Dorpsstraat (5e deel) huisnrs 87 – 107 (Jaarboek 31 2008 pg 52-67)

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 5)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Dorpsstraat in Castricum:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7deel 8deel 9deel 10


Jaarboek 31, pagina 52

Inleiding

De bewonersgeschiedenis van de Dorpsstraat gaat ver terug, zoals te verwachten valt van een weg die van oudsher de belangrijkste doorgaande route door het dorp is. Aan een dergelijke weg staat meestal niet alleen de kerk, maar in de loop der tijd vestigen zich er ook allerhande bedrijfjes en andere kleine nering. Evenals in de voorgaande artikelen van deze reeks wordt dit beeld van de Dorpsstraat ook in dit artikel opnieuw bevestigd: een levendige straat met veel activiteiten, wat deze straat historisch tot een van de meest interessante straten van Castricum bestempelt. In ons vorige artikel (deel 4) waren we voor wat betreft de beschrijving van de panden aan de oneven kant (oostkant) van de Dorpsstraat gevorderd tot aan de Cieweg. We passeren nu de Cieweg en vervolgen onze beschrijving met de geschiedenis van de panden genummerd Dorpsstraat 87 t/m 107. Het laatste nummer heeft betrekking op een nog niet zo lang geleden gebouwde kleine appartementenwoning, gesitueerd naast slagerij Admiraal.

Daarmee zijn we nog niet aan het einde van de Dorpsstraat gekomen, want de Pancratiuskerk (Dorpsstraat 115), met de oorspronkelijk daarbij behorende panden, zoals het zusterhuis (later o.a. De Hooghe Aert, nu Dorpsstraat 111) en de nog bestaande pastorie (nu Dorpsstraat 113) volgen nog. Er zijn nog enkele wat naar achteren gelegen panden overgebleven, waarin thans de fysiotherapeutische praktijk van Roodjes en de peuterspeelzaal ‘De Springplank’ (beide Dorpsstraat 109) zijn gevestigd. Het laatste en dichtst bij het kruispunt gelegen pand met de naam ‘Aemstelveldt’, dat een groot aantal appartementen herbergt, werd in 1984 gebouwd op de plaats van een rooms-katholiek scholencomplex, dat grotendeels werd afgebroken.

Hoewel we hier ongetwijfeld te maken hebben met een qua geschiedenis interessant deel van de Dorpsstraat, werd van een behandeling in het kader van dit artikel afgezien. Anders zouden we in herhaling vallen van wat in voorgaande jaarboekjes van de werkgroep reeds uitvoerig aan de orde is gekomen. We verwijzen naar jaarboekje 6 (1983), waar de geschiedenis van de r.-k. Pancratiusparochie wordt besproken en naar jaarboekje 11 ( 1988), dat voor een groot deel is gewijd aan de geschiedenis van het onderwijs in Castricum en waarbij ook aan de destijds aan Dorpsstraat gelegen Augustinusschool aandacht wordt geschonken.

Kadasterkaart uit 1965, waarop de aan de Dorpsstraat gelegen panden zijn aangegeven, die wij in dit artikel zullen bespreken.
Kadasterkaart uit 1965, waarop de aan de Dorpsstraat gelegen panden zijn aangegeven, die wij in dit artikel zullen bespreken.

Dorpsstraat 87 (2008: café My Way) en Dorpsstraat 89 (2008: Britt-mode)

Bij de invoering van het kadaster werd de gemeente Castricum onderverdeeld in vier secties, A t/m D. De in de voorgaande artikelen besproken panden aan de Dorpsstraat waren gelegen in het woongebied Kerkbuurt, een onderdeel van de kadastrale sectie B. In dit artikel betreden we nu sectie C, waartoe een groot deel van de Castricummer polder behoort, die destijds nog vrijwel onbebouwd was en doorliep tot aan het noordelijk gedeelte van de Dorpsstraat.
De oudste plaatselijke kadasterkaart, die teruggaat tot de situatie in 1822, illustreert de in deze sectie nog schaarse bebouwing langs de Dorpsstraat (toen Nieuwe Weg) een 3-tal panden, waarvan niet exact bekend is wanneer ze werden gebouwd.
Wel weten we dat het pand met kadasternummer 1 (in sectie C), op de hoek van Dorpsstraat en Cieweg, reeds in 1794 bestond en toen werd betrokken door de 30-jarige schilder en glazenmaker Wouter de Bie, die in dat jaar was getrouwd met de Alkmaarse Helena Catharina Grupper.

Een gedeelte van de kadasterkaart uit 1822, die een indruk geeft van de destijds bestaande bebouwing op een driehoekig stuk land, begrensd door Dorpsstraat (toen Nieuwe Weg) en de Cieweg. Aan de Dorpsstraat zijn een drietal panden gelegen met respectievelijk de kadasternummers 1, 4 en 5. Aan de Cieweg ligt een pand met kadasternummer 2.
Een gedeelte van de kadasterkaart uit 1822, die een indruk geeft van de destijds bestaande bebouwing op een driehoekig stuk land, begrensd door Dorpsstraat (toen Nieuwe Weg) en de Cieweg. Aan de Dorpsstraat zijn een drietal panden gelegen met respectievelijk de kadasternummers 1, 4 en 5. Aan de Cieweg ligt een pand met kadasternummer 2.

Jaarboek 31, pagina 53

De Bie was een vrij vooraanstaande Castricummer, onder meer betrokken bij het gemeentebestuur als armenmeester en belastingontvanger. Ook was hij kerkmeester van de Gereformeerde Kerk, weliswaar een relatief kleine religieuze gemeenschap in het overwegend rooms-katholieke Castricum, maar behorend tot wat toen de officiële staatskerk was, met dus veel bestuurlijke zeggenschap en in het bezit van de verhoudingsgewijs veel te grote oude dorpskerk. Wellicht had hij aan zijn geloofsovertuiging ook zijn bestuurlijke functies te danken, want de toenmalige schout van Castricum, Joachim Nuhout van der Veen en verschillende schepenen waren ook de gereformeerde godsdienst toegedaan, hoewel er geen slechte verstandhouding bestond met de katholieke gemeenschap.
In 1832 was Wouter de Bie, inmiddels 67 jaar en weduwnaar, volgens het kadaster nog steeds eigenaar van het huis en erf op de hoek Dorpsstraat-Cieweg (kadasternummer 1), van een tuin (nummer 3) en van een schuur, eveneens gelegen aan de Dorpsstraat (nummer 4).

Hij overleed in 1841. Uit de erfenis verkreeg zijn zoon Arie de Bie in 1843 het woonhuis, de tuin en de schuur. Deze verkocht zijn bezit in 1850 aan Anton Reijnders, een heel- en vroedmeester, die zich in 1845 als opvolger van Bernardus Res in Castricum had gevestigd. Na een opleiding te hebben genoten bij verschillende heelmeesters in de Zaanstreek, was Reijnders in 1842 gepromoveerd tot ‘heelmeester voor het platteland’, na een uitputtend examen, afgenomen door een geneeskundige commissie te Haarlem. Deze opleiding was weliswaar niet van universitair niveau, maar we moeten hier zeker niet geringschattend over oordelen. In 1843 behaalde hij, na een herexamen, ook het diploma van vroedmeester voor het platteland en mocht hij dus de verloskundige praktijk uitoefenen.

Hij trouwde in 1850 met de Castricumse Neeltje Kuijs en betrok kort daarna het pand op de hoek Dorpsstraat-Cieweg, dat hij had gekocht van Arie de Bie en waar hij vervolgens zijn geneeskundige praktijk vestigde. Zijn beginperiode als geneesheer in Castricum was overigens niet zonder problemen, want in 1845, het jaar van zijn komst, vestigde er zich een tweede heelmeester, Xaverius Fornier.

Voor de niet veel meer dan 1000 ingezetenen die Castricum toen telde, bleek de aanwezigheid van twee geneeskundigen wel wat te veel van het goede. Er ontstond namelijk een soort concurrentiestrijd, onder meer om de uit de gemeentekas betaalde ziekenzorg voor de armen. Aan deze situatie kwam een einde in juli 1855, toen Fornier kort voor zijn 45e verjaardag kwam te overlijden. Anton Reijnders werd nu alleen verantwoordelijk voor de gezondheidszorg in Castricum.
In 1861 voerde Reijnders een verbouwing van zijn pand door. De kadasterkaart toont dat het pand van vorm veranderd is, maar waarop de verbouwing neerkwam is niet duidelijk. Reijnders genoot in zijn loopbaan van ruim 35 jaar als geneesheer in Castricum veel waardering.

Bidprentje met betrekking tot het overlijden van Antonius Reijnders in 1881.
Bidprentje met betrekking tot het overlijden van Antonius Reijnders in 1881.

Zijn overlijden in 1881 op 66-jarige leeftijd werd zeer betreurd. Door ziekte was zijn praktijk al enige tijd waargenomen door Pieter Stolp, de eerste universitair opgeleide arts die zich in Castricum vestigde, overigens niet in het pand van de familie Reijnders.

Na het overlijden van Anton Reijnders tonen kadastergegevens over zijn pand een reeks van eigenaren, die het korte tijd in bezit hadden. De eerste in de reeks was Cornelis Janszoon Mooij , een landbouwer met een groot grondbe-


Jaarboek 31, pagina 54

zit en vader van de latere Castricumse burgemeester Johannes Mooij. Deze koop was niet zo bijzonder, want zijn dochter Aafje Mooij was in 1878 getrouwd met Cornelis Reijnders, een zoon van Anton Reijnders en waarschijnlijk heeft dit echtpaar het pand enige tijd bewoond.

