Duin en Bosch, patiëntenzorg (Jaarboek 32 2009 pg 4-11)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Boschbegraafplaatsevacuatiepatiëntenzorgtrammetje
Extra: JacobiJacobi gezin en grafmonument – Broeder Krist vertelt …


Jaarboek 32, pagina 4

Honderd jaar patiëntenzorg
in het Psychiatrisch Ziekenhuis Duin en Bosch

Je werd opgenomen in een inrichting als je afwijkend gedrag vertoonde, omdat je bijvoorbeeld aan de drank was, een zwervend bestaan leed, verstandelijk gehandicapt was, lijdende aan depressies of schizofrenie of manisch-depressief was. Kortom er waren tal van mogelijkheden om in een ‘gesticht’ terecht te komen, waar het leven voor je geregeld werd.
Of je nu vrijwillig was opgenomen of met een maatregel, je moest je houden aan de afspraken waar je niets over te zeggen had. Je identiteit werd je ontnomen vanwege de gestichtkleding die je verplicht was te dragen. Patiënten verbleven er soms levenslang. Nieuwe medicijnen brachten na 1948 een ommekeer teweeg.

Krankzinnigenwet

Op 27 april 1884 werd door koning Willem III het ‘Staatstoezicht op Krankzinnigen’ bij wet geregeld. In deze wet werden de provincies verantwoordelijk gesteld voor de behandeling en verpleging van hun krankzinnigen.
Noord-Holland heeft als enige provincie deze taak letterlijk opgevat door psychiatrische ziekenhuizen te bouwen om de nood te lenigen en ook om de werkeloosheid een halt toe te roepen. De inwoners van de provincie Noord-Holland waren toentertijd straatarm en door het bouwen van ziekenhuizen werd de economie aangejaagd.

Door de armoede ontstond enorme sociale achterstand en was er sprake van ernstig alcoholmisbruik. Reden voor opname in een psychiatrisch ziekenhuis (PZ) was, behoudens de gangbare psychiatrische stoornissen, ook maatschappelijke ondergang. Er ontstonden wachtlijsten en er waren steeds meer voorzieningen nodig om psychiatrische patiënten te huisvesten.

Professor Winkler

In 1892 stagneerde de doorstroming van patiënten uit het voormalige Wilhelminagasthuis (het WG) in Amsterdam naar het pas geopende Provinciaal Ziekenhuis Meerenberg II te Santpoort. Wat was er aan de hand? Het Wilhelminagasthuis werd onderdeel van de faculteit voor geneeskunde van de Universiteit van Amsterdam en dr. C. Winkler werd hoogleraar psychatrie/neurologie. Hij zag zijn opname- en onderzoeksafdeling Paviljoen III dichtslibben met chronisch psychiatrische patiënten, waardoor hij onvoldoende wetenschappelijk onderzoek kon doen.

Winkler had ook zitting in een externe commissie, die door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland was ingesteld. Vanuit die functie heeft hij getracht het PZ Meerenberg te Santpoort onder druk te zetten om zo zijn chronische patiënten te doen opnemen. Omdat Meerenberg II geen capaciteit meer had, werd gekozen voor het bouwen van een nieuwe instelling Meerenberg III. Winkler dacht zodoende een ‘cité médicale’ (red:  medische stad) te stichten, drie hoofdgebouwen met ieder een eigen medische en verpleegkundige staf. De administratie zou worden gecentraliseerd.
Dit zou de goedkoopste vorm van behandelen en verplegen zijn en het college van Gedeputeerde Staten verwachtte dat dit plan zonder slag of stoot zou worden aangenomen. Zij hadden buiten de waard gerekend, want Provinciale Staten van Noord-Holland besloten, uit eigen gelederen, een onderzoekscommissie te benoemen om alternatieven te onderzoeken.

Duin en Bosch

In 1901 kwam deze commissie met een verrassend rapport, waaruit bleek dat vergroting van Meerenberg niet wenselijk was, omdat men een nieuw behandel- en verpleegmodel wilde introduceren: ‘het paviljoenstelsel’. Provinciale Staten besloten na langdurige discussie op 12 november 1901 tot het bouwen van een nieuw gesticht elders in de provincie.
Gedeputeerde Staten (GS) werd verzocht een plan te ontwerpen voor de bouw van een krankzinnigengesticht en de aankoop van terreinen in voorbereiding te nemen.

