Dorpsstraat (3e deel) huisnrs 37 – 65 (Jaarboek 28 2005 pg 41-58)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Dorpsstraat in Castricum:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7deel 8deel 9deel 10


Jaarboek 28, pagina 41

 

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 3)

Huis nummers 37 – 65

 

Inleiding

In de twee voorgaande jaarboekjes van de Werkgroep Oud- Castricum werd een aanvang gemaakt met de geschiedschrijving van de Dorpsstraat. Het is wellicht de meest interessante straat van Castricum, sfeerbepalend voor het dorpscentrum, met zijn kerken, bioscoop, winkels en cafés.
In een eerste artikel (26e jaarboekje) bespraken we een aantal huizen met even nummers aan de noordkant van de Dorpsstraat, te beginnen met het pand nummer 2, dat lange tijd onder de naam Funadama bekend was (nu restaurant Jasmin Garden) en eindigend met het pand op de hoek Dorpsstraat – Burg. Mooijstraat nummer 42 (nu – in 2005 – Brasserie ‘bij Beentjes’.) In een tweede artikel (27e jaarboekje) passeerden de tegenoverliggende panden de revue, vanaf villa Geertruida op nummer 1 tot en met snackbar De Eetsaloon op nummer 35.
In dit artikel worden de huizen met even nummers aan de Dorpsstraat beschreven die zijn gelegen tussen de Verlegde Overtoom en de Schoolstraat. Hoewel bij deze panden niet direct sprake is van bijzondere architectuur, zijn ze om hun geschiedenis niettemin interessant.

Gedeelte van kadasterkaart uit 1822.
Gedeelte van kadasterkaart uit 1822.

 

Kadasterkaart uit 1935 met de panden die wij in dit artikel zullen bespreken.
Kadasterkaart uit 1935 met de panden die wij in dit artikel zullen bespreken.

Een plattegrond van omstreeks 1935 geeft een overzicht van de beschreven panden met vermelding van de huidige huisnummering, die in 1929 werd ingevoerd toen het gedeelte van de Rijksstraatweg tussen de spoorwegovergang en de R.-K. kerk in het vervolg Dorpsstraat werd genoemd. Ter vergelijking is op dezelfde schaal een kadasterkaart afgebeeld uit 1822, waaruit blijkt dat sommige van de te bespreken panden of voorlopers daarvan er in dat jaar reeds stonden. Aangegeven zijn de toenmalige kadasternummers van de percelen en de daarop gebouwde huizen.

Het kermisterrein

Het gedeelte van de Dorpsstraat dat wel ‘het pleintje’ wordt genoemd, werd pas in 1961 bebouwd. Om de bestaande nummering van de Dorpsstraat, die eindigde met 37, de snackbar en begon met 39, slagerij Van der Meer, niet aan te tasten, kregen de nieuwe panden de nummers 39 A t/m D toebedeeld. In dit gedeelte van de Dorpsstraat hebben sindsdien een reeks van middenstanders hun bedrijf uitgeoefend. We noemen Portegies, met zijn winkel in verf, glas en behang, Randstad Uitzendbureau, het Nieuwsblad


Jaarboek 28, pagina 42

voor Castricum, de Sleutelkoning, restaurant ‘De Griek’ en café de Balustrade, voorheen Bal Lute etc. Deze aaneengeschakelde panden hebben een relatief korte geschiedenis, waar wij in het kader van dit artikel niet verder op zullen ingaan.
Vroeger was het veld aan de Dorpsstraat en Oude Overtoom, waarop deze panden zijn gebouwd, in gebruik voor de volkstuinderij. Later werd het grasland, waarop paarden liepen. Eigenlijk was dit land een echte ‘Brink’ in het dorp. Er werd een muziektent gebouwd, die onder andere werd gebruikt voor de concoursen die werden georganiseerd door de plaatselijke fanfarekorpsen.
Foto’s tonen hoe het veld er toen bij lag; het werd onder andere gebruikt door de verkennerij voor het vieren van bijvoorbeeld het St.-Jorisfeest.

HOJO dagen Padvinderij bij de muziektent op het oude kermisterrein, circa 1948-1949.
HOJO dagen Padvinderij bij de muziektent op het oude kermisterrein, circa 1948-1949.

 

Manifestatie van de padvinderij op het kermisterrein, met een ingenieus aangelegde kabelbaan. Op de achtergrond het cafébedrijf hoek Dorpsstraat-Burg. Mooijstraat. Foto circa 1948-1949.
Manifestatie van de padvinderij op het kermisterrein, met een ingenieus aangelegde kabelbaan. Op de achtergrond het cafébedrijf hoek Dorpsstraat-Burg. Mooijstraat. Foto circa 1948-1949.

Vanaf 1928 werd op het terrein jaarlijks in augustus de kermis georganiseerd en kwam de benaming kermisterrein in zwang. Daarvoor werd de kermis gewoon op de Rijksstraatweg gehouden. De kermis was een jaarlijks hoogtepunt. Vroeger gingen de meeste mensen niet op vakantie, maar gaven ze wel veel geld uit op de kermis. Wie kon nam vrij, behalve de bakkers, die de beroemde kermisbroodjes bakten en de caféhouders, die uit voorzorg hun biljarttafels in veiligheid brachten. Naast Funadama, het vroegere cafébedrijf aan het eind van de Dorpsstraat bij de spoorovergang, werd zelfs over het aangrenzende water een grote danstent gebouwd, waar men zich op de klanken van een gehuurd dansorgel kon vermaken. Tot de meest imposante kermisattracties behoorde vroeger een stoomcarrousel met een stoommachine om het carrousel te laten draaien, geplaatst in een enorme tent waarin ook een dansvloer en een bar aanwezig waren.

De kermis duurde toen 3 dagen en de verstokte kermisganger liet zich geen tijd ontgaan en sloeg al vroeg aan het drinken. Onder invloed van drank deden zich dan ook van tijd tot tijd ongeregeldheden op de kermis voor. Soms kreeg de veldwachter bij het in het gareel brengen van de feestgangers hulp van burgemeester Mooij, die vlak bij het kermisterrein aan de Dorpsstraat woonde.
Het was dan wel kermis, maar de tuinders moesten ook in die dagen hun producten kwijt op de veiling, waarna ze de gewoonte hadden op het kermisterrein met hun karren te wachten op de kopers die hun waren kwamen ophalen. Dat gaf wel eens strubbelingen met de kermisexploitanten. Om de tuinders zoet te houden kregen ze dan een bon voor een borrel. Het bleef meestal niet bij één glaasje, maar geen nood, als ze huiswaarts gingen, hadden ze houvast aan hun lege karren.

Dat alles is nu verleden tijd. De laatste kermis op het terrein werd gehouden in 1949. Daarna was het zoeken naar een geschikte plaats om kermis te houden, wat nog niet meeviel. Uiteindelijk werd de kermis verplaatst naar de Brink.

We vervolgen nu de bewoningsgeschiedenis van de Dorpsstraat, te beginnen met het pand Dorpsstraat 37, waar slagerij Van der Meer is gevestigd.

Het huizenbezit van bakker Jan Adam van Soll, zoals aangegeven op een kadasterkaart uit 1874. Het pand met kadasternummer 1391, in de punt van de driehoek waar Dorpsstraat en Overtoom bij elkaar komen, is gelegen op de plaats van de huidige slagerij Van der Meer.
Het huizenbezit van bakker Jan Adam van Soll, zoals aangegeven op een kadasterkaart uit 1874. Het pand met kadasternummer 1391, in de punt van de driehoek waar Dorpsstraat en Overtoom bij elkaar komen, is gelegen op de plaats van de huidige slagerij Van der Meer.

Dorpsstraat 37 (nu ‘Slagerij Van der Meer’)

De panden langs de Dorpsstraat die we zullen bespreken, zijn gelegen op een min of meer driehoekig stuk land, ingesloten door Dorpsstraat, Overtoom en Schoolstraat, met ongeveer in het midden de kerk (zie de kadasterkaart uit 1822). Een kadasterkaart opgemaakt in 1874 toont voor het eerst bebouwing in de uiterste punt van de driehoek, waar Dorpsstraat en Overtoom bij elkaar komen, een rechthoekig pand met kadasternummer 1391, gelegen op de plaats van de huidige slagerij Van der Meer.


Jaarboek 28, pagina 43

Foto daterend van omstreeks 1900, met op de voorgrond het pand, dat Hendrik Schram in 1891 kocht. Het voorste gedeelte was ingericht tot woonhuis en het achterste gedeelte, met de grote voordeur, was de schilderswerkplaats. Daarnaast een pand dat Hendrik Schram omstreeks 1892 liet bouwen en ten tijde van deze foto werd bewoond door Jan Stolk en zijn familie, die in het voorste gedeelte van het pand een kruidenierszaak had gevestigd.
Foto daterend van omstreeks 1900, met op de voorgrond het pand, dat Hendrik Schram in 1891 kocht. Het voorste gedeelte was ingericht tot woonhuis en het achterste gedeelte, met de grote voordeur, was de schilderswerkplaats. Daarnaast een pand dat Hendrik Schram omstreeks 1892 liet bouwen en ten tijde van deze foto werd bewoond door Jan Stolk en zijn familie, die in het voorste gedeelte van het pand een kruidenierszaak had gevestigd.

Het was een zekere Jan Adam van Soll die het bescheiden pand liet bouwen. Hij was toen broodbakker, een belangrijk beroep in die tijd, want het had te maken met de eerste levensbehoeften. De kaart toont nog twee nabijgelegen bouwwerken, die van oudere datum zijn en ook in het bezit waren van Van Soll. Het pand dat we hier bespreken, werd waarschijnlijk in gebruik genomen als bakkerswinkel. Aan de Overtoom was een bergplaats. Het pand met kadasternummer 1392, gelegen tussen Dorpsstraat en Overtoom, was bakkerij en woonhuis. Op de lange geschiedenis van de bakkerij komen we nog terug.
In 1891 machtigde Jan van Soll zijn schoonzoon om pand en erf met kadasternummer 1391 te verkopen aan de uit Monnickendam afkomstige huis- en rijtuigschilder Hendrik Schram, die er met zijn vrouw Maria Hoogland en vier zonen ging wonen en er ook een werkplaats inrichtte.
Hendrik Schram pakte de zaken voortvarend aan, want hij liet al in de eerste jaren van zijn vestiging aan weerszijden van zijn huis nieuwe huizen bouwen, die aanvankelijk bij zijn schildersbedrijf waren betrokken.

De timmerwinkel van de fa. Schram omstreeks 1950.
De timmerwinkel van de fa. Schram omstreeks 1950.

De komst van Hendrik Schram naar dit gedeelte van de Dorpsstraat betekende het begin van een bedrijvigheid, waaraan nog lang de naam Schram verbonden bleef. Hendrik overleed in 1915 op 65-jarige leeftijd. Van zijn zonen zetten er drie het schildersbedrijf in Castricum voort, hoewel ze elk hun eigen weg gingen. Het pand dat onderwerp is van deze bespreking verkocht Hendrik Schram in 1912 aan zijn zoon, de huis- en rijtuigschilder Simon (Siem) Schram, die in dat jaar op 25-jarige leeftijd in Castricum was gehuwd met Agatha Buur. Siem Schram overleed in 1948 en in dat jaar verviel zijn bezit aan zijn kinderen en aan zijn tweede vrouw Margaretha Christina Schaap, met wie hij in 1940 was getrouwd. Nog kort voor zijn dood had hij toestemming gekregen voor de verbouw van zijn pand, waarbij in het woongedeelte van de benedenverdieping een tweede winkel werd gerealiseerd. Aan de voorzijde toonde het pand nu naast de ingang twee etalages, de linker voor verfwaren en behang en de rechter voor ijzerwaren en gereedschappen.

De ingrijpende verbouwing van het pand Dorpsstraat 37 in 1960 wordt het duidelijkst geïllustreerd door de bouwtekeningen van de zijgevel. Hier afgebeeld de oude situatie.
De ingrijpende verbouwing van het pand Dorpsstraat 37 in 1960 wordt het duidelijkst geïllustreerd door de bouwtekeningen van de zijgevel. Hier afgebeeld de oude situatie.

 

De ingrijpende verbouwing van het pand Dorpsstraat 37 in 1960 wordt het duidelijkst geïllustreerd door de bouwtekeningen van de zijgevel. Hier afgebeeld de nieuwe situatie.
De ingrijpende verbouwing van het pand Dorpsstraat 37 in 1960 wordt het duidelijkst geïllustreerd door de bouwtekeningen van de zijgevel. Hier afgebeeld de nieuwe situatie.

In 1952 werd het bedrijf voortgezet als ‘Vennootschap Schram’, met als vennoten de weduwe Schram –  Schaap en de kinderen uit het eerste huwelijk. Er breekt nu een periode aan waarin een derde generatie Schram de scepter gaat zwaaien. Dorpsstraat 37


Jaarboek 28, pagina 44

veranderde in een ‘doe-het-zelfcentrum’, met als bedrijfsleiders de gebroeders Gerardus (Gerrit) Schram en Joseph (Sjef) Schram, die inmiddels ook een bedrijf waren begonnen aan de Overtoom, een werkplaats met bovenwoningen, welke bezittingen in de vennootschap werden ingebracht. In 1960 werd het pand aan de Dorpsstraat ingrijpend verbouwd, waarbij het bestek onder andere melding maakt van een nieuw gemetselde en licht beschilderde bovenbouw en betegeling van de houten onderbouw met bruingeglazuurde gevelstrippen.

Nog in 1968 treden de broers gezamenlijk op bij de opening van een glashandel aan de Overtoom, maar vanaf ongeveer dat jaar lijkt elk zijn eigen weg te zijn gegaan. Alleen Sjef Schram wordt nog als eigenaar van de verschillende zaken genoemd. In 1971 omvatte zijn bedrijf volgens krantenadvertenties de winkel Dorpsstraat 37, waar o.a. verf, behang en ijzerwaren werden verkocht, een Hubo-Houtshop, gevestigd Overtoom 3-5, een keukencentrum, gevestigd Kooiplein 4-10 en een sportzaak, gevestigd Kooiplein 26. Deze veelzijdige bedrijvigheid groeide Sjef Schram wellicht boven het hoofd, want in 1979 verkocht hij, pas 46 jaar oud, zijn zaak Dorpsstraat 37 aan slager Theodorus Johannes (Theo) van der Meer.