Vooraanzicht van het oude postkantoor aan de Dorpsstraat - hoek Cieweg, dat in deze vorm ca. 1892 tot stand kwam en waar Jacob Res als kantoorhouder begon. Een veronderstelling is, dat als we het schuine dak links naar beneden doortrekken en bovendien de aanbouw links wegdenken, het beeld ontstaat van het pand voor de verbouwing tot postkantoor; waar de heelmeester Antonius Reijnders zijn praktijk uitoefende.
Vooraanzicht van het oude postkantoor aan de Dorpsstraat – hoek Cieweg, dat in deze vorm ca. 1892 tot stand kwam en waar Jacob Res als kantoorhouder begon. Een veronderstelling is, dat als we het schuine dak links naar beneden doortrekken en bovendien de aanbouw links wegdenken, het beeld ontstaat van het pand voor de verbouwing tot postkantoor; waar de heelmeester Antonius Reijnders zijn praktijk uitoefende.

In 1892 komt er meer duidelijkheid over de verdere bestemming van het pand met de verkoop aan Jacob Res, tot dan een kantoorbediende, die er een postkantoor begon.

Het gezin van Jacob Res en Gisebertha Maria Zonjee omstreeks 1912. Staand Maria Cornelia Res, die in 1925 een manufacturenwinkel op het latere adres Dorpsstraat 87 begon.
Het gezin van Jacob Res en Gisebertha Maria Zonjee omstreeks 1912. Staand Maria Cornelia Res, die in 1925 een manufacturenwinkel op het latere adres Dorpsstraat 87 begon.

Jacob, een kleinzoon van voornoemde heelmeester Bernard Res, trouwde in 1896 met de uit Uitgeest afkomstige Gisebertha Maria Zonjee, uit welk huwelijk zes kinderen werden geboren. Omstreeks 1906 werd het kennelijk noodzakelijk het postkantoor drastisch te renoveren, want Res kreeg in dat jaar een bouwvergunning. Daarin wordt gesproken over wijziging van het bestaande pand en gedeeltelijke nieuwbouw. Wellicht zal in deze plannen ook een rol hebben gespeeld, dat het woongedeelte van het pand voor het zich uitbreidende gezin wel wat krap werd. Ook de Posterijen zullen hun eisen hebben gesteld.

Foto uit 1901 met een doorkijk van de Dorpsstraat in de richting van de Pancratiuskerk met als eerste pand rechts, direct na de Cieweg, het postkantoor van Jacob Res.
Foto uit 1901 met een doorkijk van de Dorpsstraat in de richting van de Pancratiuskerk met als eerste pand rechts, direct na de Cieweg, het postkantoor van Jacob Res.
Doorkijk van de Dorpsstraat in de richting van de nieuwe Pancratiuskerk na 1911.
Het huis rechts met puntdak, gelegen voor de Cieweg, was toen een bakkerij en werd eerder besproken. Direct na de Cieweg zien we het omstreeks 1906 gebouwde pand, dat nu nog bestaat als café, Dorpsstraat 87. Het postkantoor, Dorpsstraat 89 is op deze foto niet zichtbaar; omdat het naar achteren was gelegen. Wel weer zichtbaar is het naastliggende pand dat nog bestaat als Dorpsstraat 91.
Doorkijk van de Dorpsstraat in de richting van de nieuwe Pancratiuskerk na 1911. Het huis rechts met puntdak, gelegen voor de Cieweg, was toen een bakkerij en werd eerder besproken. Direct na de Cieweg zien we het omstreeks 1906 gebouwde pand, dat nu nog bestaat als café, Dorpsstraat 87. Het postkantoor, Dorpsstraat 89 is op deze foto niet zichtbaar; omdat het naar achteren was gelegen. Wel weer zichtbaar is het naastliggende pand dat nog bestaat als Dorpsstraat 91.

Als men het resultaat in ogenschouw neemt, lijkt er een volledige nieuwbouw te hebben plaatsgevonden. Het straatbeeld is geheel veranderd. Voor het oude pand zijn twee nieuwe panden in de plaats gekomen. Rechts, op de hoek Dorpsstraat-Cieweg, naar we veronderstellen op de plaats van het vroegere woongedeelte van het pand van Res, een vrij smal maar relatief hoog winkelpand, dat nu (in 2008) nog bestaat als café My Way, Dorpsstraat 87. Het gedeelte waar het oude postkantoor was gevestigd, werd verbouwd tot een nieuw postkantoor met een ruime bovenwoning. Ook dit is een nog bestaand pand, Dorpsstraat 89. Wat de bebouwing aan de Dorpsstraat op de plaats van het oude postkantoor betreft, hebben we vanaf ongeveer 1906 dus te maken met twee afzonderlijke panden.
We vervolgen de geschiedenis nu eerst met het pand Dorpsstraat 87, hoek Dorpsstraat-Cieweg. Kort na de bouw werd er een winkel in manufacturen gevestigd en dat is lange tijd zo gebleven. De eerste die er met deze handel begon, was Chris van Leeuwen, die het pand en bijbehorende erf in 1911 kocht van Bernard Res. Chris van Leeuwen trouwde in 1910 met Maria Theissling, dochter van Bernard Theissling, een manufacturier, gevestigd met een winkel in het eveneens nog bestaande pand Dorpsstraat 95, waarop we nog zullen terugkomen. Bernard Theissling zal ongetwijfeld betrokken zijn geweest bij de aankoop van het pand en bij de bestemming tot winkel in manufacturen voor zijn dochter en schoonzoon.
Van Leeuwen vertrok met zijn gezin in 1921 naar Uitgeest en verkocht zijn pand in 1922 aan de manufacturier Hermanus Benning, afkomstig uit Beverwijk. Deze was er slechts korte tijd gevestigd en het is opmerkelijk dat het pand daarna weer terugkeerde in handen van de familie Res. Het werd in 1925 namelijk gekocht door Maria Cornelia Res, de inmiddels 27-jarige dochter van Jacob Res, die nu, als buurvrouw van haar vader, de manufacturenwinkel naast het postkantoor voortzette. In de eerste jaren adverteerde zij in plaatselijke kranten als ‘M.C. Res, combinatie J.E. Zurlohe’.

Advertentie van manufacturenhandel M C. Res uit 1925. De Dorpsstraat heette toen nog Rijksstraatweg.
Advertentie van manufacturenhandel M C. Res uit 1925. De Dorpsstraat heette toen nog Rijksstraatweg.

Jaarboek 31, pagina 55

Leden van de uit Duitsland afkomstige familie Zurlohe exploiteerden in die jaren in de omgeving van Castricum, ondere andere in Beverwijk, een aantal textielzaken en zij hadden klaarblijkelijk in de zaak van Maria Res ook een aandeel genomen. De verbintenis heeft niet zo lang geduurd, want in 1933 adverteerde Maria onder haar eigen naam met onder meer bedden, tapijten en kleding. Ze was nu zelfstandig, kocht zelf haar goederen in en kreeg daarbij te maken met een vertegenwoordiger in textiel, Piet Nederpelt.

Deze foto uit ca. 1938 geeft nog een goede indruk van het straatbeeld, ontstaan omstreeks 1906 na de nieuwbouw op de plaats van het oude postkantoor. Rechts het pand Dorpsstraat 87 met de manufacturenwinkel van het echtpaar Res - Nederpelt, waarschijnlijk ook de personen in de deuropening. links het nieuw gebouwde postkantoor, dat toen overigens niet meer als zodanig in gebruik was.
Deze foto uit ca. 1938 geeft nog een goede indruk van het straatbeeld, ontstaan omstreeks 1906 na de nieuwbouw op de plaats van het oude postkantoor. Rechts het pand Dorpsstraat 87 met de manufacturenwinkel van het echtpaar Res – Nederpelt, waarschijnlijk ook de personen in de deuropening. links het nieuw gebouwde postkantoor, dat toen overigens niet meer als zodanig in gebruik was.

Tussen Maria en Piet groeide iets moois, want in 1938 kwam het in Castricum tot een huwelijk. Nederpelt nam direct een aandeel in de exploitatie van de manufacturenhandel en vele oudere Castricummers zullen zich hem nog herinneren als een markante dorpsfiguur, die het in de manufacturenhandel op Dorpsstraat 87 meer dan 25 jaar volhield en met succes. Dat zou men althans kunnen


Jaarboek 31, pagina 56

concluderen uit de min of meer berijmde kroniek ‘Terugblik op de Dorpsstraat anno 1945-1950’, die Annie Eggers, bekend van ‘De Rustende Jager‘, in 1981 in het Nieuwblad voor Castricum publiceerde: “Het echtpaar Nederpelt, allebei heel zoet, hij droeg in de winkel altijd een hoed. Zij hielp bij de corsetten en bustehouders. Zij zaten wel goed bij de centen, ik denk wel tot hun schouders.”
In 1966 bereikte Piet Nederpelt de leeftijd van 65 jaar, een leeftijd om het wat kalmer aan te gaan doen en hij trok zich dan ook terug uit de textielhandel. Zijn gezondheid liet waarschijnlijk ook te wensen over, want hij overleed nog geen drie jaar daarna.
Maria Nederpelt – Res heeft de textielhandel nog enige tijd voortgezet in het naastliggende pand, dat inmiddels al geruime tijd niet meer als postkantoor in gebruik was.
In 1966 vestigde zich op Dorpsstraat 87, na de nodige aanpassingen, het Chinese restaurant Tong Fa, met als eigenaar Jacobus Werkhoven, die het pand huurde van leden van de familie Res. Het idee om er een dergelijk restaurant te beginnen kwam van zijn vrouw, die van Chinese afkomst was en die de eigenlijke exploitatie ter hand nam. Dit was het eerste Chinese restaurant in Castricum; hier kon je nog met je eigen pannetje een maaltijd afhalen. Het was in elk geval het begin van de horecabestemming van het pand, die tot de dag van vandaag (2008) voortduurt.
Tong Fa was er niet zo lang gevestigd en verhuisde in 1973 naar de Burgemeester Mooijstraat.