In Castricum werd een geschikt terrein gevonden. De duingrond, groot ongeveer 82 hectare, was eigendom van prinses Marie zu Wied, dochter van Prins Frederik.
Tegelijk met de aankoop bepaalden Provinciale Staten dat het nieuw te bouwen gesticht de naam ‘Duin en Bosch’ zou krijgen.
Hoewel Winkler zijn zin niet had gekregen, kon hij toch invloed uitoefenen, omdat hij en een van zijn naaste medewerkers door GS werden gevraagd een ontwerp te maken voor het nieuwe gesticht. Die naaste medewerker was dr. Jan Willem Jacobi.

In het eerste bouwplan dat architect F.W.M. Poggenbeek in samenspraak met dr. Jacobi en prof Winkler opstelde, werd uitgegaan van 620 patiënten; wegens tegenvallende bouwkosten werd het maximum later bepaald op 732. Het plan omvatte een administratiegebouw en zes paviljoens, drie voor mannen en drie voor vrouwen. Paviljoens waren respectievelijk bestemd voor rustige patiënten, half onrustige patiënten en onrustige patiënten. Verder waren er werkplaatsen voor mannen, zoals de mattenvlechterij en een matrassenmakerij en voor de vrouwen lokalen voor de behandeling van de was, een barak voor besmettelijke ziekten, een anatomiegebouw, personeelswoningen, een


Jaarboek 32, pagina 5

ziekenhuis voor personeel, een centrale voor verwarming en verlichting, een kerkje, een watertoren enz.
Alle voorgevels van de paviljoens hadden een zuidoostelijke oriëntatie. Zo konden alle patiënten, ook de bedlegerige, optimaal van de zon genieten. De tuinen van de onrustige patiënten waren door hoge hekken omgeven.

J.W. Jacobi was de eerste geneesheer-directeur van 1903-1916. Hij overleed op 51-jarige leeftijd en werd op de begraafplaats van Duin en Bosch begraven.
J.W. Jacobi was de eerste geneesheer-directeur van 1903-1916. Hij overleed op 51-jarige leeftijd en werd op de begraafplaats van Duin en Bosch begraven.

Dr. J.W. Jacobi

Dr. Jacobi ontving op 1 april 1903 zijn benoeming tot geneesheer-directeur van het te bouwen Duin en Bosch, met daarbij een studieopdracht van Provinciale Staten om de nieuwste behandel- en verpleegmethoden in kaart te brengen en deze, indien mogelijk, in het nieuwe Psychiatrisch Ziekenhuis in te voeren. In België en Duitsland bezocht hij diverse instellingen, waaronder de universiteit van Heidelberg. Daar kwam hij in contact met dr. Kraepelin, de arts die voor het eerst het ziektebeeld schizofrenie beschreef en waar Jacobi het behandelen van patiënten met de permanente badtherapie (hydrotherapie) bestudeerde. Door gebruik te maken van warm water en een prikkelarme ruimte (het bad) kwamen patiënten tot rust. Jacobi heeft deze behandelmethode geïntroduceerd in Nederland. In eerste instantie heeft hij geëxperimenteerd in Amsterdam.

Het voormalig Nederlands Hervormd Weeshuis aan de Zwanenburgwal stond leeg en vanwege de ruimtenood nam de provincie het in gebruik. Jacobi begon daar met het opnemen van vrouwen. Dit was eigenlijk het begin van Duin en Bosch. Later zijn deze patiënten overgeplaatst naar Bakkum en opgenomen in het paviljoen Vrouwen I, later ‘Hoograde’ genoemd. Daar werd voor het eerst de badtherapie toegepast.
Behalve op psychiatrisch-medisch gebied was Jacobi ook vooruitstrevend op het gebied van organisatiestructuur en personeelsbeleid. Tegen de bestaande gewoonte in benoemde hij een driehoofdige directie, een structuur die tot ver in de (negentien)zestiger jaren werd gehandhaafd.

Luchtfoto van het PZ terrein Duin en Bosch. Midden - links de paviljoens voor vrouwen en midden rechts voor mannen.
Luchtfoto van het PZ terrein Duin en Bosch. Midden – links de paviljoens voor vrouwen en midden – rechts voor mannen.

Samen met de vakorganisatie, die aangestuurd werd vanuit het PZ Meerenberg te Santpoort, heeft Jacobi betere arbeidsomstandigheden gerealiseerd en mochten vrouwen en mannen bij de inrichting werken, ook al hadden zij een relatie. Door het toedoen van Jacobi werden op het terrein personeelswoningen gebouwd, ‘de broederwoningen’. In 1912 verrezen, toen nog op het terrein, de stenen woningen aan de Van Duurenlaan. De houten ‘noodwoningen’ aan de Dr. Ramaerlaan zijn na de eerste wereldoorlog gebouwd. Op 5 december 1916 overleed Jacobi en hij werd begraven op de begraafplaats van Duin en Bosch.


