Duinkant, een verdwenen dorpje (Jaarboek 33, 2010, pg 4-19)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 33, pagina 4

De Duinkant, een verdwenen dorpje

Een beeld van de buurt de Duinkant ten westen van de spoorlijn. Voor de Tweede Wereldoorlog stonden er zo’n 50 woningen en boerderijen. Op de voorgrond de in 1925 gebouwde boerderij van de familie Stuifbergen. De boerderij stond aan het Onderlangs: een pad dat op de Kramersweg uitkwam.
Een beeld van de buurt de Duinkant ten westen van de spoorlijn. Voor de Tweede Wereldoorlog stonden er zo’n 50 woningen en boerderijen. Op de voorgrond de in 1925 gebouwde boerderij van de familie Stuifbergen. De boerderij stond aan het Onderlangs: een pad dat op de Kramersweg uitkwam. (op pg. 3)

“Het was een verschrikkelijk mooi buurtje; ik heb nog nooit zo’n mooi buurtje gezien.”

Het zou nog makkelijk passen tussen de Kramersweg, de Duinenboschweg en de in 1944 gebouwde tankmuur, maar De Duinkant heeft de Tweede Wereldoorlog niet doorstaan. Voor de Atlantikwall moesten schootsvelden in het achterland worden ontruimd. In 1943 kregen in Castricum en Bakkum honderden bewoners en eigenaren opdracht hun woningen en bedrijven te verlaten. Binnen enkele weken werden alle panden met de grond gelijk gemaakt en daarmee kwam ook abrupt een eind aan de kleine maar hechte gemeenschap aan de voet van de duinen. Er wordt nog steeds met warme gevoelens over gesproken. Nu is er niets meer van te zien. We hebben met oud-bewoners eens wat herinneringen opgehaald. Kleine geschiedenissen; het hele jaarboek zou er mee gevuld kunnen worden.

Berlijn-Castricum

De 18-jarige Wim Wulp werd eind 1942 opgepakt en voor de arbeidsinzet naar Duitsland gestuurd. Hij kwam in de omgeving van Berlijn terecht en bleef daar meer dan twee jaar. Toen hij na de bevrijding in 1945 na een maandenlange tocht ‘s nachts om drie uur lopend zijn dorp weer bereikte, herkende hij het nauwelijks meer. De buurt waar hij zijn gelukkige jeugd had doorgebracht, was verdwenen. Waar zijn ouders nu woonden wist hij niet.
Hun huis had aan het Slingerpad gestaan, het pad met zo’n 14 boerderijtjes en huisjes dat vanaf de Duinenboschweg met een wijde boog op de Kramersweg uitkwam. Vader Jan was tuinder. Aan het Onderlangs had hij een druivenkas en wel 1000 ramen plat glas. Opa Freek Wulp, ooit jachtopziener van de familie Gevers, woonde in een laag boerenhuisje zo’n 30 meter verderop aan het Slingerpad en oom Wub aan de Kramersweg. Het winkeltje van Jaap Kluit, het cafeetje van Kouwe Bal; de hele zo vertrouwde buurt was verdwenen.
Gelukkig liep Wim in de donkere straten nog iemand tegen het lijf die wist dat zijn ouders ergens in de Nuhout van der Veenstraat moesten wonen. In dat huis heeft die nacht het licht nog lang gebrand.

Voor zijn woning aan het Slingerpad: voormalig rijksveldwachter en jachtopziener Freek Wulp (1853-1943), zijn echtgenote Mandje de Munnik en hun kleinkinderen Freek en Wim, beiden van hun zoon Jan.
Voor zijn woning aan het Slingerpad: voormalig rijksveldwachter en jachtopziener Freek Wulp (1853-1943), zijn echtgenote Mandje de Munnik en hun kleinkinderen Freek en Wim, beiden van hun zoon Jan.

Jachtopziener Freek Wulp

Vanaf 1894 was Wims opa Freek in dienst geweest van jonkheer Hugo Gevers als jachtopziener en woonde hij in de jachtopzienerswoning ‘Kijk Uit’. Na zijn pensionering verhuisde hij naar het Slingerpad. Dagelijks reed hij met zijn ‘kettekar’ door het duin en vanaf zijn wagentje nam hij zelf ook graag een konijntje op de korrel.
De organisatie van de jachtpartijen was een belangrijke taak. Het betekende een aardige bron van inkomsten voor de familie Gevers. Omdat Kijk Uit te klein was voor de ontvangst van de jagers, liet Hugo Gevers in 1921 daar vlakbij een houten jachthuis bouwen (vanaf 1928 het woonhuis van Frits Gevers). De vrouw van Freek zorgde voor de maaltijden en het borreltje na afloop.
In de Alkmaarsche Courant van oktober 1934 vertelde de toen 82-jarige Freek: “Als de jachttijd open was dan was iedere dag een feest en het jachthuis leek wel een herberg. Van alle streken kwamen de gasten…Ik heb nog gejaagd met prins Hendrik, meneer…!”

Over zijn geliefde duingebied raakte hij niet uitgepraat.
“De menschen denken wel eens, mijnheer, dat ‘n duin niet anders is, dan zoo’n hooge rare zandberg, die je ziet als je op het strand staat ! Maar ‘t duin is heel wat anders, weet je…’t Duin tussen de polders en de zee daar is van alles in ! Daar is temet meer leven dan in de grote stad… Als je ‘t maar zien kan!”
Hij vertelde ook dat het duingebied achter de Papenberg de ‘Russenbergen’ werd genoemd en dat daar beenderen werden opgegraven: “De gravers hadden de schedels op de toppen van jonge dennetjes gezet… Het was ‘n gezicht! Maar de jonker verbood ‘t. Het moeten de resten van soldaten geweest zijn.”


