Heiloo als er een processie was om te spelen. Er kwam toen eens een kapelaan aan die vroeg of we wat zachter wilden spelen en effies later een andere kapelaan die zei dat we harder moesten spelen. Ouwe Piet Kuijs was een driftkop en die zei “we stoppen ermee” en we gingen zo naar huis. Ik was niet zo muzikaal, ik moest echt de noten volgen, maar dat kon ik goed. Ik weet nog wel dat ik in de Se klas zat bij meester Blum. Ik had een F of Bassleutel bij die trombone en die andere hadden een vioolsleutel G. Meester maakte een bord vol met de vioolsleutel en dacht nu zijn jullie wel een tijdje zoet. Ik moest me dus omschakelen maar ik zat vlak achter hem aan. Hij zat goed en wel en toen stak ik mijn hand op. Hij zegt wat is er en ik zeg ik ben klaar. Hij geloofde me niet maar het was wel zo. Hij zei: “Ga jij maar in het Roomse jeugdboek kijken.”

Na de oorlog ging ik zondags wel te dansen bij Piet Roozendaal. Dat duurde tot
tien uur of kwart over tien. Veel geld had je niet; net genoeg voor een paar gelagies, pakje sigaretten of zware shag en een keer naar de bioscoop dan was je uitgewerkt. Verder was er ook niks.

In de oorlog moesten de tuinders hun groente op de veiling verkopen en buitenom mocht niet.
Toch verkochten we nog wel in Amsterdam waar we met de auto van Jan Steeman naar toe gingen. Je had vaste prijzen want anders ging de prijs zo omhoog dat een gewoon mens er niet meer aan kon komen. Toch werd er achterom nog wel wat verkocht. Vader werd af en toe in zijn nek genomen daar in Amsterdam door de CCD. Dan werd hij verraden. Hij verkocht alleen aan vaste klanten maar dan werd gezegd dat hij ook aan anderen verkocht. Een keer werd hij gepakt in de Van Baerlestraat maar hij kwam weer snel vrij. Hij had er een klant en dat was een dokter die bij de NSB was en die bevestigde dat hij alleen vaste klanten had. Een keer ben ik zelf ook gepakt. Vader had gezegd “als ze om aardbeien komen dan verkoop je maar”. Hij vroeg er 20 cent meer voor dan de vastgestelde prijs, omdat hij er ook meer voor betaald had. Er kwam een mevrouwtje voorbij en die wou twee doosjes hebben. Ik geef die twee doosjes. Even later kwam datzelfde vrouwtje weer terug met twee grote kerels; de doosjes mochten maar voor 85 cent verkocht worden. Die kerels, vast partijmannen, begonnen te schelden en zeiden “ze moesten je naar Duitsland schoppen”. Ik zeg: “Daar ga ik over 1 1/2 week naar toe.” Toen was ik in enen een beste jongen.

V.l.n.r.: Siem, zijn vrouw Cornelia de Wit en de kinderen Tinie, Annet, Nico en José in 1962.
V.l.n.r.: Siem, zijn vrouw Cornelia de Wit en de kinderen Tinie, Annet, Nico en José in 1962.

Na mijn trouwen ben ik in de Poelven gaan wonen, toen waren ze net gebouwd. Ik heb nog een half jaar bij Jan Stuifbergen bijgenaamd ‘de Koet’ gewerkt, dat was een krantenman. Ik bracht de Castricummer en andere kranten rond en tijdschriften. De Castricummer koste toen nog 70 cent in de maand en dat geld moest je iedere maand weer ophalen. Jan was een bijzondere mens. Hij woonde in de Rooie buurt. Hij schreef voor de krant en was ook een halve advocaat. Daarna kwam ik bij Van Gelder in de ploegendienst. Van de Poelven kwam ik in de Brederodestraat in een huis van familie. Daarna in de Goudenregenlaan en vervolgens in deze flat. Meester Louwe heeft mij aangeraden om het huis in de Goudenregenlaan te kopen en daar ben ik hem nog dankbaar voor. Nu zit ik al weer twintig jaar in mijn flatwoning en kijk uit op het schoolplein, waar ik 65 jaar terug rondliep.

Interviewers:

  • Frans Baars
  • Niek Kaan

 

Geïnterviewden:

  • Het echtpaar Joh. Duijn – Gré Gijzen
  • J.A. Grond
  • Tinus Hopman
  • Mevr. G.M. Leitner – De Graaf
  • Siem Scheerman
Print Friendly, PDF & Email