Dorpsstraat (6e deel) huisnrs 44 – 56 (Jaarboek 32 2009 pg 61-70)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Dorpsstraat in Castricum:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7deel 8deel 9deel 10


Jaarboek 32, pagina 61

 

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 6)

Gedeelte van kadasterkaarten uit 1822 (links) en 1963 (rechts) met ingekleurd de panden, die in dit artikel worden besproken.
Gedeelte van kadasterkaarten uit 1822 (links) en 1963 (rechts) met ingekleurd de panden, die in dit artikel worden besproken

Dit is alweer het zesde artikel in de reeks over de Dorpsstraat en zijn bewoners. In voorgaande artikelen kwam de gehele oostkant van de Dorpsstraat aan de orde, te beginnen met villa ‘De Geertruida’, Dorpsstraat 1.  Wat betreft de overzijde bespraken we tot dusver de bewoningsgeschiedenis van het gedeelte vanaf de spoorwegovergang tot aan de Burg. Mooijstraat, de huidige panden Dorpsstraat 2, Chinees restaurant Jasmin Garden tot en met 42, nu (in 2009) Brasserie Van Gogh. We vervolgen met de geschiedenis van de panden aan de even zijde van de Dorpsstraat, vanaf de Burg. Mooijstraat.

Deze foto, genomen rond 1950 vanaf de toren van de Hervormde Kerk, geeft zicht op een reeks panden aan de rechterkant van de Dorpsstraat  die allen zijn gesloopt, waaronder de in dit artikel te bespreken panden.
Deze foto, genomen rond 1950 vanaf de toren van de Hervormde Kerk, geeft zicht op een reeks panden aan de rechterkant van de Dorpsstraat  die allen zijn gesloopt, waaronder de in dit artikel te bespreken panden.

Jaarboek 32, pagina 62

De huidige Dorpsstraat toonde al honderden jaren geleden een relatief intensieve bebouwing, geconcentreerd rond de oude Pancratiuskerk. Het is dus niet verwonderlijk dat in de totstandkoming van het huidige straatbeeld sloop en nieuwbouw elkaar vele malen afwisselden. Troffen we in eerder besproken gedeelten van de Dorpsstraat nog wel panden aan die sinds hun bouw de tand des tijds hebben doorstaan, het gedeelte van de Dorpsstraat waarin we nu binnen gaan, telt geen enkel oorspronkelijk pand meer. Recent werd in het kader van het project Bakkersplein nog een aantal panden gesloopt, wat een goede aanleiding vormt om in dit artikel speciaal op de geschiedenis van deze panden in te gaan en het straatbeeld in de herinnering terug te roepen.

Op deze plek (het linker gedeelte) stond vroeger de boerderij van melkhandel Ten Wolde, later omgebouwd tot wasserette. De bouw van het nieuwe pand van Simon de Wit nam enkele jaren in beslag en in januari 1974 vond de opening plaats.
Dorpsstraat 44/46 rond 1980: op deze plek (het linker gedeelte) stond vroeger de boerderij van melkhandel Ten Wolde, later omgebouwd tot wasserette. De bouw van het nieuwe pand van Simon de Wit nam enkele jaren in beslag en in januari 1974 vond de opening plaats.

Dorpsstraat 44/46

De oudst bekende kadasterkaart uit 1822 toont tussen de latere Burg. Mooijstraat (toen Kramersweg) en de Torenstraat een groot stuk onbebouwd land, met kadasternummer 363, gevolgd door enkele bebouwde percelen. Een belangrijk oriëntatiepunt is de herberg gelegen op de hoek van de huidige Torenstraat en Dorpsstraat, die omstreeks 1813 ‘De Rustende Jager’ werd gedoopt. Deze was toen in handen van de schout van Castricum, Joachim Nuhout van der Veen. Ze is gemakkelijk aan de hand van een beschrijving op de kaart uit 1822 te herkennen, een relatief groot pand op het perceel met kadasternummer 368, waarop ook een bijbehorende doorrijstal was gelegen. De Rustende Jager viel reeds in 1976 ten prooi aan de slopershamer om plaats te maken voor bankgebouwen. De geschiedenis van De Rustende Jager is in dit artikel geen onderwerp van bespreking, maar zij is al eens uitvoerig beschreven in het 7e jaarboekje (1984).
We concentreren ons in dit artikel op het ‘lege land’ met kadasternummer 363. De bebouwingsgeschiedenis van dit stuk land vangt in feite aan met de aankoop door Doris Ineke. Deze in Uitgeest geboren Doris Ineke was van beroep tuinman en bloemist. Hij was in 1819, op 21 jarige leeftijd, in Castricum in het huwelijk getreden met Elisabeth de Bie en toen gaan inwonen bij zijn schoonmoeder Cornelia de Bie – Voerman, de 52-jarige weduwe van de in 1800 overleden Arie de Bie en in het bezit van een huis en schuur op het perceel dat op kadasterkaart uit 1822 is aangegeven met nummer 367. Het leven van Doris Ineke en dat van zijn schoonmoeder nam een tragische wending door het overlijden in 1828 van zijn echtgenote, nog geen 30 jaar oud. In 1830, nog steeds inwonend bij zijn schoonmoeder, trouwde Doris opnieuw, nu met Marijtje de Bie, een nicht van zijn eerste echtgenote. In 1833 kocht hij uit de nalatenschap van Joachim Nuhout van der Veen het bouwland genummerd 363, groot 6260 m2 , voor een bedrag van 360 gulden.

Een kadasterkaart uit 1882 toont de bebouwing in dat jaar van het gedeelte van de Dorpsstraat (toen Rijksstraatweg) dat onderwerp is van bespreking. Kadasternummer 1626 betreft een pand gelegen op de plaats van de latere Dorpsstraat 44/46, 1625 van de latere Dorpsstraat 48 en 1156 van de latere Dorpsstraat 50/52.
Een kadasterkaart uit 1882 toont de bebouwing in dat jaar van het gedeelte van de Dorpsstraat (toen Rijksstraatweg) dat onderwerp is van bespreking. Kadasternummer 1626 betreft een pand gelegen op de plaats van de latere Dorpsstraat 44/46, 1625 van de latere Dorpsstraat 48 en 1156 van de latere Dorpsstraat 50/52.

