Dorpsstraat (7e deel) huisnrs 58 – 62a (Jaarboek 33 2010 pg 66-74)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Dorpsstraat in Castricum:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7deel 8deel 9deel 10


Jaarboek 33, pagina 66

De geschiedenis van de Dorpsstraat en zijn bewoners (deel 7)

In het vorige artikel hebben we een begin gemaakt met de bespreking van de bewoningsgeschiedenis van het gedeelte gelegen tussen de Burg. Mooijstraat en de Torenstraat. Het betrof de bebouwing van een in 1822 nog maagdelijk gebied. Opvallend is dat dit gedeelte, toen we erover schreven, opnieuw voor een groot deel tijdelijk braak lag.

De recent gereedgekomen nieuwbouw aan de Dorpsstraat in het kader van de herinrichting van het Bakkerspleintje, op ongeveer de plaats van de vroegere panden Dorpsstraat 48 en Dorpsstraat 50/52. De toegang tot het vernieuwde Bakkerspleintje bevindt zich ongeveer op de plaats van de vroegere panden Dorpsstraat 54/56.
De recent gereedgekomen nieuwbouw aan de Dorpsstraat in het kader van de herinrichting van het Bakkerspleintje, op ongeveer de plaats van de vroegere panden Dorpsstraat 48 en Dorpsstraat 50/52. De toegang tot het vernieuwde Bakkerspleintje bevindt zich ongeveer op de plaats van de vroegere panden Dorpsstraat 54/56. De geschiedenis van genoemde panden tot aan de sloop kwam in het vorige artikel in deze reeks ter sprake. Links een glimp van de reeds eerder nieuw gebouwde modezaak Mull.

Dit kwam door de sloop van panden, die plaats moesten maken voor nieuwbouw in het kader van de herinrichting van het Bakkerspleintje. Inmiddels is de nieuwbouw daar gereed gekomen. Het is een volumineus bouwwerk met een winkelgalerij en bovenwoningen. Het straatbeeld is geheel veranderd en de opmerking: ”Ik ken mijn dorpscentrum niet meer terug,” is hier zeker van toepassing.

Gedeelte van kadasterkaarten uit resp. 1822 (links) en 1963 (rechts), waarbij ingekleurd de panden die in dit artikel worden besproken.
Gedeelte van kadasterkaarten uit resp. 1822 (links) en 1963 (rechts), waarbij ingekleurd de panden die in dit artikel worden besproken.

Na deze aanvulling op ons vorige artikel vervolgen we de bewoningsgeschiedenis van het gedeelte van de Dorpsstraat tussen Burg. Mooijstraat en Torenstraat met de bespreking van panden waaraan we in het vorige artikel niet zijn toegekomen en waarvan een kadasterkaart uit 1963 een beeld geeft.

Dorpsstraat 56, 58, 60, 62: Hotel De Rustende Jager met in het midden de Co-op Boerenleenbank. Links de smederij van Cor Peperkamp.
Dorpsstraat 56, 58, 60, 62: Hotel De Rustende Jager met in het midden de Co-op Boerenleenbank. Links de smederij van Cor Peperkamp.

Gedeelte van een kadasterkaart uit 1882, waarin ingekleurd de panden van bespreking. Het aan de weg gelegen oorspronkelijke pandje uit 1822 (met nu kadasternummer 1218) is qua vorm nog te onderkennen, maar de achterzijde toont een duidelijke aanbouw, die ongetwijfeld met de smederij te maken had en ook een losstaande schuur, die waarschijnlijk behoorde bij het naastgelegen pand.
Gedeelte van een kadasterkaart uit 1882, waarin ingekleurd de panden van bespreking. Het aan de weg gelegen oorspronkelijke pandje uit 1822 (met nu kadasternummer 1218) is qua vorm nog te onderkennen, maar de achterzijde toont een duidelijke aanbouw, die ongetwijfeld met de smederij te maken had en ook een losstaande schuur, die waarschijnlijk behoorde bij het naastgelegen pand.

Dorpsstraat 58 (nu winkel- en appartementengebouw)

De plaats van het huidige Dorpsstraat 58 was – zie de betreffende kadasterkaart (nummer 366 op kadasterkaart uit 1822) – al in 1822 bebouwd en werd omschreven als huis, schuur en stal, toen eigendom van de in 1788 in Amsterdam geboren Bartholomeus Nicolaas Rommel, de overgrootvader van de later in Castricum zeer bekend geworden kapitein Albert Rommel. Batholomeus vestigde zich omstreeks 1815 in Castricum, in welk jaar hij trouwde met Johanna Margaretha Telvooren, een weduwe, die eerder gehuwd was met Pieter Mos, uitbater van De Rustende Jager, van wie ze de inboedel had geërfd. Zijn huwelijk stelde Bartholomeus in staat de exploitatie van De Rustende Jager als kastelein en logementhouder voort te zetten. Hij viel dus in een gespreid bedje. De Rustende Jager leverde hem kennelijk het nodige op, want in de loop der jaren wist hij een status van groot-grondbezitter in Castricum te verwerven met de aankoop van huizen en land. Rommel woonde


