Dorpsstraat (1e deel) huisnrs 2 – 42 (Jaarboek 26 2003 pg 35-52)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Dorpsstraat in Castricum:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7deel 8deel 9deel 10


Jaarboek 26, pagina 35

 

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 1)

Huis nummers 2 – 42

 

Inleiding

In dit artikel zullen we ingaan op de geschiedenis van de Dorpsstraat, niet alleen als belangrijkste verkeersweg door ons dorp, maar ook als sfeerbepalende factor voor het dorpscentrum, met zijn kerken, bioscoop, winkels en cafés. Ook een aantal woonhuizen en hun bewoners zullen worden besproken, waarbij we ons in verband met plaatsruimte echter zullen beperken tot de panden in het gedeelte van de Dorpsstraat vanaf de spoorwegovergang tot aan de Burg. Mooijstraat met een even nummering. Zie onderstaande plattegrond.

Plattegrond daterend uit omstreeks 1935 van het gedeelte van de Dorpsstraat dat onderwerp is van dit en een volgend artikel. De nummering van de huizen komt overeen met de huidige nummering.
Plattegrond daterend uit omstreeks 1935 van het gedeelte van de Dorpsstraat dat onderwerp is van dit en een volgend artikel. De nummering van de huizen komt overeen met de huidige nummering.

De Dorpsstraat is om zijn geschiedenis wellicht de meest interessante straat van Castricum en het is een relatief lange straat met veel panden, deels nog bestaand, maar ook afgebroken, aan de historie waarvan we dus in dit artikel maar ten dele toekomen. We zijn echter van plan ons verhaal over de Dorpsstraat in een volgend jaarboekje voort te zetten. Wat betreft de navolgende bespreking van de geschiedenis van de Dorpsstraat en de aanliggende bebouwing is een zeker probleem, dat pas in 1929 de benaming Dorpsstraat werd ingevoerd voor het gedeelte van de Rijksstraatweg vanaf de R.-K. kerk tot aan de overweg van de spoorlijn. Tegelijk werd het gedeelte van de voormalige Rijksstraatweg vanaf de R.-K. kerk tot aan de gemeentegrens van Limmen officieel als Alkmaarderstraatweg benoemd en het gedeelte vanaf de spoorovergang tot aan de gemeentegrens met Beverwijk als Beverwijkerstraatweg. Het is verwarrend steeds het onderscheid tussen Dorpsstraat en Rijksstraatweg te moeten maken en daarom hebben we voor de aanduiding van de panden het laatste adres in de Dorpsstraat gebruikt, ook al waren ze bij hun bouw aan de Rijksstraatweg gelegen en toen anders genummerd. Een nummering die overigens weinig houvast zou bieden, omdat ze nogal eens wijzigde.

Fragment van de kaart 'De Heerlykheid van Castricum' uit 1737, waarop is afgebeeld het door Castricum lopende gedeelte van de weg van Beverwijk naar Alkmaar.
Fragment van de kaart ‘De Heerlykheid van Castricum’ uit 1737, waarop is afgebeeld het door Castricum lopende gedeelte van de weg van Beverwijk naar Alkmaar.

De oude verkeersweg door het dorp

De Dorpsstraat was reeds lang geleden onderdeel van een hoofdverkeersweg van Beverwijk naar Alkmaar.
Onderdeel van de doorgaande route was de vanuit het zuiden ko-


Jaarboek 26, pagina 36

mende Holle Laan, zoals uit oude kaarten blijkt. Deze weg, die ondanks de latere onderbrekingen en nieuwe benamingen nog goed te herkennen valt in het tracé Hollaan – Oude Haarlemmerweg – Oudeweg, eindigde ten westen van de oude Pancratiuskerk bij een samenkomst van wegen, waarna de doorgaande route zich binnen het dorp voortzette in een stukje Duijnweg (Kramersweg, later Burg. Mooijstraat) vanuit het westen om daarna naar het noordoosten af te buigen en onder de naam ‘Soomer Wegh’ op Limmen af te stevenen.
De tegenwoordige verkeersroute naar en door Castricum mag dan in een aantal opzichten verschillen met die van vroeger, maar het verloop van de weg binnen het dorpscentrum, vanaf het kruispunt met de Burg. Mooijstraat tot iets voorbij de huidige (in 2003) verkeerslichten, is nog vrijwel identiek aan de oude situatie.

Zicht op Castricum vanuit het zuiden, naar een aquarel uit 1807 van J.A. Cresent.
Zicht op Castricum vanuit het zuiden. Foto van een aquarel uit 1807 van J.A. Cresent (Meijer Pers B.V., Amsterdam, 1976)

Een aquarel van J.A. Crescent geeft een interessant beeld van de weg in het jaar 1807. De afbeelding toont ons een op Castricum aanlopende mulle zandweg, waarbij opvallend is het aan weerszijden ontbreken van enige bebouwing. Het kaarsrechte verloop van de weg naar het noorden en de ligging van de kerk ten opzichte van de weg, tonen duidelijk aan dat de situering van de weg nog in overeenstemming is met de situatie van de kaart uit 1737, en bovendien dat de tekening werd gemaakt vanaf een punt in de toenmalige Holle Laan.
Ook de in onze ogen primitieve weg was dienstbaar aan het verkeer en er moest dus onderhoud worden gepleegd. Dat behoorde tot de taken van de gemeente, waarop overigens een scherp toezicht werd uitgeoefend. Zo kreeg het Castricumse gemeentebestuur bijvoorbeeld in 1751 een ernstige vermaning van de Gecommitteerde Raden in het Noorderkwartier wegens het ‘niet passabel’ houden van de doorgaande weg; de duinbeplanting was verwaarloosd, waardoor de Holle Laan werd bedolven onder stuifzand.
De eerste planmatige aanzet om het landelijk wegennet te verbeteren dateert uit de Frans-Bataafse tijd. In 1798 werd het College van Rijkswaterstaat opgericht, dat onder leiding stond van de minister van Binnenlandse Zaken. Deze instantie hield zich niet alleen, zoals de naam suggereert, bezig met de waterhuishouding in ons land, maar strekte haar activiteiten ook al dadelijk uit naar het met de waterwegen samenhangende wegennet. Wat betreft de weg tussen Beverwijk en Alkmaar duurde het niettemin tot 1820 voordat in het kader van een Rijkswegenplan het tot een essentiële verbetering van de weg kwam. Er werd bestraat met klinkers, lange tijd de methode in ons land om de belangrijke wegen te verharden, terwijl het tracé op een aantal punten werd aangepast. Zo kwam men niet meer via de Holle Laan het dorp binnen, maar volgens de huidige, meer westelijk gelegen weg, die door de weilanden liep.

Als bijdrage in de kosten van de nieuwe Rijkswegen werd een systeem van tolheffing ingevoerd, dat tot 1899 dienst heeft gedaan. Ook in Castricum stond een tolhuis, ongeveer ter plekke van de huidige (in 2003) snackbar ‘De Eetsaloon’, Dorpsstraat 35, dat in 1903 na beëindiging van de tolheffing werd verplaatst naar de Kramersweg en later werd gesloopt.
Ter bestrijding van de wateroverlast trof men vroeger langs de wegen veelal zogenaamde bermsloten aan, een situatie die hier en daar nog steeds bestaat. Dat was ook het geval met de Rijksstraatweg tussen Beverwijk en Alkmaar. De sloten liepen door tot in ons dorp en op sommige oude foto’s zijn ze nog te herkennen, bijvoorbeeld aan een bruggetje tussen een huis en de weg.
Al spoedig na het verdwijnen van de stoomtram uit ons dorp in 1923 werd een aanvang gemaakt met de aanpassing van de doorgaande weg aan het toenemende verkeer, waaronder het dempen van de bermsloten. Vanaf 1925 gaf de gemeente aan bewoners van huizen langs de Rijksstraatweg vergunning tot het verbeteren van hun uitweg en meestal kregen ze dan tevens toestemming tot het dempen van een gedeelte van de aanliggende bermsloot. De bermsloten verdwenen ook meer grootschalig, wat gepaard ging met de aanleg van riolering en trottoirs. Zo kreeg de gemeente Castricum van Rijkswaterstaat in 1926 toestemming tot demping van de binnen het dorp gelegen noord-westelijke bermsloot in de Rijksweg Velsen – Alkmaar, waarbij een aantal voorwaarden werd gesteld, waaronder het doortrekken van het in aanleg zijnde riool en het aanbrengen van een verhoogd voetpad met een open goot.
Omstreeks 1928 werd ook een begin gemaakt met de asfaltering van delen van de Rijksstraatweg. Voor dit doel stond een asfaltmenginstallatie op het Stationsplein opgesteld, die zoveel stank verspreidde, dat er destijds door omwonenden nog een rechtszaak werd aangespannen, een vroege vorm van milieuactivisme. De asfaltering vond uiteindelijk toch doorgang.

Het vroege verkeer door Castricum

Iedereen kent nog wel het beeld van het vervoer per paard en wagen uit de tijd dat het gemotoriseerde verkeer nog niet bestond. Uit berekeningen van de historicus Schmal, die oude gegevens over toltarieven en tolopbrengsten analyseerde, valt af te leiden dat in 1840 de jaaropbrengst van de tol in Castricum (1900 gulden) neerkwam op een passage per dag van ongeveer 40 paard-en-wagens in de relatief drukke zomermaanden. Ook als we rekening houden met de vrijstelling van tol voor onder meer de brievenpost en oogstende boeren, kunnen we vanuit ons huidig perspectief bepaald niet spreken van een intensief verkeer door het dorp. De Directeur-Generaal van Waterstaat, Repelaer van Driel, dacht daar echter in 1815 reeds anders over en kwam met een ‘Reglement voor de passagie over het


Jaarboek 26, pagina 37

bestrate gedeelte des grooten wegs No. 8, begrepen tusschen Haarlem en de Helder’. Hij toonde zich bezorgd over de verkeersveiligheid en formuleerde onder andere regels over het uitwijken van rijtuigen bij het elkaar tegenkomen of bij het inhalen.
Uit het gemeentelijk jaarverslag van Castricum over 1852 blijkt, dat er toen nog geen ander middel van openbaar vervoer bestond dan een diligencedienst (red: postkoets voor personenvervoer) tussen Haarlem en Alkmaar, die de gemeente viermaal per dag aandeed. Ook het openbaar vervoer leverde dus bepaald geen bijdrage aan de verkeersdrukte, maar in het verslag wordt nog wel opgemerkt dat de meeste inwoners voor streekvervoer over eigen rijtuigen konden beschikken, terwijl men ook paarden en rijtuigen kon huren.
Het vervoer per paard en wagen was destijds niet altijd een lolletje, zoals blijkt uit ontboezemingen van Hildebrand uit 1837. Hij prijst de wagens van toen reeds bestaande vervoersondernemingen als Van Gend en Loos, maar hekelt dat men in een land als het onze, waar de straatwegen zo uitmuntend zijn (hij doelt op de verharding van een aantal wegen in een periode na 1820): “zulke slechte diligences maakt en gedoogt.”
Niet alleen lieten de rijeigenschappen van de diligences te wensen over, ze boden ook weinig ruimte en de kans dat men elkaar hinderde was dus groot. Hildebrand noemt ergernissen die ons ook nu nog bekend voorkomen, zoals snurkende slapers, onbeschaafde rokers, die zonder enige toestemming te vragen maar zitten te dampen en ons ziek maken (!) en praters, die zich geoefend hebben om de “stotendste wielen, de rammelendste portieren te overschreeuwen”. Over het concurrerende vervoer per trekschuit was Hildebrand overigens ook niet lovend en hij verheugde zich op een toekomst met comfortabel reizen per spoor.
De route Haarlem – Alkmaar was lange tijd ook van groot belang voor het vervoer van post van en naar de aanliggende dorpen, een rit die met een speciale paard-en-wagencombinatie over Santpoort, Beverwijk, Noorddorp, Castricum, Limmen en Heiloo onder normale omstandigheden ongeveer 3,5 uur in beslag nam. De post werd in Castricum afgegeven bij de oude bierstal tegenover de oude Pancratiuskerk. Omdat men voor het wegvervoer lange tijd was aangewezen op paarden, waren er op regelmatige afstanden pleisterplaatsen, meestal een herberg waar wat kon worden uitgerust en een doorrijstal, waar de paarden werden verzorgd en eventueel konden worden gewisseld. In Castricum had ‘De Rustende Jager‘ een dergelijke voorziening.

De stoomtram in 1915 aan het begin van de Dorpsstraat (toen Rijksstraatweg). Van rechts naar links de panden nr 3, 5, een open plek waar in 1917 nr 7 werd gebouwd en pand nr. 9, door de tram gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Op de voorgrond het bruggetje over de bermsloot naar villa nr 1.
De stoomtram in 1915 aan het begin van de Dorpsstraat (toen Rijksstraatweg). Van rechts naar links de panden nr 3, 5, een open plek waar in 1917 nr 7 werd gebouwd en pand nr. 9, door de tram gedeeltelijk aan het zicht onttrokken. Op de voorgrond het bruggetje over de bermsloot naar villa nr 1.