Jaarboek 33, pagina 5

Een gedeelte van de zogenaamde 'verwoestingskaart', behorende bij het wederopbouwplan, waarop de vele afgebroken woningen aan de westkant van het dorp met een rode kleur zijn aangeduid.
Een gedeelte van de zogenaamde ‘verwoestingskaart’, behorende bij het wederopbouwplan, waarop de vele afgebroken woningen aan de westkant van het dorp met een rode kleur zijn aangeduid.
Op deze luchtfoto uit 2009 zijn onder andere het Slingerpad, Radiopad en Onderlangs aangegeven naar de situatie rond 1937.
Op deze luchtfoto uit 2009 zijn onder andere het Slingerpad, Radiopad en Onderlangs aangegeven naar de situatie rond 1937.

Jaarboek 33, pagina 6

Slingerpad

Het Slingerpad was niet meer dan een zandpad. De huisjes die aan het weggetje stonden, waren voor het merendeel heel klein, meestal opgetrokken met halfsteens muren en aan de achterzijde een afdakje. Er zat in de bebouwing totaal geen lijn en ze leken willekeurig neergezet. Veel bewoners huurden land in het duinterrein om er onder andere aardappelen en erwten op te telen. Naast tuinders, boeren en arbeiders was er in het buurtje een grote verscheidenheid aan andere beroepen. Er waren twee kruideniers, een caféhouder en een gistboer, imker, stratenmaker, gemeentesecretaris, jachtopziener, personeel van het ziekenhuis, loodgieters enz.
Ver voor de aanleg van de spoorlijn liep het Slingerpad vanaf de tegenwoordige Burgemeester Mooijstraat (vroeger Kramersweg) het duin in. De oude naam was Slimpad, omdat het de kortste weg was naar het buurtje, dat in 1830 nog maar uit zes verspreide boerderijtjes of huisjes bestond. Het kwam uit bij de boerderij, waar in de jaren dertig de familie Bakker woonde. Daar liep het pad gewoon over het erf. De duinen lagen hier voor de afgravingen bijna tot aan de boerderij. Er werd gezegd dat in deze boerderij de zwaar getroffen familie Duineveld had gewoond, wat Thijs Kramer in zijn boek over de ‘Slag bij Castricum’ ook heeft vermeld.
Door de aanleg van de spoorlijn in 1867 werd de rechtstreekse verbinding van het Slimpad met het dorpscentrum verbroken en bleef alleen het deel vanaf de ‘Gestichtsweg’ (later Duinenboschweg) over. De naam Slingerpad kwam in gebruik en die naam is in 1930 door de gemeenteraad officieel vastgesteld. Op sommige plaatsen was het pad niet breder dan een meter.

Een romantisch beeld van het Slingerpad.
Een romantisch beeld van het Slingerpad.

Piet Stuifbergen (1921): ‘”Je kon niet met een auto of met een paard of kar over het hele pad. Dokter Leenaers reed met een rotgang achteruit vanaf de Kramersweg voor ons huis het Slingerpad in tot aan het erf van Bakker en van de andere kant tot Freek Wulp zijn erf. Dat Slingerpad was een mooi wandelpad. In de zomer was het er hartstikke druk met wandelaars. Bij de Gestichtsweg, waar nu de voormalige veilinggebouwen staan, begon het pad. De ingang lag tussen het kruidenierswinkeltje van Gerrit Bleijendaal en de boerderij van Piet Zonneveld.”

Gerrit Bleijendaal was jachtopziener geweest bij baron Van Tuyll van Serooskerke in Heemskerk. In een boek over de familie Bleijendaal wordt verhaald dat de baron soms langs kwam om te controleren of er geen konijntje in de juspan lag. In 1919 kreeg Gerrit ontslag, omdat hij het zoontje van de baron een draai om zijn oren had gegeven, nadat die hun kinderen met een katapult had beschoten. Gerrit en zijn vrouw Trijn begonnen toen een winkeltje op de hoek van de Duinenboschweg en het Slingerpad. Er werden behalve kruidenierswaren ook noten, bonbons en sigaren verkocht. De winkel was ook op zondag open en dan verkochten ze fruit en versnaperingen aan treinreizigers die op bezoek gingen in het ziekenhuis Duin en Bosch.
De boerderij van Piet Zonneveld en zijn vrouw Neeltje Portegies was al heel oud. Boer Piet had altijd een zwarte jas aan, een soort domineesjas en een zwarte hoed op. Hij droeg altijd goed gepoetste schoenen en had toen hij ouder werd mooi zilvergrijs haar. Het scheen overigens heel gewoon te zijn dat mensen suikerwater in hun haar smeerden of melk, zodat het goed bleef zitten. Piet was een echte heer. Hij was heel precies en de naam ‘Pietje Precies’ lag dus voor de hand. Zijn broer was Engel Zonneveld en die woonde vlakbij, zoals trouwens wel meer familieleden.

Piet Zonneveld en zijn vrouw Neeltje Portegies achter de boerderij op de hoek van het Slingerpad en de Duinenboschweg.
Piet Zonneveld en zijn vrouw Neeltje Portegies achter de boerderij op de hoek van het Slingerpad en de Duinenboschweg.