Theo van der Meer kwam van Dorpsstraat 43, waar hij in 1968 met zijn vrouw Marian van der Zwet zijn slagerij was begonnen. Met de komst van Van der Meer waren uiteraard ingrijpende in- en uitwendige veranderingen nodig om het pand in een slagerij om te toveren. In 1983 vond een wijziging van voor- en zijgevel plaats, een soort modernisering, waardoor de huidige situatie ontstond.

Foto uit 1924, genomen vanuit de Burg. Mooijstraat, die een indruk geeft van de toenmalige bebouwing van het tegenover gelegen gedeelte van de Dorpsstraat. Op de hoek Dorpsstraat - Overtoom 'De Gezonde Apotheek' van Beintema, vervolgens het pand van Schram, 'De Nieuwe Winkel' van Stolk en de panden Dorpsstraat 41 en 43.
Foto uit 1924, genomen vanuit de Burg. Mooijstraat, die een indruk geeft van de toenmalige bebouwing van het tegenover gelegen gedeelte van de Dorpsstraat. Op de hoek Dorpsstraat – Overtoom ‘De Gezonde Apotheek’ van Beintema, vervolgens het pand van Schram, ‘De Nieuwe Winkel’ van Stolk en de panden Dorpsstraat 41 en 43.

Een afgebroken pand op de hoek Dorpsstraat-Overtoom

Hoewel dat nu moeilijk is voor te stellen, blijkt uit oude foto’s dat tussen het hiervoor besproken pand en de Overtoom, precies in de bocht, vroeger nog een huis heeft gestaan.
Het was de reeds genoemde Hendrik Schram die het omstreeks 1904 liet bouwen. Het pand was geen lang leven beschoren, want in 1927 werd het aangekocht door de gemeente en bestemd voor de sloop om de plaatselijke verkeerssituatie te verbeteren.
Schaarse oude foto’s tonen een winkelpand, waarbij op het raam in de voordeur de naam Schram is te ontcijferen, zodat aannemelijk is dat het pand door Hendrik Schram in gebruik werd genomen ten behoeve van zijn schildersbedrijf. In 1921 werd het pand door Siem Schram, zoon van Hendrik Schram en inmiddels eigenaar van het schildersbedrijf van zijn vader, verkocht aan Ytzen Beintema, een koopman afkomstig uit Huizum, nabij Leeuwarden. Het is altijd interessant om te weten waarom men zich van verre in Castricum vestigde. Volgens Wim Beintema, zoon van Ytzen, heeft dit te maken met het feit dat zijn vader een goede kennis was van de familie Veenstra, die zich eveneens vanuit Friesland aan de Dorpsstraat in Castricum had gevestigd en die we hierna nog zullen ontmoeten. Beintema begon in Castricum een winkel, ‘De Gezonde Apotheek’, welke naam stond voor de verkoop van verse artikelen, zoals fruit, groenten, aardappelen en vis, hoewel de zaak ook onder schoolkinderen populair was vanwege de verkoop van snoep. Na het opgeven van zijn winkel ging Beintema, inmiddels weduwnaar, in de kost bij de genoemde familie Veenstra. Later woonde hij met zijn tweede vrouw Grietje Boerwinkel aan de Beverwijkerstraatweg. Ytzen Beintema stond bekend als een sociaal bewogen figuur. Hij was onder meer zeer actief in de Ouderenbond en staat te boek als mede-oprichter van de vroegere voetbalvereniging C.S.V.

Doorkijk Dorpsstraat omstreeks 1921, met rechts het houten huisje van Siem Schram, ingeklemd tussen de panden die bekend werden als 'De Gezonde Apotheek' van Ytzen Beintema en 'De Nieuwe Winkel' van Jan Stolk. Daarachter nog een glimp van het lage woongedeelte van het oorspronkelijke pand van Jan Stolk en van de twee panden die Cornelis Stolk omstreeks 1911 liet bouwen.
Doorkijk Dorpsstraat omstreeks 1921, met rechts het houten huisje van Siem Schram, ingeklemd tussen de panden die bekend werden als ‘De Gezonde Apotheek’ van Ytzen Beintema en ‘De Nieuwe Winkel’ van Jan Stolk. Daarachter nog een glimp van het lage woongedeelte van het oorspronkelijke pand van Jan Stolk en van de twee panden die Cornelis Stolk omstreeks 1911 liet bouwen.

Dorpsstraat 39 (nu – in 2005 – snackbar ‘Panda’) en 39a (nu – in 2005 – schoenenwinkel ‘Feel It’

Hendrik Schram liet niet alleen het hiervoor besproken pand bouwen. Een voorgaande foto toont al omstreeks 1900 aan de andere kant van zijn oorspronkelijke pand een nieuw bouwwerkje, dat hij reeds kort na zijn vestiging in Castricum liet optrekken, waarschijnlijk nog in 1891. Welke activiteiten Hendrik Schram hier heeft ontplooid, is niet geheel duidelijk, ze zullen wel met zijn schildersbedrijf te maken hebben gehad. In 1897 verkocht hij dit pand aan een zekere Jan Stolk, geboren in 1853 in Nieuwer Amstel, die in het rechtergedeelte een kruidenierswinkel begon en in het linkergedeelte met zijn gezin ging wonen. Stolk was, voor hij zich in het kruideniersvak begaf, werkzaam als veenbaggeraar in de Vinkeveense Plassen, een familieaangelegenheid, want ook zijn vader en verschillende van zijn broers kwamen hiermee aan de kost. Hij onttrok zich aan dit waarschijnlijk niet zeer lonende bedrijf door zich als kruidenier in Castricum te vestigen met zijn tweede vrouw, de ook uit het veengebied afkomstige Dirkje Sloesarwij, en vier kinderen uit zijn eerste huwelijk met Gerritje Borst, die in 1888 was overleden. In Castricum werd het gezin nog uitgebreid met een dochter, Hendrika Stolk.


Jaarboek 28, pagina 45

Jan Stolk kan worden gezien als de initiator van diverse bouwactiviteiten, die het straatbeeld van dit gedeelte van de Dorpsstraat drastisch hebben veranderd. We bespraken in het vorige artikel reeds het pand Dorpsstraat 31/33, dat hij in 1906 liet bouwen en dat recent door nieuwbouw werd vervangen. In 1911 verkocht Jan Stolk een stuk grond aan zijn zoon Cornelis, die er de smalle maar vrij robuuste en nog bestaande panden Dorpsstraat 41 en 43 liet bouwen.

Foto genomen ca. 1918 van 'De Nieuwe Winkel', de gerenoveerde kruidenierszaak van Jan Stolk met daarnaast het nog intacte woongedeelte van het oorspronkelijke pand. Voor de winkel rechts Jan Stolk, links zijn dochter Hendrika Stolk.
Foto genomen ca. 1918 van ‘De Nieuwe Winkel’, de gerenoveerde kruidenierszaak van Jan Stolk met daarnaast het nog intacte woongedeelte van het oorspronkelijke pand. Voor de winkel rechts Jan Stolk, links zijn dochter Hendrika Stolk.

In 1917 nam Jan Stolk het winkelgedeelte van zijn eigen pand onderhanden en voerde hij een ingrijpende verbouwing door. Er kwam onder andere een verdieping bovenop en het geheel kreeg, zoals uit diverse foto’s blijkt, een karakteristieke voorgevel. Het woongedeelte bleef overigens zoals het was. De kruidenierszaak kreeg nu de toepasselijke naam ‘De Nieuwe Winkel’.
Jan Stolk heeft niet lang plezier gehad van zijn vernieuwde kruideniersbedrijf, want hij overleed in 1921 op 68-jarige leeftijd. Zijn zaak aan de Dorpsstraat werd nog kort beheerd door zijn zoon Hannes Stolk, die zijn vader reeds geruime tijd had geassisteerd. In 1921 kreeg Hannes Stolk een concurrent als buurman, het levensmiddelenbedrijf van de ondernemende zakenman Nicolaas Portegies. Dat was wellicht de voornaamste reden om zijn kruideniersbedrijf naar elders in het dorp te verplaatsen, aanvankelijk naar de Stationsweg. Later komen we kruideniersbedrijven van Stolk in Bakkum tegen, maar dat was alweer een volgende generatie.
De bezittingen van Jan Stolk in de Dorpsstraat werden in het openbaar verkocht en kwamen via enkele tussenpersonen, waaronder Siem Schram, in 1924 in handen van Anthonius (Anton) Gorter, die in dat jaar op 23-jarige leeftijd was gehuwd met Guurtje Mooij en nu in de Dorpsstraat een bestaan hoopte op te bouwen. Anton was een zoon van Ariën Gorter, als veldwachter een bekende Castricumse figuur, die in 1909 vanuit Hoogwoud op het adres Dorpsstraat 20 was komen wonen.

Anton Gorter in de deuropening van zijn rijwielherstelwerkplaats, gevestigd in de voormalige 'De Nieuwe Winkel'. Naar de versierde etalage te oordelen werd de foto waarschijnlijk kort na de opening in 1924 genomen. Links het nog intacte woongedeelte van het oorspronkelijke pand.
Anton Gorter in de deuropening van zijn rijwielherstelwerkplaats, gevestigd in de voormalige ‘De Nieuwe Winkel’. Naar de versierde etalage te oordelen werd de foto waarschijnlijk kort na de opening in 1924 genomen. Links het nog intacte woongedeelte van het oorspronkelijke pand.

Anton had al jong voor rijwielhersteller geleerd in het bedrijf van zijn buurman Jaap Lute, Dorpsstraat 22 en bij rijwielhandelaar Cornelis Stolk. Hij begon zijn loopbaan als zelfstandige ondernemer met een ‘Herstelwerkplaats voor Rijwielen en Motoren’ in de voormalige ‘De Nieuwe Winkel’.

Deze foto, te dateren omstreeks 1915, toont de rijwiel- en motorhandelaar Cornelis Stolk en naast hem een nog jonge Anton Gorter, die als knecht bij hem in dienst was en later zelf een reparatie-inrichting voor rijwielen en motoren begon.
Deze foto, te dateren omstreeks 1915, toont de rijwiel- en motorhandelaar Cornelis Stolk en naast hem een nog jonge Anton Gorter, die als knecht bij hem in dienst was en later zelf een reparatie-inrichting voor rijwielen en motoren begon.

 

Foto, te dateren omstreeks 1927, met Anton Gorter zelf aan het stuur van een personenwagen en daarachter een nieuwe autobus voor het vervoer naar het strand.
Foto, te dateren omstreeks 1927, met Anton Gorter zelf aan het stuur van een personenwagen en daarachter een nieuwe autobus voor het vervoer naar het strand.

Voor de winkel verscheen al spoedig een benzinepomp van maatschappij ‘De Automaat’. Gorter was een ambitieuze figuur en breidde in 1925 zijn activiteiten uit. Hij kocht een autobus met ongeveer 15 plaatsen voor vervoer in de zomer, volgens een min of meer vaste dienstregeling, naar het strand. Dat was een succes. Later ging Gorter samenwerken met Herman Twisk en Johan Borst en kwamen er voor het vervoer naar het strand twee Fordbussen en een personenwagen. Dorus Veldt van de Gasstraat, als chauffeur in dienst bij Gorter, wilde de oude bus graag overnemen. Bejaarde Castricummers herinneren zich deze bus nog als een bezienswaardigheid, want als het slecht weer was, bracht Veldt zijn eigen kinderen en veel kinderen uit zijn omgeving met de bus naar de Augustinusschool naast de kerk en haalde ze daar ook weer op, wat natuurlijk een feest was.

Gorter kreeg in deze periode behoefte aan een garage en in 1928 werd vergunning verleend voor een drastische verbouwing van het woongedeelte van het pand. Het kwam in feite neer op nieuwbouw, want bouwtekeningen tonen nu een grote ruimte, achter een geheel veranderde voorgevel en met een plat dak.

Anton Gorter was een impulsieve figuur, want nadat hij nauwelijks


Jaarboek 28, pagina 46

vijf jaar aan de Dorpsstraat was gevestigd, verkocht hij zijn garagebedrijf alweer in 1929 aan Maartje van Egmond, die gehuwd was met zijn broer Gerard Gorter. Hij ging nu werken bij een garagebedrijf in Beverwijk. Later exploiteerde hij een café aan de Beverwijkerstraatweg. Daarna ging hij in de Geelvinckstraat wonen en in een garagebedrijf in Amsterdam werken. Deze bekende Castricummer kwam te overlijden in 1993 op de hoge leeftijd van 91 jaar.

Resultaat van de verbouwing in 1928 van het pand van Anton Gorter tot een garagebedrijf. Rechts nog steeds de 'Herstelplaats voor Rijwielen en Motoren' en de benzinepomp. Links het voormalige woongedeelte dat is verbouwd tot garage.
Resultaat van de verbouwing in 1928 van het pand van Anton Gorter tot een garagebedrijf. Rechts nog steeds de ‘Herstelplaats voor Rijwielen en Motoren’ en de benzinepomp. Links het voormalige woongedeelte dat is verbouwd tot garage.

Gerard Gorter zette het bedrijf van zijn broer voort tot december 1934, waarna het onroerend goed, omschreven als een winkelhuis met bovenwoning en een garage, volgens het kadaster werd “ingebracht ter veiling en verkoop”. Koper was Jacobus Fontijn, eigenaar van autobus- en touringcarbedrijf de ‘Zeemeeuw’, opgericht in 1933 te Wormer. Dit bedrijf hield zich bezig met de exploitatie van buslijnen in Noord-Holland en had zijn zinnen gezet op de bestaande busdienst vanaf het station naar het strand, ‘De Onderneming’ van Thijs Olgers. De 52-jarige Jacobus Fontijn nam de exploitatie in 1934 ter hand en vestigde zich daartoe met zijn vrouw Antje Hille aan de Stationsweg 13. Over de busdienst van Fontijn naar het strand werd een en ander opgetekend uit de mond van chauffeur Henk Kuijs, in een artikel over het Castricumse strandleven, gepubliceerd in het 24e jaarboekje. Er werd gereden in Chevrolet- en Opelbussen, waarin plaats was voor ca. 25 personen. Henk reed van half juni tot half september dagelijks zijn ritten tussen 8.30 en 23.00 uur, zonder een dag per week vrij te hebben. Alleen op zaterdagmorgen werd niet gewerkt en werden de bussen op het Stationsplein gewassen. Jacobus Fontijn betrok bij zijn onderneming al dadelijk zijn zoon Herman, die zich in juni 1935 als garagehouder op Dorpsstraat 39 vestigde, maar niet nadat het pand opnieuw was verbouwd, nu wel heel ingrijpend.