Het jaar 1840 verliep voor Doris Ineke opnieuw tragisch, want zijn tweede echtgenote kwam te overlijden. Hij verkocht in dit jaar onderhands een klein deel van nummer 363, gelegen op de hoek van de huidige Dorpsstraat-Burg. Mooijstraat, aan zijn oom Johannes de Bie, die met zijn gezin in Limmen woonde. Johannes de Bie was timmerman; hij bouwde op zijn nieuw verkregen stukje land een woonhuis en een houtschuur, wat het begin was van een timmerbedrijf, dat nog lang op deze plek gevestigd is geweest. Johannes de Bie verkocht in 1846 zijn bedrijf aan zijn zoon Arie de Bie, enkele jaren nadat Arie in het huwelijk was getreden met Kodijntje Wagenaar. Arie was eveneens timmerman en maakte als zodanig enige naam met de bouw van verschillende huizen in Castricum, onder andere het tolhuis aan de Rijksstraatweg. Ook wordt hij winkelier genoemd, wat wel te maken zal hebben gehad met zijn timmerbedrijf, waarbij hout en aanverwante zaken werden verkocht.
In 1855 verhuisde hij met zijn gezin naar de Duinkant en verkocht zijn bedrijf aan de toen 27-jarige Cornelis Bakker, eveneens timmerman, getrouwd met Trijntje Zwaan en afkomstig uit Akersloot. Het bedrijf van Cornelis Bakker zal aanvankelijk een voortzetting zijn geweest van dat van Arie de Bie, maar kennelijk ging het zo goed, dat hij zich kon permitteren een nieuw timmermansbedrijf plus woning te stichten op een plek direct gelegen naast zijn bestaande bedrijf en behuizing. Waarschijnlijk kwam deze nieuwbouw omstreeks 1866 gereed, want er zijn aanwijzingen dat hij in dat jaar zijn oude behuizing ging verhuren. We komen hier nog op terug.


Jaarboek 32, pagina 63

In 1869 huwde zijn 21-jarige zoon Klaas Bakker, eveneens timmerman, met Maartje van Til. Dit huwelijk was voor vader Cornelis een aanleiding om de nieuw gestichte timmermanswerkplaats met woongelegenheid aan zijn zoon te verkopen. Cornelis Bakker bleef nog jaren bij het timmerbedrijf betrokken, want hij verhuisde pas in 1889 naar Beverwijk.
Onder Klaas Bakker groeide het timmerbedrijf uit tot een kleine fabriek. Volgens een beschrijving in een latere notarisakte, toen het bedrijf ophield te bestaan, zoals we zullen zien, was het een fabrieksgebouw, ingericht ‘tot het fabriceren van houtwerken en het malen van granen met stoom’. Dat laatste klinkt wat merkwaardig, maar kennelijk loonde het om de stoomkracht – er wordt gesproken over meerdere stoommachines – voor verschillende doeleinden te benutten. Mogelijk kwam dit bij gevestigde bakkers, zoals buurman Kehl, die we hierna nog zullen tegenkomen, goed van pas. Hoewel de stoomtram in Castricum pas in 1897 zijn intrede deed, waaiden er dus al eerder stoomwolken langs de toenmalige Rijksstraatweg, geproduceerd door waarschijnlijk de eerste industriële vestiging in Castricum.

Het in 1822 qua bebouwing nog kale gedeelte van de Dorpsstraat had nu dus een gezicht gekregen, waarvan helaas geen afbeeldingen bestaan, maar waarvan een kadasterkaart uit 1882 toch een indruk geeft. Het langgerekte pand met de erachter gelegen schuur op het perceel met kadasternummer 1625, betreft het woonhuis en timmerbedrijf van Klaas Bakker. Hij wordt in sommige archiefstukken ook winkelier genoemd, dus waarschijnlijk was het pand ook een verkooppunt voor (hout)artikelen uit zijn fabriek, zoals het dat ook al was in de periode Arie de Bie. Het pand met nummer 1626 betreft de ‘oude’ behuizing van het bedrijf.

Gedeelte van kadasterkaarten uit 1822 (links) en 1963 (rechts).
Gedeelte van kadasterkaarten uit 1822 (links) en 1963 (rechts).
Kadasterkaart uit 1882.
Kadasterkaart uit 1882.

We zullen nu eerst de verdere geschiedenis bespreken van nummer 1626, de oorspronkelijke behuizing van het bedrijf van Cornelis Bakker om daarna te vervolgen met de lotgevallen van zijn zoon Klaas Bakker en zijn fabriek. Vergelijken we de kadasterkaart uit 1882 met de kadasterkaart uit 1963, dan is een overeenkomst in ligging en vormgeving van de latere Dorpsstraat 44/46 opvallend, wat suggereert dat het pand in ongeveer deze vorm, waarvan slechts veel latere foto’s een indruk geven, dus al in 1882 bestond. Cornelis Bakker verhuurde het pand omstreeks 1866 aan de toen 24-jarige Castricummer Willem Steeman, die in dat jaar was getrouwd met de 28-jarige Martha Kok, afkomstig uit Uitgeest.
Als beroep van Willem Steeman werd bij zijn huwelijk ‘straatwerker’ aangegeven en dat maakt duidelijk dat hij niet genoeg bemiddeld was om het pand te kopen. Later promoveerde hij tot kantonnier, een functie waarin hij verantwoordelijk werd voor het onderhoud van een gedeelte (kanton) van de Rijksweg. Bovendien begon zijn vrouw Martha er een handel in manufacturen, waardoor de koop van het pand wel binnen het bereik kwam. Dat maakte Willem Steeman niet meer mee, want hij overleed in 1883. De koop kwam tot stand in 1892, met als koper zijn in 1867 geboren zoon Cornelis Steeman, die zich eveneens in het vak van manufacturier had bekwaamd. Cornelis, die ongetrouwd bleef, had gedurende vele jaren samen met zijn moeder de manufacturenhandel aan de Dorpsstraat, maar toen hij de leeftijd van 65 jaar naderde, vond hij het tijd om te stoppen en de zaak te verkopen.

Foto uit circa 1970 van het ‘dubbelpand’ van Jan Twisk, met links de woning Dorpsstraat 44 van huurder Dirk Schotvanger en rechts de manufacturenzaak van Jan Twisk. Rechts op de foto nog een glimp van de modezaak van Jan Mul in het vernieuwde pand dat hij in 1969 betrok.
Foto uit circa 1970 van het ‘dubbelpand’ van Jan Twisk, met links de woning Dorpsstraat 44 van huurder Dirk Schotvanger en rechts de manufacturenzaak van Jan Twisk. Rechts op de foto nog een glimp van de modezaak van Jan Mul in het vernieuwde pand dat hij in 1969 betrok.