Een stoomtram door het dorp

De opening van de eerste spoorweg tussen Haarlem en Amsterdam in 1839 was het begin van de aanleg van een netwerk van spoorwegen in ons land. Ook Castricum ging hiervan deel uitmaken, in 1867 toen de spoorlijn Haarlem – Alkmaar in bedrijf werd genomen. Hoewel er nu soms anders over wordt gedacht, onderging men de komst van de trein indertijd als een enorme verbetering in het reizigers- en goederenvervoer ten opzichte van de oncomfortabele koetsen en de langzame trekschuit. Niettemin was er behoefte aan een meer fijnmazig lokaal vervoer, wat aan het einde van de 19e eeuw resulteerde in de aanleg van een railnet voor stoomtrams. Dit was een particuliere aangelegenheid en er schijnen wat dit betreft wel zestien maatschappijen in het spel te zijn geweest. De eerste tramlijn in onze regio werd in 1882 geopend tussen Beverwijk en Wijk aan Zee. Omstreeks 1895 werd een begin gemaakt met de aanleg van een trambaan, met een railbreedte van één meter, langs de Rijksstraatweg tussen Haarlem en Alkmaar. In februari 1897 werd het baanvak Beverwijk – Alkmaar geopend en sindsdien reed de stoomtram dus ook door Castricum. De straatweg door het dorp kreeg hiermee een geheel ander aanzien. De tram passeerde aan het begin van het dorp de spoorbaan, wat speciale voorzieningen nodig maakte en liep vervolgens aan de oostkant van de weg dicht langs de voortuinen van de huizen, die overigens merendeels na de komst van de tram werden gebouwd, zodat de bewoners wisten wat hen te wachten stond. Hier waren de rails op enkele plaatsen bovendien nog verdubbeld, om de trams gelegenheid te geven elkaar te passeren en ook goederenwagons te parkeren. De halteplaats in het dorpscentrum was gelegen nabij het toenmalige Café Sportlust (nu – in 2003 – ‘Brasserie bij Beentjes’) op de hoek Dorpsstraat – Burg. Mooijstraat.

Volgens een dienstregeling uit 1899 stopte er de tram, uit beide richtingen, acht maal per dag. De tram deed twee uur over het gehele traject. Enkele jaren later noemt volgens oude foto’s het iets verderop in de Dorpsstraat gelegen café ‘De Rustende Jager’, dat vanaf 1901 werd beheerd door de ambitieuze zakenman Johannes Koopman, zich eveneens een halteplaats, wat kan worden opgemaakt uit de tekst ‘station stoomtram’ op de gevel. Waarschijnlijk had dit niet te maken met een verplaatsing van de halteplaats, maar hadden meerdere horecabedrijven in de Dorpsstraat die dicht bij de plaats waar de stoomtram stopte waren gelegen, er belang bij om zich als halteplaats te afficheren.
Hoewel de gemeente bij het verlenen van de vergunning voor de trambaan wel degelijk veiligheidseisen had gesteld, waaronder het stapvoets rijden door het dorp, betekende de komst van de stoomtram niettemin een stuk onveiligheid. Er vonden, ook binnen de dorpskom, aanrijdingen en ongelukken plaats, soms met dodelijke afloop. Verschillende malen kwam de onveiligheid van de tram in de gemeenteraad ter sprake, zoals in 1900 toen raadslid Schuijt zich beklaagde over het te hard rijden van de tram door het dorp.
De tram was niet alleen van betekenis voor het lokale reizigersvervoer, maar ook voor het transport van allerhande goederen, waaronder uiteenlopende zaken, zoals levensmiddelen en grof vuil. Er werd zelfs vee vervoerd, waarbij volgens de overlevering het uitladen van de beesten aan de conducteurs werd overgelaten, wat soms aanleiding gaf tot wilde taferelen. De tram was ook een dankbaar mikpunt van kattenkwaad, vandalisme zouden we nu zeggen, zoals het loskoppelen van wagons als het spoorpersoneel even in het café verpoosde en, wat incidenteel ook schijnt te zijn voorgekomen, het leggen van voorwerpen op de rails “van onbekende makelij”, die bij het passeren van de tram ontploften en veel schrik veroorzaakten. Het noopte de trammaatschappij zelfs om op politieonderzoek aan te dringen.

Door de komst van het vervoer per auto en autobus was de stoomtram op den duur niet meer rendabel en zo werd de dienst Alkmaar – Velsen in 1923 opgeheven en kwam er dus ook voor Castricum een einde aan ‘de moordenaar’, zoals de tram hier en ook elders in het land wel werd genoemd.


Jaarboek 26, pagina 38

Onstuimige groei van het verkeer

Omstreeks 1865 deed de fiets in ons land zijn intrede, zelfs koning Willem II schafte er één aan. De fiets werd aanvankelijk nog uitsluitend voor sportieve doeleinden gebruikt en als bevorderlijk voor de gezondheid aanbevolen. Met de komst van het ons bekende type rijwiel nam de belangstelling voor het fietsen zo snel toe, dat in 1883 de Algemene Nederlandsche Wielrijders Bond (ANWB) werd opgericht om de belangen van de fietsers te behartigen, speciaal het verbeteren van de wegen door de aanleg van fietspaden. Het zal niet lang meer hebben geduurd of de fiets werd, ook in de Dorpsstraat, een normale verschijning. Op oude foto’s, die een doorkijk geven van de belangrijke straten in het dorpscentrum van Castricum, ziet men dan ook altijd wel een paar personen met een fiets, die de indruk wekken klaar te staan voor een of ander transport.
Al spoedig na het verschijnen van de eerste auto’s op de Nederlandse wegen, omstreeks 1895, werd een vergunningenstelsel ingevoerd, waarbij de autobezitters werden geregistreerd. Op gepubliceerde lijsten van honderden vergunninghouders over de periode tot 1905 treft men nog geen inwoners van Castricum aan, wel inwoners van enkele omringende gemeenten, die wellicht met veel lawaai en onder veel belangstelling, af en toe door Castricum toerden. Tot de inwoners van ons dorp die wat later een auto kochten en daarmee het dorp onveilig maakten, behoorden dokter Schoonhoff, sinds 1905 arts in ons dorp, met een driewieler van het merk Hanomag, dominee Van Poelgeest, vanaf 1900 werkzaam in Castricum, met een auto van het Nederlandse merk Spijker en Cornelis Stolk, een technicus, met een driewieler van het merk Cyclonette.
Bij de eerste verkeerstelling van Rijkswaterstaat in 1908 telde men op de drukste Rijksweg, nabij Den Haag, op 5 zondagen gemiddeld 116 auto’s, 69 motorrijwielen en 2262 fietsen. De Rijksweg door Castricum was in die periode dus minder druk en kan men wat verkeersdichtheid betreft, in vergelijking met nu, een verademing noemen. De toenmalige inwoners hadden van de gigantische verkeerstoename nog geen weet en de diversiteit van het verkeer door het benauwde dorpscentrum, zoals voetgangers, fietsen, motorfietsen, auto’s en tram, zal ook toen zeker wel eens zorgen hebben gebaard. Door de onstuimige groei van het verkeer werd de situatie al snel nog veel zorgelijker. In 1915 reden er op de Nederlandse wegen nog slechts vijfduizend auto’s, nu zijn het er zes miljoen. In 1900 bezat slechts één op de 38 inwoners van ons land een fiets. In 1995 werd het aantal fietsen in ons land geschat op ongeveer dertien miljoen, dus vrijwel elke inwoner van ons land bezat een fiets.
De enorme groei van het verkeer kon door de aanleg van nieuwe wegen en de verbreding van bestaande wegen buiten de bebouwde kom nog wel redelijk worden op gevangen, maar aan de nauwe doorgaande routes door de oude dorpskernen viel weinig te sleutelen. Dus zien we tegenwoordig dat in veel dorpen het dorpshart overbelast wordt met verkeer, omdat de doorgaande wegen nog steeds door het oude centrum lopen. Ook de Castricumse Dorpsstraat is hiervan een voorbeeld en in de loop der jaren heeft het verbeteren van de verkeerssituatie in deze straat dan ook al heel wat aandacht gekregen. Over de resultaten lopen de meningen uiteen.

De bewoningsgeschiedenis van de Dorpsstraat

Zoals we op de tekening (aquarel) tekening van Cresent zagen, was het langs de toenmalige weg die vanuit het zuiden aanliep op Castricum, de Holle Laan, maar een kale boel. Langs de weg valt geen enkel huis, overigens ook geen enkel teken van leven, te bekennen. De prent toont wel bewoning nabij de kerk. Dat klopt met het beeld van de kaart uit 1737, opgedragen aan Geelvinck, de ambachtsheer van Castricum, waarop langs de Holle Laan ook geen huizen zijn ingetekend, in tegenstelling tot het door het dorp langs de kerk lopende weggedeelte, waaraan volgens de kaart een tiental huizen was gelegen. Dit zullen merendeels boerderijen zijn geweest die de tijd niet hebben doorstaan. Een substantiële bebouwing, waarvan vrij veel is overgebleven en die nog mede het beeld van de huidige Dorpsstraat bepaalt, kwam pas goed op gang in het begin van de 20e eeuw.
Wanneer we, wat betreft het afgebeelde gedeelte van de Dorpsstraat, teruggaan in de tijd, blijkt dat het omliggende land in een periode voordat de bebouwing plaatsvond, voor een groot deel in gebruik was voor de teelt van bloembollen. Aan de even kant van de Dorpsstraat was, voordat de bouw op gang kwam, vrij veel grond in handen van Cornelis Jansz Mooij en later van diens zoon Jan Mooij, burgemeester van Castricum.
Veel grond aan de oneven kant was eigendom van de bollentelers Petrus Valkering en Adriaan van Lith. Zij splitsten hun land voor de latere huizenbouw. Een naam die men in verband met de bouw van huizen van het te bespreken gedeelte van de Dorpsstraat ook veelvuldig tegenkomt, is die van Gerrit Kabel, timmerman en aannemer. Hij was wat we tegenwoordig een typische projectontwikkelaar zouden noemen. Hij kocht land aan van de landeigenaren, verdeelde dat in kleine kavels en bouwde daarop, al of niet in opdracht, een woonhuis, dat hij dan verkocht.
Een andere naam, die men in verband met de bebouwing van vooral het eerste deel van de Dorpsstraat regelmatig tegenkomt, is die van Jan Koopman, vanaf 1901 eigenaar van De Rustende Jager, die zich ontpopte als een huizenspeculant, door grond en panden voor korte tijd aan te kopen, om ze vervolgens met winst door te verkopen aan de latere bewoners.

Luchtfoto uit 1923 met zicht op de achterzijde van een aantal huizen aan de noordkant (even kant) van de Dorpsstraat. (Red: zie links bovenin het rijtje huizen voor de bomen). Geheel rechts, door de bomen vrijwel aan het zicht onttrokken, nr 2, Funadama. Na een nog onbebouwd stuk land, vervolgens van rechts naar links de nummers 12, 14/16, 18, 20, 22 (op het achterterrein een garagebedrijf), 24, 26 (op het achterterrein een nog bestaand prominent pand, aanvankelijk werkplaats van de bouwfirma Kabel), 28, 30,32, 36 en 40. Nr 34 was nog niet gebouwd. Nr 38, een PEN-huisje, is niet zichtbaar. Wel op het achterterrein tussen de nrs 36 en 40 een grote schuur, behorend bij 36.

Bij de navolgende bespreking van de huizen beginnen we aan de noordzijde (oneven kant) van de Dorpsstraat. Een luchtfoto uit 1923 toont aan dat de meeste huizen die we thans aan deze kant van de Dorpsstraat aantreffen, er reeds stonden, met achter de huizen grote tuinen, waaronder de tuin die later naar kapitein Rommel werd vernoemd.


Jaarboek 26, pagina 39

Van villa Funadama tot Chinees Restaurant (nr 2)

Wanneer we vanaf de spoorovergang de Dorpsstraat oog in oog staan met twee geweldige leeuwen aan de ingang van een Chinees restaurant, kunnen we ons moeilijk voorstellen hoe dit gebouw er oorspronkelijk heeft uitgezien. Diverse bewonersgroepen en organisaties in Castricum hebben in de loop der tijd bezwaar gemaakt tegen bouwkundige veranderingen in de Dorpsstraat en zo was ook niet iedereen enthousiast over de gevel van restaurant Jasmin Garden, dat in 1987 zijn poorten opende. De in Chinese stijl opgetrokken voorgevel vormde het sluitstuk van een serie veranderingen, die van het uiterlijk van het oorspronkelijke pand op deze plaats niets herkenbaars hebben overgelaten.

Theodorus Lodewijk Arnold (1872-1919), scheepsgezagvoerder bij de KPM en stichter van Funadama, Dorpsstraat 2.
Theodorus Lodewijk Arnold (1872-1919), scheepsgezagvoerder bij de KPM en stichter van Funadama, Dorpsstraat 2.

Aanvankelijk was Dorpsstraat 2 een villa, gebouwd in 1906 in opdracht van Theodoor Arnold, die in het dorp bekend stond als ‘oom Tom’. Tom Arnold, geboren in 1872 in Rotterdam, was kapitein bij de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), een maatschappij die zich voornamelijk bezig hield met de scheepvaart tussen de eilanden van het toenmalige Nederlands-Indië. De hoofdvestiging van de maatschappij was in Batavia en dat wordt ook genoemd als de woonplaats van Tom Arnold vóór hij zich definitief in Castricum vestigde.

De voormalige villa Funadama van Tom Arnold, Dorpsstraat 2, omstreeks 1920, na een gedeeltelijke verbouwing tot café. Het uiterlijk van de oorspronkelijke villa is hier nog grotendeels intact.
De voormalige villa Funadama van Tom Arnold, Dorpsstraat 2, omstreeks 1920, na een gedeeltelijke verbouwing tot café. Het uiterlijk van de oorspronkelijke villa is hier nog grotendeels intact.