Eetcafé Castell, Dorpsstraat 87, in 1996.
Eetcafé Castell, Dorpsstraat 87, in 1996.

Het vrijgekomen pand werd nu een café onder de naam Café Bar Grill Castell, met als exploitant de familie Swart, afkomstig uit Amsterdam. Als latere uitbater werd zeer bekend wijlen Aad Neelen, bijgenaamd Aad Castell, die het café de naam van de leukste kroeg van Castricum wist te bezorgen. Deze horecagelegenheid bestaat nog steeds, nu (in 2008) echter als café My Way.

Het pand Dorpsstraat 89 in ca. 1985 heeft rechts een woongedeelte en links een winkelbedrijf.
Het pand Dorpsstraat 89 in ca. 1985 heeft rechts een woongedeelte en links een winkelbedrijf.

Keren we terug naar het pand Dorpsstraat 89, het omstreeks 1906 door Jacob Res vernieuwde postkantoor. Res gold als een nauwgezette postbeambte en daarom is het extra tragisch dat hij in 1913 werd betrokken bij een affaire betreffende de vermissing van een geldbedrag. Postzendingen uit Castricum werden in die tijd verzonden naar het postkantoor Uitgeest en daar verder verwerkt. Op de avond van 29 juli 1913 werd in Uitgeest vermissing van een geldzending uit Castricum met


Jaarboek 31, pagina 57

een waarde van 770,80 guldengeconstateerd.
Jacob Res werd voor de dief aangezien en gearresteerd. Hij bleek echter onschuldig. Een privé-detective wist bewijs te verzamelen tegen een bediende van het postkantoor in Uitgeest, Jacob Koppenol.
In november 1913 kwam het onder grote publieke belangstelling tot een rechtszaak voor de rechtbank in Alkmaar, waar Koppenol werd veroordeeld en Res volledig werd gerehabiliteerd.
Hij schijnt de affaire echter maar moeilijk te hebben kunnen verwerken. De Posterijen bood Res een bedrag aan als smartengeld, maar dat weigerde hij.
In het kader van dit artikel hebben wij deze geschiedenis, die in een kleine gemeenschap als de Castricumse veel stof deed opwaaien, slechts beknopt kunnen beschrijven. Zij komt veel uitvoeriger aan de orde in het boek ‘Schippers van het Stet’ van Q. de Ruijter en in een artikel in het Nieuwsblad voor Castricum (30 december 2003) van de hand van Fred Marschall.

Omstreeks 1924 kwam er een einde aan het postkantoor in de Dorpsstraat. Op initiatief van het districtskantoor in Uitgeest werd het verplaatst naar de Burgemeester Mooijstraat, waar Johannes Greuter als eerste kantoorhouder werd aangesteld. De inmiddels 62-jarige Jacob Res kwam voor deze functie kennelijk niet meer in aanmerking – misschien wilde hij ook wel niet – en bleef wonen op zijn oude adres. Hij overleed in 1930. Zijn weduwe, Gisebertha Zonjee, bleef met nog enkele van haar kinderen op Dorpsstraat 89 wonen. Zij overleed in 1949. Vanaf 1938 werd het pand ook in gebruik genomen als woonhuis door het echtpaar Nederpelt – Res dat, zoals reeds beschreven, in het naastliggende pand, Dorpsstraat 87 een textielzaak exploiteerde. Nadat deze zaak in 1966 werd opgeheven, begon Maria Res op Dorpsstraat 89 nog een corsetterie-speciaalzaak, waarvoor ze tot in 1971, ze was inmiddels 73 jaar, in het plaatselijke nieuwsblad adverteerde. In 1973 verhuisde zij naar de overkant, Dorpsstraat 108. Dorpsstraat 89 kende daarna nog verschillende eigenaars, waaronder Johan de Ridder, die we eerder tegenkwamen als exploitant van het toenmalige cafébedrijf d’Oude Schimmel en Renee de Graaf, eigenaar van een sanitairzaak in de Dorpsstraat. Er zijn geen aanwijzingen dat zij het zelf hebben betrokken. Het werd verhuurd als winkelpand en deels ook als woning. Van de zaken die er vrij lang gevestigd waren, noemen we modezaak Scorpion, geëxploiteerd vanaf 1975 tot 1982 door een familie Schotanus, afkomstig uit Alkmaar en fotozaak Kesting, die er vanaf 1987 was gevestigd. Kesting trof het pand aan in een slechte staat. Het was niet goed onderhouden. Tijdens een hevige regenbui begaf een gedeelte van het dak het en was er voor ca. 60.000 gulden schade aan foto- en videoapparatuur, wat gelukkig door de verzekering werd vergoed. In 1994 vertrok de fa. Kesting naar de Castricummer Werf. Later was er opnieuw een fotozaak gevestigd, tot voor kort Re-Play Fashion, een winkel in tweedehands kleding en inmiddels een moderne modezaak onder de naam Britt-mode.

Doorkijk Dorpsstraat ca. 1980 richting Pancratiuskerk. Rechts een aantal panden, die in dit artikel ter sprake komen. Vooraan: Dorpsstraat 89 (fotozaak), Dorpsstraat 91 (voormalige groentehandel, hier woonhuis), Dorpsstraat 93 (winkel), Dorpsstraat 95 (woonhuis).
Doorkijk Dorpsstraat ca. 1980 richting Pancratiuskerk. Rechts een aantal panden, die in dit artikel ter sprake komen. Vooraan: Dorpsstraat 89 (fotozaak), Dorpsstraat 91 (voormalige groentehandel, hier woonhuis), Dorpsstraat 93 (winkel), Dorpsstraat 95 (woonhuis).

Dorpsstraat 91 (nu – in 2008 – woonhuis)

Het bescheiden, nog bestaande huisje Dorpsstraat 91, werd in 1891 gebouwd in opdracht van Antje Stet, weduwe van Jan Schotvanger, een veehouder en landbouwer en ook enige tijd wethouder van Castricum. Het pand werd voor het eerst ingetekend op een kadasterkaart uit 1892 en kreeg nummer 346 toebedeeld.

Een gedeelte van een kadasterkaart uit 1892, die een indruk geeft van de toen bestaande bebouwing op een driehoekig stuk land begrensd door Dorpsstraat en Cieweg. In vergelijking met de situatie in 1822 is de bebouwing weinig geïntensiveerd.
Het oorspronkelijke pand hoek Dorpsstraat-Cieweg met kadasternummer 1 blijkt, door o.a. de verbouwing in 1892 tot postkantoor, van vorm veranderd en heeft nu nummer 347. Voor de oorspronkelijke aan de Dorpsstraat gelegen panden met kadasternummers 4 en 5 zijn panden in de plaats gekomen met resp. de nummers 345 en 344. Tussen 347 en 345 is een nieuw pand verschenen (nummer 346), het latere Dorpsstraat 91. Een aan de Cieweg gelegen pand met kadasternummer 2 overleefde niet en werd nog voor 1846 afgebroken.

Antje Stet overleed op 67-jarige leeftijd in 1891, het jaar van de bouw. Er zijn geen aanwijzingen dat zij het pand nog heeft bewoond, want toen zij overleed, woonde zij op boerderij Starrenburg aan de Bleumerweg, die zij in 1866 van haar vader, Klaas Stet, had geërfd. Wel vestigde de in 1850 geboren Maria Brakenhoff, een dochter van Antje uit haar eerste huwelijk met Gerrit Brakenhoff, zich in het huis van haar moeder aan de Dorpsstraat. Maria, die ongehuwd bleef, handelde in manufacturen. Het pand was blijkens bouwtekeningen in die periode echter niet ingericht als winkelpand, maar als woonhuis met op de begane grond een woonkamer, een slaapkamer en een keuken. Maria overleed in 1926.

Nog in hetzelfde jaar werd het pand betrokken door de 40-jarige Gerrit Beentjes, die kwam van de Kramersweg, waar hij een tuindersbedrijf had. Daarvoor was hij in Heemskerk reeds als tuinder werkzaam geweest, onder andere op het landbouwbedrijf van zijn vader, Bancras Beentjes, die in Heemskerk bekend stond als ‘Rooie Bank’. Bij het betrekken van het pand aan de Dorpsstraat telde het gezin van Gerrit Beentjes, die in 1913 getrouwd was met Catharina Maria Duives, reeds vijf kinderen en daar kwamen er nog zeven bij. Dat moet een krappe behuizing zijn geweest in het kleine pand, waar Beentjes bovendien nog een groentezaak begon. Voor de verbouw van het pand tot winkel werd de vergunning in augustus 1926


Jaarboek 31, pagina 58

afgegeven. De slaapkamer op de benedenverdieping aan de voorzijde werd verbouwd tot een kleine winkel, met een etalageraam, waardoor de voorgevel een wat ander aanzien kreeg.
De kinderen sliepen op de zolder, waar een zeil was gespannen voor een afscheiding van de jongens en de meisjes. Een schoorsteen zorgde in de winter voor wat warmte, maar bij heel koud weer waren de wollen dekens toch wel eens aan het voeteneind vastgevroren. We citeren hier uit de herinnering van twee nog in Castricum woonachtige zoons van Gerrit Beentjes, de in 1920 geboren Tinus en de in 1926 geboren Ko. Aan de krappe behuizing aan de Dorpsstraat hadden ze overigens geen slechte herinneringen. In de veelal grote Castricumse gezinnen was men in die tijd niet anders gewend. Tegenwoordig hebben veel kinderen, zeker in het relatief welvarende Castricum, een eigen kamertje, maar Ko Beentjes heeft dat nooit als een gemis gevoeld. Je had geen huiswerk, knutselen deed je in de huiskamer en je speelde veel op straat, zelfs in de Dorpsstraat, waar het verkeer het nog toeliet.