Er zullen niet veel Castricummers zijn, die nog duidelijke herinneringen hebben aan Cornelis Steeman en zijn manufacturenhandel. Dat ligt uiteraard anders voor zijn opvolger, die het pand in 1931 kocht. Dat was de kleermaker Johannes (Jan) Twisk, geboren in 1902 in Heiloo, als telg uit een kleermakersgeslacht, dat terugging tot zijn vader, grootvader en zelfs zijn overgrootvader(!). Betrekkelijk kort voor zijn vestiging in de Dorpsstraat was hij in 1928 in Heiloo getrouwd met Johanna Mulder. De aankoop betrof twee huizen onder één kap: Dorpsstraat 44 en 46 (sinds de huisnummering van 1930). Van het gehele pand (woonhuis en winkel) werd Twisk eigenaar, een situatie die tot de sloop heeft voortgeduurd. Twisk had voldoende ruimte aan de verdieping boven zijn winkel op Dorpsstraat 46 en kon Dorpsstraat 44 gaan verhuren.
Als huurder meldde zich vanuit Amsterdam Pieter Schotvanger, die toen 54 jaar was en al een hele geschiedenis in Castricum en ook elders achter de rug had, onder meer als eigenaar van café De Harmonie in de Burg. Mooijstraat


Jaarboek 32, pagina 64

(nu – in 2009 – Chinees restaurant). Hij overleed op 8 januari 1957 en een bewonerskaart vermeldt vanaf die datum als bewoner van Dorpsstraat 44 zijn zoon Dirk Schotvanger. Naar aanleiding van zijn 100e levensjaar treffen we in dit jaarboek een interview met Dirk Schotvanger aan.

In 1971 ontwikkelde het concern Simon de Wit plannen om in de Dorpsstraat een grote supermarkt te stichten, waarover de in de dorpskern gevestigde middenstand zich volgens het Nieuwsblad voor Castricum zeer verheugd toonde. Het levensmiddelenconcern had daartoe de panden van Jan Twisk, Dorpsstraat 44/46 en de wasserette van Henk Veldt (Burg. Mooijstraat 1) aangekocht. In 1972 was het zover, want met de sloop werd een aanvang gemaakt. Dirk Schotvanger verhuisde in januari naar de Verlegde Overtoom. Jan Twisk, inmiddels 69 jaar, was in 1971 gestopt en aan de Nansenlaan gaan wonen, maar niet nadat hij, wat zijn textielwinkel betreft, nog een grote uitverkoop had gehouden.
De bouw van het nieuwe pand van Simon de Wit nam enkele jaren in beslag en in januari 1974 vond de opening plaats. Boven de supermarkt werden enkele bovenwoningen gerealiseerd. De supermarktbranche was vanaf het begin onderhevig aan veranderingen en het concern Simon de Wit kwam in moeilijkheden met als gevolg dat het bedrijf in Castricum in 1984 plaats maakte voor supermarkt Amax. Deze supermarkt was ook geen lang leven beschoren en kreeg in 1996 de naam Supermarkt De Boer. De ingang aan de Dorpsstraat werd verplaatst naar het Bakkerspleintje. Nog geen 35 jaar na de opening kwam de supermarkt niettemin aan zijn einde, werd bijna geheel gesloopt en verbouwd tot de huidige modezaak Mull.

Dorpsstraat 48

Keren we nu terug tot de geschiedenis van de stoomzaagfabriek van Klaas Bakker op de plek van de latere Dorpsstraat 48. Deze fabriek leverde niet het succes op dat Klaas (en zijn vader Cornelis) er van zullen hebben verwacht. In 1882 had Klaas Bakker ter financiering van zijn industriële activiteiten een lening van 3.000 gulden afgesloten bij Theodorus Koorn, een geldschieter in Alkmaar. Klaas kwam in moeilijkheden toen hij in gebreke bleef de rente te betalen. Het notarieel afgesloten contract van geldlening bevatte de logische bepaling dat bij niet voldoen van de schuld de schuldeiser kon overgegaan tot de verkoop van het onroerend goed. En dat gebeurde in 1892 op een openbare veiling van woonhuis, timmerfabriek en toebehoren. Klaas vertrok nog in hetzelfde jaar met echtgenote en familie naar Alkmaar. Koper van dit onroerend goed was Nicolaas Kehl, gevestigd als brood- en banketbakker op het naastgelegen perceel. Voorzover valt na te gaan deed Kehl zijn aankoop voornamelijk om de schuur van Klaas Bakker te kunnen gebruiken als bergplaats. Het hoofdpand onderging kort na de aankoop een soort halvering, te oordelen naar een kadasterkaart, maar merkwaardigerwijs veranderde het kadasternummer niet; het bleef 1625, benoemd als huis, schuur en erf. Het lijkt erop dat het fabrieksgedeelte aan de achterzijde werd ontmanteld en gesloopt. Maar hoe dit ook zij, het resterende deel, het aan de straatzijde gelegen woonhuis, werd door Nicolaas Kehl verhuurd. Als huurders zijn bekend ene A. van der Leur, over wie we verder geen informatie hebben en vanaf 1898 de toen 45-jarige, uit Limmen afkomstige spoorwegarbeider Jacob Schuit en zijn gezin.

Melkventer Jan Castricum met paard en wagen. Op de achtergrond het moeilijk te herkennen winkelpand met opschrift ‘Handel in melkproducten’. Naast de deuropening zijn echtgenote Margaretha Kuilman. De foto werd gemaakt in 1924, waarschijnlijk bij de opening van de winkel.
Melkventer Jan Castricum met paard en wagen. Op de achtergrond het moeilijk te herkennen winkelpand met opschrift ‘Handel in melkproducten’. Naast de deuropening zijn echtgenote Margaretha Kuilman. De foto werd gemaakt in 1924, waarschijnlijk bij de opening van de winkel.

Pas in 1919 trad er een koper naar voren in de persoon van Hendrikus Schram, in Castricum geboren en volgens de archieven een verzekeringsagent en koopman. Al in 1924 verkocht Schram huis, schuur en erf (nummer 1625) aan Jan Castricum, een melkboer, die kort voor zijn vestiging in de Dorpsstraat was getrouwd met Margaretha Kuilman. Jan Castricum begon er niet alleen een handel in melkproducten, maar ging ook venten met paard en wagen.

Van de zeven kinderen van het echtpaar Castricum – Kuilman is dochter Ans – lange tijd werkzaam in de verpleging – nog in Castricum woonachtig. Zij werd geboren in 1933 en groeide op in het pand aan de Dorpsstraat, dat ze zich herinnert als een heel oud en wat gammel huis. De kinderen sliepen op zolder en daar waren de kieren dichtgestopt met kranten. Volgens Ans had haar vader ook een winkel op het kampeerterrein en was hij de eerste beheerder van een kiosk op het voetbalterrein van Vitesse aan de Oudeweg.