Jaarboek 33, pagina 7

Een jas van koperdraadjes

Het rustieke huisje van Engel Zonneveld stond op een laag duintje dat op de hoek van de Geversweg en de Oude Schulpweg lag. Jan Zonneveld (1927-2010): “Mijn vader Engel is in dat huisje geboren, als elfde kind van zijn ouders. Hij was eerst in dienst van de heer Van Gelder van de papierfabriek, die de jacht van de familie Gevers had gepacht. Toen de provincie in 1933 het duingebied overnam, is hij nog negen jaar bij het PWN in dienst geweest, zodat hij nog een pensioentje kreeg. Mijn vader werkte voor het wild: fazanten fokken en konijnen vangen. Hij zocht de fazanteneieren en zette daar broedse kippen op. Ze zaten in aparte hokjes in het duin. Als de eieren uitkwamen, dan zetten ze de deur op een kiertje en dan konden de pulletjes eruit. De kip moest in het hok blijven. Ze bleven in de buurt van het hok tot ze groot waren en dan gingen ze vanzelf wel aan de loop. Hij was dag en nacht in dienst van Van Gelder en ‘s avonds ook. Dan moest hij het bos in om fazanten uit de boom te kloppen, want als er stropers kwamen, waren die fazanten anders een makkelijke prooi.”

“Je kwam via een soort bijkeuken het huisje in”, vertelt Sien Nijman – Zonneveld (81). “Daar kookte mijn moeder op petroleumstellen. Mijn broer en vader en moeder sliepen in de bedstee in de kamer en mijn zuster en ik in een slaapkamertje dat mijn vader in het achterend had getimmerd. Vroeger was er ook een bedstede in de schuur. Die gebruikte mijn vader voor zijn gereedschap. Verlichting hadden we van een petroleumlamp; er was geen elektriciteit. Als het in de winter koud was, legde mijn moeder als er niet gekookt werd een steen op het petroleumstel. Die steen hield de warmte lang vast. De wc was een hokje buiten.”

Het huisje van Engel Zonneveld stond schuin tegenover het gebouwtje van de werkgroep Oud-Castricum. Dat was oorspronkelijk een telefooncentrale. Sien heeft er nog een bijzondere herinnering aan:
“Toen de telefooncentrale in 1937 werd gebouwd, moesten wij ‘s avonds daar koperdraadjes zoeken. Die mochten we hebben. Die draadjes verkochten we aan opkoper Siem Ooms. Het geld stopten we in een potje en daarvan kon bij kleermaker Jaap Twisk een jasje gemaakt worden voor mijn broer Jan.”

Rie Brasser – Beentjes (1916): “Met verjaardagen was het altijd een vrolijke boel. Dan zat de familie allemaal gezellig bij elkaar met een hoog rode kleur van de citroenbrandewijn. Het was heel beperkt allemaal, maar de mensen waren zo gelukkig als wat.
Oom Engel rookte wel eens een sigaar en als hij die voor driekwart op had, sneed hij de as eraf en pruimde de rest op. Op de dag van Driekoningen, als de kerstboom weg moest, was tante Han, de vrouw van Engel, jarig. Dan kwamen wij te gast en gingen rapen eten met schapenvlees of konijn met appelmoes en peertjes. Dat vonden wij kinderen altijd een feest. Het was een verschrikkelijk mooi buurtje. Ik heb nog nooit zo’n mooi buurtje gezien.”

‘Cent van het blad’ winkeltje

De Duinkant was echt een gebied van de ‘Stuifbergens’. In 1650 had die familie er al bezittingen, familie Stuifbergen. De inval van de Engelsen en Russen in 1799 heeft de familie daar dus ook meegemaakt. Nog jarenlang deed het verhaal de ronde dat een zekere Antje Stuifbergen haar sieraden bij de Papenberg zou hebben begraven uit angst voor de plunderingen.

Sien Nijman-Zonneveld maakte dit schilderstukje van haar ouderlijk huis dat bekend stond als 'het huis op het duintje' van Engel Zonneveld. Daarbij werd ze geholpen door (kunst)schilder Sijf Portegies, bij wie ze in de huishouding werkte.
Sien Nijman – Zonneveld maakte dit schilderstukje van haar ouderlijk huis dat bekend stond als ‘het huis op het duintje’ van Engel Zonneveld. Daarbij werd ze geholpen door (kunst)schilder Sijf Portegies, bij wie ze in de huishouding werkte.

Jaarboek 33, pagina 8

Boerderij 'de Papenberg' aan de rand van het duingebied, waar tot 1925 de familie Stuifbergen boerde. Daarna werd de boerderij overgenomen door Dorus Ineke.
Boerderij ‘de Papenberg’ aan de rand van het duingebied, waar tot 1925 de familie Stuifbergen boerde. Daarna werd de boerderij overgenomen door Dorus Ineke.
Een kijkje vanaf het pad naar de ziekenbarak de Kramersweg in. Links is een reclamebord te zien van Piet Bakker, de gistboer en in het eerste huis rechts vinden we het winkeltje van Jaap Stuifbergen. Naast dat huis liep het Onderlangs en er tegenover kwam het Slingerpad op de Kramersweg uit.
Een kijkje vanaf het pad naar de ziekenbarak de Kramersweg in. Links is een reclamebord te zien van Piet Bakker, de gistboer en in het eerste huis rechts vinden we het winkeltje van Jaap Stuifbergen. Naast dat huis liep het Onderlangs en er tegenover kwam het Slingerpad op de Kramersweg uit.