Bouwtekening van het in 1935 door eigenaar Jacob Fontijn drastisch veranderde pand Dorpsstraat 39. Er zijn nu twee gescheiden panden ontstaan, elk met bovenbewoning. Het winkelpand rechts behield nummer 39. Het linkerpond met beneden het garagebedrijf, waar autobussen werden gestald, vervolgde zijn geschiedenis als Dorpsstraat 39a.
Bouwtekening van het in 1935 door eigenaar Jacob Fontijn drastisch veranderde pand Dorpsstraat 39. Er zijn nu twee gescheiden panden ontstaan, elk met bovenbewoning. Het winkelpand rechts behield nummer 39. Het linkerpond met beneden het garagebedrijf, waar autobussen werden gestald, vervolgde zijn geschiedenis als Dorpsstraat 39a.

Een bouwtekening toont dat het rechtergedeelte van het pand, ooit ‘De Nieuwe Winkel’, nu een puntdak kreeg en de bovenverdieping een erker. Op het linkergedeelte, de garage, werd een verdieping gebouwd, ook met puntdak. Omdat er nu twee gescheiden huizen met een woonfunctie waren ontstaan, werd de huisnummering aangepast. Rechts behield nummer 39. Links werd 39a.
In 1940 kregen Jacobus en Herman Fontijn te maken met de gevolgen van de bezetting. Het strandvervoer hield op te bestaan en volgens de plaatselijke krant kon slechts met een beperkte dienstregeling alleen nog het vervoer naar Duin en Bosch en de koloniehuizen in Bakkum worden verzorgd. Waarschijnlijk als gevolg van deze beperkingen was de busdienst niet meer lonend en werd Fontijn gedwongen zowel Dorpsstraat 39 als 39a in 1942 te verkopen. Gezien de omstandigheden wekt het verbazing dat toch een koper opdaagde in de persoon van Johannes Liefting, die met zijn gezin uit Egmond-Binnen kwam, waar hij als melkventer, nog met paard en wagen en later als melktransporteur, had gewerkt. Wegens een slechte gezondheid had hij bij zijn vestiging in Castricum zijn beroep reeds opgegeven, maar zijn zoon Piet Liefting was nog wel actief in de transportsector en dat was waarschijnlijk de reden dat het gezin in de oorlogsperiode niet te maken kreeg met evacuatie. Herman Fontijn verbleef gedurende de oorlog eveneens op het adres Dorpsstraat 39a, want hij had, voor wat er nog aan bedrijfsvoering mogelijk was, zoals taxivervoer, zowel de garage als de bovenwoning gehuurd van Liefting.

Na de oorlog was er nog kort een herstart van zijn bedrijf aan de Dorpsstraat, maar Fontijn verhuisde nog in 1946 naar de Stationsweg, waar hij de ‘Zeemeeuw’ voortzette als taxibedrijf (het toen bekende telefoonnummer 333), een rijwielstalling ging beheren, rijlessen ging geven en ook ziekenvervoer verzorgde. Dit artikel is niet de plaats om de verdere lotgevallen van Herman Fontijn te volgen, maar het is wellicht interessant te weten dat er vandaag de dag in Wormer nog steeds een autobedrijf ‘Zeemeeuw’ bestaat, beheerd door de familie Fontijn.
In 1947 overleed Johannes Liefting en zijn weduwe, Johanna Verduin, verhuurde vervolgens het winkelpand Dorpsstraat 39 in 1948 aan herenkapper W. Molenaar, afkomstig uit Amsterdam. Hij ging samenwerken met Nicolaas Liefting, een zoon van Johannes Liefting. Nicolaas was als kapper ook enige tijd in Amsterdam werkzaam geweest en had daar waarschijnlijk Molenaar leren kennen. Molenaar stopte om onbekende redenen in 1953, in welk jaar het pand Dorpsstraat 39 weer een totaal andere bestemming kreeg. Het werd een automatiek-snelbuffet, met als exploitant Samuel (Siem) Boer, afkomstig uit Amsterdam. Dit betekende uiteraard weer een vrij ingrijpende verbouwing van vooral de benedenverdieping. De snackbar kende, wat in deze branche gebruikelijk schijnt, een reeks van eigenaars, die we hier niet allemaal zullen opsommen. In 1992 werd het snackbar Panda, die er onder deze naam nog steeds (in 2005) gevestigd is.

De benedenverdieping van 39a bleef nog geruime tijd een garage. Onder meer expeditiebedrijf Stet ging hier bedrijfswagens stallen, wat aan mevrouw Eggers van ‘De Rustende Jager‘ in een terugblik


Jaarboek 28, pagina 47

op de Dorpsstraat, die zij in 1981 in het Nieuwsblad van Castricum publiceerde, de dichtregels ontlokte: “Die akelige verhuiswagens van Stet, waren in de bocht van de weg geen pret”. De garage hield op te bestaan in 1968, toen Theo Zijlstra de ruimte in gebruik nam als stoffeerderij.
In 1980 vestigde zich op Dorpsstraat 39a makelaardij Hopman en Mooij; zij voerden een renovatie door, waarover de plaatselijke pers enthousiast was. In 1989 gingen Hopman en Mooij elk afzonderlijk verder en bleef Hopman in het pand. In 2004 vertrok hij naar de Torenstraat en ontstond de huidige (in 2005) situatie met op Dorpsstraat 39a de schoenenwinkel ‘Feel It’.

V.r.n.l. de panden Dorpsstraat 39, 39a, 41 en 43 omstreeks 1995.
V.r.n.l. de panden Dorpsstraat 39, 39a, 41 en 43 omstreeks 1995.

Dorpsstraat 41 (nu – in 2005 – ‘Haarstudio Avant-Garde’)

In 1911 verkocht Jan Stolk, zoals reeds vermeld, een stuk grond aan zijn zoon Cornelis, toen 27 jaar, die er in 1912 de nog bestaande panden Dorpsstraat 41 en 43 liet bouwen. Cornelis Stolk begon er een rijwiel- en motorhandel maar hield het niet lang vol.

Hij vertrok in 1917 naar de Duin en Boschweg, waar hij zich als veelzijdig technicus en uitvinder ontpopte, maar vooral bekendheid kreeg als beheerder van een radiocentrale van waaruit een deel van de Castricumse bevolking radio kon ontvangen.

Doorkijk Dorpsstraat in 1921. Rechts zien we achtereenvolgens een stukje van de werkplaats van Schram, het pand van Jan Stolk, met in het rechtergedeelte 'De Nieuwe Winkel' en de in 1912 gebouwde panden, nu Dorpsstraat 41 en 43.
Doorkijk Dorpsstraat in 1921. Rechts zien we achtereenvolgens een stukje van de werkplaats van Schram, het pand van Jan Stolk, met in het rechtergedeelte ‘De Nieuwe Winkel’ en de in 1912 gebouwde panden, nu Dorpsstraat 41 en 43.

De beide panden die Stolk achterliet aan de Dorpsstraat, werden gekocht door Bernard Roemer, een uit Akersloot afkomstige reparateur van fietsen. Roemer hield zich ook bezig met de reparatie van auto’s en daarvoor gaven de van Stolk gekochte huizen hem waarschijnlijk te weinig armslag, want al in 1920 kocht hij enkele panden verderop in de Dorpsstraat, waar hij een garage en werkplaats kon inrichten. We komen daar nog op terug.

Op Dorpsstraat 41 vestigde zich nu Anne Vlietstra met een drogisterij. Van Vlietstra weten we weinig meer dan dat zijn zaken slecht zijn gegaan, want hij bleef in gebreke betreffende een hypotheek om rente en aflossing te betalen. De schuldeiser, een bank te Amsterdam, organiseerde in augustus 1925 een openbare verkoop van het winkelhuis in café Van Benthem. Herman Steevers, een kapper uit Velsen, was de koper.

In Castricum nam de loopbaan van Steevers een geheel andere wending. Een inmiddels bejaarde dochter karakteriseerde haar vader als een intelligente man, die het kappersbedrijf had opgegeven en met succes studies was gaan volgen in de boekhoudkunde. In Castricum plukte hij hiervan de vruchten, want hij werd in toenemende mate als administrateur betrokken bij de bedrijfsvoering van Castricumse middenstanders. Zijn vrouw Catharina van Duin was in de voormalige winkel van Vlietstra een herenmodezaak begonnen met een beperkt assortiment, voornamelijk hoeden en petten. In 1939 stopte zij om gezondheidsredenen met haar modezaak en verhuisde de familie Steevers naar de Geelvinckstraat.

In dat jaar, op 19 mei, deed Johannes Mul, tot dan woonachtig in Heiloo en werkzaam als chauffeur, op 27-jarige leeftijd zijn intrede op Dorpsstraat 41. Johannes Mul zette min of meer het bedrijf voort van mevrouw Steevers en verkocht aanvankelijk ook voornamelijk hoeden en petten. Een van zijn eerste advertenties na de oorlog luidde dan ook: ‘J. Mul, herenmodes, heeft het maken van petten hervat, bij inlevering van stof’. Niettemin ging hij zijn assortiment verbreden, want in 1947 is sprake van ‘herenmodes en ondergoederenhuis’en in 1949 verkoopt hij blijkens advertenties ook overhemden. In mei van dat jaar signaleerde het Nieuwsblad voor Castricum en Omstreken het eerste jubileum: ‘Het is deze maand tien jaar geleden dat de heer J. Mul, het herenmodemagazijn, gevestigd aan de Dorpsstraat 41 overnam van de heer Steevers’.

Herenmodezaak Mul werd langzamerhand een begrip in de Dorpsstraat en ook daarbuiten, bijvoorbeeld op het kampeerterrein, waar hij kleding verkocht. In 1955 verhuisde Johannes Mul met zijn winkel naar Dorpsstraat 47. We zullen herenmodezaak Mul hier in het vervolg nog tegenkomen. Na de verhuizing bleef Mul wel in het bezit van het pand Dorpsstraat 41 en ging hij de winkel verhuren. De eerste huurder was ene Simon Swart met een winkel


Jaarboek 28, pagina 48

in hengelsportartikelen. Hoewel hij het bijna 10 jaar uithield, zijn we vrijwel niets over hem te weten gekomen. Hij vertrok in 1965 naar de Louise de Colignystraat.

Foto uit 1971 met op Dorpsstraat 41 een chocolaterie en op 43 slagerij Van der Meer, die later naar Dorpsstraat 37 verhuisde.
Foto uit 1971 met op Dorpsstraat 41 een chocolaterie en op 43 slagerij Van der Meer, die later naar Dorpsstraat 37 verhuisde.

In 1966 kreeg het pand een geheel andere bestemming. Er vestigde zich een chocolaterie, die eerst werd geëxploiteerd door mevrouw Holzmann – Ringers, maar vanaf november 1968 door mevrouw Poel – Boots, afkomstig uit de Beemster. Zij vertelde ons dat zij de bonbonièrre, zoals de winkel nu in advertenties werd genoemd, begon in een periode waarin deze verkoop duidelijk loonde. Ze hield het lang vol, maar voelde zich toch genoodzaakt in 1980 op te stappen, vooral wegens de concurrentie van de supermarkten, die in toenemende mate ook kwaliteits-chocoladeartikelen gingen verkopen.

In 1983 kwam de 29-jarige Janke Bergsma vanuit Heemskerk naar Castricum en begon op Dorpsstraat 41 een kapperszaak, die er als Haarstudio Avant-Garde nog steeds (in 2005) is gevestigd.

Dorpsstraat 43 (nu – in 2005 – ‘Tip Top Lady’s shop’)

We keren terug naar 1912, toen Cornelis Stolk op een stuk grond dat hij een jaar eerder van zijn vader Jan Stolk had gekocht, de panden Dorpsstraat 41 en 43 liet bouwen. Dorpsstraat 41 was volgens de oudste gegevens een winkelpand, waar Cornelis Stolk, zoals hiervoor besproken, zijn rijwiel- en motorhandel had gevestigd en Dorpsstraat 43 was een woonhuis, dat Cornelis Stolk zelf met zijn vrouw Cornelia Ineke ging bewonen. In 1917 kocht Bernard Roemer de panden. Vanaf 1920 verloopt de geschiedenis van de panden gescheiden. Zoals we hiervoor zagen verkoopt Roemer Dorpsstraat 41 dan aan Anne Vlietstra, die er een drogisterij begint.
Dorpsstraat 43 kwam in 1921, na onder andere te zijn doorverkocht aan een soort consortium van Castricumse huizenspeculanten, wel de ‘Gouden Ploeg’ genoemd, in handen van Nicolaas Wouter (Niek) Portegies, die zich in dat jaar vanuit Beverwijk in Castricum vestigde. Het ligt voor de hand te veronderstellen, dat aan zijn komst naar Castricum een familierelatie ten grondslag lag met zijn reeds sinds 1877 in Castricum woonachtige naamgenoten, maar die hebben wij nog niet onderzocht.

De kruidenierswinkel van Nicolaas Wouter Portegies, Dorpsstraat 43, in 1935.
De kruidenierswinkel van Nicolaas Wouter Portegies, Dorpsstraat 43, in 1935. V.l.n.r.: knecht Huub Wijker, eigenaar Niek Portegies (nauwelijks zichtbaar achter het stuur van zijn bestelauto), zoon Sjaak Portegies, dochter Anna Portegies en Anna Portegies – Schouten. Links het pand Dorpsstraat 45, waar toen een bakkerij was gevestigd.