Jaarboek 32, pagina 65

De winkel van Jan Castricum, Dorpsstraat 48, omstreeks 1950. De voorgevel werd in 1939 vernieuwd na ernstig te zijn beschadigd door een uit de bocht gevlogen vrachtwagen. Links een glimp van de manufacturenzaak van Twisk. Rechts de zijgevel van het pand van bakker Gerard Hemmer.
De winkel van Jan Castricum, Dorpsstraat 48, omstreeks 1950. De voorgevel werd in 1939 vernieuwd na ernstig te zijn beschadigd door een uit de bocht gevlogen vrachtwagen. Links een glimp van de manufacturenzaak van Twisk. Rechts de zijgevel van het pand van bakker Gerard Hemmer.

Na een moeilijke periode in de oorlog, waarbij het gezin overigens niet werd geëvacueerd omdat Jan Castricum betrokken was bij de voedselvoorziening, verliepen de zaken kennelijk weer zo voorspoedig dat in 1954 werd besloten tot nieuwbouw, waarbij het vrij bescheiden pandje plaats maakte voor een aanzienlijk robuuster gebouw.

Foto uit ca. 1960 van het nieuwe pand van Jan Castricum, Dorpsstraat 48, gebouwd in 1955.
Foto uit ca. 1960 van het nieuwe pand van Jan Castricum, Dorpsstraat 48, gebouwd in 1955.

In 1964 liet Jan Castricum de dagelijkse exploitatie van zijn winkel over aan zijn toen 36-jarige zoon Kees Castricum, die hem al geruime tijd had geassisteerd en verhuisde hij naar een nieuw gebouwde woning aan de Henri Schuytstraat. Hij bleef niettemin zijn zoon nog jaren in de winkel assisteren. Uit enkele foto’s, destijds genomen van het interieur van de winkel, kan men opmaken dat er toen niet alleen zuivelproducten werden verhandeld, maar ook kruidenierswaren.

Doorkijk Dorpsstraat met links een glimp van de supermarkt, die in 1974 werd geopend op de plaats van het 'dubbelpand' Dorpsstraat 44/46 en vervolgens op nummer 48 modehuis Mul.
Doorkijk Dorpsstraat met links een glimp van de supermarkt, die in 1974 werd geopend op de plaats van het ‘dubbelpand’ Dorpsstraat 44/46 en vervolgens op nummer 48 modehuis Mul.

Kees Castricum werd aanvankelijk gezien als de opvolger van zijn vader, maar door ziekte van zijn echtgenote moest hij zijn activiteiten beëindigen en verkocht hij het pand omstreeks 1968 aan Jan Mul, die een zaak had aan de overkant op Dorpsstraat 47. Na een (grondige) verbouwing opende Mul er in mei 1969 zijn verplaatste herenmodezaak.

Foto van het pand waarin Jan Mul in 1969 zijn herenmodezaak begon, kort voor de sloop in 2007. In dat jaar verhuisde de modezaak, inmiddels Mull Mode met als eigenaar Marco van Hall naar het nieuwe pand, waarvan een klein gedeelte links op de foto zichtbaar is.
Foto van het pand waarin Jan Mul in 1969 zijn herenmodezaak begon, kort voor de sloop in 2007. In dat jaar verhuisde de modezaak, inmiddels Mull Mode met als eigenaar Marco van Hall naar het nieuwe pand, waarvan een klein gedeelte links op de foto zichtbaar is.

Jaarboek 32, pagina 66

Voor meer bijzonderheden over Jan Mul en de geschiedenis van zijn modezaak verwijzen we naar deel 3 van deze artikelenreeks (28e jaarboek, 2005). Na het plotseling overlijden van Jan Mul in 1998 werd de herenmodezaak voortgezet door Marco van Hall, die reeds enige jaren als medewerker aan de zaak verbonden was en die deze later onder de naam Mull Mode voortzette. Op de plek waar voorheen de eerder besproken supermarkt was gevestigd, realiseerde Marco van Hall een nieuwe zaak. Daarna werd in 2007 het oude pand gesloopt.

Het ‘dubbelpand’ Dorpsstraat 50/52, door Hemmer gebouwd in 1927, kort voor de sloop in 2007. Op nummer 50 was toen kinderkledingzaak Noes gevestigd en op 52 café Camelot. De sloop vond plaats in het kader van een nieuw bebouwingsplan Bakkersplein, waarvan een groot doek aan de voorgevel van Noes een indruk geeft.
Het ‘dubbelpand’ Dorpsstraat 50/52, door Hemmer gebouwd in 1927, kort voor de sloop in 2007. Op nummer 50 was toen kinderkledingzaak Noes gevestigd en op 52 café Camelot. De sloop vond plaats in het kader van een nieuw bebouwingsplan Bakkersplein, waarvan een groot doek aan de voorgevel van Noes een indruk geeft.

Dorpsstraat 50/52

De kadasterkaart uit 1882 toont op ongeveer de plek van het inmiddels gesloopte pand Dorpsstraat 50/52 al een bescheiden bebouwing, met kadasternummer 1156, waar toen was gevestigd bakker Otto Johannes Kehl. Hij kwam in onze artikelenreeks al eerder ter sprake vanwege zijn ‘tweede leven’ als bloemist en de veronderstelde stichter omstreeks 1892 van de ‘boerderij’ Dorpsstraat 11, later de bloemisterij van Jan Twisk (zie 27e jaarboek, 2004, blz. 49).

Kadasterkaart uit 1882.
Kadasterkaart uit 1882.

Deze Otto Kehl werd in 1827 in Alkmaar geboren, waar hij opgroeide in het gezin van logementhouder Johannes Kehl en Johanna Schaap. Hij kwam in juni 1865 vanuit Alkmaar naar Castricum met zijn echtgenote Aafje Zonjee en zijn vijf in Alkmaar geboren kinderen. Op 16 maart 1865 kocht Otto Kehl op een openbare veiling het woonhuis van de erfgenamen van Doris Ineke, die in 1865 was overleden. Het gaat hier om een pand, waarvan we de bouw dateren omstreeks 1862. Enkele maanden na de aankoop vestigt Kehl zich met zijn gezin in Castricum. Blijkens de kadasterkaart uit 1882 heeft Otto Kehl enkele verbouwingen al snel na zijn komst doorgevoerd.