Jaarboek 32, pagina 6

Patiëntenzorg

Personeelsleden noch patiënten voelden zich in het begin in het ongebaande duinterrein thuis. Er werden wat maatregelen genomen om hen, die het spoor bijster waren geraakt, te helpen. Het verplegend personeel werd voorzien van signaalhorentjes om bij verdwalen noodsignalen te kunnen geven. Wie een ontsnapte patiënt terugbracht, kon rekenen op een premie van 2,- gulden.
Het leven in de inrichting verliep volgens een strak patroon, vastgelegd in tal van voorschriften en studies, die echter een ding gemeen hadden: “Het welzijn van de zieke medemens.”

Ziekenzaal in de (negentien)twintiger jaren.
Ziekenzaal in de (negentien)twintiger jaren.

Dit uitgangspunt is prachtig weergegeven in een omstreeks 1924 gehouden voordracht van dr. Hermann Simon over de taak van het verplegend personeel. Een citaat uit zijn toespraak is hierbij weergegeven. Uit zijn visie blijkt betrokkenheid, aandacht, medemenselijkheid en vooral ethisch handelen.


De taak van het verplegend personeel bij een actievere behandeling der geesteszieken

Naar een voordracht gehouden voor het personeel van het Provinciaal Ziekenhuis nabij Santpoort
door dr. Hermann Simon

De meest ideale taak van het gesticht zou nu zijn om de hersenziekte, die aan de geestesstoring ten grondslag ligt, te genezen. Helaas zijn wij daarin tot nu toe nog niet in alle gevallen geslaagd, al zijn velerlei pogingen daartoe reeds gedaan en al is de hoop gerechtvaardigd dat in de toekomst ook voor de meest voorkomende geestesziekten, die wij tegenwoordig onder de naam ‘Schizophrenie’ (dementia praecox) samenvatten, het geneesmiddel gevonden zal worden. Hoewel het ons derhalve tot nu toe niet gegeven is, het merendeel onzer zieken afdoend te genezen, hebben wij het toch in de hand hun toestand in zeer belangrijke mate gunstig te beïnvloeden en de geestelijke stoornis te verminderen.
Wij kunnen in de eerste plaats zo goed als zeker verhoeden dat de ziekteverschijnselen ernstiger uiterlijke vormen aannemen dan de eigenlijke hersenziekte volstrekt nodig maakt. Bij de zieken, die wij in het Ziekenhuis krijgen, is haast altijd de uiterlijke vorm der ziekte veel lelijker dan de bestaande hersenstoornis nodig maakt.
Juist de lelijkste verschijnselen, zoals brutale gewelddadigheid, neiging tot vernielen, gemeen schelden, grove onzindelijkheid, smeren met ontlasting en dergelijke, behoren helemaal niet tot het wezen der geestesziekte, maar het zijn alleen lelijke gewoonten, die de zieken tengevolge van het ontbreken of het verloren gaan van opvoedkundige invloeden aangenomen hebben.

Het bereikbare doel van het gesticht is dus:

  • De zieken wederom zooveel mogelijk voor een ordelijk samenleven met andere mensen geschikt te maken, of deze geschiktheid ondanks de ziekte bij hen te behouden.
  • Hun lichamelijke en geestelijke werkkracht moet in gang gehouden en opgevoerd worden en zij moeten indien enigszins mogelijk zo ver gebracht worden dat zij, ook al zijn zij niet genezen, weer uit het ziekenhuis als nuttig lid in de maatschappij terug kunnen keren.
  • Arbeid en geneeskundige opvoeding zijn de hulpmiddelen die ons voor het bereiken van dit doel ter beschikking staan.