Hij noemde zijn villa Funadama (vrouwe van de zee), naar een godin die vroeger in Japan werd vereerd als beschermvrouwe van vissers en zeelui. Volgens de legende boorde de scheepstimmerman aan de voet van de mast een gat, waarin een offer aan de godin werd gestopt, in de vorm van bijvoorbeeld graankorrels of munten. Tom Arnold was niet getrouwd, maar hij zal niet tot de eenzame vrijgezellen hebben behoord, omringd als hij was door familieleden, die in de directe omgeving woonden. We zullen diverse leden van de familie Arnold in het vervolg van dit verhaal nog tegenkomen. Volgens de overlevering was Tom Arnold een gezellige man, die de nogal saai genoemde familiebijeenkomsten wist op te vrolijken met vermaak, spelletjes en goochelacts.

Zijn loopbaan was van betrekkelijk korte duur, want hij wordt rond zijn 45e jaar al betiteld als oud-gezagvoerder. Hij stierf jong, in december 1919 op 47-jarige leeftijd, naar verluidt aan bloedvergiftiging. Zijn graf is nog aanwezig op de begraafplaats bij de Hervormde kerk.
Huis en tuin liet hij na aan zijn halfzuster Jacoba Arnold, die slechts twee huizen verder woonde. Zij had het huis niet nodig en verkocht het reeds in 1920 aan een zekere Hendrik Kerkhoff, die nog in mei van hetzelfde jaar vergunning kreeg om het woonhuis te verbouwen tot café. Dat was dus het begin van een nieuwe bestemming van Funadama als cafébedrijf, waar men volgens de toenmalige menukaart ‘café a la Arnold’ kon bestellen, als herinnering aan de vroegere kapitein. Foto’s laten zien dat na de verbouwing tot café het uiterlijk van de oorspronkelijke villa nog goed bewaard is gebleven. Om onbekende redenen hield Kerkhoff het na korte tijd al weer voor gezien. Zijn tapvergunning werd in 1922 ingetrokken en het inmiddels café geworden pand, dat volgens sommige bronnen zelfs enige tijd leeg zou hebben gestaan en verwaarloosd was, kwam in datzelfde jaar in handen van de in 1885 in Castricum geboren Jan Twisk, die de naam Funadama handhaafde.
Jan Twisk was in 1908 getrouwd met Alida Lute. Zij kregen negen kinderen. De jongste dochter, Alida Twisk, trad in 1944 in het huwelijk met Cornelis Beentjes, waarna het echtpaar introk op Funadama. Vader Jan Twisk, inmiddels weduwnaar, bleef er nog tot 1950 wonen en betrok zijn schoonzoon in toenemende mate bij het wel en wee van het café.
Cornelis Beentjes, die bekend stond als ‘Zwarte Cor’, werd in 1953 eigenaar van de zaak, wat het begin betekende van een periode van verbouwingen die het pand van binnen en van buiten ingrijpend zouden wijzigen. Nog in hetzelfde jaar kreeg Beentjes toestemming tot het bouwen van acht hotelkamers op de bovenverdieping. In 1957 werd het hotel uitgebreid met een serre, die aan de linkerkant werd aangebouwd.

Funadama omstreeks 1960, na het houwen van hotelkamers op de bovenverdieping en aanbouw van een serre aan de linkerkant.
Funadama omstreeks 1960, na het houwen van hotelkamers op de bovenverdieping en aanbouw van een serre aan de linkerkant.

In 1962 kreeg Beentjes toestemming voor de aanbouw van een vleugel aan de rechterkant van het pand en aanpassing van het interieur. Kort daarna, in 1966, werd de hotelruimte vergroot door de bouw van een bovenverdieping met achttien hotelkamers. Van het oorspronkelijke woonhuis viel aan de buitenkant nu niets meer te onderkennen.


Jaarboek 26, pagina 40

Funadama na ingrijpende verbouwingen in 1963 en 1966.
Funadama na ingrijpende verbouwingen in 1963 en 1966.

In 1974 nam Jan Beentjes, een zoon van Cor, de zaak over. Onder zijn bewind werd het hotel-café-restaurant, dat nog steeds Funadama werd genoemd, verder uitgebreid, hoewel dat op het vooraanzicht van het gebouw aan de Dorpsstraat weinig invloed had.

Een grote uitbreiding vond plaats in 1982 door de aanbouw aan de achterkant van wat in het Nieuwsblad voor Castricum een feestzaal werd genoemd, die alleen zichtbaar was vanaf de Stationsweg en bereikbaar via de verplaatste voetbrug over de stationsvijver. Hieruit kwam in 1985 discotheek Joy voort.
In 1986 kwam een einde aan Funadama en werd het een Chinees restaurant, waartoe in 1987 aan de heer Wu uit Almere toestemming voor de opvallende gevel verandering werd gegeven, waarop we hiervoor reeds zijn ingegaan. Jan Beentjes hernam zijn culinaire activiteiten als eigenaar van Restaurant ‘t Eethuysje’ aan de Dorpsstraat. Recent (red: wat 2003 betreft) is hij overleden.
Met het verdwijnen van Funadama kwam een einde aan een periode waarin deze gelegenheid een belangrijke functie in het sociale leven van Castricum had vervuld. In wat in de krant vaak de ‘Zaal Beentjes’ werd genoemd, bloeide het verenigingsleven. Er vonden bruiloften, dansavonden, vergaderingen en concerten plaats en er werden grote recepties gehouden, zoals bijvoorbeeld ter gelegenheid van de installatie van burgemeester Van Boxtel in 1969.
De dynastie Beentjes in de Castricumse horeca zet zich voort in ‘De Brasserie bij Beentjes’ op de hoek Dorpsstraat – Burg. Mooijstraat.

* noot van de redactie: in dit artikel worden veel horeca, winkels, enzovoorts genoemd, die inmiddels verdwenen zijn of hebben plaats gemaakt voor andere.

Rijtjeshuizen (nrs 4 t/m 10)

Vervolgen we onze weg aan de even kant van de Dorpsstraat, dan komen we aan een rijtje van vier eenvormige woningen. Op de plattegrond uit 1935 zien we tussen de nummers 2 en 12 een open plek, en dat klopt, want de woningen 4 t/m 10 werden pas in 1956 gebouwd. Architectonisch valt aan deze huizen weinig te beleven.

Het ontruimingsbevel waarmee veel inwoners van Castricum de laatste maanden van 1942 werden geconfronteerd.
Het ontruimingsbevel waarmee veel inwoners van Castricum de laatste maanden van 1942 werden geconfronteerd.

Evacuatie en reëvacuatie in de Tweede Wereldoorlog

Op last van de bezetter werden tijdens de Tweede Wereldoorlog in Castricum niet alleen huizen gesloopt, maar inwoners werden ook gedwongen hun huizen te verlaten, meestal ter inkwartiering van Duitse militairen. Bewonerskaarten aanwezig in het gemeentearchief van Castricum, hoewel slechts over een beperkte periode bijgehouden, geven een beeld van het vertrek van Castricummers uit en de terugkomst in hun behuizing als gevolg van de oorlog en bovendien van het aantal Duitse militairen dat tijdens hun afwezigheid in hun huis was ingekwartierd. De bevelen tot evacuatie kwamen in de laatste maanden van 1942. De bewonerskaarten tonen dat inderdaad vrijwel alle toenmalige bewoners van het gedeelte van de Dorpsstraat waarmee we ons in dit artikel bezighouden, eind 1942 en begin 1943 hun biezen moesten pakken en dat in al deze huizen Duitse militairen werden ingekwartierd.

Veel voor de bewoners van kustplaatsen onaangename maatregelen die door de bezetter werden genomen, zoals het slopen van huizen en vorderen van woningen, hadden te maken met de verdediging van de kust tegen een mogelijk invasie van de geallieerden. Toen de invasie eenmaal een feit was en in Frankrijk had plaatsgevonden, werd de verdediging van onze kust minder actueel en werden Duitse legereenheden teruggetrokken en elders ingezet. Dat is waarschijnlijk de reden dat nog vóór het einde van de oorlog, in november 1944, in kustgemeenten als Castricum aan geëvacueerden door de burgemeester toestemming kon worden verleend om weer terug te keren. Voorwaarde was wel dat men hier werk had. Groot probleem was dat van een aantal betrokkenen die wilden terugkeren, de woning was gesloopt of om een andere reden niet beschikbaar was. In dat geval kon tijdelijk een leegstaande woning, waaruit de bezetter vertrokken was, worden toegewezen, een systeem dat ook na afloop van de oorlog, toen de reëvacuatie pas goed op gang kwam, voor veel chaos heeft gezorgd.


Jaarboek 26, pagina 41

De historie van de panden is ook te recent om interessant te zijn, waarbij we echter een uitzondering maken voor een affaire met betrekking tot nummer 4, waar zich in 1960 een zekere Johann Vollers vestigde. Vollers was om gezondheidsredenen vanuit Amsterdam naar Castricum gekomen en kreeg in 1966 te maken met de hiervoor besproken uitbreiding van Funadama met een bovenverdieping voor hotelkamers. Hij voelde zich hierdoor in zijn woongenot aangetast, omdat hij zich, naar hij meende beloerd door hotelgasten, niet meer vrij in zijn tuin zou kunnen bewegen. In een schrijven aan de gemeente verzocht hij daarom de ramen van de hotel verdieping, die uitzicht op zijn tuin boden, van matglas te voorzien. De heer Beentjes voelde er uiteraard niets voor zijn hotelgasten kamers te bieden met matglas ramen. De gemeente was het hiermee eens en stelde dat aan alle eisen van de hinderwet was voldaan. Vollers kreeg dus ongelijk en verhuisde in 1974 naar Heiloo.
Jan Beentjes was overigens nog in de gelegenheid zelf de bezwaren van Vollers tegen zijn hotel te toetsen, want hij woonde vanaf eind 1979 enkele jaren met zijn gezin op Dorpsstraat 4.

Het woonhuis Dorpsstraat 12, ca. 1930. Voor de woning van links naar rechts: Johannes de Nijs, Gerardus de Nijs, Petrus de Nijs, Maria de Nijs - Delis en Alida de Nijs - Brakenhojf.
Het woonhuis Dorpsstraat 12, ca. 1930. Voor de woning van links naar rechts: Johannes de Nijs, Gerardus de Nijs, Petrus de Nijs, Maria de Nijs – Delis en Alida de Nijs – Brakenhoff.

Van woonhuis tot winkel (nr 12)

Veel Castricummers kennen Dorpsstraat 12 van oudsher als een dierenwinkel, maar toch was ook dit pand aanvankelijk een woonhuis, zoals oude foto’s laten zien. Het huis werd in 1908 gebouwd door de fa. Kabel. Voor zover bekend waren de eerste bewoners Matthias de Nijs, geboren in 1867 in Limmen, van beroep landbouwer, zijn vrouw Maria de Nijs – Delis en hun vijf kinderen.

Matthias de Nijs overleed in 1922, waarna zijn weduwe nog tot haar overlijden in 1939 in de woning bleef wonen, die daarna een korte periode in handen kwam van Jan Koopman, eigenaar van De Rustende Jager en zeer actief op de markt van onroerend goed. Deze liet het pand verbouwen tot een winkel, die hij eerst verhuurde aan Arend Spiering en in 1941 aan Jan Lust, geboren in 1908 in Oostzaan, die het pand later kocht. Een kleinzoon van Jan Lust vertelde hierover: “Mijn grootvader werkte aanvankelijk in het pluimveebedrijf van zijn vader in Oostzaan, maar daar kwam bij het uitbreken van de oorlog de klad in. Hij zocht ander emplooi, wat hij vond door het eerst huren en later kopen van de winkel op de Dorpsstraat nummer 12. Aanvankelijk zat daar een zekere Spiering in met een ijzerwinkel. Mijn grootvader nam de zogenaamde goodwill over. Spiering zat er maar kort, vanaf 1939, toen Koopman de winkel had laten bouwen.”
Jan Lust was ook aannemer en bouwde huizen, onder andere over de spoorbaan aan de Beverwijkerstraatweg. Een aangebouwde schuur aan de achterzijde van zijn pand was ingericht als timmermanswerkplaats. Hij exploiteerde ook enige tijd een timmerfabriekje in een gedeelte van de voormalige melkfabriek aan de Overtoom. Lust was een lange, sportieve man, door zijn kleinzoon gekenschetst als een ‘Lunsachtig type’, wat fysiek het geval mag zijn geweest, maar zeker niet geldt voor zijn politieke interesse, want hij voelde zich aangetrokken tot de toenmalige liberalen, die in Castricum niet sterk in getal waren. Hij zou volgens de overlevering nog hoge ogen hebben gegooid naar een wethoudersfunctie, maar de politieke constellatie in Castricum zat hem wat dit betreft niet mee. Bram Lust, een zoon van Jan lust, had aan zijn jeugd in de Dorpsstraat de indruk overgehouden dat het gezin in een wat geïsoleerde positie verkeerde, door de politieke opvattingen van zijn vader en bovendien vanwege het geloof, ze waren niet katholiek. “Mijn buurjongens Wim Kraakman en Ko Portegies mochten niet met mij spelen, maar dat deden ze natuurlijk toch.” Naast zijn werk was Jan Lust ook een enthousiast duivenmelker en een liefhebber van de watersport. Gezien de vele activiteiten van Jan Lust verbaast het niet dat zijn winkel in gereedschap en huishoudelijke artikelen aan de Dorpsstraat voornamelijk door zijn vrouw werd gedreven.