Gedeelte van een kadasterkaart uit 1891. Van het pand van Klaas Bakker (nr 1625) lijkt een gedeelte vervallen, hoewel het nog gestippeld is aangegeven. Waarschijnlijk het gevolg van de ontmanteling van het fabrieksgedeelte. Perceel 1744 van Otto Kehl toont verbouw en bijbouw ten opzichte van de situatie in 1882.
Gedeelte van een kadasterkaart uit 1891. Van het pand van Klaas Bakker (nr 1625) lijkt een gedeelte vervallen, hoewel het nog gestippeld is aangegeven. Waarschijnlijk het gevolg van de ontmanteling van het fabrieksgedeelte. Perceel 1744 van Otto Kehl toont verbouw en bijbouw ten opzichte van de situatie in 1882.

Na de vestiging van Kehl volgden ‘verbouwing’ en ‘bijbouw’, om in kadastertermen te spreken, elkaar in snel tempo op om te resulteren in de situatie die op een kaart uit 1891 is aangegeven. Ten opzichte van 1882 is de situatie aanzienlijk veranderd. Nummer 1687, waarschijnlijk de bakkerij, blijkt aanzienlijk vergroot en er zijn enkele kleine panden naast gebouwd op ongeveer de plaats van de latere panden Dorpsstraat 54/56, waarop we in het vervolg nog terugkomen.
Over het bakkersbestaan van Otto Kehl weten we verder weinig. Er zijn geen getuigenissen, maar opvallend is dat hij op 65-jarige leeftijd nog aan een tweede leven begon als bloemkweker en bloemist elders in de Dorpsstraat. Zijn motieven kennen we niet, maar je kunt je voorstellen dat hij toen tijd vond om van zijn hobby zijn beroep te maken. Hij verkocht zijn woonhuis en bakkersbedrijf in 1893 aan zijn toen 36-jarige zoon Nicolaas Kehl, die reeds in het bakkersbedrijf assisteerde.

Nicolaas en zijn echtgenote Antje Dam zetten dus het bakkersbedrijf van vader voort, maar niet voor lang. Hij volgde het voorbeeld van zijn vader door zich in de teelt van bloembollen te bekwamen. Over de opvallende veranderingen in de loopbaan van verschillende leden van de familie Kehl, van het bakken van brood naar het kweken van bloemen en bloembollen, valt nog wel meer op te merken. Dat wordt onderwerp van een volgend artikel, waarin onder andere de stichting van een bloemenzaak, verderop in de Dorpsstraat (voorloper van de huidige – in 2009 – bloemenzaak Cools) ter sprake zal komen.

Omstreeks 1930. Hendrik Hemmer (met strohoed) en personeel in de deuropening van zijn bakkerij aan de Ruiterweg. Rechts zijn zoon Gerard, die hem later zou opvolgen.
Omstreeks 1930. Hendrik Hemmer (met strohoed) en personeel in de deuropening van zijn bakkerij aan de Ruiterweg. Rechts zijn zoon Gerard, die hem later zou opvolgen.

Nicolaas Kehl verkocht een deel van zijn bezittingen, waaronder woon- en winkelhuis met bakkerij volgens een akte van verkoop op 1 november 1902 aan de 28-jarige Hendrik Hemmer uit Tubbergen, in dat jaar in Castricum getrouwd met Jeannette Breijder. Hemmer werd als Castricumse bakker een begrip, mede omdat hij in 1910 een tweede bakkerij opende aan de Ruiterweg, vlak bij de


Jaarboek 32, pagina 67

spoorovergang. Hij exploiteerde zijn beide zaken onder de naam ‘De Hoop’. Een vraag die gesteld kan worden is of Hemmer in zijn beide vestigingen bakte. Volgens een in Castricum woonachtige kleinzoon, die overigens putte uit de overlevering, bakte zijn grootvader aan de Ruiterweg en was de Dorpsstraat een verkooppunt.

Van het bakkersbedrijf van Hemmer aan de Dorpsstraat na de overname van Kehl zijn ons geen afbeeldingen bekend. In 1927 liet Hendrik Hemmer op de plaats van het oude pand aan de Dorpsstraat een nieuw en veel groter pand bouwen, waarin hij zijn bakkerswinkel vestigde.

Het oude pand van Kehl verdween dus uit het straatbeeld en werd vervangen door een ‘dubbelpand’ dat wil zeggen twee woon-winkeleenheden onder één kap. In het eerste gedeelte, Dorpsstraat 50, vestigde eigenaar Hemmer zijn winkel en ging er met zijn gezin ook wonen, want er was een ruime bovenverdieping beschikbaar. Het aangrenzende, maar gescheiden woon-winkelhuis Dorpsstraat 52, werd door Hemmer verhuurd. We leren Hemmer niet alleen kennen als een succesvol ondernemer, maar hij voelde zich ook aangetrokken tot de plaatselijke politiek, werd verkozen in de gemeenteraad en later benoemd tot wethouder, in welke functie hij ook als loco-burgemeester optrad. Hij toonde zich bovendien zeer betrokken bij het Castricumse verenigingsleven en was voorzitter van het Witte Kruis en van VVV ‘Castricum Vooruit’.
Omdat we nu te maken hebben met een daadwerkelijke tweedeling van voormalige panden, gaan we eerst verder met de geschiedenis van Dorpsstraat 50.

Doorkijk Dorpsstraat circa 1930, met als eerste pand links het ‘dubbelpand’ van Hemmer, Dorpsstraat 50/52.
Doorkijk Dorpsstraat circa 1930, met als eerste pand links het ‘dubbelpand’ van Hemmer, Dorpsstraat 50/52.

Dorpsstraat 50

In 1939 werd Hendrikus Hemmer 65 jaar en zoals we al in het voorgaande hebben gezien, was deze ‘pensioenleeftijd’ ook voor zelfstandigen het moment om het wat kalmer aan te doen en de zaken over te laten aan een opvolger, liefst een familielid. Zo ook Hendrikus Hemmer, die in dat jaar als beheerder van het bakkersbedrijf zijn 32-jarige zoon Gerard Hemmer aanstelde.
De oorlog vormde ook voor de familie Hemmer een moeilijke periode. In 1941 was Hendrikus Hemmer overleden. Op last van de bezetter moest de bakkerij aan de Ruiterweg in 1943 worden gesloopt en was er geen andere keus dan weer te gaan bakken aan de Dorpsstraat. Het pand aan de Dorpsstraat stond tot 1945 op naam van zijn weduwe Jeannette Breijder, toen het bakkersbedrijf definitief toeviel aan Gerard Hemmer en zijn echtgenote Catharina Tromp. Gerard was in de oorlog actief betrokken bij het verzet, want in 1946 ontving hij een onderscheiding van de Nederlandse Spoorwegen vanwege zijn aandeel in de spoorwegstaking. Direct na de oorlog roemde het uit de illegaliteit voortgekomen blad ‘Strijd Castricum’s Dagblad’ bakkerij Hemmer om zijn ‘bevrijdings-Taai-Taai’.