Anti-psychiatrie

De (negentien)zeventiger jaren staan voor een periode die de ‘anti- psychiatrie’ genoemd is, dit in reactie op de ‘inrichtings-psychiatrie’. Zeker vanaf 1975 staat de mondigheid van de patiënt voorop en de democratisering van de instellingen krijgt veel aandacht. Het is een periode waarin de omgang met de patiënten het karakter krijgt van gelijkwaardigheid, en waardoor samenwerking wordt beoogd tussen patiënt en de multidisciplinaire teams die toen gevormd werden. De gelijkwaardigheid werd onder meer vorm gegeven door het niet meer dragen van het uniform door de verpleegkundigen. Geleidelijk ging men over op burgerkleding. Dit was voorheen alleen toegestaan op bijzondere feestdagen. De slogan was: “Voor ons is elke werkdag een feestdag!”
Het verpleegkundig uniform werd vervangen door andere uniforme kleding, die in die tijd zeer modieus werd gevonden: ‘het spijkerpak’, gedragen door zowel mannen als vrouwen en in de linkerborstzak het pakje shag. De meeste mannen droegen in die tijd een baard (het liefst slordig lang) en lange haren. Een teken van verzet tegen de gevestigde orde. Het zal duidelijk zijn dat niet iedereen hiervan gediend was. De geneesheer-directeur mevrouw Kloosterman, die niet bekend stond om haar vernieuwingsdrang, kwam in aanvaring met de medische staf en de veranderende cultuur.


Jaarboek 32, pagina 7

Geneesheer-directeur van 1955 tot 1975 was mevrouw J. A. Buiter -  Kloosterman.
Geneesheer-directeur van 1955 tot 1975 was mevrouw J. A. Buiter –  Kloosterman.

Bestuurlijke veranderingen

Mevrouw Kloosterman trad in 1975 terug. Zij werd opgevolgd door de heren E.J.M. Crabbendam (geneesheer-directeur) en H.L. Polak (directeur). In 1994 werd dit bestuur door een algemeen directeur, W. ’t Hooft opgevolgd.
Het jaar 1994 is een bijzonder jaar geweest, want op 1 januari werd Duin en Bosch geprivatiseerd en kwam de Stichting Psychiatrisch Ziekenhuis Duin en Bosch tot stand.
In 2004 fuseerde deze stichting met de RIAGG’s in Midden-Kennemerland, Zaandam en Purmerend en ontstond een nieuwe stichting met de naam GGZ Dijk en Duin. In juli 2008 fuseerde GGZ Dijk en Duin met de Parnassia Bavo Groep gevestigd in Den Haag.

Nieuwbouw

Naast veranderingen op bestuurlijk niveau is er ook van alles gebeurd met de huisvesting. Midden jaren (negentien)zeventig sliepen de patiënten nog steeds op grote slaapzalen. Ze moesten zich op de gang wassen bij een lange rij wasbakken met alleen koud water. De dagelijkse levensomstandigheden waren niet meer van die tijd. Vanaf 1975 is begonnen met een renovatie van de oude paviljoens.
In de (negentien)tachtiger jaren zijn tal van oude paviljoens afgebroken. Er is nieuwbouw gepleegd, die helaas totaal afwijkend was van de oude bouwstijl. In een paar jaar tijd zijn zes nieuwe paviljoens en een polikliniek tot stand gekomen.
Gelukkig is een aantal oude panden gespaard. Met ingang van 19 september 2001 zijn die paviljoens rijksmonument geworden. Ook het terrein is rijksmonument met alle bescherming van dien. Er is nu (in 2009) een plan in wording dat moet voorzien in vervanging van de nieuwbouw uit de (negentien)tachtiger jaren door nieuwe paviljoens, die meer in stijl zijn met de oude paviljoens. De vrijkomende gronden zullen worden bebouwd met woningen. Hopelijk komt daarmee geld vrij voor de restauratie van de rijksmonumenten.

De ravage in paviljoen Vrouwen I na het bombardement op 13 augustus 1940. Pas in 1963 kregen de paviljoens namen: Vrouwen I werd Hoograde genoemd.
De ravage in paviljoen Vrouwen I na het bombardement op 13 augustus 1940. Pas in 1963 kregen de paviljoens namen: Vrouwen I werd Hoograde genoemd.