Jaarboek 33, pagina 67

De smederij van Klaas Smit aan de Rijksstraatweg (later Dorpsstraat) omstreeks 1900. Achter het pand bevond zich een loods voor ijzeropslag.
De smederij van Klaas Smit aan de Rijksstraatweg (later Dorpsstraat) omstreeks 1900. Met fiets Cor Peperkamp (toen knecht van Klaas Smit). Rechts Klaas Smit, echtgenote Maartje Brakenhoff en dochter Agatha Smit. Achter het pand bevond zich een loods voor ijzeropslag.

met zijn familie in De Rustende Jager. Hij zal het pand Dorpsstraat 58 hebben verhuurd, zoals met de meeste van zijn panden het geval was.
Hij overleed in 1846 en liet veel van zijn bezit na aan zijn zoon Johannes Frederik Rommel (1817-1879), waaronder ook dit pand met toebehoren. Pas op 30 november 1862 krijgen we meer duidelijkheid over de bestemming, als Johannes het pand verkoopt aan Klaas Smit, geboren in


Jaarboek 33, pagina 68

1832 in Oude Niedorp, een grof- en hoefsmid, die stamde uit een familie van smeden en die in het jaar van aankoop van het pand was gehuwd met Maartje Brakenhoff.

Klaas Smit heeft er relatief lang gewoond en zijn beroep uitgeoefend. Zijn acht kinderen werden allen in Castricum geboren. Het gezin werd in november 1898 zwaar getroffen door het kort na elkaar overlijden van de 34-jarige Simon Smit en 27-jarige Gerardus Smit, naar verluidt als gevolg van een toen heersende influenza-epidemie. Beiden werkten in de smederij van hun vader, die er toen alleen voor kwam te staan en dus wel hulp kon gebruiken. In 1899 nam hij de toen 20-jarige Cor Peperkamp in dienst, die later de smederij zou overnemen en voortzetten.

In 1906 hield Klaas Smit, inmiddels 73 jaar, het voor gezien en vertrok met zijn echtgenote naar Haarlem, waar hij in 1910 overleed. De smederij en toebehoren verkocht hij in 1907 aan zijn knecht Cor Peperkamp, die enkele maanden eerder in Uitgeest was gehuwd met Trijntje Berkhout en bij de aankoop financieel gesteund werd door zijn schoonvader Mattheus Berkhout.
Cor Peperkamp stamde evenals zijn voorganger uit een geslacht van smeden. Zijn grootvader Jan Peperkamp was smid in Bergen. Zijn vader Kees Peperkamp had een smederij op Bonkenburg in Uitgeest.

Cor Peperkamp groeide uit tot een populaire en kleurrijke Castricumse persoonlijkheid. Behalve als smid stond hij bekend om zijn vele nevenactiviteiten, waaronder bestuurslid van verschillende verenigingen, vrijwel vaste getuige bij geboorteaangiften, ceremoniemeester bij allerlei festiviteiten en plechtigheden en vooral ook als humorist en grappenmaker. Voor wie meer wil weten over deze welhaast legendarische Castricummer, verwijzen we naar het artikel ‘Wie was…Cor Peperkamp’, 15e jaarboek van Oud-Castricum (1992), geschreven door zijn kleindochter Catharina Peperkamp.

Oploop voor de smederij Peperkamp aan de Rijksstraatweg (later Dorpsstraat) in 1911.
Oploop voor de smederij Peperkamp aan de Rijksstraatweg (later Dorpsstraat) in 1911. Met de hand in de zak smid Cor Peperkamp. Het wiel, waaromheen de smid een ijzeren band zal smeden, wordt vastgehouden door smidsknecht Piet Dam.

Een foto uit 1911 toont smid Peperkamp te midden van een aantal personen poserend voor zijn woonhuis annex smederij en zo te zien is het uiterlijk van het pand, in de vier jaar na de aankoop, niet veranderd.
Het gezin van Cor Peperkamp en Trijntje Berkhout telde zeven kinderen, waarvan er een jong overleed. Twee zoons, Cor en Frans Peperkamp, werkten in de smederij van hun vader.

Het pand van Peperkamp, Dorpsstraat 58, na een ingrijpende verbouwing in 1935. Volgens het opschrift op de gevel is het nu een ‘SMEDERIJ & RIJWIELHANDEL’.
Het pand van Peperkamp, Dorpsstraat 58, na een ingrijpende verbouwing in 1935. Volgens het opschrift op de gevel is het nu een ‘SMEDERIJ & RIJWIELHANDEL’.