Gerard Hemmer toonde zich, evenals zijn vader, betrokken bij allerlei maatschappelijke activiteiten, die niet direct met het bakkersbedrijf hadden te maken. Zo wordt hij in 1947 in de plaatselijke krant genoemd als bestuurslid van de woningbouwvereniging St. Joseph. In 1948 roemt de krant hem als de ‘kampioen’ in het beschikbaar stellen van premies voor renners in de Ronde van Castricum. Dat was opnieuw het geval in 1949, een ronde waarin de later bekend geworden wielrenners Adrie Voorting en Henk Faanhof een deel van de premies opstreken. In 1949 heeft Gerard Hemmer zitting in het bestuur van de Boerenleenbank, toen gevestigd op Dorpsstraat 60. Bij de latere voortzetting van de bank als Coöperatieve Raiffeissenbank was hij zelfs enige jaren voorzitter.


Jaarboek 32, pagina 68

Wat de bakkerijactiviteiten betreft, vergde de gedwongen verplaatsing van de Ruiterweg naar de Dorpsstraat waarschijnlijk toch te veel improvisatie, want Gerard Hemmer maakte al kort na de oorlog plannen voor de bouw van een nieuwe bedrijfsruimte achter zijn perceel Dorpsstraat 50, waarvoor hij in juli 1948 toestemming kreeg. Dit pand, Dorpsstraat 50a, werd later door de gemeente gekocht en verbouwd voor de jeugdsociëteit ‘De Bakkerij’.

In 1966, Gerard naderde de leeftijd van 60 jaar, kwam een einde aan het lange bestaan van bakkerij De Hoop en werd Dorpsstraat 50 verkocht aan Adriaan van den Tweel, die er zijn Modehuis Riat naar verplaatste, dat tot dan gevestigd was op Dorpsstraat 22. Deze modezaak was vooral een aangelegenheid van Hendrika Weeda, de echtgenote van Van den Tweel, die zelf veel meer geïnteresseerd was in de exploitatie van de bowlingbar die hij in 1968 op Dorpsstraat 22 was begonnen. Weliswaar brandde deze in 1970 af, maar een jaar later stond er al weer een splinternieuw pand. Bij de opening werd een spetterende modeshow gegeven door Modehuis Riat; het mes sneed hier aan twee kanten.
Ondanks de op het eerste gezicht succesvolle exploitatie van twee zaken, hield het echtpaar Van den Tweel het omstreeks 1978 in Castricum voor gezien en verhuisde naar Spanje, naar verluidt vooral door de overlast veroorzaakt door groepen jongeren. In verband hiermee was de Bowlingbar al in 1974 verkocht aan Theo Besteman (zie voor de geschiedenis van de bowlingbar 26e jaarboek, 2003, blz. 44).

Modehuis Riat werd verkocht aan Frans de Roode. Het Nieuwsblad van Castricum van 1 maart 1978 schreef: ”Met ingang van vandaag is Castricum een nieuwe modezaak rijker. Aan de Dorpsstraat 50 heeft Frans de Roode de deuren van een intern verbouwd pand geopend. Afscheid werd genomen van de oude eigenaars, het echtpaar Van den Tweel, die Dieuwertje en Frans de Roode bij hun bestaande klantenkring zal aanbevelen. Het echtpaar De Roode, dat sinds twee jaar in Castricum woont, heeft twee kinderen. Frans de Roode heeft een bijna 25-jarige ervaring in de verkoop van damesmodeartikelen.”
Modezaak Frans de Roode bleef tot 1999 op Dorpsstraat 50 bestaan, in welk jaar de zaak werd verkocht aan de firma Biesterbos. Die had toen al sloopplannen, maar zoals we wel vaker zien, kan tussen plannen en daadwerkelijke uitvoering nog geruime tijd verlopen. Dat betekende dat Biesterbos in het pand nog een aantal jaren tijdelijk onderdak bood aan verschillende ondernemers, het laatst aan Noes Kinderkleding, tot de sloop in 2007.

Dorpsstraat 52 in 1997: in 1997 was er al sprake van dat deze panden van J. Mul Herenmode, damesmodezaak Riat of Frans de Roode FdR, de Voem-Voem bar en slijterij Gall en Gall gesloopt zouden worden voor de vernieuwing van het centrum.
Dorpsstraat 52 in 1997: in 1997 was er al sprake van dat deze panden van J. Mul Herenmode, damesmodezaak Riat of Frans de Roode FdR, de Voem-Voem bar en slijterij Gall en Gall gesloopt zouden worden voor de vernieuwing van het centrum.

Dorpsstraat 52

We keren nu terug tot Dorpsstraat 52, de andere helft van het pand van Hemmer, dat hij na de bouw in 1927 ging verhuren. De eerste huurder was een kapper, wat we opmaken uit een krantenbericht in 1935, dat spreekt van de heropening van de kapsalon voor dames en heren, annex tabaks- en parfumeriezaak van de heer B. Martin na een verbouwing van de pui, ‘waarmee de Dorpsstraat een vernieuwde fraaie gevel rijker is geworden’. Vanaf 1939 werd de kapperszaak gerund door Wouter Molenaar uit Zaandijk. Na de oorlog komen we hem tegen als kapper gevestigd op Dorpsstraat 39. In april 1949 kondigde de plaatselijke krant de vestiging aan van een dameshoedenwinkel op Dorpsstraat 52. Als ondernemer wordt genoemd Aart van Neure, zoon van een kleermaker in Zaandam Hij werkte zelf bij Bruynzeel en liet de exploitatie van de winkel voornamelijk over aan zijn echtgenote Margreta van Strop. Het werd aanvankelijk een hoedenzaak genoemd, maar het had toch een wat uitgebreider assortiment, want mevrouw Eggers (van De Rustende Jager) karakteriseerde in een in de krant gepubliceerde, berijmde kroniek de winkel als volgt: “De mode kocht je bij Neure-Strop, jumpers, handschoenen, of een sjaal of muts voor je kop”. Later werd geadverteerd onder de naam Maison Van Neure-Strop. Het echtpaar kreeg vier kinderen. Het gezin woonde boven de winkel. De familie hield het ruim 15 jaar in de Dorpsstraat vol. Daarna vestigde zich in 1965 een geheel ander bedrijf in dit pand: bar-discotheek ‘Voem-Voem’. Dit bracht wel het aanvragen van de nodige vergunningen en verbouwingen met zich mee, waardoor de opening pas in 1969 plaatsvond. Het café genoot een grote populariteit en bestond ruim 35 jaar. De verbouw van een modezaak tot een café betekende op dit punt van de Dorpsstraat een grote verandering en een zoon van de familie Van Neure kon bij een bezoek aan de bar dan ook nooit nalaten op te merken: “Hier heeft nog mijn bed gestaan.”