De winkel was aanvankelijk gehuisvest in het linkergedeelte van de woning (onder het puntdak), terwijl het rechtergedeelte en de bovenverdieping in gebruik waren als woning. In 1955 voerde Lust een drastische, maar merkwaardige verbouwing door, waarbij de winkel werd verplaatst naar het rechtergedeelte van het pand en de werkplaats aan de achterkant werd uitgebreid.

Doorkijk Dorpsstraat, ca. 1950. Aan de linkerzijde, van links naar rechts nr 12 (winkel van Jan Lust) en de woonhuizen nrs 14, 16, 18 (later café'), 20 (later café), 22 (later bowlingbar) en 24.
Doorkijk Dorpsstraat, ca. 1950. Aan de linkerzijde, van links naar rechts nr 12 (winkel van Jan Lust) en de woonhuizen nrs 14, 16, 18 (later café’), 20 (later café), 22 (later bowlingbar) en 24.

In 1962 trouwde de uit Limmen afkomstige Hendrik Nuijens in Castricum met Maria Steeman, waarna het echtpaar de bovenwoning van Dorpsstraat 12 betrok en de winkel inrichtte tot de alom bekende ‘dieren-speciaalzaak’. Lust schijnt overigens nog enige tijd van de achterliggende schuur gebruik te hebben gemaakt. Onder Nuijens voltrokken zich


Jaarboek 26, pagina 42

verdere veranderingen aan het pand, zoals in 1972 een grote verbouwing, waarbij de gehele begane grond tot winkel werd ingericht en in 1983 het wijzigen van de voorgevel en het plaatsen van een luifel, waardoor de huidige situatie ontstond. Nuijens kocht destijds ook nog het pand van Vendel aan de overkant als opslagruimte, om het later te verkopen aan Frank Boske. De familie Nuijens bleef niet in de Dorpsstraat wonen, het gezin telde inmiddels 3 kinderen, en verhuisde naar elders, waarna de bovenwoning, op een enkele uitzondering na, werd verhuurd aan personen die niet direct met de winkel te maken hadden.
Na meer dan 30 jaar hield Nuijens het in 1993 voor gezien en nam Ed de Kegt de dierenwinkel over, wat overigens van korte duur bleek, want in 1994 kwam de zaak in handen van de huidige (in 2003) eigenaar Ton van Leeuwen.

De 'tweelingpanden' Dorpsstraat 14/16 omstreeks 1970.
De ‘tweelingpanden’ Dorpsstraat 14/16 omstreeks 1970.

Identiek van uiterlijk (nrs 14 en 16)

De huisjes Dorpsstraat 14 en 16 vormen nu samen een kantoor, maar oorspronkelijk waren het twee identieke woningen ‘onder één kap’. Ze werden omstreeks 1910 gebouwd door het bedrijf van Gerrit Kabel op grond afkomstig uit het bezit van de familie Rommel. Eerste bewoner van nummer 14 was Geert Middelveld, die zich met zijn vrouw Antje Tijs in 1910 vanuit Emmen in Castricum vestigde, om als administrateur te gaan werken bij de sinds kort bestaande psychiatrische inrichting ‘Duin en Bosch‘. Geert Middelveld huurde de woning enkele jaren van Kabel, om in 1914 te verhuizen naar een villa die hij aan de overkant had laten bouwen. Dorpsstraat 14 werd daarop door Kabel eerst verhuurd en later verkocht aan twee halfzusters van Tom Arnold, stichter en toen nog bewoner van het naastgelegen Funadama, te weten de 50-jarige Jacoba en de 56-jarige Louise Arnold. De beide zusters, geen Castricummers van geboorte, hadden zich omstreeks 1890, na als huishoudsters in verschillende betrekkingen werkzaam te zijn geweest, in Castricum gevestigd en vormden toen samen met hun oom Herman Affourtit, een bloemkweker afkomstig uit Lisse, en diens zuster Louize Affourtit, een huishouding van vrijgezellen in een niet meer bestaand woonhuis aan de Burg. Mooijstraat. Herman Affourtit zou ook nog bij de zusters Arnold in de Dorpsstraat zijn ingetrokken, maar dat moet van heel korte duur zijn geweest, want hij overleed in 1914 op 70-jarige leeftijd.

Louise overleed in 1926 en Jacoba Arnold bleef toen alleen in het huis aan de Dorpsstraat achter. Ze kocht in 1926 het buurhuis nummer 16, dat sinds de bouw was bewoond door de weduwe Maria van Doorn – Rommel, een tante van de bekende kapitein Rommel, en ging deze woning verhuren. De eerste huurder was een zekere Gijsbertus Bontan, die met zijn familie, waaronder zijn moeder, vanuit Amsterdam in Castricum kwam wonen. Hij was adjunct-commies bij de belastingen in Alkmaar en dus feitelijk een forens. De reden om in Castricum te gaan wonen was de ziekte van zijn moeder, voor het herstel waarvan ‘de zandstreek’ was aanbevolen. Auke Bontan, een zoon van Gijsbertus en pas zes jaar toen zijn familie zich in Castricum vestigde, had aan zijn Castricumse periode nog maar weinig, maar wel idyllische herinneringen: “een overkapping van het huis met zwaluwnesten en een slootje aan de overkant, waar ik speelde.”
In 1931 vertrok het gezin Bontan naar Alkmaar en huurder van de woning werd nu de uit Haarlem afkomstige koopman Jan Koudstaal, die er met zijn vrouw Elisabeth van Aken en een vijfjarige zoon Jacob zijn intrek nam. In januari 1943 moesten de familie Koudstaal en ook buurvrouw Jacoba Arnold, zoals veel inwoners van Castricum, hun huis ontruimen om plaats te maken voor de Duitse bezetter. Van de mogelijkheid die in november 1944 werd geboden om terug te keren, wist Jacoba kennelijk geen gebruik te maken, want het huis werd nu toegewezen aan de vanuit Beverwijk in Castricum teruggekeerde Jaap Korsman en zijn vrouw. Korsman verkreeg toestemming om naar Castricum terug te keren, omdat hij kon aantonen in Castricum werk te hebben bij aannemer Res.
De tuin achter het huis grensde aan de tuin van mevrouw Rommel en de familie Korsman mocht van die tuin gebruik maken om groente en aardappelen te telen, heel welkom in die oorlogsjaren. Jaap Korsman heeft bij de bevrijding nog de vlag gehesen op de toren van de oude Pancratiuskerk, want dat was ook vóór de oorlog altijd bij feestelijke gebeurtenissen zijn werk.

In januari 1946 keerde Jacoba Arnold vanuit Graft naar Castricum terug en nam haar woning weer in gebruik. De familie Koudstaal keerde niet in Castricum terug en pas in juni 1946 meldde zich een nieuwe huurder voor Dorpsstraat 16 in de persoon van Siebrand de Vries, van beroep hovenier, wiens woning annex bloemenwinkel in de Burg. Mooijstraat in 1938 plaats had moeten maken voor nieuwbouw.
In 1952 verkocht Jacoba Arnold haar beide panden aan respectievelijk Willem Costerus, griffier in Amsterdam en zijn broer Pieter Costerus, zakenman in Aardenhout. Het is zeker dat zij niet in Castricum hebben gewoond en de aankoop van de huizen moet dus gezien worden als een zakelijke transactie. Zij bleven de huizen voorlopig verhuren. Jacoba Arnold woonde nog tot aan haar dood op 90-jarige leeftijd in 1955 op nummer 14. Nummer 16 werd tot 1968 bewoond door Siebrand de Vries, die in september van dat jaar overleed. Dit laatste pand werd, na nog enkele malen van eigenaar te zijn veranderd, in 1976 eigendom van een architectenbureau dat er ook thans (in 2003) nog gevestigd is, onder de naam Nootebos-Baltes-Min BV. Deze firma kocht voor de uitbreiding van het kantoor in 1979 ook nummer 16 van de toenmalige eigenaar en architect Jacob Spaargaren, nadat het enige jaren had leeggestaan.

Een doorverbinding van de panden, gepaard aan wijziging van de voorgevel, vond plaats in 1985. De oorspronkelijke panden toonden volgens oude foto’s vrij karakteristieke voorgevels van gemetselde stenen. De huidige situatie met de witgepleisterde muren is weinig fraai, maar mogelijk waren bepaalde ingrepen aan de gevel in verband met de ouderdom van de panden noodzakelijk.

Het oorspronkelijke vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 18.
Het oorspronkelijke vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 18.

Van woonhuis tot café (nr 18)

De huidige (in 2003) café-bar ‘t Gemeentehuys’ kreeg die status pas in 1973 en was daarvoor een woonhuis. De bouw vond plaats ca. 1913 door de firma Gerrit Kabel in opdracht van aannemer Dirk de Jong, die in die periode betrokken was bij verschillende bouwprojecten in Castricum en er met zijn familie ging wonen.
In 1928 werd het huis gekocht door Maartje Roemer – ter Hofstede, weduwe van Bernard Roemer, die zich vanuit Akersloot in Castricum had gevestigd en hier bekendheid genoot als reparateur van fietsen


Jaarboek 26, pagina 43

en auto’s. Maartje, die met twee kinderen nu een vrij ruime woning ter beschikking kreeg, verwierf zich inkomsten door woonruimte te verhuren, want zij wordt in archiefstukken pensionhoudster genoemd. In 1944 en 1945 – het huis was nog steeds bezit van de familie Roemer die ook slachtoffer was van de evacuatie – woonde er tijdelijk het gezin van de bekende Castricummer Tjeerd van Eik, die vanaf 1941 directeur was van stoomzuivelfabriek ‘De Holland’. De familie kwam daar terecht door een dramatische gebeurtenis. Als vergelding voor sabotage aan de spoorlijn werden op 3 oktober 1944 door de Grüne Polizei drie huizen in de Pernéstraat in brand gestoken, waaronder het huis van Tjeerd van Eik.

Doorkijk Dorpsstraat in 1952 met achtereenvolgens links de woonhuizen nr 16,18 (later café), 20 (later café), 22 (op achterterrein garagebedrijf, later bowlingbar), 24 en een bakkerswinkel op 26. Rechts de woonhuizen nr 23 (later kantoor), 25 en een pakhuis op 27.
Doorkijk Dorpsstraat in 1952 met achtereenvolgens links de woonhuizen nr 16,18 (later café), 20 (later café), 22 (op achterterrein garagebedrijf, later bowlingbar), 24 en een bakkerswinkel op 26. Rechts de woonhuizen nr 23 (later kantoor), 25 en een pakhuis op 27.

In 1947 werd het huis van de familie Roemer gekocht door Johan Boersen, van beroep kelner. Na diens overlijden in 1952 bleef zijn weduwe Anna Boersen – Heijen er wonen. Zij ging in 1955 een nieuw huwelijk aan met de uit Heemskerk afkomstige Theodorus Beentjes. Anna kwam al in 1959 te overlijden. Theo Beentjes vertrok daarop naar de Overtoom en het huis werd door de niet meer in Castricum woonachtige erfgenamen, vier kinderen uit het eerste huwelijk van Anna, verkocht aan Theodorus Twisk, een veehouder uit Bakkum. Deze wilde het na een werkzaam leven wat rustiger aan doen en liet zijn boerenbedrijf over aan enkele van zijn kinderen. Zijn echtgenote Trijntje Borst was bovendien wat uitgekeken op de stilte aan de Heereweg en wilde graag terug naar het dorpscentrum, waar ze was opgegroeid. Het echtpaar vestigde zich met hun nog thuis wonende zoon Jan Twisk in de woning Dorpsstraat 18. Het geluk lijkt niet erg op de hand van de bewoners op dit adres te zijn geweest, want in 1967 kwam Theo Twisk te overlijden en bleef er opnieuw een weduwe in het pand achter. Het wonen in het drukke Dorpscentrum met de nabij gelegen cafés was Trijntje toch wat tegengevallen en in 1972 werd het pand door haar zoon, de reeds genoemde Jan Twisk, die inmiddels eigenaar was geworden, verkocht aan Lammert Stiensma. Deze Lammert Stiensma, een student, woonde destijds verderop in de Dorpsstraat, op nr 81c en kreeg volgens eigen zeggen in een soort opwelling het idee om op Dorpsstraat 18 een café te gaan exploiteren. Bouwplannen werden ingediend, waarna toestemming werd verleend tot de inrichting van de begane grond van het woonhuis tot een bar. De bovenverdieping bleef dienen als woonruimte. Omdat er nog geen bestemmingsplan was dat dit kon verhinderen, kreeg hij gemakkelijk toestemming tot verbouw, waarover de thans in Friesland woonachtige Stiensma desgevraagd vertelde dat hij het starten van een café in de Dorpsstraat als een, weliswaar mislukt, experiment had gezien. Mislukt, omdat hij er na een betrekkelijk korte periode geen zin meer in had en zijn café ‘Het Kneipje’ verkocht om naar Amsterdam te verhuizen en daar zijn studie voort te zetten. Zijn vertrek uit Castricum had overigens niets te maken met problemen rond het café, want het was, zoals hij opmerkte, een bruin café met een rustige klandizie.
Koper van het café was in 1977 Jan Endstra, de laatste eigenaar van de in 1976 gesloopte ‘De Rustende Jager’. Endstra gaf het café in beheer aan zijn zoon Eduard, maar dat duurde ongeveer een jaar, omdat hij volgens zijn vader “te jong was voor dat rotberoep”.

Recente foto van de cafébedrijven 't Gemeentehuys' (Dorpsstraat 18) en 'Buona Sera' (Dorpsstraat 20).
Recente (van 3 mei 2000) foto van de cafébedrijven ‘t Gemeentehuys’ (Dorpsstraat 18) en ‘Buona Sera’ (Dorpsstraat 20).