Rond 1830 woonde er in alle zes woningen aan het Slingerpad wel een lid van die familie.
Opa Piet Stuifbergen (1817-1927) had op de oude boerderij ‘de Papenberg’ gewoond, die tegen de duinrand aan stond. Later woonde Dorus Ineke daar. Met Blinde Jan en zijn twee zusters was Piet in 1925 naar een nieuwe boerderij aan het Onderlangs vertrokken. Ze werden de ‘Clowntjes’ genoemd, wat verbasterd werd tot de ‘Kloontjes’, waarna niemand meer wist wat het betekende. Jan was dan wel blind maar toch kon hij rustig door het buurtje wandelen. Iedereen die hem groette met “Morrie Jan”, groette hij terug met “Morrie Freek of Piet”. Had iemand een vreemde knecht aan het werk, dan vroeg hij wie hij was en maakte een praatje. Weken daarna wist hij die stem nog te herkennen. Als hij die hoorde, noemde hij onmiddellijk de naam.

Piet Stuifbergen (1921).
Piet Stuifbergen (1921).

Kleinzoon Piet Stuifbergen: “Mijn ome Klaas Stuifbergen had op de oude boerderij altijd
zijn dubbelloops jachtgeweer in het stookhokkie voor de was. Dan zei ie: jongens vlieg effe die berg op. Dan klonken er een paar schoten en riep ie, ik heb er genoeg hoor! Dan kregen we een stuiver. Hij maakte de konijnen direct schoon.”

Op de voorgrond aan het Onderlangs de woningen van mevrouw Temper, Berends/Kerkhoff en Glorie. In het laatste huis oefende de 'kankerjuffrouw' haar praktijk uit. De woningen zouden tegenwoordig op het zuidelijk deel van de begraafplaats staan. Iets verder staat de in 1925 gebouwde boerderij van de familie Stuifbergen en daarachter het bedrijf van tuinder Heere. De ziekenbarak steekt links iets boven de bomen uit.
Op de voorgrond aan het Onderlangs de woningen van mevrouw Temper, Berends/Kerkhoff en Glorie. In het laatste huis oefende de ‘kankerjuffrouw’ haar praktijk uit. De woningen zouden tegenwoordig op het zuidelijk deel van de begraafplaats staan. Iets verder staat de in 1925 gebouwde boerderij van de familie Stuifbergen en daarachter het bedrijf van tuinder Heere. De ziekenbarak steekt links iets boven de bomen uit.

Jaarboek 33, pagina 9

De ouders van Piet, Jaap Stuifbergen en Hendrika Emke, woonden vanaf 1921 aan de Kramersweg, hoek Onderlangs. Daar hadden ze een winkeltje waar je wat levensmiddelen kon kopen, maar het was vooral bekend als ‘cent van het blad’-winkeltje. Kinderen konden daar hun snoepcentjes besteden als ze op de Papenberg gingen spelen.
“Het stelde niet veel voor, het was ‘bittere rijst’ vroeger, heel bitter. Mijn vader was eerst bij tuinder Piet Heere aan het werk. Daarvandaan ging hij naar een fabriek in de Zaan en naderhand is hij met het winkeltje begonnen en met het bezorgen van kranten. Ik hielp vanaf school op het land. Nu ben ik nog de enige overlevende van elf kinderen.”
De bijnaam van deze familie Stuifbergen was ‘’Kluit’. Er waren zelfs Castricummers die De Duinkant ook wel de ‘Kluitenbuurt’ noemden. Jaap was aan die naam gekomen, toen hij zich liet ontvallen dat hij gek was op meelpap, waar vaak kluitjes in dobberen.
Voor zijn winkeltje aan de Kramersweg begon het Slingerpad en opzij van het huis kon je het Onderlangs op en liep je langs de tuinderijen in de richting van de Beverwijkerstraatweg. Halverwege passeerde je nog een paar vrij moderne woningen in vergelijking met de meeste kleine lage stulpjes.

Piet Stuifbergen kan zich de situatie nog goed herinneren, al zijn er weinig aanknopingspunten meer. “Als ik daar loop kan ik nog precies aanwijzen waar alles was. Dan zie ik alles weer voor me. Als ik op de begraafplaats ben, dan weet ik dat het urntje van mijn zoon Jaap precies in de zijtuin van mevrouw Temper staat. Achter de woningen van mevrouw Temper, Kerkhof en Glorie, waar nu de zuidzijde van de begraafplaats is, liep een pad omhoog naar wat ze vroeger ‘het Vliegenduintje’ noemden. Daarvandaan kon je gewoon naar Kijk Uit en de Helmweg en verder naar zee lopen. Er stond vroeger geen draad om of wat anders.

Iedereen kon vrij het duin inlopen. Het wemelde van de konijnen en de fazanten. De mensen die in het duin land hadden, konden makkelijk zorgen voor een konijntje of een dingetje in de pot. Toen de provincie het duin in 1934 heeft gekocht, stond er bij iedere opgang een bordje ‘verboden toegang’. Ze maakten een hek langs de duinen en zelfs hebben ze nog eens een slagboom gehad op de weg naar Kijk Uit. Daar zat Weenk voor de eerste keer bij toen dat hek klaar was. Een wandelkaart kostte een dubbeltje. De mensen mopperden wat af, want ze waren gewend zo dat duin in te lopen.”