Volgens een ex-eigenaar van Voem-Voem kondigde zich de sloop van het pand al in 1995 aan, want de vergunning werd nog maar per jaar verlengd met de toevoeging ‘zolang de sloop het toelaat’, die dus nog twaalf jaar op zich liet wachten. Het ging op den duur met het café niet meer zo goed en rond 2005 werd Voem-Voem opgeheven. Onder de naam Camelot werd het cafébedrijf nog enige tijd voortgezet. Toen het voorafgaande aan de sloop enige tijd leegstond, nam een aantal leden van de jeugdsociëteit De Bakkerij (inmiddels ook gesloopt) de gelegenheid te baat om de voormalige Voem-Voem te kraken en om te dopen tot ‘Voemerij’. Men wist hiermee wel publiciteit te trekken en aandacht te vestigen op het in gebreke blijven van de gemeente in het bieden van goede alternatieve huisvesting voor De Bakkerij. Maar de sloop kon niet worden tegengehouden en vond in 2007 plaats.

Dorpsstraat 54/56 in 1959 met de smederij van Cor Peperkamp.
Dorpsstraat 54/56 in 1959 met de smederij van Cor Peperkamp.

Dorpsstraat 54/56

De plek van de latere panden Dorpsstraat 54/56 is in 1882 nog onbebouwd. Het betreft het stuk grond met kadasternummer 1155, dat toebehoorde aan Otto Kehl, die er toen al eigenaar was van de panden waaruit Dorpsstraat 50 en 52 zijn voortgekomen, een geschiedenis die we hiervoor hebben besproken.

Negen jaar later, in 1891, zijn er twee kleine panden bijgekomen. Een pand met kadasternummer 1745, een nieuw en afzonderlijk pand en een klein tussenliggend pandje, dat als we de kadasterkaart goed interpreteren tot kadasternummer 1744 moet worden gerekend. Dat is een aanbouw. In 1893 kwam dit gehele domein van Otto Kehl in handen van zijn zoon Nicolaas Kehl, die het grootste deel, bakkerij en woonhuis, in 1902 verkocht aan Hendrikus Hemmer, waarvan we eveneens in het voorgaande verslag hebben gedaan. Nicolaas Kehl overleed in 1918


Jaarboek 32, pagina 69

in Castricum. Zijn nalatenschap werd in augustus 1918 door vier erfgenamen, allen tuinder te Castricum, verkocht aan Hendricus Franciscus Koek, een vishandelaar te Beverwijk.

Foto uit 1919 met links de winkel van de familie Hogenstijn. De foto is mogelijk genomen ter gele- genheid van de opening van de winkel die in dat jaar plaatsvond. De personen voor de winkel zijn waarschijnlijk Marijtje Hogenstijn - Ineke met drie van haar zonen. Een ijscoman kwam de feestvreugde verhogen
Foto uit 1919 met links de winkel van de familie Hogenstijn. De foto is mogelijk genomen ter gele- genheid van de opening van de winkel die in dat jaar plaatsvond. De personen voor de winkel zijn waarschijnlijk Marijtje Hogenstijn – Ineke met drie van haar zonen. Een ijscoman kwam de feestvreugde verhogen

Iets meer dan een jaar later, in september 1919, verkocht Koek zijn bezittingen alweer aan de gebroeders Albert en Gerrit Hogenstijn, groentekwekers te Castricum. De latere bewoners troffen in de keuken een grote marmeren plaat aan, die kennelijk bedoeld was voor het schoonmaken van vis. In het pand met nog steeds kadasternummer 1745, later Dorpsstraat 56, begonnen de gebroeders Hogenstijn en hun moeder Marijtje Ineke, weduwe van de in 1915 overleden tuinder Jan Hogenstijn, een groente- en comestibleszaak.
Marijtje was een kleindochter van de eerdergenoemde Doris Ineke.
In het andere aangekochte pand, het latere Dorpsstraat 54, woonde een bekende Castricumse schoenmaker, Johannes Schaap, die het pand kennelijk gehuurd had van de familie Kehl, want hij wordt nergens als eigenaar genoemd. Toen hij met zijn nering vertrok naar een huisje tegenover de R.-K. kerk, kon de familie Hogenstijn dit pand in gebruik nemen als woonhuis. Albert Hogenstijn nam de verkoop in de winkel voor zijn rekening en Gerrit startte een venterswijk met paard en wagen en reed tevens producten van tuinders in Castricum en Bakkum naar de markt.

 Albert Hogenstijn in 1926 voor zijn winkelpand Dorpsstraat 56.
Albert Hogenstijn in 1926 voor zijn winkelpand Dorpsstraat 56.

Wat de naam Hogenstijn betreft is het opmerkelijk dat in opschriften op de winkel, in advertenties en zelfs in notariële akten, de spelling Hogensteijn wordt gehanteerd. Marijtje Hogenstijn, een nog in Castricum woonachtige dochter van Gerrit, verschafte ons veel informatie over haar familie en merkte over de spellingskwestie het volgende op: “De zonen van Jan Hogenstijn en Marijtje Ineke schreven hun naam als Hogensteijn. Tot mijn 15e jaar wist ik niet beter of ik heette zo. Pas bij de invoering van het persoonsbewijs in de oorlog merkte ik dat de naam officieel alleen met een lange ij werd geschreven in plaats van eij. Toen ik mijn vader (Gerrit) hiernaar vroeg, zei hij dat in zijn jongenstijd broer Dirk dat had bedacht. Hij vond dat namelijk iets deftiger staan.”
In 1925 trouwde de inmiddels 26-jarige Gerrit Hogenstijn met Maria ten Wolde en dat vormde de aanleiding om van het adres Dorpsstraat 54 te verhuizen naar de Beverwijkerstraatweg. Weliswaar zette hij daar zijn werkzaamheden als vrachtrijder en uitventer van groente voort, maar wat de groentewinkel betreft kocht hij zich in juli 1925 uit.