Het cafébedrijf veranderde in zijn nog korte bestaan opnieuw van eigenaar en kwam in 1979 in handen van Cor Beentjes, telg uit een horeca-familie. Zijn vader, Cornelis Beentjes en broer Johannes Beentjes, kwamen we hiervoor reeds tegen als de opeenvolgende exploitanten van Funadama. In 1980 vond aan de achterkant van het café een aanbouw plaats.
Het café veranderde sindsdien nog verschillende malen van eigenaar, wat ook blijkt uit de namen die in de loop der tijd de gevel sierden: ‘Kick Down’, ‘Rue du Village’, ‘Het Museum Kafee’ en nu (in 2003) dan “t Gemeentehuys’.


Jaarboek 26, pagina 44

Doorkijk Dorpsstraat in 1910. Aan de linkerkant van de Rijksstraatweg zien we tussen de bomen het pand waarin thans 'Buona Sera' is gevestigd. Een handkar, gestapelde planken tegen de gevel en een aantal personen voor het huis geven een indruk van bouwactiviteiten, al is niet duidelijk waar.
Doorkijk Dorpsstraat in 1910. Aan de linkerkant van de Rijksstraatweg zien we tussen de bomen het pand waarin thans ‘Buona Sera’ is gevestigd. Een handkar, gestapelde planken tegen de gevel en een aantal personen voor het huis geven een indruk van bouwactiviteiten, al is niet duidelijk waar.

 

Tekening door Sijf Portegies van zijn woning, Dorpsstraat 20.
Tekening door Sijf Portegies van zijn woning, Dorpsstraat 20.

Opnieuw een woonhuis tot café (nr 20)

De tegen ‘t Gemeentehuys’ aangeplakte bar-dancing ‘Buona Sera’ was vroeger eveneens een woonhuis, gebouwd rond 1906 door de fa. Kabel.

De eerste bewoner was Kabel zelf met zijn vrouw Aafje Duijn. Later verhuisde de familie Kabel naar Dorpsstraat 24. Daarna waren volgens kadastergegevens eigenaren van de woning de dorpssmid Jan de Groot en enkele van zijn familieleden. Jan de Groot had destijds een smederij aan de Schoolstraat en in hoeverre hij of familieleden in de woning aan de Dorpsstraat, toen Rijksstraatweg, hebben gewoond, is niet duidelijk.
De eerste eigenaar na Kabel, waarvan we zeker zijn dat hij er ook met zijn familie woonde, was de veelzijdige Sijf Portegies, onder andere bekend als huisschilder, kunstschilder en ook verzekeringsagent, die het pand in 1923 kocht van de huizenspeculanten Bank Kazenbrood en Jacob de Nijs, die het drie maanden eerder op een openbare veiling hadden gekocht.
Sijf Portegies, die zich eerder in een winkel in de Burg. Mooijstraat had gevestigd, bouwde in 1927 een werkplaats achter het huis. Het uiterlijk van het pand bleef lange tijd vrijwel ongewijzigd, behalve de vervanging van de vrij smalle dakkapel door de verbrede uitvoering zoals we die thans kennen. Sijf Portegies was een markante Castricumse persoonlijkheid, over wie uitvoerig is geschreven in het 14e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum (1991). Hij overleed in 1959, waarna zijn familie het pand nog tot 1972 bleef bewonen. In dat jaar vroeg een zekere W. Kitsz uit Assendelft vergunning voor de verbouw van het woonhuis Dorpsstraat 20 tot een café. Dit plan was volgens Kitsz afkomstig van twee medewerkers van de naastliggende bowlingbar en moest aanvankelijk voor de werkgever van de twee geheim worden gehouden. Kitsz, een binnenhuis-architect, werd niet alleen ingeschakeld om de bar te ontwerpen, maar ook om als tussenpersoon te dienen voor het aanvragen van de vergunning. Met de exploitatie van de bar had hij verder geen enkele bemoeienis.
In 1978 werd het pand gekocht door Peter Beerman, die de exploitatie van de bar voortzette onder de naam ‘Tap Inn’ en zelf met zijn echtgenote de bovenverdieping ging bewonen. In 1985 kwam Beerman op tragische wijze te overlijden. Het huis werd in een openbare verkoop in 1987 gekocht door Matthijs van Randeraat, die het café, aan de achterkant waarvan inmiddels een danszaal was aangebouwd, ruim 9 jaar exploiteerde om het daarna te verkopen aan Theo Kaandorp. Van Randeraat had aan zijn Castricumse periode beslist geen negatieve indruk overgehouden, maar hij was ook niet overdreven enthousiast. Hij had het in Castricum “allemaal wat kleinschalig” gevonden en het wekt dus geen verbazing dat hij inmiddels een aanzienlijk groter cafébedrijf beheert in Alkmaar.

Een bewogen geschiedenis (nr 22)

Open plek op de plaats van de in 1970 afgebrande bowlingbar tussen de panden Dorpsstraat nrs 20 en 24.
Open plek op de plaats van de in 1970 afgebrande bowlingbar tussen de panden Dorpsstraat nrs 20 en 24.

In juni 1970 werd het pand Dorpsstraat 22, waarin een bowlingbar was gevestigd, door een brand geheel verwoest. Het Nieuwsblad voor Castricum en Omstreken van dinsdag 2 juli 1970 bracht het nieuws kort maar krachtig:
“Vannacht is het bowlingcentrum ‘Boemerang’ aan de Dorpsstraat door brand verwoest. Over de oorzaak van de brand tast men in het duister. De brand is waarschijnlijk om ongeveer 2 uur in de ochtend bij de bar ontstaan. Ondanks de snelle komst van de brandweer brandde het pand geheel uit. De belendende percelen (een gezin met twee kinderen sliep vlak naast de Boemerang) konden behouden blijven. Eén van de twee eigenaars, de heer Van den Tweel spreekt van een ramp nu de brand vlak voor het zomerseizoen is uitgebroken. Gelukkig zijn de eigenaars voor alle risico’s, waaronder bedrijfsschade, verzekerd. De families Scholten en Kaandorp maakten zich bijzonder verdienstelijk met het schenken van koffie tijdens het bluswerk. De bowlingbar ging geheel verloren. Op dezelfde plaats zal een nieuwe zaak worden gebouwd.”
Nog in dezelfde maand werd namens het college van B&W opdracht gegeven tot het slopen van de restanten van het afgebrande perceel met het oog op dreigend instortingsgevaar.
De herbouwplannen vormden aanleiding voor een groep omwonenden om hun al langer bestaande grieven tegen toestanden rond de uitgebrande bowlingbar aan het Gemeentebestuur in niet mis te verstane bewoordingen kenbaar te maken. Hun schrijven werd openbaar door publicatie in enkele streekbladen. Gesproken werd van: “een voor de buurtbewoners bijna ondraaglijke wantoestand, die vooral tijdens de weekeinden tot een hoogtepunt kwam. De merendeels zeer jeugdige bezoekers van deze bowlingbar, voor het grootste deel afkomstig van buiten de gemeente, plachten zich tot diep in de nacht op ergerlijke wijze op straat te vermaken. Hierbij werd middels bromfietsen, geschreeuw en gelal een ondraaglijk lawaai veroorzaakt, dat


Jaarboek 26, pagina 45

de bewoners van alle huizen in de omgeving tot ‘s nachts drie uur uit de slaap hield. Dit lawaai ging gepaard met wangedrag van andere aard, zoals het bevuilen van trottoirs, muren en vensters middels braaksel, urine en faecaliën. Sexueel verkeer van minderjarigen werd in de stegen in deze omgeving schaamteloos uitgevoerd, terwijl uiterst obscene kreten op straat werden geslaakt. Sterke aanwijzingen zijn voorhanden dat jeugdige personen in dit vermaakspand gebruik maakten van hasjies en andere zogenaamde softdrugs. Meermalen werden minderjarigen in laveloze toestand naar buiten gedragen. Het zal U duidelijk zijn dat wij dergelijke toestanden in onze woonomgeving niet meer terug wensen te zien. Reeds nu gaan geruchten dat het betreffende pand binnen zeer korte tijd in vergrote vorm zal worden herbouwd, zodat de wantoestanden op nog uitgebreider schaal kunnen worden herhaald.”
De burgemeester van Castricum legde het schrijven van de buurtbewoners voor aan de Rijkspolitie, die de meeste klachten afdeed als incidenten, inherent aan het horecabedrijf. De enige klacht die in feite serieus werd genomen, betrof het parkeren van de bromfietsen op de trottoirs wegens gebrek aan stalling in de omgeving en het nachtelijk lawaai dat daaruit voortkwam.

Impressie van het garagebedrijf Lute (gerealiseerd in 1959), hier nog Austin dealer later Opel.
Impressie van het garagebedrijf Lute (gerealiseerd in 1959), hier nog Austin dealer later Opel.

Het oorspronkelijke pand, waarin de afgebrande bowlingbar was gevestigd, was een betrekkelijk klein woonhuis van een traditioneel type met een puntdak en houten daklijst, zoals we dat vandaag de dag nog veelvuldig in Castricum aantreffen en zoals ook op enkele voorgaande afbeeldingen valt te onderkennen.
Het huis werd omstreeks 1904 gebouwd door de fa. Kabel in opdracht van de in 1881 in Castricum geboren Jacob Lute, die in 1905 trouwde met Marijtje Brakenhoff. Nog hetzelfde jaar betrok het echtpaar de woning. Jacob Lute overleed in 1945, zijn vrouw Marijtje in 1965. Zij lieten veertien kinderen achter, waarvan de in 1917 geboren Kees Lute over zijn jeugd nog veel herinneringen wist op te halen. Hij vertelde hoe zijn vader Jacob Lute aanvankelijk aan de kost kwam met een rijwielhandel in een grote schuur achter het huis. Hij was tussen de bedrijven door telegrambesteller en begaf zich ook in het goederenvervoer door het ombouwen van een Engels Fordje tot een vrachtwagentje dat als ‘Het Snuifje’ bekend stond. Het grote gezin sliep op de bovenverdieping, die geheel was ingericht als een slaapzaal, met aparte gedeelten voor de jongens en voor de meisjes. Kees Lute sliep naast de schoorsteen, wat in de winter behaaglijk was, maar toch lag er bij een strenge winter wel eens sneeuw in zijn bed. Rond 1926 vond een verbouwing plaats, waarbij het huis doelmatiger werd ingericht en de werkplaats werd vervangen door een grotere loods met een oppervlak van meer dan 100 vierkante meter. Jacob Lute stortte zich met succes in de opkomende autobranche. Hij werd de eerste autodealer in Castricum en exploiteerde al spoedig ook een taxibedrijf. Er verscheen een benzinepomp voor het huis, zoals we op foto’s uit die tijd kunnen zien. Kees Lute herinnerde zich nog dat zijn vader de eerste luxe auto’s van het merk Chandler verkocht aan de pastoor en aan Gerrit en Bernard Res.
Kees Lute werkte aanvankelijk bij zijn vader in het bedrijf en verzorgde als tussenpersoon de activiteiten van Van Gend en Loos. De garage achter de woning was bereikbaar via de steeg tussen de panden nummer 22 en 24, waardoor je met wat handigheid zelfs een vrachtwagen kon manoeuvreren.
Het garagebedrijf werd voortgezet door Baltus Lute, een broer van Kees, die zich later verderop met een garagebedrijf in de Dorpsstraat vestigde. Het pand was daarna nog korte tijd in handen van timmerman Johannes Res, die het in 1963 verkocht aan Adriaan van den Tweel, die er aanvankelijk een modeatelier (‘Riat’) in vestigde, waarvan zijn vrouw Hendrika Weeda de touwtjes in handen had.

Gedeelte van een bouwtekening uit 1970 met een plattegrond van de nieuw te bouwen bowlingbar, Dorpsstraat 22. Ten opzichte van de situatie vóór de brand is het oppervlak aanzienlijk groter, met een zwaartepunt aan de achterzijde. Achter nummer 26 zien we het kaaspakhuis. De garage van Lute was inmiddels gesloopt.
Gedeelte van een bouwtekening uit 1970 met een plattegrond van de nieuw te bouwen bowlingbar, Dorpsstraat 22. Ten opzichte van de situatie vóór de brand is het oppervlak aanzienlijk groter, met een zwaartepunt aan de achterzijde. Achter nummer 26 zien we het kaaspakhuis. De garage van Lute was inmiddels gesloopt.

In april 1968 opende Van den Tweel zijn eerste bowlingbar, waarvan we de bewogen geschiedenis hiervoor hebben geschetst.
Na de brand werd van de kant van de gemeente gesteld: “dat herbouw van welk pand dan ook, dat door een calamiteit verloren is ge-


Jaarboek 26, pagina 46

gaan, niet kan worden tegengehouden.” Wel werden de bezwaren van de omwonenden (nogmaals) onder de aandacht van de eigenaar gebracht en er zou worden getracht de situatie, onder verscherpt toezicht, verder te verbeteren.
Nog binnen een jaar na de brand, op 25 juni 1971, werd de nieuwe bowlingbar ‘De Boemerang’ feestelijk geopend, met naast Adriaan van den Tweel nu ook zijn zwager Simon Weeda als eigenaar. Zoals de buren hadden gevreesd, bleek inderdaad een gebouw te zijn ontstaan van een geheel andere allure dan het oorspronkelijke pand, aanzienlijk groter en met meer horeca. Op de benedenverdieping bevonden zich een bar met daarachter een bar-dancing. De bovenverdieping huisvestte een koffiebar en het bowlingcentrum.