Tweede Wereldoorlog

Ook Duin en Bosch heeft geleden onder de Tweede Wereldoorlog. In 1940 vond er een bombardement plaats door de geallieerden, die het voorzien hadden op Duitse stellingen.
Het paviljoen Vrouwen I (later Hoograde genoemd) werd getroffen; twee vrouwen kwamen om en er vielen acht gewonden.
In 1942 kreeg de toenmalige directie, onder leidingvan dr. Teenstra, het bevel om Duin en Bosch teontruimen. Intussen was de patiëntengroep nog uitgebreid met 250 patiënten, die afkomstig waren van de nabijgelegen St.-Willibrordusstichting uit Heiloo.
De evacuatie moest plaatsvinden op 23 juni 1942.Teenstra ontsloeg eerst 60 ‘betere’ patiënten. De overige 770 patiënten werden overgeplaatst naar andere instellingen: 254 patiënten gingen naar de Willem Arntzhoeve bij Den Dolder, 195 werden geplaatst in ‘Groot-Graffel’ te Warnsveld, 162 in Medemblik en 159 in Rosmalen. De directie koos domicilie in een voormalig schoolgebouw in Limmen om zodoende dichtbij het ziekenhuis te blijven en de zaken in de gaten te houden.
Patiënten en personeel hebben het nodige te lijden gehad van de oorlogsomstandigheden. De Joodse patiënten die naar Den Dolder en Rosmalen waren geëvacueerd, konden uit de handen van de bezetter worden gehouden; in Medemblik en Warnsveld zijn ze slachtoffer van de terreur geworden.


Arbeid en dagbesteding

Er is een spreekwoord dat zegt: “Ledigheid is des duivels oorkussen.” Als je amper of geen structuur in je leven


Jaarboek 32, pagina 8

hebt, zeker als het in je hoofd een warboel is, kan het leven verzanden in dagdromen en lusteloosheid. Dit was vroeger een veel voorkomend probleem in de psychiatrie. Als je werd opgenomen in een instelling, kreeg je bedverpleging. Men ging van de vooronderstelling uit dat wie ziek was het bed moest houden. In eerste instantie was dit goed beheersbaar, maar zodra mensen lopend patiënt werden, ontstond het probleem met betrekking tot de dagvulling. Na de passieve bedverpleging werd verantwoording teruggegeven, waarbij een gezonde wisselwerking tussen de zieke mens en zijn omgeving onderdeel is van het terugvinden van sociaal en geordend gedrag.

Binnen de Nederlandse psychiatrische inrichtingen stonden de ideeën van de Duitse psychiater Simon en de Nederlander Van der Scheer (naar hem is de Prof. Van der Scheerlaan in Bakkum genoemd) centraal. Zij noemden  hun aanpak de actievere therapie, die uitging van het belonen van goed gedrag en het straffen van onaangepast gedrag met als uitgangspunt dat er overdag moest worden gewerkt en er ’s avonds gelegenheid was voor ontspanning, een en ander binnen het afdelingsgebeuren. Al snel werd het begrip ontspanning verlaten en bleef de arbeidstherapie over.

Een tuinploegje aan het werk rond 1960. De strohoeden beschermen tegen de zon en de bijverschijnselen van medicijnen.
Een tuinploegje aan het werk rond 1960. De strohoeden beschermen tegen de zon en de bijverschijnselen van medicijnen.

Destijds was de arbeidstherapie hoofdzakelijk ten nutte van de instelling: land- en tuinbouw, de wasserij, mattenmakerij, naai -en linnenkamer, maar ook werk zoals het ‘lezen’ (red: selecteren) van erwten en bonen. De patiënt was een waardevolle werkkracht. De invoering van een beloningsstelsel voor patiëntenarbeid bleek de werkbereidheid van de verpleegden te stimuleren.
Een beloning met tabak of sigaren voor de mannelijke patiënten was wel gebruikelijk. Als compensatie voor de vrouwelijke patiënten besloot de Commissie van Bestuur in 1910 dat: “Voor de werkende vrouwelijke patiënten voortaan viermaal daagsch één van de 2 kopjes thee ofkoffie zal gesuikerd zijn.”
In 1920 werden gestichtsmunten uitgegeven, waarmee de patiënten in de gestichtswinkel allerlei zaken konden kopen. Patiënten konden de munten verdienen, als ze zich voldoende hadden ingezet op een van de beschikbare werkterreinen.

Werkploeg van patiënten in gestichtskleding. Pas rond 1940 werd deze kleding afgeschaft.
Werkploeg van patiënten in gestichtskleding. Pas rond 1940 werd deze kleding afgeschaft.

Bezigheidstherapie

Na de Tweede Wereldoorlog is er vernieuwing ontstaan in genoemde aanpak. De begeleiding van gewonde militairen door psychologen bestond uit therapeutisch werken. Als gevolg van revalidatie van oorlogsslachtoffers en militairen ontstond ‘welfare werk’ en revalidatie en daaruit kwamen de sociale werkplaatsen voort. In 1947 werd de ‘Wet plaatsing minder valide arbeidskrachten’ van kracht. De naam inrichting werkte stigmatiserend en gaf voeding aan het wijdverbreide begrip dat opname een definitieve en ver van de samenleving verwijderde opbergplaats was. Om deze misvatting een halt toe te roepen, werden de inrichtingen ziekenhuis of centrum genoemd, een naamgeving die weer uitzicht gaf op herstel en teruggang naar de eigen omgeving.