Niek Portegies liet er geen gras over groeien en vroeg reeds in september 1921 vergunning om de benedenverdieping in te richten als winkel. Hij begon er een kruidenierszaak. In de eerste jaren had hij nog te maken met Hannes Stolk, met zijn vlakbij gelegen kruideniersbedrijf ‘De Nieuwe Winkel’, maar na het vertrek van Stolk in 1924 naar een andere locatie, kreeg hij vrij spel.

Nog in 1925 liet hij een van Siem Schram gekochte bergplaats aan de Overtoom slopen, om er een nieuw magazijn voor in de plaats te bouwen. Na de oorlog werd de zaak verder uitgebreid, in 1947 met een filiaal in IJmuiden en kort daarna met een filiaal in de Rijnstraat te Amsterdam. Zoon Nicolaas Portegies opende een kruidenierszaak in Den Haag.
In 1949 slaagde zijn zoon Jacobus Portegies, bijgenaamd Rooie Sjaak, voor diverse examens met betrekking tot de detailhandel, wat hem de bagage verschafte om na de dood van zijn vader in 1951 het kruideniersbedrijf nog enige tijd overeind te houden.
Sjaak Portegies stopte in 1956 zijn activiteiten als kruidenier, waarbij de toegenomen concurrentie van het grootwinkelbedrijf een rol zou hebben gespeeld en ging werken als chauffeur bij de NZH. Nicolaas Portegies emigreerde naar de V.S. Het pand Dorpsstraat 43 bleef overigens in bezit van de familie Portegies, die het ging verhuren.
Als eerste huurder van de winkel diende zich Leendert Biskanter aan, een slager stammend uit een Alkmaarse familie van slagers, waaronder zijn vader, grootvader en overgrootvader. Biskanter ging niet in Castricum wonen, maar runde de winkel vanuit Alkmaar.
In 1968 huurden Theo en Marian van der Meer, toen pas getrouwd, de slagerswinkel. Zij voerden in 1971 een verbouwing door, die neerkwam op een aanpassing van de winkelpui door verplaatsing van de ingang ‘wat een grotere veiligheid zal bieden aan de klanten bij het binnenkomen en verlaten van de winkel’ en een aanbouw aan de achterkant. In 1979 verhuisde Van der Meer met zijn slagerij, zoals hiervoor al beschreven, naar het voormalige pand van de fa. Schram, hoek Dorpsstraat-Overtoom.

Op Dorpsstraat 43 kwam nu een geheel andere bedrijvigheid, de grammofoonplatenzaak van Joost Negenman. Deze was getrouwd met een dochter van Jacobus Portegies, de voormalige kruidenier, wiens familie nog steeds eigenaar was van het pand. De zaak van


Jaarboek 28, pagina 49

Negenman lijkt geen succes te zijn geweest, want in 1982 werd de zaak al weer opgeheven. Er komen op deze plek nu modezaken. Eerst Cob’Elle Mode, opgevolgd in 2001 door de Tip Top Lady’s shop, die er nog steeds (in 2005) is gevestigd.

Dirk Hoogland, omstreeks 1914, met paard en bakkerskar voor zijn winkel, Dorpsstraat 45. Naast hem zijn vrouw Trijntje Kooij, met de dochters Neeltje en Grietje. Rechts knecht Kees Vendel.
Dirk Hoogland, omstreeks 1914, met paard en bakkerskar voor zijn winkel, Dorpsstraat 45. Naast hem zijn vrouw Trijntje Kooij, met de dochters Neeltje en Grietje. Rechts knecht Kees Vendel.

Dorpsstraat 45 (nu ‘Klaver Vier’)

Het pand Dorpsstraat 45, waar nu ‘Klaver Vier’ zetelt, dateert van 1968 toen Albert Spaan het liet bouwen voor de uitbreiding van zijn fotozaak. Aan deze nieuwbouw viel een iets meer naar achteren gelegen pand ten offer, dat een zeer lange geschiedenis als bakkerij heeft gekend.
Reeds de kadasterkaart uit 1822 toont op deze plaats een bouwwerk met het kadasternummer 399.
Zoals we op foto’s kunnen zien, had het pand dat Spaan liet slopen het uiterlijk van een boerderij. Van oorsprong lijkt het dat ook te zijn geweest, want de oudst bekende bewoner en eigenaar was Pieter de Graaf, een akkerbouwer. In 1833 verkocht hij huis en erf aan Willem Kieft, zoon van de Castricumse burgemeester Pieter Kieft en tot dan werkzaam als broodbakkersknecht. Met Willem Kieft nam de geschiedenis van de bakkerij een aanvang. Er zijn aanwijzingen dat Kieft het pand hiertoe drastisch liet verbouwen.
Op een hiervoor weergegeven gedeelte van een kadasterkaart uit 1874 draagt het pand kadasternummer 1392 en was er toen, zoals reeds besproken, de broodbakker Jan Adam van Soll gevestigd. Van Soll stamde uit een Amsterdamse familie en kwam met zijn vrouw Margrieta Rensenbrink omstreeks 1848, op 35-jarige leeftijd, naar Castricum. Waarschijnlijk heeft hij reeds in dat jaar de bakkerij van Willem Kieft overgenomen. Hij was vanaf 1881 tot zijn overlijden in 1892 actief als raadslid, waarbij hij onder meer nauw betrokken was bij de plannen voor de aanleg van een trambaan door de Dorpsstraat.

Kenmerkend voor de winkelbedrijven die we tot dusver hebben besproken, is de bonte afwisseling van activiteiten. Het is opvallend dat dit niet opgaat voor het pand dat we hier bespreken, want het bleef heel lang een bakkersbedrijf, wat waarschijnlijk te maken heeft met de kostbare investeringen, zoals de ingebouwde oven.
De broodbakker die Van Soll in 1871 opvolgde, was Roelof Hendrik Pen. Daarna, in 1893, vestigde zich er broodbakker Johannes Koopstra. In 1909 werd de zaak gekocht door de toen 24-jarige en pas getrouwde Dirk Hoogland, die oudere Castricummers zich wellicht nog kunnen herinneren, want zijn zaak bestond lang, tot 1945.

Hoogland ging met zijn tijd mee, want in 1916 liet hij een heteluchtoven plaatsen. Maar aan het pand liet hij in de periode dat hij er gevestigd was niet veel veranderen. Interessant is een zogenaamde arbeidskaart uit 1919, die een indruk geeft van de dagelijkse werktijden die voor het personeel van Hoogland golden. De werkdag begon om 7 uur in de ochtend en eindigde om 6 uur in de avond, wat dus neerkomt op een arbeidsduur van 11 uur. Verplichte werkpauzes: een half uur in de ochtend, anderhalf uur tussen de middag en een half uur in de namiddag.
Trijntje Kooij, de vrouw van Dirk Hoogland en ongetwijfeld het ‘gezicht van de winkel’, overleed, nog pas 56 jaar oud, in 1942. Kort na de oorlog, in 1945, kreeg Hoogland nog een klap te verwerken, doordat zijn enige zoon Cornelis en eventuele opvolger op 29-jarige leeftijd aan de gevolgen van een auto-ongeluk kwam te overlijden. Hoogland gaf het nog in hetzelfde jaar op, vertrok naar familie in Egmond aan Zee en verkocht zijn bakkersbedrijf aan Piet Kaper, de laatste van de reeks bakkers in de geschiedenis van Dorpsstraat 45. In de periode Kaper ondergaat het pand uiterlijk weinig veranderingen. Wel vraagt Kaper in 1947 vergunning voor verbouwing van een kamer in zijn huis op de begane grond voor uitbreiding van de bakkerij.

Foto die we dateren 1963, kort voordat het pand Dorpsstraat 45, waarin toen nog bakkerij Kaper was gevestigd, werd gekocht door Bertus Spaan. De foto geeft een indruk van hoe het pand er in een ver verleden heeft uitgezien; het was wellicht een boerderij. Rechts een glimp van het pand Dorpsstraat 43, toen slagerij Biskanter en links Dorpsstraat 47, waar toen Johannes Mul was gevestigd.
Foto die we dateren 1963, kort voordat het pand Dorpsstraat 45, waarin toen nog bakkerij Kaper was gevestigd, werd gekocht door Bertus Spaan. De foto geeft een indruk van hoe het pand er in een ver verleden heeft uitgezien; het was wellicht een boerderij. Rechts een glimp van het pand Dorpsstraat 43, toen slagerij Biskanter en links Dorpsstraat 47, waar toen Johannes Mul was gevestigd.

In 1963 vestigde zich in het pand van Kaper, vanuit Amsterdam, de dertigjarige Adelbertus (Albert) Spaan. Hij ontmantelde het bakkersbedrijf en begon er een zaak in fotoartikelen, die ‘Fotokino’ werd gedoopt.
In 1966 trokken zich boven het oude maar karakteristieke pand donkere wolken samen, want Spaan wilde zijn zaken uitbreiden en diende een plan in voor sloop, om er een modern winkelpand voor in de plaats te zetten. Toestemming had nogal wat voeten in de aarde, omdat het plan aanvankelijk niet aan een bestaand bestemmingsplan voor dit gedeelte van de Dorpsstraat voldeed. Een nieuw gebouw met als bestemming winkel- of bedrijfspand zou twee verdiepingen moeten omvatten. Spaan omzeilde dit door een herziend plan in te dienen met een bouwtekening die nu twee woonlagen toonde, met echter de bouwplanning in twee fasen: eerst een


Jaarboek 28, pagina 50

gebouw met één verdieping en later de opbouw van een tweede verdieping.
Het plan kwam voorlopig niet tot uitvoering, want ook omwonenden maakten bezwaar. Het bestaande pand was, zoals op foto’s goed is te zien, ten opzichte van de omringende panden naar achteren gelegen. Johannes Mul, eigenaar van het naastliggende winkelpand op nummer 47, schrijft in januari 1968 aan de gemeente: ‘De achter mijn winkelhuis gelegen woning wordt wat betreft uitzicht volledig van de straat afgesneden en komt te liggen aan een uitzichtloze en donkere smalle steeg. De woning wordt bewoond door mijn zoon met een jong gezin. Het gedoemd worden om met een jong gezin gedurende een lange reeks van jaren aan een donkere en smalle steeg te wonen, is een zaak die diep en triest ingrijpt in hun leven.’ Hoewel onderwerp van discussie, blijkt tegen het herziene plan van Spaan van de kant van de gemeente uiteindelijk geen bezwaar te bestaan en ook Rijkswaterstaat, in het plan gekend wegens het rooien van bomen die staan op rijksgrond, geeft toestemming. Sloop en bouw namen nu een aanvang. Spaan verbleef met zijn gezin en winkel tijdelijk in een garage op het achterterrein.

Het nieuwe pand van FotoKino Spaan kort na de opening in 1968.
Het nieuwe pand van FotoKino Spaan kort na de opening in 1968.

Op 26 november 1968 is het zover en kan Spaan zijn nieuwe fotozaak feestelijk openen. De zaak is gevestigd in een vrij volumineus winkelpand zonder franje, dat op geen enkele wijze meer herinnert aan het oude pand.

Jan Mul verhuisde overigens met zijn gezin in 1969 van Dorpsstraat 47 naar de overkant (Dorpsstraat 48), terwijl zich op nummer 47 een bank vestigde, zonder woonfunctie. Albert Spaan kreeg nu de gelegenheid zijn activiteiten uit te breiden met o.a. de verkoop van grammofoonplaten. In 1977 kreeg hij toestemming voor een verdere vergroting van zijn winkel door een wat naar achteren gelegen aanbouw, waaraan de nog bestaande steeg tussen Dorpsstraat 43 en 45 werd opgeofferd.

Daarmee ontstond de huidige situatie, waaruit overigens blijkt dat de bouw van een tweede verdieping, zoals oorspronkelijk in het kader van het bestemmingsplan toegezegd, nooit heeft plaatsgevonden. In 1997 kreeg het winkelgedeelte van het pand een andere bestemming en vestigde zich op Dorpsstraat 45 ‘Klaver Vier’, een idealistische organisatie van de werkvoorzieningschap ‘de Meergroep’. Er worden hier diverse producten, zoals houten speelgoed en keramiek, door lichamelijk gehandicapten verkocht.

Dorpsstraat 47 (nu – in 2005 – ‘Huis & Hypotheek’)

Het huidige pand Dorpsstraat 47 is van recente datum, namelijk gebouwd in 1979/1980. Voor de nieuwbouw werd een pand gesloopt waarvan we aannemen dat het oorspronkelijk een boerderij was en dat reeds voorkomt op de kadasterkaart uit 1822 met nummer 398. De werkelijke ouderdom van deze boerderij konden we niet achterhalen, maar wel blijkt uit een notariële akte dat het pand voor 1816 reeds bestond, met als eigenaar de landbouwer Sijmen Schouten, die het pand in genoemd jaar verkocht aan metselaar en aannemer Fulps Ranke. Fulps Ranke behoorde tot de beter gesitueerde Castricummers, hij bezat grond en verschillende huizen. Hij kocht het pand in de Dorpsstraat kennelijk als geldbelegging, want hij ging er niet zelf wonen, maar verhuurde het aan de schelpvisser Jan Hageman en zijn familie. Na Ranke bleef het pand in handen van collega’s uit de bouwwereld. In 1829 was dat timmerman Hendrik Beugeling. Na diens overlijden in 1831 bleef het pand nog geruime tijd in bezit van zijn erfgenamen, die het pas in 1850 verkochten aan metselaarsbaas Cornelis de Groot. Ook Beugeling en De Groot verhuurden het pand. Als bewoners worden genoemd Johannes Beudeker, een brievengaarder en zijn familie.
In 1890 werd Gerrit van Weenen, een landbouwer en bloemkweker, die in dat jaar getrouwd was met Maria de Groot, een dochter van genoemde Cornelis de Groot, eigenaar en bewoner.