Door de maatschappelijke ontwikkelingen onderging de aard van het smidswerk veranderingen, die aan Peperkamp niet voorbij gingen en die aanleiding gaven tot een drastische verbouwing van het pand in 1935, waardoor de verkoop en reparatie van fietsen op het programma kon worden gezet. Na het overlijden van Cor Peperkamp in 1952 zetten zijn zoons Frans en Cor het bedrijf voort, waarbij Cor de eigenaar werd van het winkelgedeelte met een haarden- en kachelzaak en Frans de voortzetting van de smederij voor zijn rekening nam.

In 1964 opende Fem Peperkamp - Bruinenberg daarin een afleverings- en afhaalwinkel van stomerij S. Krom, genaamd "De Snelstomer". Tweemaal per week kwam de bestelwagen van S. Krom (met het beroemde zwart-witte blokjeslogo) de vuile was ophalen en schone was terugbrengen. Het zaakje van vrouw Fem is circa elf jaar later opgeheven nadat Krom er geen interesse meer had in een agentschap in Castricum.
In 1964 opende Fem Peperkamp – Bruinenberg daarin een afleverings- en afhaalwinkel van stomerij S. Krom, genaamd “De Snelstomer”. Tweemaal per week kwam de bestelwagen van S. Krom (met het beroemde zwart-witte blokjeslogo) de vuile was ophalen en schone was terugbrengen. Het zaakje van vrouw Fem is circa elf jaar later opgeheven nadat Krom er geen interesse meer had in een agentschap in Castricum.

In 1964 kwam er een einde aan de smederij. Cor Peperkamp jr. trok zich uit de zaak terug om te gaan werken als buschauffeur en zijn echtgenote Femmetje Bruinenberg begon op Dorpsstraat 58 een stomerij, als depothoudster van Stomerij Krom. In 1968 kwam na echtscheiding Dorpsstraat 58 in handen van Femmetje.
De stomerij heeft 11 jaar bestaan, tot 1975. Het pand heeft daarna te huur gestaan tot 1979, in welk jaar het werd afgebroken om plaats te maken voor een veel kolossaler pand met een winkelbedrijf en koopappartementen. Voor deze nieuwbouw werd ook het hierna te bespreken pand Dorpsstraat 60 gesloopt. In 1982 opende Jan Res er de ‘doe-het-zelf’zaak Handy House, die na aansluiting bij een landelijke keten omgedoopt werd in Doeland. In 1990 nam zijn zoon Paul Res de zaak over. Nog niet zo lang


Jaarboek 33, pagina 69

geleden vestigde er zich Xenos, dat zijn deuren begin 2010 sloot om elders op het nieuwe Bakkerspleintje zijn bestaan voort te zetten. Het oude pand van Xenos is verbouwd tot zes winkels, waarvan er vier hun entree hebben naar het Bakkerspleintje en twee naar de Dorpsstraat.

In het kader van de vernieuwing van het Bakkerspleintje zijn in het pand, waar tot voor kort Xenos was gevestigd, zes winkels ondergebracht.
In het kader van de vernieuwing van het Bakkerspleintje zijn in het pand, waar tot voor kort Xenos was gevestigd, zes winkels ondergebracht.
Kadasterkaart uit 1822 links) en uit 1963 (rechts).
Kadasterkaart uit 1822 links) en uit 1963 (rechts).

Dorpsstraat 60 (nu winkel- en appartementengebouw)

We keren terug naar 1822, in welk jaar de kadasterkaart op de plaats van het latere Dorpsstraat 60 reeds bebouwing vertoont: huis, erf, stal en bijbehorende tuin (kadasternummer 367), met als eigenaresse Cornelia Voerman, weduwe van de in 1800 overleden Arie de Bie. Zij woonde daar waarschijnlijk al vanaf haar kortstondig huwelijk in 1799 en exploiteerde er, naar wij aannemen, een winkel, want zij wordt in archiefstukken ook ‘winkelierster’ genoemd.
In 1819 deed een zekere Doris Ineke zijn intrede in de familie De Bie door zijn huwelijk in dat jaar met de enige dochter, de in 1799 geboren Elisabeth de Bie. Op leven en loopbaan van de in Uitgeest geboren Doris Ineke, een tuinman en bloemist, zijn we reeds in het voorgaande artikel over de Dorpsstraat ingegaan. Hij was in 1833 de koper van het grote bouwland met kadasternummer 363 en stond aan de wieg van de bewoningsgeschiedenis van dit gedeelte van de Dorpsstraat. Hij ondernam zijn vele activiteiten ongetwijfeld vanuit het huis van zijn schoonmoeder, van welk pand hij in 1836 eigenaar werd. Het pand telde toen zes bewoners, te weten Doris Ineke, zijn tweede echtgenote Marijtje de Bie (een nicht van zijn eerste echtgenote), hun vijfjarige zoon Herman, twee minderjarige dochters Cornelia en Trijntje uit zijn eerste huwelijk met Elisabeth de Bie en schoonmoeder Cornelia de Bie – Voerman.
Marijtje de Bie overleed in 1840. Doris Ineke trouwde voor de derde maal in 1843 met Mietje Grapendaal. Uit dit huwelijk werden nog twee zoons, Hendrik en Willem, en een dochter Neeltje geboren. Cornelia Voerman heeft dit alles niet lang meer meegemaakt, want zij overleed in december 1847.