In de periode van economische bloei groeide de sociale werkvoorziening, die ook toegankelijker werd voor psychiatrische patiënten. Toen in 1967 de psychiatrische zorg onder de AWBZ kwam te vallen, werden de budgetten jaarlijks verhoogd en was er ruim voldoende geld om nieuwe activiteiten te ontwikkelen voor arbeid en dagbesteding.
In het begin van de (negentien)zeventiger jaren ontstond de eerder genoemde beweging die ‘anti-psychiatrie’ wordt genoemd, met een humane en gelijkwaardige benade-


Jaarboek 32, pagina 9

ring van patiënten. Creativiteit en zelfbeschikking staan voorop en men gaat uit van het ‘gezonde’ deel van de mens. Arbeid was niet meer het uitgangspunt. Het hebben van een zinvolle dagbesteding werd belangrijk geacht. Dagbesteding bestond niet langer uit werken in de zin van arbeid, maar ook werken aan jezelf door middel van creatieve-, bewegings- en bezigheidstherapie. Er kwam een einde aan het beloningssysteem van goed gedrag en het straffen van onaangepast gedrag. De gelijkwaardigheid werd vorm gegeven in behandelplannen. Patiënten en behandelaars sloten met elkaar een overeenkomst over het te volgen behandelbeleid. Er is verschil tussen patiënt en behandelaar, maar als mens ben je gelijkwaardig. Behandelingen kregen daardoor meer kans van slagen.

Als we de tegenwoordige situatie bezien, is duidelijk dat er ook hier, door de marktwerking, een zakelijke benadering is gekomen. Tal van ondersteunende behandelmethoden worden onvoldoende tot niet vergoed door verzekeraars met als gevolg dat onder andere dagbestedingsactiviteiten zullen verdwijnen. Gelukkig is de behandelovereenkomst vastgelegd in een wet, waardoor gelijkwaardigheid gewaarborgd lijkt te zijn.

Bedverpleging in paviljoen Breehorn (1939).
Bedverpleging in paviljoen Breehorn (1939).

Verpleging en behandeling

Als je werd opgenomen in een algemeen of psychiatrisch ziekenhuis of sanatorium, dan was bedverpleging gebruikelijk. Opname op Duin en Bosch hield in dat je de eerste weken op een afdeling werd geplaatst waar je werd geobserveerd. Voor de verpleegkundigen, die in die tijd broeder en zuster werden genoemd, was het een hele toer om alles rustig en beheersbaar te houden.
Hoewel binnen een strak kader werd gewerkt, ging men wel zorgzaam en zorgvuldig met de patiënten om. Deze begrippen staan vandaag de dag sterk onder druk vanwege de marktwerking in de zorg.

De broeders en de zusters deden hun uiterste best om het leven in een psychiatrisch ziekenhuis leefbaar te houden. Van groot belang bij de behandeling en verpleging was de komst van de actievere therapie, waarmee en waardoor patiënten een vorm van dagritme kregen en het leven geen sleur werd.
Medicatie bestond niet. Als het echt uit de hand liep en mensen bijzonder onhandelbaar waren, gaf de psychiater wel eens morfine, maar men wist toen al dat dit verslavend kon werken. Ook was er de permanente badtherapie, waarbij door middel van warm water en een prikkelarme omgeving rust werd bewerkstelligd.

Een andere vorm van behandeling, met name bij onrustige patiënten, was het inwikkelen. Patiënten werden in natte doeken gewikkeld en men liet ze drogen. Dit was een erg pijnlijke behandeling, die al snel door de inspectie werd verboden.
Een andere behandelmethode was de insulinekuur, waarbij mensen in een vorm van bewusteloosheid werden gebracht. Deze behandeling werd gebruikt bij mensen die leden aan een depressie. Er kwam veel verpleegkundig en medisch inzicht aan te pas om deze behandeling goed te laten verlopen. Ook hier weer gelden de sleutelbegrippen ‘zorgzaam en zorgvuldig’. Zo werd van verpleegkundigen veel tact en begrip gevraagd bij de toepassing van de elektroshock therapie. Naast het verpleegkundig bezig zijn moesten de verpleegkundigen ook actief meewerken bij de arbeid en dagbesteding, een ondersteunende behandelmethode die uitgegroeid is tot een zelfstandig vakgebied.