Ziekenbarak

Omstreeks 1875 kwam de familie Van der Himst naar Castricum om te werken aan de afgravingen. De gebroeders Piet en Teeuw (Mattheus) woonden eerst met z’n tweeën in een bouwkeet en verzorgden zelf hun eten en drinken. Later kregen zij kennis aan de gezusters Kneppel. Zij trouwden met hen en gingen aan de Kramersweg wonen. Toen het afgraven op de Zanderij gebeurd was, hadden ze het erg arm. In de zomer werkten zij bij de tuinders en boeren op het land, maar in de winter verdienden ze geen droog stuk brood. Zij begonnen toen beiden een petroleumhandel. Piet ventte olie in Castricum, Limmen en Uitgeest, Teeuw in Heemskerk en Beverwijk. Het gebeurde verschillende keren dat ze zonder eten van huis gingen en eerst wat olie moesten verkopen, voordat ze brood konden kopen.

Voor de aanleg van de (op 1 mei 1867 geopende) spoorlijn was veel zand nodig en daarom hebben in Castricum grootscheepse afzandingen plaatsgevonden.
Voor de aanleg van de (op 1 mei 1867 geopende) spoorlijn was veel zand nodig en daarom hebben in Castricum grootscheepse afzandingen plaatsgevonden. (red: originele foto is rechterzijde van de vorige foto)

Jaarboek 33, pagina 10

Afzanding

Voor de aanleg van de (op 1 mei 1867 geopende) spoorlijn was veel zand nodig en daarom hebben in Castricum grootscheepse afzandingen plaatsgevonden. De Staat had een overeenkomst gesloten met de toenmalige eigenaresse jonkvrouw Deutz van Assendelft die inhield dat voor de aanleg van de spoorlijn van Alkmaar naar Amsterdam gedurende 15 jaren kosteloos het zand uit de duinen mocht worden gegraven. Toch was dat niet de hoofdreden voor de bijzondere boog om Castricum. Het had te maken met een voorziene aftakking van Castricum via de zeesluizen bij IJmuiden naar Haarlem. Toen de sluizen dicht bij de kust werden geprojecteerd, kon de spoorweg er toch niet overheen geleid worden en werd het dichterbij gelegen Uitgeest gekozen voor de vertakking naar Haarlem en de Zaanstreek. In het 16e jaarboek (1993) is de komst van het spoor uitgebreid beschreven.
De duinen liepen in oostelijke richting door tot aan de tegenwoordige Mient. Daar werden ze het eerst afgegraven en daarna volgden andere delen van de ‘Voorbergen’, zoals de duinen werden genoemd die tussen de ‘Papenberg’ en de ‘Goudsbergen’ (terrein Duin en Bosch) lagen. Zo ontstond het gebied dat de Zanderij wordt genoemd. Op een kaart van de afgravingen staat dat voor de diepte van de afgraving de drempel van de buitendeur van de wachtkamer van het stationsgebouw werd aangehouden. Het ging vaak op het oog en na de oorlog zijn van te hoog liggende tuingrond nog de nodige kubieke meters verder afgegraven. Aangetrokken door de werkgelegenheid die de afzandingen boden, zijn na 1865 steeds meer mensen in De Duinkant gaan wonen. De spoorlijn betekende dat De Duinkant nog meer een dorpje op zichzelf werd.

Theo van der Himst (1934).
Theo van der Himst (1934).

De kleinzoon van Teeuw, Theo (1934), vertelde dat zijn vader Gijs het ook niet makkelijk heeft gehad. Bij zijn huwelijk met Margaretha van Duin was het hem nog gelukt om een van de eerste in 1919 gebouwde huurwoningen van woningbouwvereniging Sint Jozef aan de Mient te bemachtigen. Door werkeloosheid kon hij de huur niet meer opbrengen en het gezin verhuisde in 1933 naar de ziekenbarak in het verlengde van de Kramersweg, waarvoor je een rijksdaalder in de week betaalde. Het uit 1914 daterende stenen gebouw stond officieel aan de Oude Schulpweg en de plaats zou tegenwoordig op het terrein van de in 1955 in gebruik genomen begraafplaats Onderlangs moeten worden gezocht. Het dankte zijn naam aan het doel waarvoor het gebouwd was: het isoleren van lijders aan besmettelijke ziekten. De provincie had de, vanwege de kosten, tegenstribbelende gemeente gemaand te voldoen aan de wettelijke verplichting om zo’n voorziening te hebben. Toen bleek dat er geen gebruik van gemaakt werd, vond de gemeente het zonde om het gebouw leeg te laten staan.

Theo vertelt: “Wij woonden in het voorste deel van de ziekenbarak. Het eerste raam was een slaapkamer en daar sliepen mijn vader en moeder; de volgende twee ramen waren van de woonkamer en wij sliepen boven op zolder. We waren met vier jongens en twee meiden. De WC, een zwart geteerd hokje, was buiten. De jongens moesten buiten plassen tegen een schot aan.
We hebben ook nog pensiongasten gehad. Dan moesten wij het huis uit en slapen en eten in een schuur die tegen de ziekenbarak was gebouwd. De gasten hadden de woon- en slaapkamer beneden en de zolder.
Dat we zo dicht bij de duinen woonden, kwam mijn vader wel goed uit, want hij stroopte veel. Mijn oudste zuster ging wel eens mee en dan moest zij de carbidlamp vasthouden en kon hij een fazant uit de boom jagen. Op de Kramersweg woonde Weenk, die dacht dat hij jachtopziener was, maar dat was hij helemaal niet. Hij was gewoon huisknecht bij de familie Gevers. Vader was kameraad met Piet Wulp, zoon van jachtopziener Freek Wulp. Mijn vader zei: “Piet er zit een koppel fazanten in de boom tegenover Weenk zijn huis. Hoe krijgen we die vent weg.”
Piet wist er wel wat op. Die haalde een grote jute zak uit de schuur die hij flink nat maakte in de waterput. Bij Weenk gooiden ze de zak over de stroomdraden en het licht ging uit. Geen vijf minuten later vertrok Weenk naar elektricien Henk van Amersfoort om de storing te melden. Hij was nog niet bij de spoorbomen of de eerste fazanten legden het loodje.
Mijn vader had vaak geen werk en dan kwam ie jonker Gevers wel eens tegen. Die zei dan: “Gijs, we gaan een bak kof e bij je thuis halen.” Als ie vertrokken was, kon je er vergif op innemen, dan lag er altijd een knaak onder het schoteltje.”