Doris Ineke ging het na een bewogen leven wat kalmer aandoen, want in juni 1861 op de leeftijd van bijna 65 jaar, verkocht hij zijn bezit – omschreven als huis, stenen keuken en schuur, waarin stalling voor koeien en paarden met vrije poort, kadasternummer 367 en bijbehorende grond, kadasternummer 365 – voor 4.660 gulden aan Johannes Frederik Rommel, zijn buurman van De Rustende Jager. Het huis bleef waarschijnlijk nog enige tijd verbonden met de familie Ineke, want volgens een genealogische bron zou een zoon van Doris Ineke, Willem Ineke, die in 1866 op 19-jarige leeftijd in het huwelijk trad met Regina van Diepen, in het ouderlijk huis zijn blijven wonen. Wellicht heeft ook Doris Ineke er nog zijn laatste jaren doorgebracht. Hij stierf in 1865.
Wat de verdere geschiedenis van het pand betreft komen we pas later, in een lijst uit 1898, als bewoonster de ‘vrouw van J. Beusman’ tegen. Dit was de toen 70-jarige Margaretha van der Wal, waarvan we weten dat ze in 1884 door haar man Jan Beusman in de steek was gelaten. Het pand bleef nog geruime tijd in handen van de familie Rommel. In 1901 kwam het tot een verkoop aan Bernard Res. In de akte van verkoop is ook sprake van de schuur, die direct achter de panden van de smederij was gelegen.

Het gezin van Bernardus Res en Trijntje Fraijman.
Het gezin van Bernardus Res en Trijntje Fraijman. V.l.n.r. Bernardus Res, Maria Res, Trijntje Fraijman, Anna Res, Johannes Res.

Bernard Res zijn we reeds eerder als bewoner van de Dorpsstraat tegen gekomen. Hij ging kort na zijn huwelijk met Trijntje Fraijman in 1893 wonen in de latere boerderij van Twisk, Dorpsstraat 11, gehuurd van Otto Kehl, die inmiddels in het gedeelte van de Dorpsstraat, dat we nog zullen bespreken, een bloemenwinkel was begonnen.
Res was enige tijd bollenkweker, maar hij gaf dit beroep al snel op, om op 28-jarige leeftijd een bestaan te beginnen als gemeenteontvanger, waartoe hij per 1 januari 1896 werd benoemd. Je kunt je afvragen hoe iemand het brengt van bollenboer tot gemeenteontvanger. Bij zijn afscheid in maart 1936 gaf Res in een interview met de Alkmaarsche Courant een kort en bondig antwoord op deze vraag. Je had om bij de gemeente benoemd te worden helemaal geen administratieve- of andere diploma’s nodig, “als je maar een eerlijke jongen was”. Hij noemde zijn arbeid heel eenvoudig, vanwege het voor een kleine gemeente


Jaarboek 33, pagina 70

als Castricum beperkte kohier van inkomsten en uitgaven. Res bleek dan ook tijd te hebben voor het bekleden van verschillende andere functies op financieel terrein. Hij was 26 jaar secretaris-penningmeester van het Burgerlijk Armenbestuur, jarenlang kassier van de plaatselijke Boerenleenbank en bestuurder van de zogenaamde vrije veiling, een tweede Castricumse veiling die zetelde in de doorrijstal van De Rustende Jager.
In zijn ruim 40-jarige ambtsperiode werd Res geconfronteerd met grote veranderingen in de Castricumse samenleving en dat liet hem niet onberoerd. Zo schetste hij in genoemd interview de economische situatie in 1896, het jaar van zijn benoeming, als slecht.

Een foto ter gelegenheid van de opening in 1956 van een nieuw kantoor van de Boerenleenbank, Dorpsstraat 60, met de toenmalige bestuursleden.
Een foto ter gelegenheid van de opening in 1956 van een nieuw kantoor van de Boerenleenbank, Dorpsstraat 60, met de toenmalige bestuursleden. V.l.n.r. staand: Gerard Hemmer, Cornelis Res, Gerrit Borst en Gerardus Twisk; zittend: Cor Glorie, Jaap Schut, Huib ten Wolde, Kees de Groot en Gerrit Veldt.

Hij herinnerde zich grote armoede. De maaltijd van veel gezinnen bestond uit drie keer per dag aardappelen met mosterdsaus. Hij nam een duidelijke verbetering waar na 1905, toen de bouw van het Provinciaal Ziekenhuis begon. Dat gaf werk en inkomsten.
Voor wat betreft de bebouwing op het perceel van Res is in 1930 sinds 1882 nog vrijwel niets veranderd.