Pas in 1948 komt het eerste medicijn op de markt, een antipsychoticum met de naam Largactil. Een uitvinding! Bijna alle oudere behandelmethoden, behalve de elektroshock therapie, werden overbodig. Largactil is de start geweest van de ontwikkeling van een reeks van anti-psychotica en anti-depressiva.
Mede door het ontwikkelen van medicatie ontstaat er een andere wijze van verplegen. Ook krijgt het een socio-therapeutisch karakter en werd er uitgegaan van wat de patiënt nog kon. Er ontstond een scala aan ondersteunende behandelingen en de functie van verpleegkundige ging meer in de richting van begeleiden en resocialiseren.
Voor de cliënt – door deze naamgeving is de afhankelijkheid grotendeels verbannen – ontstaat een keuzemogelijkheid ten aanzien van behandelingen: de psychomotore-, de creatieve- en de drama-therapie. Ook ontstaan er andere vormen van klinische opname, zoals poliklinische behandeling en opname in een socio-therapeutisch centrum. De cliënt krijgt inzagerecht in de verslag legging en is en blijft zelfstandig. Helaas is een aantal mogelijkheden verdwenen, deels door een andere visie op psychiatrie en deels door bezuinigingen.

Al deze behandelmethoden vragen van verpleegkundigen veel inzet en deskundigheid die zij kregen door hun opleiding. De opleiding tot verpleegkundige is op een hoger niveau gebracht, waardoor deze beter beantwoordt aan de medische eisen.


Jaarboek 32, pagina 10

Recreatie

Vanouds heeft men getracht om het inrichtingsleven te verlichten. Vroeger deed men dit vooral door onder andere te wandelen, soms met muzikale begeleiding door de fanfare van het ziekenhuis. Dat niet iedereen daar blij mee was laat een verslagje zien uit de bestuursvergadering van het toenmalige VVV uit Castricum met als datum 14 december 1926. “Opgemerkt wordt, dat ’t meermalen voorkomt, dat patiënten van D. en B. in groote groepen onder geleide in het dorp of langs de Zeeweg wandelen, of zich op het strand bevinden. Dit wordt niet in het belang van ’t vreemdelingenverkeer geacht.”

Patiënten gingen rond 1970 op vakantie naar Spanje onder de hoede van dokter Breetveld.
Patiënten gingen rond 1970 op vakantie naar Spanje onder de hoede van dokter Breetveld.

Zeker is wel dat de middenstand in Castricum geprofiteerdheeft van de bestedingen van patiënten van Duin en Bosch. Er werd wekelijks een bedrag aan de patiënten gevraagd voor de afdelingskas, waaruit dit alles werd gefinancierd. Er waren vakanties naar het buitenland of naar de Veluwe en Zuid Limburg. Er werden dagtochtjes gemaakt en bij al deze activiteiten waren verpleegkundigen nodig om dit alles te begeleiden. Denk niet dat het voor het personeel een uitje was, want je had een enorme verantwoording en je nam die ook.

De jaarlijkse afdelingsfeesten waren ook een goede gelegenheid voor contact tussen het verplegend personeel en familie van de patiënten.
De jaarlijkse afdelingsfeesten waren ook een goede gelegenheid voor contact tussen het verplegend personeel en familie van de patiënten.

Laten we tenslotte vooral de Sinterklaasfeesten niet vergeten. Bij mij is het geloof in de ‘goedheiligman’ weer terug, omdat ik hem zelden zo dikwijls op dezelfde dag heb ontmoet!
De kerstdagen werden uitvoerig, maar ook ingetogen gevierd.
De jaarlijkse afdelingsfeesten voor familieleden en vrienden van de patiënt waren een ontmoetingspunt voor personeel en familie. Heel belangrijk!

Met de intrede van de eigen bijdrage in het kader van de AWBZ werden de budgetten krapper. Ook werd het voor de instelling te prijzig om steeds maar weer personeel in te zetten voor feestelijkheden. Ook hier een gevolg van de marktwerking in de zorg. Jaren geleden is een rapport uitgebracht over de verveling op afdelingen met de titel: ‘Een keten van lege zondagen’. Het zou nu weer actueel zijn. Patiëntenzorg is bekneld geraakt in het economische krachtenveld en steeds veranderende bekostigingsregelingen.