Van den Tweel en Weeda hebben het in het nieuwe pand overigens niet lang uitgehouden, waarbij mevrouw Weeda als een van de redenen om er mee op te houden de overlast veroorzaakt door groepen Molukkers uit de Zaanstreek noemde, die om een of andere reden de bowlingbar in Castricum als een favoriet centrum van samenkomst hadden uitgekozen. Van den Tweel vertrok naar Spanje en verkocht het pand in 1974 aan Theo Besteman, die in die periode bekend was als exploitant van snackbar Veronica aan de overkant. Ook hij kreeg te maken met overlast. Volgens hem gaven de aanvankelijk uit Wormerveer afkomstige Molukkers geen enkele aanleiding tot problemen, maar na de treinkaping in Wijster in 1975 werd de bowlingbar een soort trefpunt van opgefokte Molukkers uit het gehele land. Op een gegeven moment namen zij de bar, volgens zijn zeggen, min of meer over en werden bezoekers met een andere afkomst er uitgezet. Besteman sprak van een grimmige sfeer, een soort gijzeling van de bowlingbar, waaraan zelfs de politie te pas moest komen. Hij wist de zaak te sussen door contact op te nemen met een voorman van de Molukkers, die gezag had onder de jongeren. Besteman maakte overigens een einde aan de bowlingbar, waarvan hij de activiteiten karakteriseerde als miniatuur-bowling, wat niets te maken had met echte bowling, omdat het pand daarvoor te klein was. Hij begon er een discotheek, annex café.
Volgens zijn herinnering verkocht hij het pand omstreeks 1986 aan de horecaondernemers Bernard de Graaf en Reginus Lute, wat in overeenstemming is met gegevens uit het kadaster. De geschiedenis daarna is vrij ingewikkeld. Het pand werd opgedeeld, waarna een klontering van horeca-bedrijven ontstond met restaurant Memphis op de begane grond, op de bovenverdieping een café City Pool en aan de achterzijde café De Slok, nu (in 2003) danscafé ‘Dubbel 2’. De eigenaar van Memphis, Hamada Reda, is inmiddels naar Amsterdam vertrokken en er is in het vrijkomende deel van het pand opnieuw een bar gevestigd met de naam ‘Bij de buren’.

Foto van het pand Dorpsstraat 24, dat sinds de bouw nauwelijks is veranderd.
Foto van het pand Dorpsstraat 24, dat sinds de bouw nauwelijks is veranderd.

Woonhuis gebleven ( nr 24)

Het woonhuis Dorpsstraat nr 24, dat omstreeks 1912 is gebouwd door de fa. Kabel, heeft sindsdien weten te ontsnappen aan het lot te worden omgebouwd tot café. Hoewel men niet alle gebouwen in de Dorpsstraat even mooi behoeft te vinden, is de charme van de straat, zeker van het gedeelte waarmee we ons in dit artikel bezighouden, de afwisseling in architectuur. Zo heeft ook dit pand een eigen karakter, dat door de huidige eigenaar Rieke wordt omschreven als een ‘Oostenrijkse uitstraling’, waarmee hij onder andere doelt op het vele houtwerk rond de dakconstructie. Dat komt volgens hem omdat Kabel bij de bouw samenwerkte met een Oostenrijkse opzichter, die ook bij de bouw van de R.-K. kerk aan de Dorpsstraat betrokken was. Gerrit Kabel ging na de bouw zelf met zijn familieleden in het huis wonen, na eerder op het adres Dorpsstraat 20 te hebben gewoond, een huis dat hij ook had gebouwd.

Timmerman/aannemer Gerrit Kabel op ca. 25-jarige leeftijd.
Timmerman/aannemer Gerrit Kabel op ca. 25-jarige leeftijd.

Achter het huis van zijn buurman op nummer 26 bezat Gerrit Kabel, grenzend aan zijn tuin, een stuk grond, waarop hij reeds in 1906 een ruime werkplaats had opgetrokken voor zijn bouwbedrijf.
Gerrit Kabel speelde in de eerste decennia van de vorige eeuw een belangrijke rol in de Castricumse huizenbouw aan de Dorpsstraat, waarvan we reeds voorbeelden hebben gezien. Maar ook elders in Castricum, zoals aan de Stationsweg en de Mient en zelfs in omliggende plaatsen was hij actief. Hij schijnt een nauwgezet bouwer te zijn geweest, want de kwaliteit van sommige van zijn constructies wordt tot op de dag van vandaag nog door kenners geprezen. Hij gold ook als een weinig zakelijke bouwer, die zijn klanten niet het vel over de oren haalde en die op de bouw zelfs wel eens geld moest toeleggen.

Gerrit Kabel zal een aantal van zijn plannen niet hebben kunnen verwezenlijken, want hij kwam al op 55-jarige leeftijd in 1933 te overlijden. Als geziene Castricummer, die als zeer hulpvaardig bekend stond, trok zijn begrafenis veel belangstelling.
Na zijn dood kwamen huis en werkplaats korte tijd in het bezit van enkele speculanten, die het geheel nog hetzelfde jaar doorverkochten aan Adriaan Vermeulen, die in archiefstukken, evenals zijn voorganger Gerrit Kabel, timmerman en aannemer wordt genoemd. Vermeulen hield het om onbekende redenen reeds in 1937 voor gezien. Woonhuis en werkplaats kwamen daarop in handen van een hypotheekbank, die het geheel doorverkocht aan de gebroeders Johan en Willem Kaandorp. Zij begonnen er in 1939 een groothandel in kaas, waarbij de voormalige werkplaats van Kabel ging dienen als loods voor de opslag. Willem Kaandorp betrok met zijn familie het woonhuis. Deze Willem Kaandorp had zich reeds, toen hij nog bij zijn ouders woonde, in de kaashandel begeven. Hij kocht kazen in Opmeer en bezorgde die met een bakfiets bij klanten in de wijde omgeving van Castricum. Johan Kaandorp had vóór hij met zijn broer de kaasgroothandel begon, ervaring opgedaan bij kaashandel Dijkman. In 1971 werd de Firma Gebroeders Kaandorp, zoals het bedrijf officieel te boek stond, voortgezet door twee neven, namelijk Jan Kaandorp, zoon van Willem en Mats Kaandorp, zoon van Johan. De situering van de zich uitbreidende kaashandel in de Dorpsstraat


Jaarboek 26, pagina 47

werd in toenemende mate problematisch, onder andere door het gemanoeuvreer met de vrachtwagens door de nauwe toegang naar het op het achterterrein liggende kaaspakhuis. Daarom werd de kaashandel naar Limmen verplaatst. Woning en opslagloods bleven na de verhuizing nog enige tijd in handen van de familie Kaandorp. Van het woonhuis werden gedeelten verhuurd. In de loods was enige tijd een autospuiterij gevestigd, terwijl ook de carnavalsvereniging er tijdelijk onderdak vond.
Omstreeks 1980 werden woonhuis en loods aangekocht door de reeds genoemde Roel Rieke. Toen Rieke het woonhuis overnam, trof hij een verwaarloosde toestand aan. Hij herstelde het pand en deelde het op in kleine appartementen, die werden verhuurd. Deze situatie bestaat tot de dag van vandaag (in 2003). Rieke en zijn vrouw houden zich ook bezig met vakantieverhuur (‘Roba Studio’s’), waartoe een kantoor is ingericht in de voormalige loods en die verder onder meer in gebruik is als expositieruimte.

Gedeelte van het pand Dorpsstraat 26, waarin bakkerij Kraakman is gevestigd, ca. 1950.
Gedeelte van het pand Dorpsstraat 26, waarin bakkerij Kraakman is gevestigd, ca. 1950.

Een opeenvolging van bakkers (nr 26)

In het pand Dorpsstraat 26 zijn van oudsher broodbakkers gevestigd geweest. Het pand werd omstreeks 1905 gebouwd door wie anders dan Gerrit Kabel. Het is waarschijnlijk dat het pand door Kabel als winkel werd opgeleverd, want als eerste bewoner staat te boek broodbakker Antonius Lobbert. Onder een zeer beperkt aantal personen met deze vrij uitzonderlijke familienaam, woonachtig rond Deventer, troffen we iemand aan met genealogische belangstelling, die kon bevestigen dat ene Antonius Johannes Lobbert, geboren in 1882 in Deventer, via Haarlem in Castricum terecht was gekomen en daar gezien zijn beroep toepasselijk in het huwelijk trad met de in 1881 in Castricum geboren Maria Bakker. Het verblijf van Lobbert in Castricum was niet van lange duur, want hij vertrok in 1909 naar Alkmaar, waar hij in 1961 is overleden. Het pand werd in 1909 gekocht door enkele huizenspeculanten, die het kort daarop verkochten aan Willem Klinkhamer, ook een bakker. Zijn verblijf was eveneens van korte duur, want enkele jaren later verkocht hij het pand aan de uit Heiloo afkomstige Johannes Kuilboer, een broodbakker, die er zich in 1912 met zijn zuster Grietje Kuilboer vestigde. Grietje zal ongetwijfeld geholpen hebben in de winkel, evenals Maria Kardinaal, met wie Johannes in 1918 in het huwelijk trad. Grietje trouwde in 1916 met Johannes Twisk en vertrok toen naar Egmond-Binnen, waar Twisk een tuinderij bezat. Bakkerij Kuilboer heeft in Castricum tot 1928 bestaan, in welk jaar het pand werd opgekocht door de 22-jarige Jan Kraakman, afkomstig uit Harenkarspel, die de bakkerij voortzette.

In 1981 plaatste Het Nieuwsblad voor Castricum korte herinneringen van mevrouw A. Eggers (bekend van ‘De Rustende Jager‘) aan de Dorpsstraat in de periode 1945-1950. Over Dorpsstraat 26 merkte zij op: “Bakker Kraakman met zijn diverse soorten brood en krentenbollen, god nog aan toe, wat maakte hij ze goed.” Kraakman was niet alleen een goede bakker, maar heeft ook in andere opzichten betekenis gehad voor Castricum. Direct na de oorlog, in 1946, werd hij door de KVP kandidaat gesteld voor de gemeenteraad. Dat was het begin van een politieke carrière, die een bekroning vond in zijn verkiezing tot wethouder voor Sociale Zaken en Huisvesting in 1967.

Begin 1971 ontving Jan Kraakman tijdens een jaarvergadering van de Katholieke Middenstandsbond uit handen van pastoor Voets een hoge kerkelijke onderscheiding. Burgemeester Van Boxtel greep de gelegenheid aan om Kraakman, inmiddels oud-wethouder, toe te spreken. Hij roemde de formidabele toewijding waarmee Kraakman zijn wethouderschap, een moeilijke portefeuille vol menselijk leed en ellende, had vervuld. Ook na zijn politieke loopbaan bleef Jan Kraakman tot zijn overlijden in 1973 actief op sociaal gebied. Men kan zich afvragen hoe Jan Kraakman naast zijn bakkersbestaan de tijd kon vinden voor al zijn nevenactiviteiten.

Foto van het pand Dorpsstraat 26, waarin bakkerij Beerse is gevestigd.
Foto van het pand Dorpsstraat 26, waarin bakkerij Beerse was gevestigd.

Het geheim was dat hij in toenemende mate zijn zoon Willem Kraakman, die reeds op 18-jarige leeftijd als koksmaat en bakker op schepen werkzaam was, in zijn zaak betrok. In 1960 namen Willem Kraakman en zijn vrouw Geertruida van der Ven het bakkersbedrijf over en vestigden zich in de woning boven het bakkerij- en winkelgedeelte. Jan Kraakman, die overigens nog bij het bakkersbedrijf betrokken bleef, verhuisde naar Dorpsstraat 39. Vele Castricummers zullen zich de bakkerij van Willem Kraakman en zijn vakmanschap nog herinneren. Na ruim 25 jaar vond Willem het niettemin tijd om afscheid te nemen. Hij vertrok in 1986 met zijn echtgenote naar Egmond, om het bakkersbedrijf aan de Dorpsstraat over te laten aan een derde generatie Kraakman, zijn zonen Jan en Eric.
Aan de periode Kraakman kwam een algeheel einde in 1993. Nieuwe eigenaar van de bakkerij werd de uit Beverwijk afkomstige Martien van Veen. Hoewel aan het eenjarig bestaan van dit bedrijf in de lokale pers vrij uitvoerig aandacht werd besteed, waarbij een vrij grondige verbouwing wordt genoemd, krijgt men de indruk, dat om het bedrijf overeind te houden naar nieuwe formules werd gezocht. Zo is er enige tijd sprake van de vestiging op dit adres van ‘Baker en Carter’, een soort cateringsbedrijf. Dit was van korte duur, want in 1996 maakt, zoals uitgedrukt in de lokale pers, bakker Beerse een grote stap door op Dorpsstraat 26 een tweede zaak te vestigen, naast die in Bakkum.


Jaarboek 26, pagina 48

Het pand Dorpsstraat 28-30, omstreeks 1937, met onder de bogen een terras.
Het pand Dorpsstraat 28-30, omstreeks 1937, met onder de bogen een terras.

Een fotogeniek pand (nrs 28 en 30)

Het reeds besproken pand Dorpsstraat 24 heeft volgens de huidige eigenaar Rieke een ‘Oostenrijkse uitstraling’, maar deze kwalificatie lijkt nog meer van toepassing op het pand dat de nummers 28 en 30 draagt. De architectuur doet inderdaad ‘buitenlands’ aan, met aan de voorkant een opvallende galerij. Dit bijzondere bouwwerk werd in 1911 gebouwd door de fa. Tromp, waarbij als opdrachtgever wordt genoemd Dirk Bakker, een man van vele beroepen: teler van bloembollen, beroepsvisser in de polder, jachtopziener in de duinen en exploitant van een strandpaviljoen.