De ziekenbarak stond wat hoger door de afgraving van het omringende land. Het terrein ervoor – nu de begraafplaats – noemden ze ‘de Onderkant’.

De ziekenbarak die aan het einde van de Kramersweg stond, bij de aftakking van de Oude Schulpweg, werd in 1914 gebouwd.
De ziekenbarak die aan het einde van de Kramersweg stond, bij de aftakking van de Oude Schulpweg, werd in 1914 gebouwd.


Jaarboek 33, pagina 11

Theo van der Himst: “Mijn vader zei altijd, als ik later dood ben, wil ik aan de Onderkant begraven worden. Jan Twisk moet me wegbrengen met twee zwarte paarden. Hij zei ook altijd: “Als ik dood ben komen al die fazanten, die ik in mijn leven geschoten heb op mijn kop pikken
Mijn vader is dood: hij komt de aula uit en eerlijk … God is mijn getuige, toen schreeuwde er toch een kok (fazantenhaan) zo verschrikkelijk; het was niet om aan te horen. Toen de kist bij het graf was, hield hij op en toen de kist zakte, schreeuwde ie weer. Ik keek mijn oudste broer aan. Hoorde jij het ook. Ja zei hij, ik hoorde een kok schreeuwen. Ja, zei ik: twee keer. Ik zeg, kijk nou eens om je heen. Wat zei vader vroeger altijd: Ik wil aan de Onderkant begraven worden. Ik zeg, die bomen daar, die stonden in het bosje van Ineke, bij het klappoortje. Die zijn nooit weggehakt in de oorlog. Die bomen zijn er nog. Als je dan effe terug gaat en twee stappen naar rechts, daar had je de Onderkant. En waar legt het oudje hiero? Hij legt aan de Onderkant. Alles kwam uit. Hoe is het mogelijk.”

Bewoners van de ziekenbarak omstreeks 1933. V.l.n.r. staande Antoon de Ruijter, Gerrit Veenstra, Joop en Jan de Ruijter, Jo Veenstra-De Vries, onbekende badgast en Nel de Vries-Olbers.
Bewoners van de ziekenbarak omstreeks 1933. V.l.n.r. staande Antoon de Ruijter, Gerrit Veenstra, Joop en Jan de Ruijter, Jo Veenstra-De Vries, onbekende badgast en Nel de Vries-Olbers.

Armoede

In het achterste deel van de ziekenbarak, aan de duinzijde, woonden rond 1933 Grietje de Graaf – Kortekaas, Petronella (Nel) de Vries – Olbers en het gezin van haar dochter Jopie de Vries met haar man Gerrit Veenstra. Een andere dochter Jo de Vries en haar man Antoon de Ruijter hebben in het voorste deel van het gebouw gewoond. Zij werden daar opgevolgd door Gijs van der Himst en zijn gezin. In het achterste deel van het gebouw lagen de kleine woonkamers aan een vrij brede middengang. Aan het eind van die gang was een trap die leidde naar de slaapruimtes op de zolder.

Door armoede gedwongen waren ze allemaal in de ziekenbarak terechtgekomen. Nel Olbers was op jonge leeftijd in verwachting geraakt, wat haar door de dorpsgemeenschap zwaar werd aangerekend. Toen Jan de Vries in 1905 met haar wilde trouwen, stelde ze wel als voorwaarde dat hij dan haar zoon Piet als zijn kind moest erkennen. Zo gebeurde het en Piet Olbers ging verder als Piet de Vries door het leven. Na een huwelijk van nog geen 8 jaar overleed Jan en inmiddels had Nel nog zes kinderen gekregen. Ze moest alleen de kost verdienen en werkte bij de dokter, de notaris en de pastoor. Samen met 1 gulden van de armenzorg en een 1 gulden van de kerk kon ze het redden. Stientje, het oudste meisje in het gezin, moest vanaf haar achtste jaar maar een beetje op haar broertjes en zusjes letten. Alsof het leven nog niet zwaar genoeg was, had Nel ook nog de zorg voor haar licht gehandicapte broer Dirk.