Het nieuwe kantoor van de Coöp. Boerenleenbank omstreeks 1956, Dorpsstraat 60. Opschrift op de gevel ‘SPAARBANK, Coöp. Boerenleenbank’. Rechts het woongedeelte van het gezin van directeur Jaap Schut.
Het nieuwe kantoor van de Coöp. Boerenleenbank omstreeks 1956, Dorpsstraat 60. Opschrift op de gevel ‘SPAARBANK, Coöp. Boerenleenbank’. Rechts het woongedeelte van het gezin van directeur Jaap Schut.

Aan de Dorpsstraat ging Jaap Schut ook de belangen behartigen van de Boerenleenbank, als opvolger van Bernard Res. Eerst als kassier, maar later ook als directeur. Een combinatie van de twee functies bij resp. de Boerenleenbank en de veilingorganisatie was niet onlogisch, want het ging in beide gevallen om de financiële belangen van de Castricumse tuinders. Schut kreeg het kennelijk wel druk, want in

In 1939 komt het tot een scheiding van tafel en bed tussen Bernard Res en zijn echtgenote Trijntje Fraijman, waarbij Bernard huis, schuur, erf en tuin aan de Dorpsstraat krijgt toegewezen. Niettemin verhuisde hij nog in dat jaar van Dorpsstraat 60 naar het Schoutenbosch. Wat de verdere geschiedenis van de panden van Res betreft komt nu de R.K. Coöperatieve Tuinbouwvereniging Ons Belang met een veilinggebouw op Dorpsstraat 40 in beeld. De tuinbouwvereniging had daar al enige tijd te kampen met ruimtegebrek en liet nu het oog vallen op de panden van Res. In februari 1940 werd het bestuur van de vereniging door de leden gemachtigd om woonhuis en schuur aan de Dorpsstraat 60 van Bernard Res aan te kopen. Het ging hoofdzakelijk om opslagruimte, waartoe niet alleen de bestaande schuur werd benut, maar ook enkele loodsen werden bijgebouwd. In het woonhuis werd het kantoorgedeelte in gebruik genomen. Hier ging de toen 35-jarige Jaap Schut aan de slag als boekhouder en betaalmeester van Ons Belang. In januari 1943 verhuisde hij met zijn vrouw Catharina Kops en kinderen van Bakkummerstraat 54, waar hij een boekhandel exploiteerde, naar Dorpsstraat 60, waarschijnlijk mede als gevolg van de gedwongen evacuatie uit Bakkum door de Duitse bezetter.


Jaarboek 33, pagina 71

1948 besloot hij zijn boekhandel in Bakkum over te doen aan een zekere Sijm. De tuinbouwvereniging Ons Belang bleef kampen met ruimtegebrek en dit, gekoppeld aan een ongunstige ligging, had tot gevolg dat er nieuwbouwplannen werden ontwikkeld, die in 1952 resulteerden in de opening van een nieuw veilingcomplex aan de Kramersweg. Daarmee ontstond aan de Dorpsstraat de mogelijkheid om hier een nieuw bankkantoor te stichten. In 1953 verkocht hiertoe Ons Belang het huis Dorpsstraat 60 met de schuur, opslagplaatsen en tuin aan de Coöperatieve Boerenleenbank.

Het uitgebreide kantoor van de voormalige Boerenleenbank, nu Raiffeisenbank, geopend in november 1968.
Het uitgebreide kantoor van de voormalige Boerenleenbank, nu Raiffeisenbank, geopend in november 1968.

Vanaf nu begint de gestage schaalvergroting van de bank op deze plek, die tot de huidige situatie heeft geleid. In 1968 kwam het tot een eerste uitbreiding van de Boerenleenbank, die inmiddels door een fusie als Raiffeisenbank door het leven ging.

Jaap Schut bereikte in november 1969 de pensioengerechtigde leeftijd na een bijna 30-jarige loopbaan bij de bank, eerst als kassier en later
als directeur. Hij bleef nog tot 1974 wonen op Dorpsstraat 60 om daarna te verhuizen naar de Torenstraat. In 1971 kwam de Raiffeisenbank
in moeilijk vaarwater in verband met het personeelsbeleid. De plaatselijke krant sprak van een tumultueuze ledenvergadering, die gehouden werd in De Rustende Jager en veel weg had van een ordinaire rel. Het grote knelpunt vormde de benoeming van twee zonen van Jaap Schut, tot resp. directeur en adjunct-directeur van de bank, waar veel leden het niet mee eens waren. De leden van het bestuur en ook de leden van de Raad van Toezicht stelden de vertrouwenskwestie en traden af. Later in het jaar verdween de kou grotendeels uit de lucht en kwam het tot de verkiezing van een nieuw bestuur en een nieuwe Raad van Toezicht. Aan de dynastie Schut kwam echter een einde.