De benedenverdieping van het pand was in bedrijf als een café, dat lange tijd bekend stond als ‘Café de Landbouw’. Hoewel er nu (in 2003) een andere naam op de voorgevel prijkt, is de oorspronkelijke naam, ondanks de overschildering, nog zichtbaar. Oude foto’s tonen dat in de galerij een terras was uitgezet. De bovenverdieping bestond uit twee gescheiden woonruimten met elk een eigen opgang, één buitenom en één via het café, vandaar de twee huisnummers.
Het bedrijf schijnt aanvankelijk niet goed te hebben gelopen en Dirk Bakker hield het in 1918 voor gezien en verhuisde naar de Oude Haarlemmerweg. Na de periode Bakker kwam het pand in handen van Cornelis Stuifbergen, die we kennen als winkelier in tabaksartikelen op het adres Burg. Mooijstraat 20. In 1925 verkocht hij het gehele pand aan Rimmer Couperus. Deze woonde met zijn vrouw Hiltje de Wit volgens diverse bronnen overigens al in 1915 op nummer 30 en wordt caféhouder genoemd. De situatie is waarschijnlijk zo, dat Couperus tien jaar voordat hij het café kocht, dus nog in de periode Bakker, als uitbater van het café is begonnen en dat is gebleven in de periode dat Cornelis Stuifbergen de eigenaar was. Stuifbergen was volgens het kadaster ‘koffiehuishouder’, maar hij heeft de exploitatie waarschijnlijk overgelaten aan Couperus en alleen zijn tabaksartikelen ingebracht. Couperus was een Fries, geboren in 1882 in Oosthem bij Sneek, maar hij was nogal aan het zwerven geraakt, want hij vestigde zich in 1915 in Castricum vanuit Heerlen, waar hij het beroep van mijnwerker had uitgeoefend. De familie Couperus had één zoon, Lorenz Couperus, die in 1925 mede-eigenaar van het pand werd. In 1957 verkochten de weduwe Couperus – Rimmer Couperus was inmiddels overleden – en haar zoon het pand aan de in 1909 geboren Gerardus  Jacobus Schellevis, zoon van Christiaan Schellevis en Dorothea Helena Antonia Kuijl (red: rectificatie 26 december 2018 door Patrick Schelvis). Deze Gerard Schellevis was evenals de hiervoor genoemde Couperus reeds lang uitbater van het café voordat hij eigenaar werd. Hij wordt als exploitant genoemd vanaf 1949, in welk jaar het café kon worden heropend.

Foto van het pand Dorpsstraat 28-30 genomen na 1962, in welk jaar eigenaar Gerard Schellevis besloot om het 'terras onder de bogen' bij het café te betrekken.
Foto van het pand Dorpsstraat 28-30 genomen na 1962, in welk jaar eigenaar Gerard Schellevis besloot om het ‘terras onder de bogen’ bij het café te betrekken.

De familie Couperus bleef dus voorlopig eigenaar van het pand en bewoonde een bovenverdieping tot de verkoop in 1957. Schellevis bewoonde vanaf 1949 de andere bovenverdieping. De naam Schellevis is lang aan het café verbonden geweest.
Tot 1969, toen Theo van der Eng met zijn gezin vanuit Uitgeest naar Castricum kwam om café ‘De Landbouw’ te gaan exploiteren. Het gezin Van der Eng telde negen kinderen, dus dat was krap wonen boven het café, maar die krapte was men in Uitgeest al gewend. Bovendien kwam de grote woonkeuken van het café goed van pas. Van der Eng kreeg te kampen met lichamelijk ongemak, kinderen die meehielpen in het cafébedrijf trouwden en verlieten het gezin en zo kwam hij voor de keus te staan om personeel in te huren of te stoppen. Hij deed het laatste en ruilde van woning met een zekere Louis Ligthart uit Warmenhuizen, die in het café aan de slag ging. Deze hield het niet lang vol en in 1978 kwam het bedrijf in handen van Gerard Knijn, die de exploitatie van het café in handen gaf van zijn zoon Jan. De naam ‘De Landbouw’ maakte nu plaats voor ‘t Knijnehol’.

Het pand Dorpsstraat 28-30 in 1995. Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie is het uiterlijk drastisch gewijzigd. De galerij is verdwenen en de ruimte tussen de pilaren is dichtgemaakt.
Het pand Dorpsstraat 28-30 in 1995. Ten opzichte van de oorspronkelijke situatie is het uiterlijk drastisch gewijzigd. De galerij is verdwenen en de ruimte tussen de pilaren is dichtgemaakt.

Het café is tegenwoordig (in 2003) bekend als ‘Café Me Tante’. Het uiterlijk van het pand werd herhaaldelijk veranderd, waarbij vooral de gale-


Jaarboek 26, pagina 49

rij het moest ontgelden. De ruimte tussen de pilaren werd dichtgemaakt, maar is momenteel weer open, hoewel een aan de linkerkant gebouwde toegang tot het café niet bepaald fraai kan worden genoemd.

Van woonhuis tot kantoor (nr 32)

Het pand Dorpsstraat 32, nu een kantoor, was evenals de omliggende cafés oorspronkelijk een woonhuis, gebouwd in 1913. De eerste eigenaar was Bernard Wempe, destijds ook bekend als eigenaar van het café Sportlust op de hoek Rijksstraatweg – Kramersweg (nu Dorpsstraat – Burg. Mooijstraat). Hoe het precies zat met de bewoning door Wempe van zijn verschillende panden – hij kon waarschijnlijk kiezen – is niet duidelijk, maar in 1920 verkocht hij het pand aan de 65-jarige Jacob de Nijs, van beroep metselaar en weduwnaar van Geertje Brakenhoff. Nog in hetzelfde jaar werd de Pancratiuskerk eigenaar van het pand. De bestemming van de woning in de kerkelijke periode is niet bekend. Het pand werd in 1928 door de kerk verkocht aan Johannes Kuilboer, die we hiervoor hebben leren kennen als bakker in de periode 1912 tot 1928, gevestigd op het nabij gelegen adres Dorpsstraat 26. Kuilboer was 55 jaar toen hij in 1928 van Dorpsstraat 26 naar Dorpsstraat 32 verhuisde en wilde het wellicht wat kalmer aan doen. Maar hij woonde toch nog dicht genoeg bij zijn oude bakkerij om betrokken te blijven bij het bedrijf dat hij aan de nog pas 22-jarige Jan Kraakman had verkocht.
In 1934 verkocht Kuilboer het woonhuis aan Hendrik van der Woude, een slager, wiens slagerij was gevestigd op het adres Dorpsstraat 79, waar we tegenwoordig (in 2003) nog steeds een slagerswinkel aantreffen (Schipper). Hendrik van der Woude woonde met zijn familie boven de slagerswinkel, tot zijn zoon de zaak overnam, waarop hij naar Dorpsstraat 32 verhuisde.
Hier woonde hij tot zijn overlijden in 1959, waarna het pand werd verkocht aan de 21-jarige Jacob Liefting, van beroep timmerman en zoon van ‘Braampie’, de bijnaam van de destijds bekende Castricumse melkrijder Johannes Liefting. Jacob Liefting was de laatste echte bewoner van het gehele pand.
In 1963 kocht makelaar Nicolaas van Amsterdam het woonhuis en liet de benedenverdieping verbouwen tot een kantoor. Tot 1970 bewoonde hij met zijn familie de bovenverdieping, die later nog een grote reeks huurders heeft gekend; deze huurders hadden meestal niets met het benedenliggende kantoor van doen. In 1975 verhuurde Van Amsterdam het kantoorpand aan Cor Weel, die er zijn assurantiekantoor vestigde, nadat hij eerst enkele jaren in de Jan Hobergstraat kantoor aan huis had gehouden. Cor Weel kocht het pand van Van Amsterdam in 1978. In 1990 vond hij het welletjes na 50 jaar in de verzekeringsbranche werkzaam te zijn geweest en nam zijn zoon Gert-Jan Weel, die zijn vader reeds geruime tijd assisteerde, het verzekeringsbedrijf over. Het is (in 2003) nog steeds op het adres Dorpsstraat 32 gevestigd.

Bertus Stuifbergen en echtgenote in de deuropening van hun kruidenierswinkel, Dorpsstraat 34.
Bertus Stuifbergen en echtgenote in de deuropening van hun kruidenierswinkel, Dorpsstraat 34.

Reeds lang een vishandel (nr 34)

Een stratenlijst uit 1930 noemt de grond tussen de huizen Dorpsstraat 32 en 36 nog onbebouwd. Het pand op nummer 34, waar reeds lang een viswinkel is gevestigd, kwam dan ook veel later tot stand dan de meeste omliggende panden. Het werd in 1931 gebouwd door de fa. Kabel, met als bouwopzichter Jan de Zeeuw. Het pand is waarschijnlijk direct als winkelpand opgeleverd, want de eerste eigenaar was de in 1906 geboren Lambertus (Bertus) Stuifbergen, die er een kruidenierswinkel begon.

Voor de bouw was een kavel grond beschikbaar in bezit van de vader van Lambertus Stuifbergen, ook een Lambertus, die de kruidenierszaak ‘De Kleine Winkel’ in de Burg. Mooijstraat op nr 8 exploiteerde. Achter dit pand bezat Lambertus sr. een groot stuk grond, dat doorliep tot aan de Dorpsstraat en dus een ideale mogelijkheid bood aan zijn zoon om er een winkelpand te bouwen en ook een kruidenierszaak te beginnen. Een zoon van Bertus Stuifbergen herinnert zich nog goed hoe hij als kind via de tuinen achter de huizen naar zijn oma en opa kon komen. Het was vooral zijn moeder Aagje Scholten die de winkel runde, terwijl zijn vader met een auto langs de klanten ging. Achter de winkel waren een kamer en een keuken. Op de bovenverdieping waren de slaapkamers van het gezin, dat een groot aantal kinderen telde.
Omdat het met de winkel tijdens de bezetting steeds minder ging, besloot Bert Stuifbergen bij de Hoogovens te gaan werken en hij verkocht het pand in 1942 aan Cornelis Dam, een kandidaat-notaris.
Deze verhuurde het woongedeelte in hetzelfde jaar aan aardappel-handelaar Pancratius Beentjes, die elders in de Dorpsstraat zijn handel dreef. Het winkelgedeelte werd verhuurd aan de gebroeders Jaap en Klaas Sier, die er ‘De Vollendammer Vishandel’ vestigden. De stank van de viswinkel was dusdanig, dat de familie Beentjes de bovenverdieping, waarvoor ze 9,- gulden huur per week betaalden, afplakte. De gebroeders Sier voerden hun vis elke ochtend vroeg per auto aan en dat was zelfs in een periode met nog relatief weinig wegverkeer niet zonder risico’s. Zo haalden ze in 1948 de krant wegens betrokkenheid bij een gecompliceerde aanrijding. Jan Welboren, een veehouder, had op 13 november van dat jaar ‘s ochtends koeien gemolken. Het was tien over half acht toen hij met zijn wagen, die geen licht voerde, op de Provinciale Weg, ter hoogte van de toen nog bestaande afslag naar de Brakersweg, in botsing kwam met de auto van de gebroeders Sier, die met vis op weg waren naar hun winkel aan de Dorpsstraat. Bij het ongeluk was ook een auto met vijf inzitten-


Jaarboek 26, pagina 50

den betrokken, die bij het ongeluk gewond raakten. Het paard van Welboren brak een been en moest worden afgemaakt. Het kwam terecht bij paardenslager Dirk Castricum.
In 1953 verkocht Cornelis Dam zijn pand aan de uit Monnickendam afkomstige Theo Klepper, die daar een visrokerij had en in Castricum de viswinkel voortzette. Enkele generaties Klepper hebben sindsdien de viswinkel in stand gehouden, tot op de dag van vandaag.

Het pand Dorpsstraat 36 in 1989, nadat Anton de Rooij het in 1977 weer zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijk staat had terug laten brengen.
Het pand Dorpsstraat 36 in 1989, nadat Anton de Rooij het in 1977 weer zoveel mogelijk in zijn oorspronkelijk staat had terug laten brengen.

Woning van een burgemeester (nr 36)

Hoewel er reeds lang een loodgieters- en sanitairbedrijf is gevestigd op het adres Dorpsstraat 36, werd het pand door oudere Castricummers nog lang het burgemeestershuis genoemd, omdat het indertijd heeft gediend als huisvesting voor de familie van Johannes (Jan) Mooij, die in de periode 1888 tot 1918 burgemeester van Castricum was. Jan Mooij was van alle burgemeesters die Castricum heeft gekend, de enige echte Castricummer, hier in 1848 geboren. Hij bracht een groot deel van zijn jeugd door op een fraaie boerderij aan de Breedeweg, die zijn vader Cornelis Mooij omstreeks 1850 had gekocht. Deze Cornelis Mooij bezat veel grond, onder andere aan de Dorpsstraat, waarop hij, voor zover we hebben kunnen nagaan, in 1878, het jaar waarin zijn zoon in het huwelijk trad, het huis liet bouwen dat later bekendheid kreeg als burgemeestershuis.

Jan Mooij, van 1888 tot 1918 burgemeester van Castricum.
Jan Mooij, van 1888 tot 1918 burgemeester van Castricum.