De groentezaak van Beentjes aan de Dorpsstraat 91 omstreeks 1930.
De groentezaak van Beentjes aan de Dorpsstraat 91 omstreeks 1930. V.l.n.r. Niek en Cor Beentjes en hun moeder Catharina Beentjes – Duives.

Het bedrijf van Gerrit Beentjes was gezien het winkeltje aan de Dorpsstraat aanvankelijk klein. In het begin was het inderdaad sappelen, maar niettemin groeide het bedrijf op den duur aanzienlijk uit, waarbij Beentjes zijn zoons ging inschakelen. Aan de Van Egmondstraat nummer l werd in  1942 een soort filiaal geopend, waar de in 1915 geboren Cor Beentjes de scepter zwaaide. Veel werk werd gemaakt van de aardappelhandel, waarvoor in Castricum een pakhuis aan de Ruiterweg werd ingericht. De aardappelen werden verkocht tot in Haarlem, Beverwijk en Alkmaar, waar de firma, die inmiddels adverteerde onder de naam G. Beentjes en Zn., over pakhuisruimte beschikte.
In 1954 trok Gerrit Beentjes zich op 68-jarige leeftijd uit de zaak terug en verhuisde van de Dorpsstraat naar de Doodweg. Hij overleed in 1959. De winkel aan de Dorpsstraat werd voortgezet door zijn zoon Cor Beentjes, die ook de zaak in de Van Egmondstraat beheerde en daar ook woonde. In 1968 stopte Cor Beentjes met zijn winkels en verhuisde met zijn echtgenote naar Dorpsstraat 91, nadat hij dit pand in min of meer zijn oorspronkelijke staat van woonhuis had terug laten brengen, met aanzienlijke gevolgen voor de voorgevel, zoals we thans nog kunnen aanschouwen. Met de winkel verdween ook de etalage, om vervangen te worden door een klein raam en aan de kant van de huiskamer kwam één groot venster op de plaats van twee kleinere vensters.
Het terugtreden van Cor Beentjes betekende overigens niet het einde van de groente- en fruithandel Beentjes, integendeel, want in 1969 werd de firma ‘Beentjes Groentebroers’ opgericht door zoons van Cor Beentjes. Deze bestierden nog geruime tijd winkels in de Van Egmondstraat en de Anna Paulownastraat en stichtten daarna nieuwe winkelbedrijven in Castricum (Geesterduin), Beverwijk, Heiloo en Alkmaar, waarbij inmiddels al een vierde generatie Beentjes is betrokken.

Maken we nog even een zijsprong naar de Torenstraat, waar lange tijd een groentehandel was gevestigd van de gebroeders Bertus en Kees Beentjes. De veronderstelling ligt voor de hand, dat ook deze winkel tot de keten van de hiervoor besproken firma Beentjes behoorde, maar dat is niet zo. We hebben hier te maken met een andere tak van de uitgebreide tuindersfamilie Beentjes in Heemskerk en de verwantschap gaat ver terug.

Na het overlijden van Cor Beentjes in 1974 bewoonde zijn weduwe, Margaretha Zonneveld, nog geruime tijd Dorpsstraat 91. Thans is het nog steeds een woonhuis.

Het pand Dorpsstraat 91 omstreeks 1996.
Het pand Dorpsstraat 91 omstreeks 1996.

Jaarboek 31, pagina 59

Dorpsstraat 93 (afgebroken)

Vrijwel op de plek van het nog niet zo lang geleden afgebroken woonhuis Dorpsstraat 93 (nu staat er slechts een schutting) toont de kadasterkaart uit 1822 reeds een pand met kadasternummer 4. Het was toen in het bezit van schilder en glazenmaker Wouter de Bie, die woonde aan de Dorpsstraat numer. 87 en op wie we reeds vrij uitvoerig zijn ingegaan. Hij gebruikte het pand als opslagplaats.
Na verschillende eigenaars te hebben gekend, kwam pas een einde aan het gebouw in 1891. Het is toen gesloopt, waarna in kadasterterminologie op dezelfde plaats de ‘stichting’ plaatsvond van een pand met kadasternummer 345.

Klaas Stuijfbergen, die in de periode 1892 tot 1907 in het pand met later het nummer Dorpsstraat 93 een kapperszaak exploiteerde ...
Klaas Stuijfbergen, die in de periode 1892 tot 1907 in het pand met later het nummer Dorpsstraat 93 een kapperszaak exploiteerde …
met zijn echtgenote Guurtje Zonneveld.
met zijn echtgenote Guurtje Zonneveld.

Degene, die dit nog niet zo lang geleden gesloopte panel liet bouwen, was de in 1842 geboren Klaas Stuifbergen, een barbier. Hij was de zoon van Jan Stuifbergen, eveneens een barbier, bij wie we even stilstaan, want hij kan als de stamvader worden gezien van verschillende generaties Stuifbergen, die in Castricum, onder meer in de Dorpsstraat, het vak van kapper hebben uitgeoefend. Deze Jan Stuifbergen, geboren in 1804, was een van de eersten die met een familietraditie brak door geen boer of schelpenvisser te worden, maar zich in de Oosterbuurt vestigde als wat toen ‘baardscheerder’ werd genoemd. Uit zijn huwelijk met Maartje Steeneveld werden drie zoons geboren, waarvan twee er voor kozen om later het beroep van hun vader voort te zetten: de reeds genoemde Klaas Stuifbergen en Jan Stuifbergen junior, die vanaf 1904 een kapperszaak exploiteerde in een klein pand gelegen aan de Dorpsstraat nabij de Schoolstraat, waaraan we aandacht hebben besteed in de vorige aflevering van deze serie. We memoreerden hierbij zijn zoon Lambertus Stuifbergen, die later bekendheid kreeg als ‘Kleine Bertus’ met een kapperszaak in de Dorpsstraat tegenover de r.-k. kerk.

We keren terug naar Klaas Stuifbergen. Hij huwde met Guurtje Zonneveld en zijn gezin ging 13 kinderen tellen. Toen hij zich in 1892 met zijn kapperszaak aan de Dorpsstraat vestigde, was hij reeds 50 jaar. Daarvoor woonde hij aan de Breedeweg, waar hij ook als kapper werkzaam was, mogelijk als opvolger van zijn vader.
In 1907 verkocht Klaas, hij was inmiddels 65 jaar, de kapperszaak aan zijn 37-jarige zoon Bertus, die als kapper de zaak in de Dorpsstraat ging voortzetten. Deze Bertus Stuifbergen kreeg bekendheid als ‘Grote Bertus’, een bijnaam die kennelijk verwarring met zijn hiervoor genoemde neef  ‘Kleine Bertus’ moest voorkomen.
Grote Bertus was een markant figuur en er zullen wellicht nog oudere Castricummers zijn die door hem zijn geknipt  en geschoren. Naast kapper was hij ook afslager bij veilingen, wat hij had te danken aan zijn luide en sonore stem,  die geen versterking nodig had. Als zodanig trad hij jarenlang op bij de verschillende groenteveilingen in ons dorp. Wie daar meer van wil weten, verwijzen we naar het bekende boek van Q. de Ruijter ‘Schippers van het Stet’, waarin een heel hoofdstuk is gewijd aan de Grote, maar ook aan de Kleine Bertus.

Grietje Lute en (Grote) Bertus Stuijbergen omstreeks 1915 met dochtertje Guurtje voor hun kapperszaak in het inmiddels gesloopte pand Dorpsstraat 93.
Grietje Lute en (Grote) Bertus Stuijbergen omstreeks 1915 met dochtertje Guurtje voor hun kapperszaak in het inmiddels gesloopte pand Dorpsstraat 93.

Grote Bertus Stuifbergen was in 1910 in Castricum getrouwd met Grietje Lute. Het echtpaar kreeg twee kinderen waarvan er een zeer jong overleed. Tot het gezin behoorde ook een pleegzoon, de uit Hongarije afkomstige Lajos Horvat, die van zijn pleegvader het kappersvak leerde. Na het overlijden van Bertus in 1936 heeft deze Lajos Horvat de kapperszaak nog een aantal jaren voortgezet, tot hij in 1946 na zijn huwelijk met Cornelia Schram in de Burgemeester Mooijstraat een eigen kapsalon begon.
Het was in die tijd gebruikelijk dat kappers er nog een soort


Jaarboek 31, pagina 60

Guurtje Stuifbergen achter de toonbank van haar winkel.
Guurtje Stuifbergen achter de toonbank van haar winkel.

winkeltje op nahielden waar zij onder andere rookwaren verkochten. Dit bood, na het verdwijnen van de kapsalon, aan de in 1913 geboren dochter Guurtje Stuitbergen een goede gelegenheid om met deze verkoop door te gaan en van de voormalige kapsalon een soort kruidenierswinkeltje te maken. Zij ging hierbij niet over een nacht ijs en slaagde in oktober 1947 in Den Haag voor de examens ‘Vakbekwaamheid tabaksdetaillist en Algemene Handel’. Haar moeder, de weduwe Grietje Stuifbergen – Lute, die na de dood van Bertus in het pand was blijven wonen, bleef nog lange tijd haar huisgenoot.
Nog in 1955 werden als woonachtig op het adres Dorpsstraat 93 genoemd de weduwe Stuitbergen – Lute en dochter Guurtje. Het winkeltje van Guurtje schijnt in die jaren goed te hebben gefloreerd, zeker dankzij de schooljeugd, want zij verkocht ook snoep.
Grietje Stuitbergen – Lute overleed in januari 1957, bijna tachtig jaar oud.