Tegeltableau met als voorstelling de naam 'De Rustende
Jager' in een gestileerde cirkel, tijdens de sloop gefotografeerd.
Tegeltableau met als voorstelling de naam ‘De Rustende
Jager’ in een gestileerde cirkel, tijdens de sloop gefotografeerd.

De landelijke fusie tussen de Raiffeisenbank en de Boerenleenbank leidde tot een grote expansiedrift van de bank als Rabobank. In 1975 werd De Rustende Jager door de Rabobank aangekocht en vervolgens gesloopt. De Rabobank besloot tot nieuwbouw op deze plek, waarmee het ‘oude’ bankgebouw Dorpsstraat 60 vrij kwam. Dit werd in 1979 – met Dorpsstraat 58 – gesloopt, om plaats te maken voor het winkel- en appartementengebouw, dat hiervoor werd besproken.

Dorpsgezicht Castricum in 1622. Gravure van de hand van
A. Rademaker.
Dorpsgezicht Castricum in 1622. Gravure van de hand van
A. Rademaker.

Dorpsstraat 62 (nu Rabobank)

Veel Castricummers zullen zich nog De Rustende Jager herinneren, een karakteristiek pand, dat lange tijd de hoek Dorpsstraat – Torenstraat domineerde. Al eerder is aan de geschiedenis van dit pand ruim aandacht besteed (zie 7e jaarboek, 1984) en we zullen ons hier beperken tot enkele hoofdpunten. Op de kadasterkaart uit 1822 is bebouwing op deze plaats van de Dorpsstraat al prominent aanwezig. En dat gaat nog veel verder terug. De oudste ons bekende afbeelding betreft een gravure van de hand van A. Rademaker, een zicht op Castricum in 1622, getekend vanuit een standpunt dat we situeren ter hoogte van het huidige Dorpsstraat 45 (in 2010: ‘Klaver Vier’).

Links op de prent is een pand afgebeeld op ongeveer de plaats van de latere De Rustende Jager. Naar we aannemen is het een herberg of bierstal, die dus al in 1622 bestond. Het was waarschijnlijk deze bierstal, die in 1687 in handen kwam van de gebroeders Hendrik en Adriaan Stoep, bierbrouwers in Haarlem. Bierbrouwerijen waren reeds vroeger een interessante geldbelegging en investering voor vermogende ingezetenen en zo werden de bezittingen van de Haarlemse bierbrouwers herhaaldelijk doorverkocht. Wat dit betreft weten we dat in 1753 ene Hubertus van Speijk zijn rechten op de vrije bierstal in Castricum verkocht aan Nicolaas Geelvinck, toen ambachtsheer van Castricum. En in 1787 werd mr. Joachim Nuhout van der Veen, de door Geelvinck aangestelde en ook niet onbemiddelde schout van Castricum, eigenaar van de herberg. Het was natuurlijk een prachtige plek voor een herberg: ligging aan de doorgaande weg in het dorpscentrum, nabij de kerk, met ongetwijfeld faciliteiten voor doorgaande reizigers.

De Rustende Jager omstreeks 1900.
De Rustende Jager omstreeks 1900.

Een foto daterend van omstreeks 1900 toont hoe De Rustende Jager er toen uitzag en dat was anders dan de huidige Castricummers hem nog gekend zullen hebben: een boerderijachtig pand zonder de latere karakteristieke trapgevel. Het is opvallend dat volgens verschillende kadasterkaarten de plattegrond van het gebouw lange tijd niet duidelijk veranderde en we mogen aannemen dat het er in de tijd van Nuhout van der Veen ook al ongeveer zo uitzag als op de foto.
In 1901 kwam De Rustende Jager in het bezit van Johannes Koopman, die op den duur met het verouderde pand niet 7


Jaarboek 33, pagina 72

meer goed uit de voeten kon, wat mede toe te schrijven was aan de explosieve groei van Castricum, door onder andere de komst van Duin en Bosch. De vernieuwingsdrang, die vanaf 1910 om zich heen greep met de bouw van een nieuwe Pancratiuskerk en een nieuw raadhuis, werd door Johannes Koopman gevolgd met de bouw van een nieuwe De Rustende Jager met de bekende trapgevel. Er kwam nu ook een toneelzaal, wat een impuls gaf aan vele nieuwe activiteiten. Het als hotel-pension-café-restaurant aangeduide pand kende sindsdien verschillende eigenaren, die allen verbouwingen en aanpassingen doorvoerden, hoewel die van beperkte invloed op het uiterlijk van het pand waren.

De Rustende Jager, zoals veel Castricummers die hebben gekend, kort na de bouw in 1910-1911.
De Rustende Jager, zoals veel Castricummers die hebben gekend, kort na de bouw in 1910-1911.

De laatste eigenaar van De Rustende Jager was Jan Endstra, die het in 1969 kocht van Libert Eggers. Ook onder Endstra werden nog veranderingen doorgevoerd. Zo scheidde hij van het oorspronkelijke café een gedeelte af om er een slijterij te beginnen met ingang aan de Dorpsstraat en verplaatste de ingang van het café naar de oostkant. Ook werd het interieur opgeknapt.