Het huis 'Klein maar mijn', omstreeks 1920, toen het werd bewoond door de familie Rommel. Voor het huis Albert Rommel, gezagvoerder, echtgenote Anna Doeksen en zoon Jan. Rechts een glimp van bakkerij Hoogland en links van kapperszaak Boddeke.
Het huis ‘Klein maar mijn’, omstreeks 1920, toen het werd bewoond door de familie Rommel. Voor het huis Albert Rommel, gezagvoerder, echtgenote Anna Doeksen en zoon Jan. Rechts een glimp van bakkerij Hoogland en links van kapperszaak Boddeke.

Na nog enkele malen te zijn doorverkocht, onder anderen aan de huizenspeculant Johannes Koopman, werd in 1919 Albert Rommel eigenaar van het pand. Hij doopte het onderkomen, waar hij introk met zijn vrouw Anna Doeksen en zoon Jan, ‘Klein maar mijn’. Albert Rommel, die in ons dorp later grote bekendheid kreeg als ‘kapitein Rommel’ en wiens naam voortleeft in de naar hem vernoemde tuin (zie voor zijn levensgeschiedenis het 12e jaarboekje), woonde er met zijn gezin niet lang en verkocht het pandje in 1925 aan timmerman Sipke (Sip) Veenstra om zelf comfortabeler te gaan wonen aan de Stationsweg naast de burgemeesterswoning.

Sip Veenstra, geboren in 1886, stamde uit het gezin van Rein Veenstra en Njiske Hoogterp, dat zich in 1885 vanuit Drachten in Castricum had gevestigd. Rein Veenstra had de kans aangegrepen om zich van zijn niet goed renderende boerenbedrijf in Friesland te ontdoen om in dienst van Rijkswaterstaat in Castricum te gaan werken als kantonnier, een functie waarin hij verantwoordelijk was voor het onderhoud van een gedeelte (een kanton) van de Rijksweg.
Sip Veenstra was als krullenjongen begonnen bij de Castricumse aannemer Gerrit Kabel en in 1913 gehuwd met de twee jaar jongere Guurtje Hoogland, een zuster van bakker Dirk Hoogland. Toen het gezin in 1925 verhuisde naar de Dorpsstraat, trof het


Jaarboek 28, pagina 51

een verwaarloosd huis aan. In de herinnering van mevrouw Mol – Veenstra, de enige overgeblevene van 5 kinderen, was het inderdaad een heel oud huis. Kapitein Rommel had volgens haar aan het onderhoud niet veel aandacht besteed, waarschijnlijk omdat hij toch niet veel thuis was. De balken bleken rot en het dak lekte. Veenstra vernieuwde het dak en voerde ook andere herstelwerkzaamheden uit. Op diverse kaarten toont het huis een langgerekte ‘getande’ vorm. In het voorste en breedste gedeelte werd gewoond. Het achterste en op de tekeningen smalste gedeelte was de timmerwerkplaats. Men sliep op de bovenverdieping onder het vernieuwde dak.

De familie Veenstra in 1928 poserend voor het opgeknapte huis, Dorpsstraat 47.
De familie Veenstra in 1928 poserend voor het opgeknapte huis, Dorpsstraat 47. V.l.n.r.: Guurtje Veenstra-Hoogland, haar dochter Njiske, echtgenoot Sipke Veenstra en schoonvader Rein Veenstra.

Veenstra was zeer betrokken bij het Castricumse sociale leven. Zo werd hij de eerste voorzitter, toen in 1928 op initiatief van dokter Leenaers de Castricumse EHBO werd opgericht. Hij bleef 35 jaar actief in deze organisatie en zelfs toen hij zijn bedrijf aan de kant deed, was hij in het zomerseizoen nog dagelijks te vinden in de EHBO-post op het strand.

De herenmodezaak van Mul, Dorpsstraat 47, in 1957. Jan Mul voor zijn zaak te midden van de door hem gesponsorde wielergroep in de 'Tour de Flevo'.
De herenmodezaak van Mul, Dorpsstraat 47, in 1957. Jan Mul voor zijn zaak te midden van de door hem gesponsorde wielergroep in de ‘Tour de Flevo’.

In 1954 verkocht Sip Veenstra huis, werkplaats en erf aan Johannes Mul, ons reeds bekend van het adres Dorpsstraat 41, waar hij in 1939 vanuit Heiloo zijn eerste modezaak stichtte. De winkel Dorpsstraat 41 was een vrij smal pand met slechts één etalage, terwijl in 1955 in het nieuwe en bredere pand, dat bovendien meer naar achteren was gelegen, een winkel met aan de voorkant twee naar buiten uitgebouwde etalagekasten kon worden gerealiseerd. Voor een modezaak, die het in belangrijke mate moet hebben van het aantrekkelijk uitstallen van de koopwaar, geen onbelangrijke verbetering.

Omdat Johannes Mul te maken kreeg met gezondheidsklachten, liet hij zijn zaken meer en meer over aan zijn zoon Jan, die daarom in 1964, na zijn huwelijk met Ans Borst, Dorpsstraat 47 betrok, terwijl zijn vader zich terugtrok in de rust van een woning aan de Overtoom. Jan Mul, geassisteerd door zijn vrouw, zette de modezaak met succes voort, maar de vreugde werd vanaf 1966 wreed verstoord door de nieuwbouwplannen van buurman Spaan, waarvan we de gevolgen voor het gezin Mul in het voorgaande uit de doeken hebben gedaan.
Omdat de plannen van Spaan uiteindelijk niet waren tegen te houden, koos Jan Mul eieren voor zijn geld en verhuisde hij in 1969 met zijn gezin naar een vrijgekomen winkelpand aan de overkant, waar hij zijn herenmodehuis voorzette onder de bekende slagzin: “Dit weet u Mul kleedt u”, een zaak die nu door een andere eigenaar wordt geëxploiteerd onder de naam Mull.

Advertentie uit de periode, dat de ABN op het adres Dorpsstraat 47 was gevestigd. Het pand blijkt van buiten weinig veranderd.
Advertentie uit de periode, dat de ABN op het adres Dorpsstraat 47 was gevestigd. Het pand blijkt van buiten weinig veranderd.

Volgens de plaatselijke krant opende op 21 juli 1969 de Algemene Bank Nederland (ABN) een kantoor op Dorpsstraat 47, na een grondige verbouwing van de voormalige modezaak van Mul.
Het verdere lot van het pand werd bepaald door de firma J.J. Res, die in november 1976 bij de gemeente


Jaarboek 28, pagina 52

een plan indiende voor nieuwbouw. Het betrof een bouwaanvraag voor een winkel met kelderruimte en een aantal woonappartementen, verdeeld over twee bouwlagen.

De aanvraag van Res werd aanvankelijk geweigerd op grond van de massiviteit van het gebouw, waarop hij een hernieuwd plan indiende met vrijwel dezelfde vormgeving, maar met een woonlaag minder. Er volgde een vrij lange periode met geharrewar over al of niet verleende vergunningen op basis van verwisselde bouwplannen en over bezwaarschriften van omwonenden. Res maakte zich over de gang van zaken nogal kwaad op de gemeente en spreekt in correspondentie van ‘een langdurige lijdensweg van moedwillige vertraging, ambtelijke willekeur en koehandel van de zijde van de Gemeente.’ Het boterde niet tussen de gemeente en Res.
De kwestie kreeg ook politieke aandacht. De plaatselijke krant schreef op 17 oktober 1979 ‘Over de afgifte van de bouwvergunning is deining ontstaan. Onder andere PvdA-wethouder Poeze houdt zich met de zaak bezig’. Poeze maakte zich kwaad over reeds aangevangen bouwactiviteiten, waarvoor nog geen definitieve vergunning was verleend, terwijl in het doorgaan van niet goedgekeurde plannen wethouder Wokke een rol zou hebben gespeeld. Zelfs de Raad van State werd nog in de bezwaarprocedures betrokken en in 1980 was het nieuwe pand een feit, hoewel met een verdieping minder dan oorspronkelijke gepland.

Van zaken die sindsdien in het winkelgedeelte waren gevestigd, herinneren we ons de speciaalzaak van Piet Post in tapijten en gordijnen en later ‘Doe Land meubels’. In 1998 werd er de 96e vestiging geopend van ‘Huis & Hypotheek’.

Dorpsstraat 49, 51, 53, ca. 1905. Links wagenmakerij van Jan Koopman. Dan het woonhuis van Jan Koopman. Rechts de kapperszaak van Boddeke. Coiffeur Boddeke staat met lange witte jas in de deuropening.
Dorpsstraat 49, 51, 53, ca. 1905. Links wagenmakerij van Jan Koopman. Dan het woonhuis van Jan Koopman. Rechts de kapperszaak van Boddeke. Coiffeur Boddeke staat met lange witte jas in de deuropening.
Het winkelcomplex Dorpsstraat 49, 51, 53, ca. 1920. Rechts (nu 49) de kapperszaak van Boddeke. Het middengedeelte (nu 51) lijkt in gebruik als woonhuis (rechts) en winkel (links). Het linkergedeelte (nu 53) is onmiskenbaar in gebruik als pakhuis en wagenloods.
Het winkelcomplex Dorpsstraat 49, 51, 53, ca. 1920. Rechts (nu 49) de kapperszaak van Boddeke. Het middengedeelte (nu 51) lijkt in gebruik als woonhuis (rechts) en winkel (links). Het linkergedeelte (nu 53) is onmiskenbaar in gebruik als pakhuis en wagenloods.

Dorpsstraat 49 (nu ‘Harry Bergman Optiek’)

De panden Dorpsstraat 49 (Optiek Bergman), 51 (in 2005 Reisbureau Zonvaart) en 53 (‘t Eethuysje) vormen duidelijk een architectonische eenheid. Dat blijkt ook uit de deels gemeenschappelijke geschiedenis van deze panden.
Op de kadasterkaart uit 1822 komt reeds een vrij breed pand voor met kadasternummer 396, gelegen op de plaats van de drie genoemde panden en dat dus als een voorloper kan worden gezien. Uit diverse historische bronnen kan worden geconcludeerd dat dit pand er al in 1784 stond, waarvan we verder weinig meer weten dan dat het toen werd bewoond door het gezin van landbouwer Pieter de Vries, die ook eigenaar was van het bescheiden omliggende stuk land, maar die gezien belastinggegevens bepaald niet tot de vermogende Castricumse boeren kan worden gerekend. Na het overlijden van Pieter de Vries werd het pand in 1806 van de erfgenamen gekocht door zijn schoonzoon, de wagenmaker Wandert Smenk, echtgenoot van dochter Trijntje de Vries. Met Wandert Smenk nam de geschiedenis van een wagenmakerij op deze plaats een aanvang, waarbij overigens niet duidelijk is welke veranderingen het pand daartoe onderging.

In 1842 verkocht de inmiddels 72-jarige Wandert Smenk zijn bezittingen, waaronder de wagenmakerij aan zijn uit Wijk aan Zee afkomstige wagenmakersknecht, de 30-jarige Hendrik Butter. Butter verkocht zijn huis en ‘wagenmakersaffaire’, zoals het bezit in akten wordt genoemd, in 1856 aan zijn vader Jan Butter, een landbouwer. Er zal voor deze wat merkwaardige gang van zaken wel een financiële reden zijn geweest en Hendrik Butter bleef als een soort pachter van zijn vader, gewoon zijn beroep uitoefenen. In 1860 kwam het pand in het bezit van wagenmaker en koffiehuishouder Klaas Sougee uit Alkmaar, die hier in dat jaar kwam wonen. In 1864 ging Sougee weer terug naar Alkmaar en verkocht het pand aan wagenmaker Arie Dekker uit Alkmaar, die het pand direct verhuurde aan wagenmaker Nicolaas Ramakers; van 1864 tot in oktober 1877 woonde Ramakers er met zijn gezin. Arie Dekker was overigens als eigenaar maar kort in het spel, want hij verkocht zijn bezit in 1866 aan de familie Mooij.

In 1877 koopt wagenmaker Jan Koopman, afkomstig uit Alkmaar, ‘huis, werkplaats en tuin’, zoals zijn nieuw verkregen bezit wordt omschreven. Hij ging er in december 1877 wonen met zijn vrouw Helena Mak, met wie hij in dat jaar was getrouwd. In 1886 verhuisde Koopman met zijn gezin, dat inmiddels 4 kinderen telde, naar herberg ‘De Rustende Jager‘, die hij dat jaar op een openbare veiling had gekocht. Hij werd sindsdien in Castricum vooral bekend als herbergier, maar hij schijnt dit beroep nog lang te hebben gecombineerd met dat van wagenmaker aan de overkant.
Jan Koopman overleed, nog pas 45 jaar, in 1899. Zijn bezittingen kwamen nu in handen van zijn weduwe. De oudste zoon, Willem Koopman, was inmiddels in de voetsporen van zijn vader getreden en had de wagenmakerij in gebruik genomen. In 1905 kocht Willem Koopman, het jaar daarvoor getrouwd met Cornelia Tromp, huis en wagenmakerij van zijn moeder en nog hetzelfde jaar voerde hij volgens het kadaster een ‘herbouw’ door, waarbij het straatbeeld moet zijn ontstaan zoals we dat thans nog kennen, met de drie panden die architectonisch een geheel vormen. Er zijn ons geen foto’s van het oorspronkelijke pand bekend, zodat niet te zeggen valt in hoeverre nog elementen van dit pand in de herbouw zijn meegenomen. Na de herbouw verhuurde Willem Koopman het rechtergedeelte van het pand, de latere Dorpsstraat 49 aan de toen 25-jarige kapper Kos Boddeke, op wie we in het vervolg nog terugkomen.
Het ambacht van wagenmaker onderging door de opkomst van nieuwe vormen van verkeer langzamerhand een devaluatie en het is niet verwonderlijk dat Willem Koopman evenals zijn broer Johannes Koopman, die in 1901 ‘De Rustende Jager’ van zijn moeder had gekocht, de overstap maakte naar het hotel- en cafébedrijf. Hij vestigde zich als hoteleigenaar in Beverwijk. Het gerucht ging dat hij hiertoe in de gelegenheid was, omdat hij een groot geldbedrag in de loterij had gewonnen.