Guurlje Stuifbergen voor haar winkeltje, Dorpsstraat 93, ca. 1980.
Guurlje Stuifbergen voor haar winkeltje, Dorpsstraat 93, ca. 1980.

Dochter Guurtje bleef nog tot op hoge leeftijd actief in haar winkeltje. Tot in 1990 – zij was toen 77 jaar – wordt zij in overzichten van Castricumse middenstanders vermeld als ‘sigarenhandel G.G. Stuifbergen.’ Zij overleed in december 1992 zonder nabestaanden en vermaakte haar bezittingen aan de r.-k. kerk in Castricum, want ze wilde niet dat haar bezittingen in handen zouden vallen van personen, die zij om een of andere reden niet mocht. Maar de kerk verkocht haar bezittingen, zodat deze via een omweg toch nog in handen kwamen van degenen aan wie zij ze oorspronkelijk niet had willen verkopen. Volgens sommige Castricummers, die van de gang van zaken op de hoogte zijn, werd er rond haar erfenis ‘een spelletje gespeeld’. Haar huisje werd na haar overlijden nog korte tijd bewoond, maar kwam daarna leeg te staan.

De laatste eigenaar, kaashandelaar Dijkman, bezat ook het naastgelegen pand. In 1997 meldde een plaatselijke krant de sloop van het oude pandje ‘in pakweg één dag’ en merkte daarbij nog op: “Omdat het niet meer voldeed aan de huidige normen heeft de twee huizen verderop wonende A.F Dijkman de gemeente in september gevraagd medewerking te verlenen aan een bouwplan dat voorziet in vervangende nieuwbouw op het perceel Dorpsstraat 93. De ingediende bouwaanvraag voor een woning met berging past – ook in de ogen van de welstandscommissie – qua vormgeving goed in het straatbeeld en sluit aan bij de belendende percelen.” We zijn nu tien jaar verder, maar van deze nieuwbouw is tot dusver niets terechtgekomen.

Vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 97. Ogenschijnlijk onderging dit pand in de loop der tijd weinig verandering, maar in 1946 werd de zolderverdieping verbouwd.
Vooraanzicht van het pand Dorpsstraat 97. Ogenschijnlijk onderging dit pand in de loop der tijd weinig verandering, maar in 1946 werd de zolderverdieping verbouwd.

Dorpsstraat 97 (woonhuis en voormalig kaaspakhuis)

Volgens een verkoopakte uit 1819 stond er toen ongeveer op de plaats van het huidige woonhuis Dorpsstraat 97 reeds een gebouw, enigszins vanaf de weg gelegen, dat op de kadasterkaart wordt aangeduid met het kadasternummer 5. Dit pand en het bijbehorend erf waren toen in handen van Jan Metselaar, een schoenmaker, die in 1819 met zijn schoenhandel naar Heiloo is verhuisd en het pand verkocht aan Koert Breek, een tuinman en werkman.
Van deze Koert Breek weten we slechts dat hij het pand kort in bezit had, want hij verkocht het in 1821 aan Bartholomeus Nicolaas (Bart) Rommel, kastelein-logementhouder van de toenmalige ‘De Rustende Jager’ . Deze Bart Rommel was een grootgrondbezitter over wie in het 7e jaarboekje van Oud-Castricum wordt opgemerkt: “Het logement legt hem geen windeieren, want in de loop der jaren koopt hij vele stukken land en huizen in Castricum”. Bart Rommel maakte de meeste van zijn panden ten gelde door verhuur. Zo worden in 1830 als bewoners van het pand van bespreking genoemd: Cornelis Duinmeijer, 43 jaar, dagloner, zijn echtgenote Trijntje Bogerman, 40 jaar en vier kinderen. Trijntje overleed in 1849. Cornelis, die overleed in 1862 en zijn laatste levensdagen sleet in het algemeen armenhuis, is het pand waarschijnlijk nog tot ongeveer 1854 blijven bewonen, in welk jaar Johanna Telvoren, weduwe van de inmiddels overleden Bart Rommel “huis, erf en tuin, genaamd ‘De Zwaan’, staande en gelegen in de Kerkbuurt, kadasternummer 5” verkocht


Jaarboek 31, pagina 61

aan Pieter Willemsz. de Vries, een dagloner. Het is voor het eerst dat hier als naam van het pand ‘De Zwaan’ opduikt. De Vries hield het pand niet lang in bezit en ruilde het in 1856 met (Gerhard) Leopold Theissling voor een stuk bouwland op de Hoogevoort. Het is opvallend dat De Vries in de betreffende akte van ruiling ‘tapper’ wordt genoemd, waaruit we mogen concluderen dat De Zwaan een herberg was.
Hieraan kwam een einde door de ruil met genoemde Leopold Theissling, die in 1814 in Duitsland was geboren, in 1844 was getrouwd met Antje Traan en zich omstreeks die tijd in Castricum had gevestigd. In de huwelijksakte wordt hij ‘koopman’ genoemd, maar wat dit precies inhield is niet duidelijk. Volgens nog in Castricum woonachtige nazaten kwam hun overgrootvader naar Nederland als een ‘poepezak’, vroeger een scheldwoord voor uit Duitsland afkomstige marskramers en venters; hij verkocht langs de deur kleding en textiel.

De 19e eeuw kent een grote opbloei van de textielindustrie in Nederland. Een niet onbelangrijke impuls hiertoe ging uit van Duitse families die zich in ons land vestigden. Leopold Theissling behoorde ook tot zo’n familie. Zijn jongere broer Johann Clemens Theissling, met wie hij een vennootschap aanging, begon een winkel in manufacturen aan de Langestraat in Alkmaar. Zijn beide zusters waren ook bij de textielhandel betrokken: Josephine Theissling had een zaak in Wijchen; Theresia Theissling en haar echtgenoot Joseph Tombrock, wiens vader reeds in Duitsland actief was in de textielhandel, had een zaak in Franeker. Hoe de textielhandel vaak een familieaangelegenheid was, wordt geïllustreerd door twee dochters van dit echtpaar: Cisca Tombrock huwde met manufacturier Willem Vroom en Helena Tombrock met manufacturier Anton Dreesmann. De twee zwagers begonnen in 1887 in de Weesperstraat in Amsterdam een gezamenlijke winkel in stoffen en kleding, het begin van het bekende familiebedrijf. Je kunt dus stellen dat de familie Theissling aan de wieg heeft gestaan van het concern Vroom en Dreesmann.

Leopold Theissling heeft dit niet meer meegemaakt, want hij overleed in Castricum op nog jonge leeftijd in augustus 1858, kort nadat hij zijn nieuwe pand had betrokken. Zijn vrouw Antje Theissling – Traan, volgens archiefstukken ‘winkelierster’, en later zijn in 1849 in Castricum geboren zoon Bernard Theissling hebben de textielhandel aan de Dorpsstraat voortgezet. Bernard lijkt er al spoedig mee te zijn gestopt. Hij wordt althans bij zijn huwelijk in 1880 met Catharina van der Park nog ‘koopman in manufacturen’ genoemd, maar bij de geboorte van zijn eerste kind, Anna Theissling in 1881, was hij volgens de geboorteakte ‘bloemenkweker’. De belangstelling van Bernard Theissling voor het vak van hovenier en tuinder, een bedrijvigheid die nog lang in de familie heeft voortbestaan, betekende niet dat hiermee een einde kwam aan de textielhandel.
Zijn echtgenote zette deze handel voort, om die later over te doen aan haar in 1885 geboren dochter Maria Theissling en echtgenoot Chris van Leeuwen, die zoals hiervoor beschreven in een toen nieuw gebouwd pand, het latere Dorpsstraat 87, van 1911 tot 1921 een winkel in manufacturen exploiteerden. Bernard Theissling overleed in 1922 en dat kan mede een aanleiding zijn geweest dat aan de textielactiviteiten van de familie Theissling in Castricum nu wel een definitief einde kwam, want Maria van Leeuwen – Theissling en haar echtgenoot verkochten hun pand aan de Dorpsstraat om in Uitgeest hun handel voort te zetten. Catharina Theissling – van der Park verhuisde naar een naastgelegen, nieuw gebouwde kleine villa, het nog bestaande Dorpsstraat 99, dat we hierna zullen behandelen.

Zicht op de binnenplaats achter het pand Dorpsstraat 97 (links) met rechts een schuur en daarachter een gedeelte van het voormalige kaaspakhuis.
Zicht op de binnenplaats achter het pand Dorpsstraat 97 (links) met rechts een schuur en daarachter een gedeelte van het voormalige kaaspakhuis.

Nog in 1923 kocht de 29-jarige Piet Dijkman het pand om er in twee voormalige en verwaarloosde bollenschuren, die Bernard Theissling in 1892 op zijn erf had laten bouwen, een kaashandel te beginnen. In de periode van de textielhandel zou er volgens de overlevering in het pand een winkelgedeelte zijn geweest, hoewel dat volgens de oudst bekende foto’s van buiten af niet blijkt. We zien bijvoorbeeld geen etalage.
Al kort na zijn vestiging voerde Piet Dijkman in 1925 een verbouwing door, voornamelijk inwendig, waarmee het de bestemming van een dubbel woonhuis kreeg. Eén van de twee woningen werd betrokken door de weduwe Catharina Dijkman – Hoogewerf, de moeder van Piet Dijkman. In 1930 kreeg het pand, waarschijnlijk door de dubbele bewoning, de huisnummers 95 en 97 toegekend.