Jan Camps

Bronnen:

  • Boer, N. de, Psychiatrie in Westfriesland 1600-2000, Zwolle 2004.
  • Glastra, J., Een ziekenhuis op drift, De evacuatie van Duin en Bosch, 18e jaarboek Oud-Castricum, 1995.
  • Kleffens, P. van, Het provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch te Bakkum, gedenkschrift ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan, Haarlem 1959.
  • Vijselaar, J., Gesticht in de duinen, de geschiedenis van de provinciale psychiatrische ziekenhuizen van Noord-Holland van 1849-1949, Hilversum 1997.

Jan Camps, schrijver van dit artikel, kwam in september 1970 in dienst van het ziekenhuis Duin en Bosch. Na de verkorte opleiding tot B-verpleegkundige werd hij 1e verpleegkundige op de opname afdeling voor mannen in paviljoen De Loet.
In 1974 stapte hij over naar de Sociaal Psychiatrische Dienst (tegenwoordig RIAGG) in Amsterdam en vandaar uit werd hij groepsleider in een Socio- therapeutisch Centrum.
Vanaf 1980 tot 2005 vervulde hij bij Duin en Bosch weer tal van functies. De laatste 10 jaar was hij onder andere plaatsingscoördinator, coördinator van het onderzoek Cannabis en Schizofrenie, secretaris van de Clozapine Plus Werkgroep, bibliothecaris Medische Bibliotheek en beheerder van het museum Breehorn. Hij stond aan de wieg van het Nederlands Museum voor de Psychiatrie ‘het Dolhuys’ te Haarlem, waar hij ook rondleidingen geeft.


Jaarboek 32, pagina 11

Het administratiegebouw op Duin en Bosch in Bakkum.
Het administratiegebouw op Duin en Bosch in Bakkum.

Enige jaartallen uit de geschiedenis van Duin en Bosch

1902  Provinciale Staten besluiten Gedeputeerde Staten te machtigen tot de aankoop van gronden voor de bouw van een krankzinnigengesticht in Castricum. Besloten werd het nieuwe gesticht de naam Duin en Bosch te geven.

1904  Dependance geopend aan de Zwanenburgwal in Amsterdam. De bouw van Duin en Boschbegint. Aanleg van de ‘Gestichtsweg’, later ‘Duinenboschweg’ genoemd.

1903  Dr. J.W. Jacobi aangesteld als geneesheerdirecteur. Gekozen wordt voor het paviljoensysteem.

1907 Bouw van de dokterswoningen aan de Van Oldenbarneveldweg.

1909 Eerste vergadering commissie van bestuur op 18 mei.

1909 Op 25 mei arriveren de eerste patiënten uit Amsterdam.

1914 Tramverbinding met het station gerealiseerd.

1916 Op 5 december overlijdt dr. Jacobi en hij wordt overeenkomstig zijn wens op het ziekenhuis-kerkhof begraven.

1918 De naam ‘Gesticht Duin en Bosch’ wordt veranderd in ‘Provinciaal ziekenhuis Duin en Bosch’.

1926 Actievere therapie volledig ingevoerd. Ruim 85 procent van de patiënten was hierbij betrokken.

1935 Paviljoen Breehorn voor opname van 158 patiënten gerealiseerd.

1940 Paviljoen ‘Hoograde’ getroffen door bommen. Er vallen twee doden.

1948 De eerste medicijnen, antipsychotica, komen beschikbaar.

1942 Het ziekenhuis moet op last van de bezetter worden ontruimd. Patiënten worden gedurende de oorlogsjaren elders in het land ondergebracht.

1959 Voor bewegingstherapie wordt een gymnastieklokaal gebouwd.

1963 Sluiting begraafplaats op het terrein.

1967 Psychiatrisch ziekenhuis te Medemblik opgeheven. Personeel en patiënten komen naar Duin en Bosch.

1968 De commissaris der koningin Prinsen opent het nieuwe zusterhuis dat 100 zitslaapkamers bevat.

1975 Periode van renovatie en vervolgens nieuwbouw van paviljoens.

1994 Het ziekenhuis wordt verzelfstandigd en wordt een stichting onder de naam ‘Psychiatrisch Ziekenhuis Duin en Bosch’. Start van een periode van meer spreiding van de zorg en oprichting regionale behandelcentra.

2004 Fusie met Riagg Midden-Kennemerland en Riagg Zaanstreek/Waterland. De nieuwe naam wordt ‘GGZ Dijk en Duin’.

2008 Fusie met de Parnassia Bavogroep. Oprichting ‘BV Dijk en Duin’.

Print Friendly, PDF & Email