Piet ‘Olbers’ de Vries: de scharensliep

Piet de Vries, bijnaam Rooie Piet, heeft zeker de gevolgen ondervonden van zijn bepaald niet zorgeloze jeugd.
Hij werd zeeman, had nog verschillende andere baantjes en raakte aan de drank. Ondanks zijn trieste achtergrond komt hij nog al eens in vrolijke verhalen voor.
Piet Stuifbergen: “Die man dronk een fles spiritus zomaar leeg. Hij mocht dan zijn huis niet meer in komen. Kinderen, die bij ons in het winkeltje kwamen, zeiden dan: wij hebben een ome Piet en die slaapt altijd in de blauwe bloemetjes. Dan ging hij achter de ziekenbarak een hellinkie op en dan lag ie in een kuil op een ouwe jas of een deken. ‘s Morgens dan hoorde je hem op zijn mondorgel spelen. Piet had een keer zijn been gebroken. Hij werd naar het ziekenhuis in Alkmaar gebracht, maar de volgende zondagochtend konden ze hem nergens meer vinden. Toen liep hij heel bij de Kattenberg in Heiloo steunend op een stoel van het ziekenhuis. Hij sleepte zijn gipsbeen mee en ze konden vanaf Alkmaar een hele krijtstreep volgen. Dat ziekenhuis was niets voor hem; hij wou naar huis, maar eerst wel even langs het cafeetje van Bal Lute.
Op een zekere dag kocht hij een scharensliep, die je nog met de hand moest duwen. Hij ging aan de loop en hij stopte bij zuster Plas. Hij had zo’n rijmpje van: Hier is Rooie Piet met z’n scharensliep, ik dacht dat je me riep, of zoiets. Zuster Plas gaf hem met wat tegenzin haar tafelmessen en werd zo z’n eerste klant. Hij aan het slijpen. Wij stonden erbij te kijken. Toen bracht ie ze weer terug en we hoorden haar zeggen: wat heb je nu gedaan Piet ? Hij antwoordde: “Wat zou je denken: aan twee kanten geslepen. Jullie eten toch vaak cadetten, dan steek je het mes er in het midden in en dan een keer heen en weer en klaar ben je. Eentje heb ik niet aan twee kanten geslepen, die is voor de boter …”
Hoe het Piet de Vries precies is vergaan, valt niet meer te achterhalen. Wel weten we dat hij een paar keer in een inrichting in Veenhuizen heeft gezeten en dat hij in 1944 op 49-jarige leeftijd in Frankrijk bij een bombardement


Jaarboek 33, pagina 12

om het leven is gekomen. De oorlog werd een groot drama voor de familie. Nel de Vries – Olbers, die de ziekenbarak moest verlaten vanwege de evacuatie, kreeg een hartaanval en overleed in januari 1943. Haar broer Dirk, die naar een evacuatieadres in Wildervank was gestuurd, is enkele maanden later verdronken. Op zijn bidprentje staat de tekst: ‘Ver van zijn woonplaats en ver van zijn geliefden moest hij zijn laatste levensdagen doorbrengen.’

Zuster Plas

Zuster Plas was hoofdverpleegster in Duin en Bosch. Ze woonde aan de Kramersweg en was heel actief in het dorp. Zo organiseerde ze vele jaren samen met Wub van Weenen het schatgraven voor de jeugd op het strand. Ze had vaak wat bijzondere mensen in huis. Omdat ze alleen woonde, had ze ruimte genoeg. Misschien heeft ze wel mensen die uit het ziekenhuis werden ontslagen, opgevangen. Zo heeft er een Italiaanse kunstschilder en zijn vrouw bij haar ingewoond. Ze waren populair bij de jeugd, want ze gaven een of twee cent voor een gevangen kikker. De mensen waren gek op kikkerbilletjes.
Ze had een prachtige fruittuin met bessenstruiken en fruitbomen, die helemaal doorliep tot aan het Radiopad. Wim Wulp: “Dan klommen we bij haar over het hek en werden wel eens opgewacht door politieman Bleijendaal of Tol. We konden rekenen op een standje, maar daar bleef het bij.”

Zuster Plas werd ook wel aangeduid als 'Mooie Aaltje uit Edam'. Ze heeft veel voor Castricum betekend.
Zuster Plas werd ook wel aangeduid als ‘Mooie Aaltje uit Edam’. Ze heeft veel voor Castricum betekend.

De radiocentrales

Op de plaats van de voormalige veiling en het kaaspakhuis sloot behalve het Slingerpad ook het doodlopende Radiopad op de Duinenboschweg aan. Daar woonden Nelis Stolk en Piet van Duijn. Ze hadden allebei een technische knobbel. Nelis Stolk begon eerst een rijwiel- en motorhandel op de Dorpsstraat, maar hield het niet lang vol. Hij vertrok in 1917 naar De Duinkant en startte daar een graanmaalderij.

Nelis Stolk in zijn studio aan de Duinenboschweg. Hij verzorgde de radiodistributie ten westen van de spoorlijn.
Nelis Stolk in zijn studio aan de Duinenboschweg. Hij verzorgde de radiodistributie ten westen van de spoorlijn.

Neef Krijn Stolk (1908): “Er waren boven trechters waar je het graan in moest gooien. Als jongen zijnde, moest ik die graanbakken van boven vullen. Ik weet wel dat ik aan de gang was en een bak vol gooide en dat werd beneden gemalen. Maar ik dacht wat is er toch aan de hand, die bak komt nooit vol. Waar blijft het?”

Radiopionier Piet van Duijn draaide 'katholieke' plaatjes.
Radiopionier Piet van Duijn draaide ‘katholieke’ plaatjes.