De groei van kaashandel Dijkman tot een groot familiebedrijf begon al in 1934 met de bouw van een kaaspakhuis gelegen achter het woongedeelte met nummer 97. Waar betrok Piet Dijkman toen zijn kaas? Dat was onder andere van de destijds in Castricum aan de Breedeweg gevestigde stoomzuivelfabriek ‘De Holland’. In een artikel over deze fabriek, gepubliceerd in het 20e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum, vernemen we van medewerker Dook Lute: “Dijkman was de kaashandelaar. Die kwam dan op z’n driewieler-fiets naar de fabriek en dan moest hij naar boven, maar hij kon slecht de trap opkomen. M’n vader en ik moesten hem de trap op helpen en ook kaas voor hem boren. Op zijn smaak afgaande kocht hij een partij, dat was dan kaas van 1 bak die misschien 9 of l0 maanden oud was.”
In de oorlog zal het bedrijf de nodige problemen hebben gekend, want in december 1943 moesten de bewoners


Jaarboek 31, pagina 62

van het pand – nog steeds de weduwe Catharina Dijkman – Hoogewerf op nummer 95 en Piet Dijkman met zijn echtgenote Antonia de Goede en zijn gezin op nummer 97 – het veld ruimen voor de bezetter. In 1946 werd de draad overigens weer opgepakt en keerden de genoemde bewoners in het pand terug en blijkt ook de kaashandel weer op gang te zijn gekomen, want nog in dat jaar werd toestemming verkregen voor een uitbreiding van het kaaspakhuis. Het pand was inmiddels wel wat krap geworden voor het gezin Dijkman dat 11 kinderen was gaan tellen, wat de aanleiding was tot een herbouw van de zolder tot een bewoonbare bovenverdieping. Later, in 1962 en 1968, was het achter de woning gelegen kaaspakhuis opnieuw onderwerp van verbouwing en uitbreiding. Bij deze uitbreiding was het bedrijf inmiddels in handen gekomen van een volgende generatie Dijkman en ging bovendien deel uitmaken van de Nederlandse Kaas Unie (NKU), later Uniekaas, waarin een aantal Nederlandse kaashandelaren hun belangen had gebundeld. Het is duidelijk dat een verdere schaalvergroting aan de Dorpsstraat, ook verkeerstechnisch, op den duur niet meer haalbaar was en in 1971 verhuisde de kaashandel dan ook naar een locatie die meer mogelijkheden bood, het verwaarloosde, maar inmiddels opgeknapte veilinggebouw van de voormalige Coöperatieve Tuinbouwvereniging ‘Ons Belang’ aan de Kramersweg, ten noordwesten van het station. Hier groeide het bedrijf onder de naam Uniekaas verder uit, maar ook dit bedrijf is inmiddels weer opgegaan in een groter geheel.

Wat het pand aan de Dorpsstraat betreft, dit wordt tot de dag van vandaag nog bewoond door een lid van de familie Dijkman. De woning draagt nu nog slechts het nummer Dorpsstraat 97, omdat de dubbele bewoning na de oorlog ongedaan werd gemaakt.

Foto uit ca. 1930, van het pand Dorpsstraat 99. Voor het pand staand achter het hek waarschijnlijk de weduwe Catharina Theissling - van der Park.
Foto uit ca. 1930, van het pand Dorpsstraat 99. Voor het pand staand achter het hek waarschijnlijk de weduwe Catharina Theissling – van der Park.

Dorpsstraat 99 (woonhuis)

Na de verkoop van het hiervoor besproken pand nummer 97 liet Catharina Theissling – van der Park in 1923 de naastgelegen woning bouwen. Het is de nog bestaande, kleine maar karakteristieke woning, Dorpsstraat 99. Catharina woonde er tot december 1938, om daarna op 80-jarige leeftijd in te trekken bij haar dochter Agatha Theissling op Dorpsstraat 80, de woning boven de bakkerij van haar schoonzoon Cornelis Juffermans. Dorpsstraat 99 kende sindsdien enkele huurders. Catharina overleed in 1943, maar het pand bleef in de familie, want het werd eigendom van de 30-jarige Willem Brakenhoff, die in 1942 gehuwd was met Margaretha (Gré) Juffermans, een dochter van het echtpaar Theissling – Juffermans.
Het hoofdberoep van Willem Brakenhoff was emballagemeester bij de veiling. Daarnaast was hij tuinder, maar volgens zijn familieleden (zijn gezin telde zes kinderen) niet erg grootschalig.
Hij teelde hier en daar, onder andere bij de kerk, wat groente. In 1977 verhuisde Willem Brakenhoff, inmiddels bijna 65 jaar, naar Beverwijkerstraatweg 12 en overleed in juli 1979.

Foto van het pand Dorpsstraat 99.
Foto van het pand Dorpsstraat 99.

Dorpsstraat 99 werd gekocht door Cornelis Martens, die het pand opdeelde in kleine appartementen voor de verhuur. Sindsdien heeft er een groot aantal personen gewoond.
Aan de verhuur kwam in 1987 een einde, toen het pand door Cornelis Martens werd verkocht aan een neef, Harry Martens, die er ging wonen. Ondanks een grote opknapbeurt vond Harry de Dorpsstraat voor zijn kinderen op den duur geen ideale omgeving en verkocht hij het pand in 1995 aan de huidige (?) bewoners, om met zijn gezin naar Limmen te verhuizen.

Een gedeelte van de kadasterkaart opgemaakt in 1896, waar op de plaats van slagerij Admiraal (Dorpsstraat 103) en het naastgelegen kleine wooncomplex (Dorpsstraat 105) de bouw is aangegeven van drie aaneengesloten panden met resp. kadasternummers 355, 356 en 357.
Een gedeelte van de kadasterkaart opgemaakt in 1896, waar op de plaats van slagerij Admiraal (Dorpsstraat 103) en het naastgelegen kleine wooncomplex (Dorpsstraat 105) de bouw is aangegeven van drie aaneengesloten panden met resp. kadasternummers 355, 356 en 357.

Dorpsstraat 103 (nu – in 2008 – Slagerij Admiraal) en 107 (nu woningen)

Op een kadasterkaart, uitgegeven in mei 1896, is voor het eerst bebouwing aangegeven op de plek van de panden Dorpsstraat 103 en 107. Deze kadasterkaart toont drie


Jaarboek 31, pagina 63

aangesloten panden. De bouwer en ook eerste eigenaar van de panden was ene Karel Kooter, een timmerman uit Heiloo.
Hij bouwde de huizen voor de verkoop, want al kort na de bouw zijn de kopers achtereenvolgens: Jacob van Westerop, een koopman woonachtig in Heiloo, de ons reeds bekende Bernard Theissling tezamen met timmerman Jacob Res (elk voor 50 procent) en Klaas Glorie, eveneens koopman genoemd.

Foto uit 1900 van de drie huizen onder één kap, die werden gebouwd omstreeks 1895 op de plaats van de huidige panden Dorpsstraat 103 (woonhuis, annex slagerij) en Dorpsstraat 107 (een kleinschalig wooncomplex) In het rechterpand was toen een slagerij gevestigd, in het middenpand een boekhandel en in het linkerpand een kruideniers bedrijf.
Foto uit 1900 van de drie huizen onder één kap, die werden gebouwd omstreeks 1895 op de plaats van de huidige panden Dorpsstraat 103 (woonhuis, annex slagerij) en Dorpsstraat 107 (een kleinschalig wooncomplex) In het rechterpand was toen een slagerij gevestigd, in het middenpand een boekhandel en in het linkerpand een kruideniers bedrijf.

Er is een interessante foto uit 1900, dus niet zo lang na de bouw genomen, waaruit blijkt dat de drie panden eigenlijk onderdeel zijn van één gebouw, het zijn drie huizen onder één kap.
In dat jaar diende het rechtergedeelte van het pand als woon- en winkelhuis voor slager Gerard Groot, die zich hier in 1898 met zijn vrouw Antje van den Berg en vier kinderen vanuit Alkmaar had gevestigd. Groot kocht het pand pas in 1901 , dus hij zal het daarvoor hebben gehuurd. Een bewonerslijst uit 1900 geeft een aanwijzing dat er een korte periode voordat Gerard Groot het pand betrok nog een andere bewoner is geweest, ene Ruurd Plantenga, kleermaker van beroep.

Willem Stuifbergen en familie omstreeks 1900 voor de ingang van zijn boekwinkel, waar zo te zien ook de Alkmaarder Courant werd verkocht.
Willem Stuifbergen en familie omstreeks 1900 voor de ingang van zijn boekwinkel, waar zo te zien ook de Alkmaarder Courant werd verkocht.