Het moderne pand van de huidige Rabobank, Dorpsstraat 62.
Het moderne pand van de huidige Rabobank, Dorpsstraat 62.

De nieuwe De Rustende Jager heeft nog geen 65 jaar bestaan, want in 1973 verkocht Endstra zijn bedrijf aan de Rabobank, die reeds geruime tijd kantoor hield in het naastgelegen pand op Dorpsstraat 60, dat we hiervoor bespraken. Er was nog hoop dat De Rustende Jager na de nodige aanpassingen als bankkantoor zou kunnen blijven bestaan, maar dit bleek een illusie. Er werden nog wel acties gevoerd tot behoud van het karakteristieke pand, maar in oktober 1976 viel het ten prooi aan de slopershamer.
In 1977 werd het nieuwe kantoor van de Rabobank, dat thans nog dit gedeelte van de Dorpsstraat domineert, geopend.


Jaarboek 33, pagina 73

De voormalige doorrijstal van De Rustende Jager omstreeks 1930, hier in gebruik door de Vrije Veiling. Links Bernard Res, een der oprichters van deze veiling.
De voormalige doorrijstal van De Rustende Jager omstreeks 1930, hier in gebruik door de Vrije Veiling. Links Bernard Res, een der oprichters van deze veiling.

Dorpsstraat 62A (nu Rabobank)

Al op de oudste kadasterkaart van 1822 zien we naast De Rustende Jager, op de hoek met de Torenstraat, een smal, direct aan de weg gelegen gebouw. Dit hoorde bij De Rustende Jager. Het was een doorrijstal, van oudsher een voorziening voor het toen nog gebruikelijke wegvervoer per paard en wagen. Daar werden de paarden verzorgd en gewisseld, terwijl de koetsier en zijn passagiers zich in het naastgelegen café konden verpozen. Een kadasterkaart uit 1872 toont nog een onveranderd beeld. In 1891 blijkt er echter een uitbreiding te hebben plaatsgevonden. Het oude pand is op de kaart nog wel herkenbaar, maar er is een tweede pand aangebouwd, een situatie die lang heeft bestaan en waarvoor zelfs de kadasterkaart uit 1963 nog representatief is. Van deze extra ruimte weten we, dat ze aanvankelijk werd benut als een soort stalling voor rijtuigen, wat er mee te maken had dat de toenmalige eigenaar Jan Koopman, naast herbergier van De Rustende Jager, ook zijn oorspronkelijke vak van wagenmaker bleef uitoefenen. Hiertoe had hij al in 1877 aan de overkant op ongeveer de plek van ’t Eethuysje’ een wagenmakerij in gebruik genomen.

Vanaf 1925 behoorde de rijtuigstalling niet meer tot De Rustende Jager, door verkoop aan Jacobus de Nijs, die de ruimte al weer in 1926 doorverkocht aan Matthijs Olgers, een veelzijdig man. Hij was onder andere cafébaas en winkelier in de Burg. Mooijstraat en exploitant van autobus- en bodediensten. Olgers richtte de voormalige rijtuigstalling in als garage voor zijn autobussen en vrachtwagens en begon er ook een soort uitdragerswinkel, nadat zijn pand in de Burg. Mooijstraat in 1926 was gesloopt. In 1934 kwam de garage in handen van touringcarbedrijf De Zeemeeuw, met als eigenaar Jacobus Fontijn, die in hetzelfde jaar ook het garagebedrijf van Anton Gorter aan de Dorpsstraat 39 kocht. De Zeemeeuw kreeg grote bekendheid door zijn busdienst vanaf het station Castricum naar het strand, waaraan een einde kwam tijdens de Duitse bezetting.

De oude doorrijstal werd omstreeks 1920 in gebruik genomen door de zogenaamde Vrije Veiling, een tweede veilingbedrijf in ons dorp, naast de veiling van de Coöperatieve Tuinbouwvereniging Ons Belang.

IJssalon De Toekomst, die van kort na de oorlog tot in de vijftiger jaren in de voormalige doorrijstal gevestigd was.
IJssalon De Toekomst, die van kort na de oorlog tot in de vijftiger jaren in de voormalige doorrijstal gevestigd was.

Na de oorlog werd de voormalige doorrijstal door Libert Eggers, de toenmalige eigenaar van De Rustende Jager, in drie gedeelten verhuurd. Dat gebeurde aan respectievelijk de brandweer (voor stalling van de motorspuit), aan de bekende dorpsstraatbewoner en fietsenhandelaar Piet Eikel (voor de opslag van fietsen) en aan Nic Groot, die er ijssalon De Toekomst begon.