Aan de lange traditie van een wagenmakersbedrijf aan de Dorpsstraat kwam hiermee een einde, want in 1910 nam Petrus (Piet) Kuijs de bezittingen van Willem Koopman over, om er zijn zaadhandel te vestigen in het niet verhuurde gedeelte. De zaadhandel schijnt een lucratief bedrijf te zijn geweest, met niet alleen een afzet van zaden en tuinvruchten op de binnenlandse markt, maar er vond ook export plaats, onder meer naar Frankrijk. Piet Kuijs was niet alleen een zakenman, hij was ook actief in de Castricumse politiek als lid van de gemeenteraad, evenals overigens zijn vrouw Guurt Piepers, het eerste vrouwelijke raadslid.

Kapper Kos Boddeke zag in 1919 kans het winkel- en woonhuis, dat hij tot dan huurde, van zaadhandelaar Piet Kuijs te kopen. Boddeke, afkomstig uit Monnickendam, was een schilderachtige figuur, waaraan oudere Castricummers zeker nog herinneringen zullen hebben. Door een ongeluk, hem overkomen in zijn jeugd, had hij problemen met een van zijn voeten, waarvoor hij aan de scheerstoel een speciale voorziening, een soort plateau, had laten aanbrengen waarin hij zijn voet kon plaatsen. Hij verkocht in zijn winkel ook rookwaren en maakte zelf sigaren, waarvan volgens zeggen buurman kapitein Rommel de grootste afnemer was. Hij had veel scheerklanten en besteedde vaak hele zondagen aan het wetten van de messen. Niettemin hield hij nog tijd over voor zijn hobby’s, het duivenmelken en het kweken en verkopen van kanaries, waartoe in de kapperswinkel kooien waren opgehangen. De kapperszaak was ook een centrum voor bijeenkomsten. Zo vergaderde de Castricumse vereniging van duivenhouders ‘De Luchtpost’ er regelmatig en verzamelden er zich soms tot laat in de avond tuinders in verband met de uitbetaling van de bank aan de overkant. Kos Boddeke was kort voor zijn komst naar Castricum in 1905 in Monnickendam getrouwd met Agatha Meerman en zijn gezin telde vier kinderen, waaronder drie zoons en een dochter, die ook allen in het kappersvak terechtkwamen. Dochter Katrien Boddeke zwaaide enige tijd de scepter over een wat geïmproviseerde dameskapsalon, in een meer naar achteren gelegen gedeelte van het pand, met een zij-ingang.


Jaarboek 28, pagina 53

Foto ca. 1977 van de zaak van opticien Harry Bergman, Dorpsstraat 49. Ten opzichte van 1919, toen Kos Boddeke er zijn kapperszaak begon, is de karakteristieke gevel niet veel veranderd, alleen de etalagepartij is aangepast. Het is een vrij smal pand, maar biedt toch onverwacht veel ruimte, omdat het naar achteren ver doorloopt.
Foto ca. 1977 van de zaak van opticien Harry Bergman, Dorpsstraat 49. Ten opzichte van 1919, toen Kos Boddeke er zijn kapperszaak begon, is de karakteristieke gevel niet veel veranderd, alleen de etalagepartij is aangepast. Het is een vrij smal pand, maar biedt toch onverwacht veel ruimte, omdat het naar achteren ver doorloopt.

Later kwamen ook enkele kleinkinderen van Kos Boddeke in het kappersvak terecht, zodat we kunnen spreken van een kappersdynastie Boddeke in Castricum.
In de periode Kos Boddeke onderging het pand enkele veranderingen. In 1927 werd de woning, met toestemming van buurman Veenstra, naar achteren uitgebreid. In 1938 werd een etalageraam geplaatst in de zijgevel en vond ook een interne verbouwing plaats, waarbij het scheergedeelte werd vergroot.
Kos Boddeke overleed in 1950. Zijn weduwe Agatha Meerman werd nu eigenaresse van het pand. De kapperszaak werd voortgezet door zoon Ben, die als assistent van zijn vader al met het knippen en scheren vertrouwd was geraakt. Ben Boddeke overleed geheel onverwacht in 1960. Er was geen gegadigde om de kapperszaak voort te zetten en het winkelpand werd verkocht aan Hendrik Bergman, die werkte bij een opticien in de Torenstraat en nu zijn kans schoon zag om een eigen zaak te beginnen.
In 1986 nam zoon Harry Bergman de zaak over en hij is er nog steeds als opticien gevestigd.

De rijwielhandel van Eikel, Dorpsstraat 51, in 1967.
De rijwielhandel van Eikel, Dorpsstraat 51, in 1967.

Dorpsstraat 51 (nu – in 2005 – ‘Tourkoop Reisburo Zonvaart’)

De zaadhandel van Kuijs bleef lang aan de Dorpsstraat gevestigd. Nog in 1949 treffen we in de Castricummer advertenties aan met als tekst ‘P. Kuijs, zaadhandel, tuinmest en planten, Dorpsstraat 51-53’.
Na zijn overlijden op 71-jarige leeftijd in 1951 werden Dorpsstraat 51 en 53 verkocht aan Seger Lakeman, van huis uit een slager. Lakeman kreeg in 1953 vergunning voor het verbouwen van de percelen tot automatiek en woonhuis. Reeds in 1956 deed Lakeman afstand van het pand Dorpsstraat 51, dat werd gekocht door Lambertus (Bertus) Eikel, die zijn reeds bestaande rijwielhandel verplaatste van het naastgelegen Dorpsstraat 55 naar Dorpsstraat 51. Eikel stond in Castricum bekend als een prima fietsenmaker, met veel vaste klanten. Hij herkende feilloos hun fietsen, zoals in het geval van een lid van een wielerclub, wiens racefiets was gestolen. De dief durfde met de fiets niet voor de dag te komen en dumpte hem in een vijver. Weken later was een jongetje in de vijver aan het vissen en tot zijn verbazing kwam de racefiets boven water. Hij bracht de fiets voor herstel naar Eikel, die de fiets herkende en onmiddellijk de eigenaar belde.

In 1977 verkocht Eikel zijn rijwielhandel aan Wilhelmus (Wim) van Vliet, die er niet minder dan 20 jaar gevestigd bleef, om in 1997 zijn vleugels uit te slaan door te verhuizen naar een ruimere behuizing


Jaarboek 28, pagina 54

aan het Raadhuisplein. Op Dorpsstraat 51 vestigde zich in 1997 de firma ‘Automat’, die handelde in auto-onderdelen, opgevolgd in 2001 door de reisorganisatie ‘GoodBookers’. In 2004 nam Tourkoop reisbureau ‘Zonvaart’ er zijn intrek.

Foto uit 1979, waaruit blijkt dat de voorgevel van "t Eethuysje' in slechte conditie verkeerde en werd gestut. Naar rechts verder: rijwielhandel Wim van Vliet (Dorpsstraat 51), optiek Hendrik Bergman (49).
Foto uit 1979, waaruit blijkt dat de voorgevel van “t Eethuysje’ in slechte conditie verkeerde en werd gestut. Naar rechts verder: rijwielhandel Wim van Vliet (Dorpsstraat 51), optiek Hendrik Bergman (49).

Dorpsstraat 53 (nu ‘t Eethuysje’)

In 1951 kwamen de panden Dorpsstraat 51 en 53 in het bezit van Seger Lakeman. Hiervoor hebben we vermeld dat hij nummer 51 alweer in 1955 verkocht aan rijwielhandelaar Bertus Eikel. Wat betreft zijn andere pand, Dorpsstraat 53, kwam pas in 1963 een einde aan de ‘automatiek’. Na een pauze van enkele jaren, waarin verbouwingen plaatsvonden, opende Henricus (Henk) Michels, afkomstig uit Egmond, er in 1966 restaurant “t Eethuysje’. Het karakteristieke pand werd echter in toenemende mate bouwvallig en de voorgevel moest zelfs worden gestut.

Foto uit ca. 1977 van het nieuw gebouwde Eethuysje aan de Dorpsstraat 53.
Foto uit ca. 1977 van het nieuw gebouwde Eethuysje aan de Dorpsstraat 53.

Henk Michels kwam voor een belangrijke beslissing te staan: sloop of nieuwbouw. Over hoe de beslissing uitpakte, berichtte het Nieuwblad voor Castricum in 1980 onder de kop “t Eethuysje heropend’: “Onder grote belangstelling hebben Henk en Corry Michels vorige week vrijdag 4 juni hun bekende Eethuysje aan de Dorpsstraat heropend. Op de plaats van het voormalige Eethuysje, dat sinds 1966 aan de Dorpsstraat was gevestigd, is een geheel nieuw pand opgetrokken. Hoewel het jammer is dat het oude, overigens bouwvallige pandje moest verdwijnen, is men er in geslaagd een aantrekkelijk geheel te creëren, omdat schaal en karakter van de Dorpsstraat niet mochten worden aangetast.”
Het laatste wordt inderdaad bevestigd door foto’s.

In 1989 werd het restaurant overgenomen door Cor en Wil den Engelsen, die er in 1995 hun 5-jarig bestaan vierden met een speciaal menu. Later werd eigenaar Johannes (Jan) Beentjes, bekend van hotel Funadama, dat later een Chinees Restaurant is geworden. Jan Beentjes overleed in 2003, waarna zijn zoon, eigenaar van de brasserie ‘bij Beentjes’, hoek Dorpsstraat-Burg. Mooijstraat, ‘t Eethuysje voortzette, tot vandaag de dag.

Het pakhuis van De Haas ca. 1915. Het lijken twee panden, maar het moet beschouwd worden als één pand met twee puntdaken en dat later dan ook één nummer, Dorpsstraat 57, kreeg toegewezen.
Het pakhuis van De Haas ca. 1915. Het lijken twee panden, maar het moet beschouwd worden als één pand met twee puntdaken en dat later dan ook één nummer, Dorpsstraat 57, kreeg toegewezen.

Dorpsstraat 55 en 57 ( afgebroken)

Zouden we onze beschouwingen beperken tot nog bestaande gebouwen, dan was nu het pand aan de beurt waarin woninginrichting Piet Post is gevestigd, Dorpsstraat 61. Het hiervoor besproken Eethuysje draagt echter nummer 53. Er ontbreken dus drie nummers. Tussen het Eethuysje en het winkelpand van Piet Post hebben inderdaad nog huizen gestaan, die jongere Castricummers zich niet meer zullen herinneren omdat ze rond 1964 werden afgebroken.

Gaan we terug in de tijd, dan toont de kadasterkaart uit 1822 op deze plek slechts één klein pand met kadasternummer 395. Dit huis was toen eigendom van Joachim Nuhout van der Veen, voormalig schout van Castricum, die zich inmiddels in Alkmaar had gevestigd. Volgens het bevolkingsregister uit 1830 waren in dat jaar de bewoners de 51-jarige weduwe Antje Zonneveld en haar dochter, waarbij we mogen aannemen dat ze woning en de omliggende grond hadden gepacht. Het huis moet reeds voor 1799 zijn gebouwd, want in dat jaar had Nuhout van der Veen het gekocht van Cornelis Haarlem. Het spoor gaat nog verder terug, want volgens het Oud Rechterlijk Archief werd het pand door Cornelis Haarlem in 1784 gekocht van Willem Rosenberg, een inwoner van Heemskerk. We kunnen dus concluderen dat de ouderdom van het pand teruggaat tot voor 1784, maar over de personen van zowel Cornelis Haarlem als Willem Rosenberg en hun eventuele gebruik van het pand beschikken we verder niet over gegevens.

In 1833 kwam het pand bij de openbare verkoop van de onroerende goederen van Nuhout van der Veen, in dat jaar in Alkmaar overleden, in handen van de ons reeds bekende Hendrik Butter, die toen 21 jaar was en zich waarschijnlijk in dat jaar in Castricum vestigde om als wagenmakersknecht te gaan werken in het naastgelegen bedrijf van Wandert Smenk. Zoals reeds besproken nam Hendrik Butter in 1842 het wagenmakersbedrijf van de inmiddels bejaarde Wandert Smenk over. Het jaar 1856 was mogelijk financieel een kritisch jaar voor Hendrik Butter, want hij verkocht het pand waarin zijn wagenmakersbedrijf was gevestigd aan zijn vader en het pand dat onderwerp is van deze bespreking met de bijbehorende grond aan de 32-jarige Pieter Lot, een boerenknecht en dagloner. Pieter Lot was kort voor zijn aankoop in 1854 getrouwd met Grietje Admiraal en het ligt voor de hand te veronderstellen dat hij het pand als woning in gebruik nam om er een bestaan op te bouwen. Kadastergegevens, hoewel in dit geval wat moeilijk te interpreteren, maken aannemelijk, dat in 1896 het huis en het bijbehorende perceel grond door Pieter Lot, of inmiddels door zijn in 1864 geboren zoon Pieter Lot jr., werden verkocht aan kruidenier Martinus de Haas.


Jaarboek 28, pagina 55

Deze liet er geen gras over groeien en stichtte op het aangekochte perceel de latere panden Dorpsstraat 55 en 57, resp. een woonhuis en een pakhuis. In hoeverre het oorspronkelijk woonhuis van de familie Lot daarbij werd gespaard is niet duidelijk. Het pakhuis was uiteraard bedoeld voor de uitbreiding van de zakelijke activiteiten van Martinus de Haas, die zich in 1884 in Castricum had gevestigd als handelaar in kruidenierswaren, met een winkel in het pand Dorpsstraat 63 (nu – in 2005 – Schotten), waarop we nog zullen terugkomen.

Het woonhuis werd in 1907 door De Haas verkocht aan Cornelis Koopman, een zoon van Jan Koopman, de wagenmaker en eigenaar van ‘De Rustende Jager’. Het pakhuis hield hij nog lang in gebruik. In september 1907 liet Cornelis Koopman het woonhuis verbouwen tot winkelhuis, waar hij een motor- en rijwielhandel vestigde, die overigens niet lang bestond, want een jaar later verkocht Koopman het winkelpand aan de firma Verkade te Zaandam. Koopman verhuisde kort daarna naar Alkmaar.