In 1900, het jaar van genoemde foto, woonde in het middelste pand de in 1869 in Castricum geboren Willem Stuifbergen, sinds enkele jaren gehuwd met de uit Akersloot afkomstige Dieuwertje Frederiks. Willem Stuifbergen combineerde de beroepen van postbode en boekhandelaar. We komen zijn naam nergens tegen als koper van het pand, dus hij zal een huurder zijn geweest. Hij en zijn echtgenote zullen geen gemakkelijk leven hebben gehad, want van hun elf in Castricum geboren kinderen bereikten er slechts vier de volwassen leeftijd.
Het linkerpand werd vanaf de bouw bewoond door eigenaar Klaas Glorie, zijn echtgenote Neeltje Brakenhoff en nog enkele van de zes kinderen, die in zijn voormalige woonplaats Uitgeest waren geboren. Klaas wordt in archiefstukken kruidenier genoemd en dan verwacht je een winkel, maar op de foto uit 1900 is daarvan niets te zien. Er is bijvoorbeeld geen etalage. We kunnen dus slechts


Jaarboek 31, pagina 64

gissen hoe hij zijn handel dreef. Klaas overleed in 1905, waarna zijn weduwe nog in het pand bleef wonen. We nemen aan dat zij daar met enkele van haar zoons het kruideniersbedrijf heeft voortgezet, want toen Willem Stuifbergen in 1911 met zijn boekhandel stopte, werd zijn winkel al dadelijk overgenomen door Frans Glorie, de toen 32-jarige zoon van Klaas Glorie en Neeltje Brakenhoff.
Nog in 1911 bracht Frans Glorie volgens het kadaster een ‘vereniging’ tot stand van de twee panden (de kadasternummers 356 en 357), wat betekende dat zij werden samengetrokken tot één woon- en winkelhuis, voornamelijk een zaak van interne verbouwing, want zoals uit latere foto’s valt op te maken, bleef de gevel van dit gedeelte van het gebouw vrijwel onveranderd.

In 1913 werd de slagerswinkel, die Cor Admiraal in 1911 van Gerard Groot had overgenomen, verplaatst naar een nieuw pand direct naast het oorspronkelijke gebouw.
In 1913 werd de slagerswinkel, die Cor Admiraal in 1911 van Gerard Groot had overgenomen, verplaatst naar een nieuw pand direct naast het oorspronkelijke gebouw.
Personen op de foto uit ca. 1913 zijn rechts Johanna Admiraal – Brakenhff en haar dochter Jannetje in de deuropening van de nieuwe slagerij. Vervolgens Cor Admiraal en zoon Maarten voor de oude slagerswinkel, die is omgebouwd tot woning. Daarnaast Frans Glorie en zijn echtgenote Johanna Gijzen voor hun kruidenierswinkel.

Het jaar 1911 was een jaar van veranderingen, want ook Gerard Groot verliet zijn winkel en vertrok uit Castricum om weer terug te keren naar zijn geboorteplaats Alkmaar. Mogelijk werd het pand aan de Dorpsstraat wel wat krap voor zijn gezin, dat in Castricum tot niet minder dan 12 kinderen was gegroeid. Zijn gezin zou overigens qua kindertal in die tijd wel eens recordhouder kunnen zijn geweest, want in Alkmaar baarde Antje Groot – van den Berg op 41-jarige leeftijd haar 20e kind!
Groot verkocht zijn woon- en winkelhuis aan de 26-jarige Cor Admiraal die, komende uit Uitgeest en nog maar pas getrouwd met Johanna Brakenhoff, hier zijn kans schoon zag een eigen slagersbedrijf te beginnen. In november 1912, dus al kort na zijn vestiging als slager in het voormalige winkelpand van Gerard Groot, kreeg Cor Admiraal vergunning voor de bouw van een nieuwe slagerswinkel. Het resultaat is te zien op een foto die we rond 1913 dateren.
De oude slagerswinkel behoefde niet te worden gehandhaafd en werd omgebouwd tot een woning, aanvankelijk voor Cor Admiraal en zijn familie.

We hebben in onze artikelenreeks over de Dorpsstraat regelmatig geschreven over de problemen die de bewoners ondervonden tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar ook de Eerste Wereldoorlog bracht voor menig Castricummer de nodige zorgen met zich mee. Daar was bijvoorbeeld de mobilisatie, waardoor veel huisvaders hun normale werkzaamheden tijdelijk moesten opgeven om het land te dienen. Dit lot trof ook Cor Admiraal en zo werd zijn echtgenote gedwongen om de nog maar kort geopende nieuwe slagerswinkel enkele jaren min of meer zelfstandig draaiende te houden. Toen aan deze situatie een einde leek te komen, werd Johanna Admiraal – Brakenhoff eind 1918 het slachtoffer van de toen alom heersende Spaanse griep, waarbij Castricum tot een van de zwaarst getroffen gemeenten in Noord-Holland behoorde. Hoewel dit plotselinge verlies hard zal zijn aangekomen, trouwde Cor Admiraal niettemin later voor de tweede keer met Anna Ruigrok.
In 1925 kreeg hij vergunning voor de aanbouw aan zijn slagerij van een nieuw en thans nog bestaand woonhuis. In 1930 werd de nummering van huizen in verschillende Castricumse straten doorgevoerd en kregen woonhuis, annex slagerij, het nummer Dorpsstraat 103 toebedeeld. Het in 1923 gebouwde pand, dat hiervoor onderwerp van be-


Jaarboek 31, pagina 65

spreking was, werd toen Dorpsstraat 99 en men zou zich dus kunnen afvragen waar nummer 101 is gebleven. Dit werd in 1930 toegekend aan een onbebouwd stuk grond, dat sindsdien ook onbebouwd is gebleven. Volgens Peter Admiraal, de huidige slager, is Dorpsstraat 101 in feite dus het nummer van zijn tuin. Wat betreft de nummering zou men overigens dezelfde vraag kunnen stellen met betrekking tot het nummer 105, dat we vandaag de dag ook niet meer tegenkomen. Dit werd destijds, voor zover we konden nagaan, toegekend aan het reeds genoemde woonhuis in het omgebouwde pand, waar voordien de oude slagerswinkel was gevestigd. Dit gedeelte van het oude pand bestaat in feite nog, maar werd nog niet zo lang geleden na een renovatie bij de slagerswinkel getrokken en daarmee kwam nummer 105 te vervallen.

Bouwtekening uit 1976, waarop afgebeeld v.r.n.l. woonhuis annex slagerswinkel Dorpsstraat 103, woning Dorpsstraat 105 en winkel annex woonhuis Dorpsstraat 107.
Bouwtekening uit 1976, waarop afgebeeld v.r.n.l. woonhuis annex slagerswinkel Dorpsstraat 103, woning Dorpsstraat 105 en winkel annex woonhuis Dorpsstraat 107.

In 1943 werd Cor Admiraal, zoals zoveel Castricummers, geconfronteerd met een gedwongen evacuatie. Hij vertrok met zijn gezin naar Haarlem. Wat de panden in de Dorpsstraat betreft, kwam dit meestal neer op een vordering van de huizen voor de inkwartiering van Duitse militairen, maar in dit geval werden slagerswinkel en woonhuis merkwaardigerwijs betrokken door Seger Lakeman, een slager die voordien gevestigd was aan de Van Oldenbarneveldweg in Bakkum. Het patroon van gedwongen evacuaties van families uit hun huizen tijdens de bezetting en van tijdelijke toewijzing aan de bezetters of aan nieuwe bewoners, was in Castricum op zijn zachtst gezegd nogal chaotisch. Waarschijnlijk kreeg Lakeman Dorpsstraat 103 toegewezen, omdat hij op zijn beurt zijn pand in Bakkum, dat vrijwel geheel werd geëvacueerd, had moeten verlaten. In juli 1945 keerde Lakeman terug naar Bakkum en nog in dezelfde maand vestigde Admiraal zich weer op zijn oude adres in de Dorpsstraat, dat hij in een vrij erbarmelijke toestand aantrof. In 1948 deed Cor Admiraal, hij was de leeftijd van 60 jaar al ruim gepasseerd, zijn slagersbedrijf over aan zijn zoon Jan Admiraal, die in dat jaar was getrouwd met Elisabeth van Emmerik en zo een mooie start kon maken. Jan Admiraal was een karakteristieke Castricummer en een uitstekende vakman, tot in de wijde omtrek bekend om de kwaliteit van zijn vleeswaren. Hij is ruim 40 jaar als slager actief gebleven en assisteerde nog tot zijn dood in 1992 zijn zoon Peter, die de zaak op zijn beurt in 1985 had overgenomen.

Foto van slagerij Admiraal, Dorpsstraat 103. V.r.n.l. het woonhuis, de slagerswinkel en het verbouwde en bij de slagerij getrokken voormalige woongedeelte.
Foto van slagerij Admiraal, Dorpsstraat 103. V.r.n.l. het woonhuis, de slagerswinkel en het verbouwde en bij de slagerij getrokken voormalige woongedeelte.

De geschiedenis van Dorpsstraat 103 blijkt uit het voorgaande relatief weinig gecompliceerd, omdat er van oudsher eenzelfde bedrijf was gevestigd, dat vanaf 1911 bovendien nog in handen was van opeenvolgende generaties van een familie. Wat nu de geschiedenis van het in 1911 door samenvoeging ontstane naastgelegen pand betreft, hebben we te maken met een veel ingewikkelder situatie, gekenmerkt door een opeenvolging van meerdere bewoners en diverse bedrijven.

De loodgieterswinkel van Gerrit de Rooij, Dorpsstraat 107, ca. 1925, met aan de linkerkant het woongedeelte. Voor de winkel moeder To van Tongeren, vader Gerrit de Rooij en kinderen.
De loodgieterswinkel van Gerrit de Rooij, Dorpsstraat 107, ca. 1925, met aan de linkerkant het woongedeelte. Voor de winkel moeder To van Tongeren, vader Gerrit de Rooij en kinderen.