Het garagegedeelte aan de kant van de Torenstraat schijnt nog geruime tijd een winkeltje te hebben gekend, mogelijk nog daterend uit de tijd van Olgers, waar onder andere Piet Deen zelfgemaakte sigaren verkocht.
In 1958 was de beschadiging van het pand door een binnenrijdende vrachtwagen een goede aanleiding om het


Jaarboek 33, pagina 74

door de gemeente toch al als bouwvallig gekarakteriseerde pand te slopen.
Plannen om een garagebedrijf te beginnen waren er al eerder, met name van Herman Fontijn, maar nu zag de Benzine en Petroleum Handels Maatschappij N.V. (BP) te Amsterdam haar kans schoon om op het braakliggend terrein het plan te realiseren. De vergunning werd verleend in 1959 en in oktober 1960 kwam een nieuw garagebedrijf met benzinestation, winkel, showroom en bovenwoning tot stand. Als exploitant werd aangesteld Klaas Hoekstra, reeds werkzaam bij BP, die er zich in juni 1960 met vrouw en twee kinderen vanuit Haarlem vestigde en er ‘Auto- shop Hoekstra‘ begon.

Hoek Dorpsstraat - Torenstraat, ca. 1968, met links het garagebedrijf van Hoekstra. Dit bedrijf omvatte een garage, een showroom, een benzinestation en een bovenwoning.
Hoek Dorpsstraat – Torenstraat, ca. 1968, met links het garagebedrijf van Hoekstra. Dit bedrijf omvatte een garage, een showroom, een benzinestation en een bovenwoning.

In 1978 kwam het tot een andere beheersvorm en werd het bedrijf door de B.P. officieel overgedragen aan Klaas Hoekstra. Hij heeft niet lang kunnen genieten van zijn zelfstandigheid, want hij kreeg te maken met toenemende bezwaren van de kant van de gemeente tegen tankstations in de Dorpskom. Dit leidde in 1980 tot ontmanteling en sloop van het geheel. Inmiddels had zich bij Hoekstra reeds een gegadigde voor het vrijkomende perceel gemeld, de Algemene Bank Nederland (ABN). Deze bank had reeds een korte geschiedenis in de Dorpsstraat achter de rug met de opening in 1969 van een bescheiden kantoor op het adres Dorpsstraat 47. In 1980 verliet de ABN dit pand, ook in verband met sloop en nieuwbouw, om op het voormalige perceel van Hoekstra een nieuwe bankvestiging te openen.

Het nieuwe ABN-kantoor, Dorpsstraat 62A, geopend in 1980. De architect heeft zich door de vormen van de oude doorijstal laten inspireren!
Het nieuwe ABN-kantoor, Dorpsstraat 62A, geopend in 1980. De architect heeft zich door de vormen van de oude doorijstal laten inspireren!

Bouwkundige veranderingen in dit gedeelte van de Dorpsstraat volgden elkaar in een snel tempo op, want alweer in 2003 maakte het bankgebouw van de ABN plaats voor een forse uitbreiding van het naastgelegen gebouw van de Rabobank.

De laatste nieuwbouw op de hoek Dorpsstraat - Torenstraat, een (tweede) kantoor van de Rabobank, gerealiseerd in 2003. Van enige gelijkenis met de vroegere doorrijstal is nu geen sprake meer. Wel werden als herinnering twee tegeltableaus in de gevel ingemetseld. Deze tegeltableaus uit De Rustende Jager had de Werkgroep Oud-Castricum in bezit gekregen en bewaard.
De laatste nieuwbouw op de hoek Dorpsstraat – Torenstraat, een (tweede) kantoor van de Rabobank, gerealiseerd in 2003. Van enige gelijkenis met de vroegere doorrijstal is nu geen sprake meer. Wel werden als herinnering twee tegeltableaus in de gevel ingemetseld. Deze tegeltableaus uit De Rustende Jager had de Werkgroep Oud-Castricum in bezit gekregen en bewaard.

Dit nog steeds de hoek van Dorpsstraat en Torenstraat dominerende gebouw vormt het sluitstuk van onze bespreking van de bebouwing tussen Burg. Mooijstraat en Torenstraat. In een volgend artikel hopen wij de geschiedenis van de bebouwing aan de Dorpsstraat te vervolgen met het gedeelte tussen Torenstraat en Cieweg.

Wim Hespe

Bronnen:

Archieven:

  • Gemeente Castricum: archief Bouw- en Woningtoezicht en bewonerskaarten.
  • Noord-Hollands Archief Haarlem: kadastrale gegevens betreffende Castricum.
  • Regionaal Archief Alkmaar: burgerlijke stand, bevolkingsregisters, kadastrale gegevens, notariële akten.
  • Werkgroep Oud-Castricum: fotoarchief, Nieuwsblad voor Castricum en De Castricummer, beschikbare nummers uit de periode 1925 tot heden

Publicaties:

  • Op zoek naar Castricum’s verleden, Schoorl, 1992.
  • Castricum-Bakkum in vervlogen jaren, Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 1996.



Print Friendly, PDF & Email