Jan Groen, ca. 1918, met paard en wagen, als filiaalhouder voor zijn Verkade-winkel. Op het paard zijn dochter Nel.
Jan Groen, ca. 1918, met paard en wagen, als filiaalhouder voor zijn Verkade-winkel. Op het paard zijn dochter Nel.

Het was de uit Heerhugowaard afkomstige Johannes (Jan) Groen, die er in 1909 als filiaalhouder, na een verbouwing door de firma Verkade, een kruidenierszaak begon, met uiteraard het accent op toenmalige Verkade-producten zoals beschuit en koekjes. Jan Groen was toen 24 jaar en vrijgezel, maar hij zal ongetwijfeld al spoedig assistentie in zijn winkel hebben gekregen van Maria Castricum, met wie hij in 1912 in het huwelijksbootje stapte.

In 1916 wist hij zich los te maken van de firma Verkade. Hij kocht de winkel en zette die vervolgens zelfstandig voort, tot 1919, toen hij besloot met zijn kruidenierszaak te verhuizen naar de toenmalige ‘De Gouden Stulp’ aan de Kramersweg (later Burgemeester Mooijstraat), waarover een en ander is opgetekend in het 24e jaarboekje.

Het bedrijf van Bernard Roemer bij de opening in 1920. Links (met de beide puntdaken) de garage. Rechts de rijwielhandel in het voormalige pand van Jan Groen, wiens naam nog niet van de etalageruit is verwijderd.
Het bedrijf van Bernard Roemer bij de opening in 1920. Links (met de beide puntdaken) de garage. Rechts de rijwielhandel in het voormalige pand van Jan Groen, wiens naam nog niet van de etalageruit is verwijderd.

In 1920 kocht Bernard Roemer, na kort met een rijwielhandel gevestigd te zijn geweest op Dorpsstraat 41, de panden Dorpsstraat 55 en 57, kennelijk om naast zijn rijwielhandel ook een garagebedrijf te kunnen beginnen.
Na het overlijden van Bernard Roemer in december 1925 verkocht zijn weduwe, Maartje ter Hofstede, in 1926 de beide panden aan Dirk Spoor, een mecanicien, die woonde in Ouderkerk aan de Amstel en volgens het kadaster ook nog geruime tijd in Belgisch Congo zou hebben gewoond.
De akte van verkoop bevatte de opvallende bepaling, dat Maartje op straffe van een boete voor een periode van 10 jaar na de contractdatum in Castricum geen activiteiten in de autobranche en rijwielhandel zou mogen ontplooien. Dit verbod gold ook voor personen die namens haar zouden optreden. Dit wijst er op dat Dirk Spoor serieuze plannen had het voormalige bedrijf van Bernard Roemer in een of andere vorm voort te zetten. Hij heeft zich overigens niet in Castricum gevestigd, maar beide panden in 1927 verhuurd aan de van Wervershoof afkomstige 24-jarige rijwielhersteller Jan Nipshagen. Nadat hier twee kinderen van hem zijn geboren, vertrekt Nipshagen in 1930 al weer; naar verluidt vanwege financiële problemen. Piet Eikel wordt de volgende bewoner. Eikel had zich reeds in 1926 vanuit Voorschoten als melkrijder in Castricum gevestigd en woonde hier op verschillende adressen. Na het vertrek van Nipshagen gaat hij als rijwielhersteller wonen op Dorpsstraat 55 en zal het pand van Spoor hebben gehuurd, want hij wordt in het kadaster nergens als eigenaar genoemd. Dirk Spoor verkoopt het pand in 1935 aan de gemeente. Dat lijkt geen gevolgen te hebben gehad voor Piet Eikel die er met zijn rijwielhandel nog tot 1939 blijft gevestigd, in welk jaar hij zijn bedrijf, waarschijnlijk wegens oorlogsomstandigheden, heeft opgegeven. Na de oorlog, in 1946, zette zoon Bertus Eikel de rijwielhandel op hetzelfde adres voort tot 1956, waarna hij zijn zaak, zoals reeds beschreven, verplaatste naar Dorpsstraat 51.
Dirk Spoor verkocht behalve Dorpsstraat nr 55 ook nr 57 in 1935 aan de gemeente. Beide panden hebben nog geruime tijd dienst gedaan; nummer 55 als rijwielhandel en nummer 57 als gemeentelijk garagebedrijf. Beide panden zijn omstreeks 1964 gesloopt, niet zozeer vanwege bouwvalligheid, maar om in het straatbeeld de Hervormde kerk beter te laten uitkomen en ook om de toegankelijkheid te verbeteren.

Situatie rond de Hervormde kerk in 1740, gravure van Hendrik Spilman.
Situatie rond de Hervormde kerk in 1740, gravure van Hendrik Spilman.

Dorpsstraat 59 (afgebroken)

De kadasterkaart uit 1935 toont op het terrein van de Hervormde kerk een kleine woning met kadasternummer 2102, het zogenaamde kostershuisje. Een voorganger van dit pandje bestond al in 1856, in welk jaar een kadasterkaart op dezelfde plaats een gebouwtje toont van nog kleinere afmetingen. Het werd in 1892 gesloopt, waarna direct werd aangevangen met de bouw van een nieuwe kosterswoning.

Foto uit 1928, waarop een deel van de kosterswoning zichtbaar is, naar achteren gelegen, ingeklemd tussen de panden Dorpsstraat 57 en 61.
Foto uit 1928, waarop een deel van de kosterswoning zichtbaar is, naar achteren gelegen, ingeklemd tussen de panden Dorpsstraat 57 en 61.

De bewoningsgeschiedenis hebben we vanaf 1932 kunnen reconstrueren, in welk jaar zich Willem Ineke als koster in de woning vestigde. Hij verhuisde in 1942 naar het Schoutenbosch en werd


Jaarboek 28, pagina 56

opgevolgd door Andries Klomp. In 1947 vestigde zich Helena Kruijver als kosteres in de woning. Volgens advertenties in de plaatselijke krant verkocht zij ook grafstenen, als vertegenwoordigster van een firma in Alkmaar. De volgende koster die in de woning zijn intrek nam, was in 1952 Jan Hogenstijn. De laatste bewoonster was sinds 1958 de kosteres Maria Beijer – Jongejans. Het pandje is omstreeks 1964 gesloopt.

'Het Huis met de Kogel' in 1901, toen nog in bezit van Helena Mak. Op de voorgrond de 'bazar' van de weduwe De Graaf - Louter en ernaast twee woninkjes. Hier sluit het pand Dorpsstraat 63 op aan, waarin toen was gevestigd het kruideniersbedrijf van De Haas.
‘Het Huis met de Kogel’ in 1901, toen nog in bezit van Helena Mak. Op de voorgrond de ‘bazar’ van de weduwe De Graaf – Louter en ernaast twee woninkjes. Hier sluit het pand Dorpsstraat 63 op aan, waarin toen was gevestigd het kruideniersbedrijf van De Haas.

Dorpsstraat 61 ( nu woninginrichting ‘Piet Post’)

Het pand Dorpsstraat 61 kwam in ongeveer zijn huidige vorm tot stand in 1930, toen Cornelis Brandjes een reeds op deze plek aanwezig pand liet verbouwen. Een gebouw op deze plaats komt reeds voor op de kadasterkaart uit 1822 met nummer 394. Volgens de overlevering stond het er zelfs al in 1799 en werd het in dat jaar tijdens de slag bij Castricum beschadigd. Bij het herstel werd een nabij gevonden kanonskogel ingemetseld en sindsdien spreekt men van ‘Het Huis met de Kogel’.
Naar de oorspronkelijke bestemming van het pand kunnen we slechts gissen. Volgens documenten behoorde het in 1833 bij de tegenovergelegen herberg De Rustende Jager en was het een stal, waarschijnlijk voor paarden van passanten.
Jan Koopman, die in 1886 eigenaar werd van ‘De Rustende Jager’, liet nog in dat jaar de stal tot een viertal woninkjes verbouwen, die hij ging verhuren. Als een der eerste bewoners wordt genoemd Jacob de Graaf, geboren in 1856 in Castricum, die twee van de huisjes in gebruik had genomen en daar met zijn vrouw Maartje Louter een winkel in galanterieën was begonnen. Hij heeft niet lang van zijn bedrijf kunnen genieten, want hij overleed op nog jonge leeftijd in 1900. Maartje ging niet bij de pakken neerzitten en zette het bedrijf, nu ‘bazar’ genoemd, voort.

In 1902 kocht Maartje Louter de vier woningen van Helena Mak, weduwe van de in 1899 overleden Jan Koopman, en voegde ze nog in hetzelfde jaar samen tot één winkel. Bij de koop was ook betrokken haar nieuwe partner, de winkelier Pancras Kazenbrood, afkomstig uit Schoorl. De bazar in deze vorm heeft vrij lang bestaan, tot na het overlijden van Maartje; zij overleed op 59-jarige leeftijd in 1919. Pancras Kazenbrood wist het nog tot 1922 vol te houden, in welk jaar hij zijn zaak verkocht aan de 38-jarige Cornelis (Cor) Brandjes.

Het pand van de fa. Brandjes omstreeks 1950, op de achtergrond voor het raadhuis.
Het pand van de fa. Brandjes omstreeks 1950, op de achtergrond voor het raadhuis.

Deze ontwikkelde met zijn vrouw Maria Res al snel plannen voor het wat moderner en groter warenhuis, waarvoor hij in 1929 vergunning kreeg en dat in 1930 werd gerealiseerd. In de vergunning is sprake van verbouw, maar het resultaat, dat we vandaag de dag nog kunnen aanschouwen, doet denken aan herbouw. Er ontstond een robuuster pand met twee verdiepingen en een zolder. De kogel werd opnieuw ingemetseld en het pand bleef bekend als ‘Het Huis met de Kogel’. Men ging zich specialiseren in de verkoop van huishoudelijke artikelen en speelgoed. Cor Brandjes bleef zijn warenhuis nog lange tijd trouw, maar met het klimmen der jaren betrok hij zijn zoon Nicolaas (Nico) in toenemende mate bij zijn bedrijf, wat leidde tot de oprichting van de vennootschap de ‘Firma Brandjes en Zoon’. Nico Brandjes genoot, nog voor hij zich in de zaken van zijn vader begaf, in Castricum een grote bekendheid als musicus. Hij was een verdienstelijk bespeler van accordeon en piano en richtte kort na de oorlog, hij was toen 20 jaar, de band ‘The Melodits’ op, die vele feestelijkheden opluisterde. Hij trad ook op als pianist in de pauzes van bijeenkomsten en de plaatselijke krant noemde hem in 1947 een pianovirtuoos. Nico gaf volgens advertenties ook piano- en accordeonlessen op het adres Dorpsstraat 61. Hij stierf jong. Zijn vrouw, Anna Pepping, hertrouwde in 1967 met Albertus (Ber) Zonneveld, aanvankelijk een tuinder, maar die nu deel ging uitmaken van de Vennootschap Brandjes, die het warenhuis beheerde.

In 1968 was hij de opdrachtgever van een verbouwing van het pand: een wijziging van de voorgevel, onder andere door het plaatsen van grotere etalageramen en het inrichten op een gedeelte van de eerste verdieping van wat een ‘showroom’ werd genoemd, die via een trap uit de winkel bereikbaar was.
Niet lang daarna deed Cornelis (Kees) Brandjes, de in 1949 geboren zoon van Nico Brandjes en Anna Pepping, zijn intrede in de zaak. In


Jaarboek 28, pagina 57

1982 blijkt dat de firma Brandjes, Dorpsstraat 61, is opgegaan in de keten van Blokker BV en verder als een filiaal van deze keten door het leven zal gaan, met echter als bedrijfsleider nog wel Kees Brandjes.

Sinds 1988 het winkelpand van woning inrichting Piet Post, Dorpsstraat 61.
Sinds 1988 het winkelpand van woning inrichting Piet Post, Dorpsstraat 61.

In 1988 verhuisde Blokker naar het winkelcentrum Geesterduin en vestigde zich op Dorpsstraat 61 woninginrichting Piet Post, een situatie die thans nog bestaat.

De winkel van Martinus de Haas, omstreeks 1900 aan de Rijksstraatweg, later Dorpsstraat 63.
De winkel van Martinus de Haas, omstreeks 1900 aan de Rijksstraatweg, later Dorpsstraat 63.

Dorpsstraat 63

(nu – in 2005 – ‘kleinmeubelen Schotten’s seniormeubelen’)
Het nu beschreven gedeelte van de Dorpsstraat is vooral om zijn historie interessant, niet om een bijzondere architectuur. Een monumentenlijst van enige tijd geleden maakt wat dit laatste betreft een opvallende uitzondering voor Dorpsstraat 63, waar thans de firma Schotten is gevestigd. Gesproken wordt van “een winkel- en woonhuis met een gevelindeling nog grotendeels in de oorspronkelijke vorm, met getoogde vensters, 3 haaks op de straat staande zadeldaken met rode Hollandse pan, verborgen achter een schijngevel”. Het waren drie aaneengelegen pandjes van omstreeks 1875, die onafhankelijk van elkaar waren gebouwd, wat nog merkbaar is door verschillende verdiepingshoogten. Zij waren in gebruik als woonhuis, met op het erf erachter een bijbehorende paardenstal, die ook de tijd heeft doorstaan. Eigenaar was toen Johannes Frederik Rommel, uitbater van ‘De Rustende Jager’, grootgrondbezitter en lid van de gemeenteraad. Hij overleed in 1879, waarna zijn zoon Jan Willem Rommel, een bloemkweker, uit de erfenis onder meer de drie huisjes en de paardenstal kreeg toebedeeld. Hij verkocht ze in 1883 aan Cornelis Mooij, een landbouwer en ook een grootgrondbezitter, die optrad namens een soort consortium van belanghebbenden. De panden werden nog in 1884 doorverkocht aan Martinus de Haas, in dat jaar getrouwd in Alkmaar met Catharina van der Meulen. De Haas stortte zich in verschillende soorten handel.

Foto uit ca. 1916, op de winkelgevel borden met diverse opschriften, o.a. Wijndepot van Andrau & Co, Zebra Kachelglans, Maggi en Brasso. Aan zijkant groot bord met opschrift Solo en pionier.
Foto uit ca. 1916, op de winkelgevel borden met diverse opschriften, o.a. Wijndepot van Andrau & Co, Zebra Kachelglans, Maggi en Brasso. Aan zijkant groot bord met opschrift Solo en pionier.