Nu keren we terug naar 1911, toen Frans Glorie hier een kruidenierswinkel begon. Deze zaak heeft bestaan tot 1924, in welk jaar Frans zijn winkel en woonhuis verkocht aan loodgieter Gerrit de Rooij, om zelf aan de overkant van de Dorpsstraat een nieuwe kruidenierszaak te starten. We stuiten hier op een fenomeen dat we ook in voorgaande artikelen over winkelstraten als de Dorpsstraat en de Burgemeester Mooijstraat zijn tegengekomen. De ondernemers veranderden wat betreft hun nering niet zelden binnen dezelfde winkelstraat van pand, als ze meenden daarmee hun voordeel te kunnen doen en zo komen we bij de bespreking van de geschiedenis van een straat dan ook herhaaldelijk dezelfde personen tegen. Dat geldt ook voor Gerrit de Rooij, die alweer in 1929 verhuisde naar het


Jaarboek 31, pagina 66

voormalige burgemeestershuis Dorpsstraat 36, om daar zijn loodgietersbedrijf tot grotere bloei te brengen.
Over de bestemming van het pand, dat in 1930 als nummer Dorpsstraat 107 kreeg toegekend, verkeren we na zijn vertrek enkele jaren in onzekerheid. In 1930 zou er de uit Alkmaar afkomstige Johannes Groenland hebben gewoond, een colporteur over wie we verder geen gevens hebben kunnen achterhalen. Vanaf 1936 wordt als bewoner genoemd Piet Nagengast, die zich als typograaf in november van dat jaar in Castricum vestigde. Hij kwam uit Alkmaar. Zoals we in het voorgaande vaker hebben gezien, hing een vestiging in Castricum veelal samen met een kort daarvoor gesloten huwelijk en dat was ook hier het geval, want de in Drenthe geboren Nagengast was op 29-jarige leeftijd, in 1936, in het huwelijk getreden met Catharina Henselmans. Nagengast nam een Castricumse drukkerij over en werd drukker/uitgever van onder andere een plaatselijk weekblad. Zijn verblijf op Dorpsstraat 107 was niet van lange duur, want kort voor de oorlog, in 1939, verhuisde hij naar Dorpsstraat 88. Hij kwam nu dicht bij zijn drukkerij te wonen, die was gevestigd aan nu genoemde Korte Cieweg in een pand dat niet meer bestaat. Tijdens de oorlog ontpopte Nagengast zich als een principiële persoonlijkheid, die zich niet – als zoveel van zijn collega-uitgevers – conformeerde aan de wensen van de bezetter en daar dan ook problemen mee kreeg. Een stuk Castricumse geschiedenis, dat het waard is in een apart kader wat nader te worden belicht.


Piet Nagengast in 1968.
Piet Nagengast in 1968.

Piet Nagengast, een opmerkelijke inwoner van Castricum in de periode 1936 tot 1946

Petrus Nagengast werd geboren op 29-10-1907 in Vries (Overijssel), woonde in Alkmaar en trouwde met Catharina Henselmans. In 1936 vestigde hij zich als typograaf in Castricum. Nagengast nam een Castricumse drukkerij over en werd drukker/uitgever van onder andere ‘Het Nieuwsblad voor Castricum, Bakkum en Omgeving’, een voortzetting van de in 1924 voor het eerst verschenen ‘Castricummer Courant’. Het weekblad van Nagengast kende vier succesvolle jaargangen.

In 1941, zijn blad was toen bezig aan zijn vijfde jaargang, liep het mis. Als we kennis nemen van de inhoud van sommige hoofdartikelen uit die tijd is gemakkelijk te raden waarom: zijn blad toonde te weinig begrip voor het gedachtegoed van het nationaal-socialisme. Een citaat uit oktober 1941: “Er zijn mensen, die zich nationaal-socialist noemen en het zijn. Dat moeten zij zelf weten, maar het is dwaas van hen te menen, dat zij alleen de waarheid bezitten. Dat hun houding de enig juiste is. Er zijn voorts ook mensen, vele mensen op dit ogenblik, die lijnrecht tegenover de levenshouding van dit nationaal-socialisme staan. Dergelijke mensen zijn er ook in Duitsland, zoals er in Italië anti-fascisten zijn. Hoe kan ‘t anders. Er wordt dan ook niet van ons gevraagd – er mag niet gevraagd worden, dat wij nationaal-socialisten zouden zijn. Immers, zoiets moeten wij zelf weten. Vandaar ook, dat het bij voorbeeld niet zal gebeuren, dat een Burgemeester verplicht wordt lid te zijn van deze beweging. Het kan van geen enkel ambtenaar van geen enkele burger ook, gevraagd worden. Wij zijn en blijven vrije mensen; wij zijn en blijven vrije Nederlanders en we kiezen zelf onze weg.”

Het artikel refereerde zelfs aan: “Het bekende feit dat van NSB-ers gezegd wordt dat voor hen de touwen klaarliggen en dat de bomen zijn aangewezen waaraan zij zullen bengelen.”
Voor die tijd was een dergelijke tekst, mogelijk niet van de hand van Nagengast zelf, maar uiteraard wel zijn mening vertolkend, uiterst gewaagd. Het wekt dan ook geen verbazing dat zijn blad al snel daarna werd verboden en de vijfde jaargang dus niet kon worden voltooid. Ook de drukkerij werd ontmanteld. Eén van de zeven kinderen van Nagengast, een thans in Schoorl woonachtige zoon herinnerde zich dat zijn vader, die overigens vrijwel nooit over de oorlog sprak, zich toch eens had laten ontvallen dat hij na het sluiten van zijn drukkerij in Castricum nog kans had gezien een aantal drukpersen onder te brengen in de Willibrordus Stichting te Heiloo, om vandaar uit illegaal te gaan drukken. Castricum bleef na het verbod enkele jaren verstoken van een eigen weekblad, maar in november 1944 verscheen in Castricum het eerste nummer van het illegale blad ‘Strijd’. In het tot stand komen daarvan heeft Nagengast waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld, want direct na de bevrijding verscheen dit blad bovengronds onder de dubbele naam ‘Strijd, Nieuwsblad voor Castricum’ en zien we Piet Nagengast weer als uitgever en drukker. Kort daarna kwam de naam ‘Strijd’ te vervallen en werd het blad voortgezet als ‘Nieuwsblad voor Castricum, Limmen en Uitgeest’. In september 1946 stopte Nagengast zijn activiteiten voor dit blad, dat overigens onder een andere redactie en met een andere uitgever bleef voortbestaan. Hij vertrok naar Alkmaar en stortte zich daar opnieuw in het drukkersvak. Hij overleed daar in 1969 op 63-jarige leeftijd.


Jaarboek 31, pagina 67

Bart van der Schaaf onderweg met zijn kar met manufacturen.
Bart van der Schaaf onderweg met zijn kar met manufacturen.

Na het vertrek van Nagengast vestigde zich nog in 1939 op Dorpsstraat 107 de 27-jarige manufacturier Bartholomeus (Bart) van der Schaaf met zijn echtgenote Johanna van Reijn. Hij was een jaar eerder vanuit Amsterdam naar Castricum gekomen, waar hij nog kort woonde aan het Schoutenbosch. Van der Schaaf exploiteerde niet alleen een manufacturenhandel aan de Dorpsstraat, maar trok er ook op uit met een kar vol textiel, onder andere voor de verkoop op het kampeerterrein Bakkum en op het toenmalige Duin en Bosch.
In de oorlog werden ook Bart van der Schaaf en zijn echtgenote tot evacuatie gedwongen en moesten hun handel enkele jaren in de steek laten. Evenals in het geval van Cor Admiraal werden er geen Duitse militairen ingekwartierd, maar werd het pand toegewezen aan een Bakkummer, Gerard Bedeke, die er zich met zijn technische bureau vestigde. In 1946 kwam aan de onverkwikkelijke situatie een eind. Bedeke verhuisde naar de Van Egmondstraat en Bart van der Schaaf kon terugkeren naar zijn vertrouwde Dorpsstraat 107 om er zijn manufacturenhandel te heropenen. Bart van der Schaaf was een begaafd musicus en hield er daarom nog een tweede beroep op na, dat van pianist. Hij leeft nog in de herinnering van Castricummers voort door zijn optredens in plaatselijke restaurants als dat van Kornman aan de Mient, maar hij trad ook elders in het land op. In 1957 kwam het tot een breuk met zijn echtgenote met het gevolg dat Bart verhuisde naar Alkmaar en zijn echtgenote achterbleef. Hoe het Bart verder verging hebben we niet uitgezocht, maar Johanna van Reijn bleef nog tot haar overlijden in 1983 op Dorpsstraat 107 wonen en specialiseerde zich in bontwerk. (Johanna was overigens een zuster van de bekende mime-kunstenaar Rob van Reijn.) Ze verhuurde haar winkelpand ook wel periodiek aan bepaalde bedrijven, zoals omstreeks 1960 aan fietsenhandelaar Bennes, die zijn hoofdvestiging op Dorpsstraat 98 had en in een periode rond 1978 als opslagruimte aan Electronica de Graaf.

We komen nu in het jaar 1985 en op het eerste gezicht lijkt het oorspronkelijke gebouw uit 1894/1895, gekarakteriseerd als drie huizen onder één kap, de tand des tijds redelijk te hebben doorstaan. Niettemin werd in dit jaar het besluit genomen tot sloop, waarbij het huidige straatbeeld ontstond: Dorpsstraat 103, een woonhuis, annex slagerij en Dorpsstraat 107, een klein appartementengebouw.

Wim Hespe
Lien Steeman

Bronnen:

Archieven:

  • Gemeente Castricum: archief Bouw- en Woningtoezicht en bewonerskaarten.
  • Kadaster te Alkmaar: kadastrale gegevens betreffende Castricum.
  • Regionaal Archief Alkmaar: bevolkingsregisters, kadastrale gegevens.
  • Werkgroep Oud-Castricum: fotoarchief; Nieuwsblad voor Castricum, beschikbare nummers uit de periode 1925 tot heden.

Publicaties:

Print Friendly, PDF & Email