Albert Hogenstijn en zijn moeder bleven wonen en werken op Dorpsstraat 54-56. In 1930 werden beide panden verenigd, wat een kwestie was van interne verbouwing. Niet lang daarna nam de geschiedenis weer een wending, die


Jaarboek 32, pagina 70

door de hiervoor reeds geciteerde dochter als volgt werd beschreven:
“In 1932 werd Gerrit (mijn vader) wegens complicaties tijdens een blindedarmontsteking ernstig ziek en na zijn herstel werd hem door zijn behandelende geneesheer aangeraden geen zware lichamelijke arbeid meer te verrichten. Toen hij op een avond tijdens een bezoek aan zijn moeder en broer Albert hierover sprak, verklaarde Albert dat hij wel wilde ruilen. Moeder en Albert in het huis aan de Beverwijkerstraatweg en Gerrit met zijn gezin in de winkel aan de Dorpsstraat. Gerrit die als geen ander zijn broer goed kende en wist dat Albert wel eens op eerder genomen beslissingen terugkwam, liet er geen gras over groeien en besloot diezelfde avond nog te verhuizen. Mijn moeder en ik (toen 5 jaar oud) werden totaal overvallen. Ik herinner me nog de hoop huisraad die voorlopig in het huiskamertje in de Dorpsstraat lag en m’n moeders tranen. Zij kwam tenslotte van een mooi nieuw huisje totaal onverwacht terecht in een oud afgeleefd pandje in de Dorpsstraat.”

Genoemde woningruil kreeg gestalte in een akte van verkoop, gedateerd 15 september 1933, waarin Albert Hogenstijn zijn woon- en winkelhuis met getimmerten verkocht aan broer Gerrit Hogenstijn. Gelukkig liep de zaak zo goed dat nog in 1933 de woonruimte kon worden gerenoveerd en in 1938 de winkel vergroot. Er volgden moeilijke oorlogsjaren waarin het gezin Gerrit Hogenstijn weliswaar niet behoefde te evacueren, maar wel te maken kreeg met de gevolgen van de distributie en een sterk verminderde klantenkring. Na de oorlog moest een nieuw begin worden gemaakt. Dat lukte, want de zaak kwam weer tot bloei.
In 1960 bereikte Gerrit Hogenstijn de leeftijd van 60 jaar, een leeftijd om te stoppen. Hij verhuisde naar de Torenstraat en verhuurde zijn zaak aan het echtpaar Joseph Gouweleeuw en Betina Hartog, dat er zich met twee kinderen in april 1960, op wat latere leeftijd, vanuit Haarlem vestigde en er een snoepwinkel begon. Al in 1965 verhuisde deze familie naar de Pernéstraat.

Gerrit Hogenstijn zette zijn pand nog in dat jaar in de verkoop en het kwam in handen van Paul Dekker, die zijn nering in elektronica van de Mr. Ludwigstraat verplaatste naar de Dorpsstraat. Dekker ging met zijn tijd mee, want in juli 1967 kondigde zijn firma in de plaatselijke krant een grote demonstratie aan van kleurentelevisie, waartoe een reusachtige antenne op het dak werd geplaatst om proefuitzendingen uit Duitsland en Engeland te ontvangen. Hij deed er nog een schepje bovenop door kort daarna een kleurentelevisieshow in hotel Ammeraal te organiseren. Het werd door de plaatselijke krant een geweldige belevenis genoemd, want Ageeth Scherphuis verscheen op het scherm in een gele jurk. In 1969 voerde Paul Dekker een vrij drastische verbouwing van zijn pand door, waarbij de benedenverdiepingen van de panden Dorpsstraat 54 en 56 werden samengetrokken tot één winkelruimte en het schuine puntdak van Dorpsstraat 56 werd gesloopt om plaats te maken voor een plat dak, dat een soort terras vormde voor de bewoners van de overgebleven bovenverdieping. Een foto uit 2007 kort voor de sloop genomen, geeft nog een indruk hoe het pand er na deze ingreep van Dekker ongeveer uitzag.

Het pand Dorpsstraat 54-56, kort voor de sloop in 2007, met op de begane grond de winkel van de VVV - ANWB. Dorpsstraat 54, het linker gedeelte, vormt nog een afspiegeling van de oorspronkelijke situatie, maar het rechtergedeelte is inmiddels beroofd van de oorspronkelijke schuine overkapping.
Het pand Dorpsstraat 54-56, kort voor de sloop in 2007, met op de begane grond de winkel van de VVV – ANWB. Dorpsstraat 54, het linker gedeelte, vormt nog een afspiegeling van de oorspronkelijke situatie, maar het rechtergedeelte is inmiddels beroofd van de oorspronkelijke schuine overkapping.

In 1982 verkocht Paul Dekker zijn zaak aan Eric Kippersluis, die er in moderne termen een audio-video centrum en een hifistudio begon. Kippersluis ging er niet wonen; het boven de winkel nog gelegen woongedeelte werd verhuurd. Hiertoe werd aan de buitenkant een trap gebouwd. Het zich uitbreidende bedrijf van Eric Kippersluis kwam op den duur ruimte aan de Dorpsstraat tekort en verhuisde daarom in 1990 naar een veel groter pand in de Torenstraat. In het verlaten pand aan de Dorpsstraat was sindsdien een drankenhandel onder de naam Impodra gevestigd, die in 1992 onderdeel ging uitmaken van het Albert Heinconcern onder de naam Gall & Gall. Omstreeks 2001 volgde de verplaatsing van de slijterij naar het winkelcentrum Geesterduin. Vanaf 2003 vestigde zich tijdelijk de winkel van de combinatie VVV – ANWB in het pand. De sloop vond in 2007 plaats.

Wim Hespe

Bronnen:

Archieven:

  • Gemeente Castricum: archief Bouw- en Woningtoezicht en bewonerskaarten.
  • Noord-Hollands Archief Haarlem: kadastrale gegevens betreffende Castricum.
  • Regionaal Archief Alkmaar: burgerlijke stand, bevolkingsregisters, kadastrale gegevens, notariële akten.
  • Werkgroep Oud-Castricum: fotoarchief, Nieuwsblad voor Castricum en De Castricummer, beschikbare nummers uit de periode 1925 tot heden.

Publicaties:

  • Heideman H., De oude generatie van Bakkum en Castricum. Deel 2 (1900-1950), Castricum 1994.
  • Castricum-Bakkum in vervlogen jaren, Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 1996.
Print Friendly, PDF & Email