Zoals oude foto’s tonen, vestigde hij in zijn nieuw aangekochte pand een winkel, waar hij kruidenierswaren en huishoudelijke artikelen ging verkopen.

Hij was ook grossier, voor welke handel hij in 1906 het pand Dorpsstraat 57 kocht, dat als pakhuis in gebruik werd genomen. Het bedrijf van Martinus de Haas was ruim 30 jaar in Castricum gevestigd. Zijn echtgenote bracht acht kinderen ter wereld. Twee zoons, Martinus en Cornelis, gingen op den duur meehelpen als bedienden in de winkel en zoon Jan de Haas, die in archiefstukken een koopman in granen wordt genoemd, werd bij de grossierderij betrokken. Wat het winkelpand betreft voerde De Haas sinds zijn vestiging een aantal veranderingen door, waarvan als meest spectaculaire het plaatsen van de schijngevel, waarschijnlijk in 1895. Martinus de Haas overleed in 1916 op 58-jarige leeftijd. Mogelijk hebben zijn zoons de zaken nog enige tijd voortgezet, want pas in 1919 werd het winkelpand verkocht en in 1920 het pakhuis.

Het pand werd daarna een aantal malen doorverkocht. De eerste koper, die het na de periode De Haas geruime tijd in bezit had, was een zekere Carel Willem Hendrik Pieper. Uit de koopakte van 1927 blijkt hij 50 jaar oud te zijn en in Amsterdam gevestigd als winkelier. Volgens de overlevering zou Pieper in zijn pand in Castricum een slijterij zijn begonnen, maar daarover zijn geen gegevens aangetroffen. Wel duidelijk is dat Pieper het pand ging verhuren. Een van de eerste huurders, omstreeks 1935, was Bartholomeus Buxtorff, timmerman en meubelmaker, zoon van Johannes Buxtorff, die in Castricum onder andere bekendheid kreeg als beheerder van de stationskiosk. Het zat Buxtorff niet mee, het was crisistijd met veel werkloosheid en weinig verkoop en hij hield het dan ook al snel voor gezien.
In 1937 beproefde de 30-jarige meubelmaker Simon Schotten, tot dan in loondienst bij een stoffeerderij in Heiloo, zijn geluk als zelfstandig ondernemer op Dorpsstraat 63, met een zaak gespecialiseerd in woninginrichting. Ook zijn bedrijf was aanvankelijk geen vetpot. Maar hij hield het hoofd boven water, ook in de oorlogsperiode, toen hij weliswaar kans zag in het pand te blijven wonen, maar zijn winkel tijdelijk werd toegewezen aan het kruideniersbedrijf van de gebroeders Stolk, die hun behuizing in Bakkum op last van de bezetter hadden moeten ontruimen.

Na de oorlog wist Schotten zijn bedrijf tot bloei te brengen en in 1955 was hij zelfs in staat het pand van genoemde Carel Pieper te kopen.
Het karakteristieke pand belandde op een gemeentelijke monumentenlijst, wat betekende dat nu eisen konden worden gesteld aan het onderhoud. Dat viel niet altijd goed en Simon Schotten zou, toen hij geen glas-in-lood ramen mocht aanbrengen, hebben opgemerkt dat hij dan een piespot voor de ramen zou hangen.

Foto uit ca. 1995: in de kleinmeubelen winkel van Schotten herkennen we duidelijk het karakteristieke pand van vroeger.
Foto uit ca. 1995: in de kleinmeubelen winkel van Schotten herkennen we duidelijk het karakteristieke pand van vroeger.

Toen bij het zandstralen van de gevel mankementen aan het licht kwamen, adviseerde de gemeente om de gevel wit te pleisteren, wat werd gedaan en het pand zijn huidige, opvallende uiterlijk opleverde. In 1969 werd de winkel overgenomen door Cornelis Schotten, zoon van Simon Schotten, die zijn vader al enige tijd in de zaak assisteerde.

Cornelis Schotten is nog steeds – in 2005 – eigenaar van het oude pand en de achtergelegen voormalige paardenstal. Hij en zijn vrouw Johanna Limmen zijn de Castricummers nog steeds van dienst in hun winkel, waarvan het assortiment in de loop der tijd wel is aangepast en nu is beperkt tot klassieke meubelen.

Achtereenvolgens omstreeks 1919 v.r.n.l. de winkel van Martinus de Haas, het raadhuis, gebouwd in 1911 (nog met de oude trap) en de Openbare Lagere School.
Achtereenvolgens omstreeks 1919 v.r.n.l. de winkel van Martinus de Haas, het raadhuis, gebouwd in 1911 (nog met de oude trap) en de Openbare Lagere School.

Dorpsstraat 65 (nu – in 2005 – ‘Landschap Noord-Holland’)

Het pand Dorpsstraat 65, waar vanaf 2001 de stichting ‘Landschap Noord- Holland’ was gevestigd en vanaf 2010 hotel Het Oude Raadhuis, werd in 1980 in een bestemmingsplan tot een ‘beeldbepalend’ pand in de Dorpsstraat gerekend en dat is ook wel te begrijpen, want het werd oorspronkelijk gebouwd als raadhuis en dat verplicht uiteraard tot een zekere monumentaliteit. Het is een pand met een vrij voorname gevel, bekroond met een karakteristiek torentje en een ingang via een bordes dat in de loop der tijd vele feestelijk gebeurtenissen aan zich voorbij heeft zien gaan en ook veelvuldig als podium heeft gediend voor defilés en toespraken tot de verzamelde menigte. Wat dit betreft is door de nieuwe bestemming van het gebouw in 1990 een stuk levendigheid in de Dorpsstraat verloren gegaan.
Het pand dateert van 1911, welke datum in een gevelsteen werd vastgelegd. Architect was Jan Stuyt (1868-1934), die in 1910 ook de nieuwe Pancratiuskerk in de Dorpsstraat had ontworpen.

Foto van ca. 1909: Dit is het voormalige raadhuis, waarvoor de eerste steen in 1869 door burgemeester Zaalberg werd gelegd. Ernaast, aan de Schoolstraat, stond de in 1854 gebouwde eerste Openbare Lagere School van Castricum. Dit gebouw werd in 1934 gesloopt.
Foto van ca. 1909: Dit is het voormalige raadhuis, waarvoor de eerste steen in 1869 door burgemeester Zaalberg werd gelegd. Ernaast, aan de Schoolstraat, stond de in 1854 gebouwde eerste Openbare Lagere School van Castricum. Dit gebouw werd in 1934 gesloopt.

Dit voormalige raadhuis kende als voorloper een raadhuis, waarvoor de eerste steen in 1869 door burgemeester Zaalberg werd gelegd. Ernaast, aan de Schoolstraat, stond de in 1854 gebouwde eerste Openbare Lagere School van Castricum. Dit gebouw werd in 1934 gesloopt.


Jaarboek 28, pagina 58

Ver terug in de tijd was op de plek van het eerste raadhuis reeds bebouwing aanwezig. De kadasterkaart van 1822 toont met nummer 392 een gebouw dat onder andere in gebruik was voor de rechtspraak. De geschiedenis van een ‘regthuys’ op deze plaats gaat volgens een akte, aanwezig in de leenregisters van het graafschap Egmond, terug tot 1491.
Voor een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis van de raadhuizen van de gemeente Castricum, waarbij ook wordt ingegaan op het ‘regthuys’, verwijzen we naar het 5e Jaarboekje (1982).
De geschiedenis van het onderwijs in Castricum kwam aan de orde in het 11e Jaarboekje (1988).


Jaarboek 28, pagina 59

De oude dorpskern

De bebouwing van het in voorgaande artikelen besproken gedeelte van de Dorpsstraat tussen de spoorovergang en het kruispunt met de Overtoom en Burgemeester Mooijstraat kan men, in het licht van de geschiedenis van Castricum, beschouwen als relatief jong. Het merendeel der huizen werd gebouwd na 1900.
Anders is het gesteld met het gedeelte van de Dorpsstraat nabij de Oude Pancratiuskerk (nu Hervormde kerk), waarmee we ons in dit artikel bezighouden.

Dorpsgezicht in 1622. Een gravure van de hand van A. Rademaker.
Dorpsgezicht in 1622. Een gravure van de hand van A. Rademaker.

Hier was, zoals oude prenten en kaarten tonen, reeds vele eeuwen geleden sprake van een vrij intensieve bewoning. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een intrigerende prent van de hand van A. Rademaker, ‘Dorpsgezicht’ met een zicht op Castricum, gemaakt in 1622 vanuit een standpunt dat we situeren ter hoogte van het huidige pand Dorpsstraat 45. Het is bekend dat er in die tijd al een herberg (bierstal) bestond, waarvan een gedeelte links op de prent is afgebeeld. Deze lag ongeveer op de plaats van de latere ‘De Rustende Jager’. Rechts, schuin voor de toren van de kerk, zien we een voor die tijd vrij robuust ‘dubbelpand’ op ongeveer de plaats van “t Eethuysje’. Naar de functie van dit gebouw kunnen we slechts gissen. Meer naar achteren aan de rechterkant van de weg zien we enkele bescheiden huisjes, in de schaduw van de kerk, die de tand des tijds ongetwijfeld niet hebben doorstaan, hoewel er op ongeveer deze plaatsen later andere huizen zijn gebouwd en er nog weer later de intensieve bebouwing van nu tot stand kwam. De toenmalige doorgaande weg, de latere Dorpsstraat, was volgens de prent een onverharde weg met karrensporen.

Fragment van de kaart 'De Heerlykheid van Castricum' uit 1737.
Fragment van de kaart ‘De Heerlykheid van Castricum’ uit 1737.

Meer dan 100 jaar later, in 1737, krijgen we een vrij gedetailleerde indruk van de bebouwing nabij de kerk uit de bekende kaart ‘De Heerlykheid van Castricum’, die was opgedragen aan de toenmalige ambachtsheer van Castricum, mr. Lieve Geelvinck.

Gravure van A. Zeeman, gedateerd 1730, die een doorkijk uit 1622 geeft van de toenmalige Dorpsstraat, met de bebouwing nabij de kerk. Links de herberg met doorrijstal.
Gravure van A. Zeeman, gedateerd 1730, die een doorkijk uit 1622 geeft van de toenmalige Dorpsstraat, met de bebouwing nabij de kerk. Links de herberg met doorrijstal.

In vrijwel dezelfde periode, in 1730, maakte A. Zeeman een gravure die een welhaast fotografisch beeld geeft van het toenmalige dorpscentrum van Castricum. De graficus Zeeman, die in onze provincie vele dorpsgezichten heeft vastgelegd, koos voor het maken van deze afbeelding vrijwel dezelfde plaats als eerder Rademaker: bewesten de kerk, nabij de herberg, waar hij waarschijnlijk verbleef.

Een vergelijking van kaart en prent toont frappante overeenkomsten. De op de kaart schetsmatig ingetekende panden komen in de prent tot leven. Opvallend is het lage, langgerekte pand rechts van de weg, tegenover de kerktoren. Het lijkt een loods of opslagplaats, met daarvoor nog een glimp van een voornamer en hoger pand, mogelijk het pand dat eerder op die plek door Rademaker werd afgebeeld. Links van de weg is er nog steeds de herberg, nu duidelijk met de schuin daarnaast gelegen doorrijstal.
Van de bewoningssituatie nabij de kerk, nog weer honderd jaar later, geeft de kadasterkaart uit 1822 een beeld. Langs de doorgaande weg, de latere Dorpsstraat, bewesten de kerk, bestaat nog steeds een vrij intensieve bebouwing, We kunnen ons afvragen of er nog panden bij zijn die we ook op kaarten en prenten uit de voorgaande periode tegenkwamen.

Dat is niet waarschijnlijk. Afgezien van de veroudering die over een dergelijk lange periode plaatsvindt en tot vernieuwing noopt, werd juist dit gedeelte van Castricum getroffen door verschillende rampen, waarbij huizen verloren zijn gegaan. Een grote brand in 1795 legde 5 woonhuizen nabij de kerk in de as, terwijl meerdere huizen schade opliepen. De slag bij Castricum op 6 oktober 1799 en de daarop volgende plunderingen door de soldaten, brachten eveneens veel schade toe aan vooral de huizen langs de doorgaande weg waarlangs de militairen trokken. Zelfs de muurankers van de huizen werden gestolen. Het enige pand dat wellicht, hoewel met de nodige verbouwingen, tot in onze tijd is blijven bestaan, is de herberg, die rond 1813 ‘De Rustende Jager’ is gaan heten (in 1976 gesloopt).

In nog te verschijnen jaarboekjes zal het resterende gedeelte van de Dorpsstraat worden behandeld.

Wim Hespe
Lien Steeman

Bronnen:

    • Archieven:
      – Gemeente in Castricum.
      – Kadaster te Alkmaar, kadastrale gegevens betreffende Castricum.
      – Regionaal Archief Alkmaar: archief van het Gemeentebestuur Castricum, 1812-1936, bevolkingsregister van Castricum.
      – Werkgroep Oud-Castricum: fotoarchief, Nieuwsblad voor Castricum, beschikbare nummers uit de periode 1925 – heden.

 

  • Baars, E, Het onderwijs in Castricum van 1850 tot 1940, 11e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1988.
  • Castricum – Bakkum in vervlogen jaren, Stichting Werkgroep Oud-Castricum, Amsterdam, 1996.
  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  • Heideman, H., De oude generatie van Bakkum en Castricum (1900-1940).
  • Heideman, H., De oude generatie van Bakkum en Castricum, deel 2(1900-1950).
  • Kaan, N.A., De gemeente Castricum en haar raadhuizen, 5e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1982.
  • Oude Ansichten van Castricum, Schoorl, 1971.
  • Ruijter W. Jzn., Q. de, Schippers van het Stet, 1974.
  • Zuurbier, S.R A., De historie van De Rustende Jager, 7e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1984.
Print Friendly, PDF & Email