Het is dus van veel oudere datum dan de panden die wij tot dusver bespraken en moet vrij eenzaam in een nog landelijke omgeving hebben gestaan. Het boek ‘Herinneringen aan de familie Mooij’, van de hand van een kleinzoon van de burgemeester, spreekt van een fraai gelegen burgemeestershuis “met zijn voortuin, waarin enkele kastanjebomen niet alleen schaduw maar ook cachet gaven; met zijn romantische, en toen nog enorm grote tuin achter en opzij van het huis tot aan het water tegenover het station. Die uitgestrekte tuin hebben wij, kleinkinderen, niet gekend, maar nog wel een groot stuk grond met moes- en bloementuin, perenboom en een goed onderhouden grasveld opzij en achter het huis”.
Jan Mooij trouwde in 1878 met Neeltje Kuijs. Zij kenden elkaar al vanaf hun jeugd, want Neeltje was geboren en opgegroeid op een boerderij aan de Breedeweg, niet ver gelegen van de boerderij van de vader van Jan Mooij. Het is dus niet verwonderlijk dat het huwelijk tot een legendarische boerenbruiloft in de Oosterbuurt aanleiding heeft gegeven.

Jan Mooij wordt gekarakteriseerd als een goede burgemeester met veel sociaal gevoel. In 1918 werd hij 70 jaar, welke leeftijd hem wettelijk noopte als burgemeester af te treden, maar hij bleef voorlopig met zijn vrouw in het burgemeestershuis wonen. Hun twee kinderen waren inmiddels getrouwd en woonden niet meer thuis.
Pas in 1929, kort na zijn 50-jarig huwelijksfeest, verkocht Jan Mooij het pand aan Gerard de Rooij, om zelf met zijn vrouw bij zijn dochter in Amsterdam te gaan wonen.
De Rooij vestigde in het pand een loodgietersbedrijf, waartoe hij ging verbouwen. Dit betekende niet alleen een ingreep in het interieur van de benedenverdieping, ook het uiterlijk van het pand veranderde aanzienlijk.

Het pand Dorpsstraat 36 na een verbouwing door loodgieter Gerard de Rooij.
Het pand Dorpsstraat 36 na een verbouwing door loodgieter Gerard de Rooij.

In het linkergedeelte werden de beide oorspronkelijke ramen vervangen door één grote etalageruit. Gerard de Rooij emigreerde in 1951 naar Australië, waarop het loodgietersbedrijf werd voortgezet door zijn oudste zoon Anton de Rooij. Deze bracht het pand bij een verbouwing in 1977 weer zoveel mogelijk terug in de oude staat, waarvoor hij onder meer in de plaatselijke pers veel lof oogstte. Een citaat uit de krant: “Heel veel Castricummers zijn nu al laaiend enthousiast over de restauratie die het pand aan de buitenkant heeft ondergaan. Het blijkt dus toch mogelijk een winkelpand te restaureren en te verbouwen in een stijl die wij graag in de hele dorpskern gezien zouden hebben.”
Ook de Werkgroep Oud-Castricum liet bij monde van de toenmalige voorzitter Van Geenhuizen in de krant weten grote waardering voor de restauratie te hebben. “Heel zorgvuldig en met groot vakmanschap is het pand, dat eens de ambtswoning was van de zo geliefde burgemeester Mooij in oude luister hersteld” en “De restauratie van het ook voor de historie van Castricum interessante pand is een belangrijke bijdrage aan het behoud van de schaal en het karakter van de oude Dorpsstraat.”


Jaarboek 26, pagina 51

Dit laatste moet ook de huidige ijveraars voor het behoud van schaal en karakter van de Dorpsstraat als muziek in de oren klinken, maar het lijkt erop dat het initiatief van Anton de Rooij om een pand weer zoveel mogelijk in de oude staat te restaureren, toch tot de uitzonderingen blijft behoren.
Na het overlijden van Anton de Rooij in 1991 zette zijn zoon Ton de Rooij het bedrijf nog enkele jaren voort, waarna het werd verkocht. Het pand waarin thans de fa. De Graaf Tegels & Sanitair is gevestigd, is sindsdien van buiten nog steeds in dezelfde staat.

PEN-huisje (nr 38)

Dorpsstraat 38 is een klein, wat naar achteren gelegen, stenen gebouwtje. Waarom het een afzonderlijk huisnummer kreeg toebedeeld, is niet duidelijk. We noemen dit gebouwtje voor de volledigheid, maar hebben over de geschiedenis verder geen informatie. In 1930 wordt het in een stratenlijst het PEN-huisje genoemd. Later wordt het ook wel als transformatorhuisje aangeduid en dat is het nog steeds.

Drukte voor het veilinggebouw van 'Ons Belang' aan de Dorpsstraat.
Drukte voor het veilinggebouw van ‘Ons Belang’ aan de Dorpsstraat.

Van veiling tot Italiaans restaurant (nrs 40 en 40A)

Hoewel van binnen een geheel, blijkt het pand Dorpsstraat 40, waarin het Italiaanse restaurant ‘La Trattoria’ is gevestigd, bij nadere beschouwing twee panden te omvatten, het grootste links en direct er te genaan een kleiner pand, dat wel als 40A werd aangeduid. Het linker gedeelte kreeg in 1917 zijn eerste bestemming als veilinggebouw van de Rooms-Katholieke Tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’. Het werd gekocht van Antoon van Benthem, toen de eigenaar van het naastliggende café, die het kort daarvoor had laten bouwen. Of het rechtergedeelte (40A) ooit bij de veiling betrokken is geweest, is niet duidelijk. Uit de latere geschiedenis krijgt men de indruk dat het lange tijd een zelfstandig pand is gebleven. Volgens de overlevering zou het door Van Benthem en zijn opvolgers als opslagruimte zijn gebruikt.
De oprichting van de veiling was het gevolg van een regeringsmaatregel uit 1914, die bepaalde dat alle groente en fruit aan de veilingen moesten worden aangevoerd. De geschiedenis is in 1996 uitvoerig beschreven in het artikel ‘Castricum en zijn groenteveilingen‘ (19e jaarboekje). De veiling functioneerde een aantal jaren uitstekend. Ook tijdens de bezetting bleef de veiling bestaan. In deze periode, onder het oog van de bezetter die in vrijwel alle omliggende panden was gehuisvest, fungeerde de veiling nog al eens als nachtelijke verblijfplaats voor onderduikers, die niet het slachtoffer wilden worden van razzia’s voor tewerkstelling in Duitsland. Zij doken weg onder de banken, waarop gewoonlijk de groentekopers zaten. Ondanks een beperkte plaatsruimte verbleven ook in het naastliggende elektriciteitsgebouwtje (nr 38) wel onderduikers.

Foto genomen ca. 1960 van het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als magazijn voor het Rode Kruis en de BB. Het nevenpand op 40A toont op de deur de letters NP (Niet Parkeren) en was waarschijnlijk in gebruik als garage.
Foto genomen ca. 1960 van het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als magazijn voor het Rode Kruis en de BB. Het nevenpand op 40A toont op de deur de letters NP (Niet Parkeren) en was waarschijnlijk in gebruik als garage.

Het zich uitbreidende veilingbedrijf – illustratief is een verviervoudiging van de omzet in de periode 1939 tot 1951 – veroorzaakte op veilingdagen in toenemende mate overlast in de drukke Dorpsstraat.

Daarom kwam het veilingbestuur in 1951 met plannen om een nieuw veilinggebouw te stichten, waartoe aan de gemeente een ruil werd voorgesteld van het gebouw aan de Dorpsstraat tegen grond voor nieuwbouw aan de Kramersweg.

Foto genomen ca. 1980 met links het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als café-biljart, met daarnaast op 40A winkel 'De Kijkdoos' en tenslotte het hoekpand Dorpsstraat - Mooijstraat, waarin toen was gevestigd bloemenhandel 'De Kruyff'.
Foto genomen ca. 1980 met links het voormalige veilinggebouw Dorpsstraat 40, hier in gebruik als café-biljart, met daarnaast op 40A winkel ‘De Kijkdoos’ en tenslotte het hoekpand Dorpsstraat – Mooijstraat, waarin toen was gevestigd bloemenhandel ‘De Kruyff’.

Jaarboek 26, pagina 52

Rechts van het midden de nieuwe veiling 'Ons Belang'.
Rechts van het midden de veiling ‘Ons Belang’, geopend in 1952, in functie tot circa 1970.

Hoewel het gemeentebestuur niet over een nacht ijs ging, kwam de ruil tot stand en vond de opening van de nieuwe veiling plaats in 1952.
Het oude veilinggebouw aan de Dorpsstraat was nu dus eigendom van de gemeente. Die zag er wel brood in, want hoewel er nog geen bestemming was, werd er niet aan getwijfeld dat een zo mooi in het centrum gelegen gebouw met uitgangen aan twee wegen een verantwoorde belegging zou zijn.
Het oude heeft nog verschillende bestemmingen gekend. Het deed enige tijd dienst als magazijn voor het Rode Kruis, tevens als opslagplaats voor materialen van de organisatie Bescherming Burgerbevolking (BB) Op het nevenpand was in die periode met grote letters NP geschilderd, wat suggereert dat het als garage in gebruik was.

Restaurant 'La Trattoria', Dorpsstraat 40, kort na de opening. Rechts 'De Kijkdoos', Dorpsstraat 40A.
Restaurant ‘La Trattoria’, Dorpsstraat 40, kort na de opening. Rechts ‘De Kijkdoos’, Dorpsstraat 40A.

In 1980 werd begonnen met een verbouwing en restauratie van het pandencomplex op de hoek Burg. Mooijstraat – Dorpsstraat en verplaatste de toenmalige eigenaar Lefering het daar gevestigde biljartpaleis, reeds 45 jaar onderkomen van biljartvereniging ‘Onder Ons’, naar de voormalige veilinghal, waar een zaaltje kwam met twee biljarts. De foto toont in het naastgelegen pand een winkel, ‘De Kijkdoos’.

Omstreeks 1987 vestigde zich het Italiaanse restaurant ‘La Trattoria’ zich in het voormalige veilinggebouw. Pand 40A, nog steeds (in 2003) onderkomen van ‘De Kijkdoos’, werd later bij het restaurant getrokken, terwijl er ook een luifel werd aangebouwd, geheel in de stijl van het naastliggende pand nummer 42.

Brasserie bij Beentjes. Daarachter het Italiaans restaurant la Trattoria.
Brasserie bij Beentjes. Daarachter het Italiaans restaurant la Trattoria.

Van oudsher horeca (nr 42)

Het tegenwoordige pand op de hoek van Burg. Mooijstraat en Dorpsstraat vormt onderdak voor verschillende activiteiten. Aan de kant van de Dorpsstraat is er tegenwoordig (in 2003) de ‘Brasserie bij Beentjes’ gevestigd. Gesitueerd in de Burg. Mooijstraat zijn Pizzeria Miamo en een aantal kleine bovenwoningen. Over de geschiedenis van het pand is reeds uitvoerig geschreven in het 24e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum, onder de titel ‘Van landweg tot winkelstraat: de Burg. Mooijstraat‘. Het complexe pand kwam voort uit een herberg, die daar al omstreeks 1830 heeft gestaan en is daarmee de oudste van de panden aan de Dorpsstraat die wij in dit artikel bespreken. Na lange tijd een cafébedrijf te zijn geweest, werd het bouwvallige pand door de eigenaar Theo Bleijendaal in 1980/1981 gerestaureerd en verbouwd en vestigden er zich winkelbedrijven. Toch betekende dit niet het definitieve einde van de horeca-activiteiten, want er kwamen nieuwe eetgelegenheden, waartoe deze plek eigenlijk voorbestemd lijkt.

Inkijk vanaf Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) in de Kramersweg met links op de hoek café van Benthem, circa 1920.
Inkijk vanaf Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) in de Kramersweg met links op de hoek café van Benthem, circa 1920.

Wim Hespe
Lien Steeman

Bronnen:

  • Archief Gemeente Castricum
  • Bos, A., Het paardloze voertuig: de auto in Nederland een eeuw ge- leden, Deventer 1996.
  • Bosch, A., Twee eeuwen Rijkswaterstaat, 1798-1998, Zaltbommel 1998.
  • Fotoarchief Werkgroep Oud-Castricum.
  • Heideman, H., De oude generatie van Bakkum en Castricum (1900-1940), Castricum 1982.
  • Kadastrale gegevens Castricum, Kadaster te Alkmaar.
  • Kamp, P. van der. De stoomtram door Castricum, in: Op zoek naar Castricum’s verleden, Schoorl 1992.
  • Kok, J., Stoomtrams rond Alkmaar, Schoorl 1981.
  • Mooij,J.G.W., Herinneringen aan de familie Mooij, 1848-1945, Haarlem 1984.
  • Nieuwsblad voor Castricum, beschikbare nummers uit de periode 1925-heden.
  • Regionaal Archief Alkmaar, Archief van het Gemeentebestuur Castricum, 1812-1936.
  • Regionaal Archief Alkmaar, Bevolkingsregister Castricum. Ruijter, Q.W.Jzn. de. Schippers van het Stet, 1974.
  • Schmal, H., Verkeer en Vervoer, in: 150 jaar Noord-Holland en Zuid- Holland, ‘s-Gravenhage 1990.
  • Zuurbier, S.P.A., De ‘Nieuwe Weg’ aangelegd in 1820,16e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1993.

Veel informatie werd verkregen van de huidige en vroegere bewoners van de besproken panden of hun familieleden, waarvoor we hen zeer erkentelijk zijn.

Print Friendly, PDF & Email