Piet van Duijn was de zoon van een aardappelhandelaar. Hij begon een constructiewerkplaats en deed ook elektriciteitswerk. Stolk en Van Duijn hadden veel interesse in de radio en de radiodistributie. Een abonnement op de draadomroep betekende dat geen dure radio hoefde te worden aangeschaft, een luidspreker was genoeg. De geluidskwaliteit was doorgaans beter dan de eigen ontvangst. Beiden vroegen in 1926 een concessie aan voor de radiodistributie. Burgemeester en wethouders meenden de concessie voorlopig tot één persoon te moeten beperken in verband met de exploitatiekosten en


Jaarboek 33, pagina 13

Bekendmaking van de radiocentrales nadat deze in 1926 een tienjarige concessie hadden gekregen.
Bekendmaking van de radiocentrales nadat deze in 1926 een tienjarige concessie hadden gekregen.

de haalbaarheid van dit project. Stolk had de vergunning als eerste aangevraagd en daarom werd de raad voorgesteld alleen zijn aanvrage in te willigen. De meerderheid was het daar niet mee eens. Misschien had het er ook mee te maken dat Stolk niet katholiek was en Van Duijn wel. Hoe dan ook, Stolk kreeg een concessie ten westen van de spoorlijn en Van Duijn ten oosten. Er werd een netwerk aangelegd en voor 35 cent per week kon je worden aangesloten.

Voor de werkplaats van Piet van Duijn staan v.l.n.r. Dirk de Vries, Dirk Tienstra, Piet van Duijn en Cor Hoebe. Laatstgenoemde specialiseerde zich later in bronbemaling. Rechts de radiowinkel van Piet van Duijn.
Voor de werkplaats van Piet van Duijn staan v.l.n.r. Dirk de Vries, Dirk Tienstra, Piet van Duijn en Cor Hoebe. Laatstgenoemde specialiseerde zich later in bronbemaling. Rechts de radiowinkel van Piet van Duijn.

Piet Stuifbergen: “Nelis en Piet hadden ieder een grote ontvangstmast achter het huis staan. Door de week gaven ze gewoon de KRO, de VARA enz. door. Zondags na kerktijd draaiden ze een paar uurtjes populaire plaatjes. De ene keer Nelis Stolk en de andere keer Piet van Duijn. Ze gingen heel gemoedelijk met elkaar om. Als de een er niet was, verving de ander hem. Dan zei Piet van Duijn: Nu draai ik voor Nelis plaatjes, maar dat zijn geen protestantse plaatjes. Mensen, nu moeten jullie allemaal naar katholieke plaatjes luisteren.”

De afbraak van De Duinkant betekende ook het einde van de plaatselijke radiodistributie.

Het cafeetje van Kouwe Bal

De eerste eigenaar van Café Spoorzicht was Cees van Duin. Hij werd opgevolgd door Bal Lute, bijgenaamd 'Kouwe Bal'.
De eerste eigenaar van Café Spoorzicht was Cees van Duin. Hij werd opgevolgd door Bal Lute, bijgenaamd ‘Kouwe Bal’.

Bij de bocht in de Kramersweg voor de boerderij Nooitgedacht stond het café ‘Spoorzicht’. De eerste caféhouder was Cees van Duin. Bal Lute, bijgenaamd ‘Kouwe Bal’ volgde hem op. Zijn bijnaam stamde nog uit de tijd dat hij broodventer was (koude bakker). Naast het runnen van zijn café handelde hij afwisselend in bloemen, vee en vis. Voor het verpakken van vis klopte hij nog wel eens aan bij krantenbezorger Jaap Stuifbergen, die wel wit papier had waarmee kranten of tijdschriften werden omwikkeld. Het cafeetje kende natuurlijk een stel vaste stamgasten, zoals Dirk (Poentje) Kuijs, Gerard (Kwikkie) Tromp en Willempie Hollenberg, maar ook bezoekers van het ziekenhuis kwamen daar wel koffie drinken.

Kankerjuffrouw

Op de gevel van de tuinderswoning van Simon Glorie aan het Onderlangs prijkte de voornaam van zijn vrouw Hendrika. Ze werd de ‘Kankerjuffrouw’ genoemd, omdat


Jaarboek 33, pagina 14

 Maartje Glorie (1874-1922) was de eerste 'kankerjuffrouw'in Castricum. Ze hield praktijk in haar woning aan de Kramersweg, tegenwoordig Burgemeester Mooijstraat 3. Omstreeks 1918 nam haar dienstbode Rika Glorie- Hopman die taak over.
Maartje Glorie (1874-1922) was de eerste ‘kankerjuffrouw’in Castricum. Ze hield praktijk in haar woning aan de Kramersweg, tegenwoordig Burgemeester Mooijstraat 3. Omstreeks 1918 nam haar dienstbode Rika Glorie- Hopman die taak over.

de mensen bij haar terecht konden voor groeisels en gezwellen die als kanker werden aangemerkt. Hendrika (Rika) Hopman was 19 jaar toen ze min of meer tegen haar zin het werk als genezeres overnam van Maartje Glorie (1847- 1922). Rika was als dienstbode bij Maartje in dienst gekomen en zorgde voor de huishouding en de opvang van patiënten in het huisje aan de Burgemeester Mooijstraat 3. Het bij velen nog bekende sigarenmagazijn Heeremans was er later gevestigd.
Het recept van Maartje Glorie, waarin honing, knoflook, ‘kreeftsogenpoeder’ en een bepaalde witte wijn belangrijke bestanddelen waren, is in haar oude woning teruggevonden. De patiënt moest bij gebruik van het medicijn ook 24 uur wakker gehouden worden. Volgens de instructie moest het gebruikt worden voordat de kanker ‘open’ of ‘getakt’ is, anders zou uitsnijding van het kwaad (door een dokter) de enige remedie zijn. Over de vraag waar het recept oorspronkelijk vandaan kwam, bestaan verschillende lezingen. Het zou Frankrijk kunnen zijn, maar ook een Castricumse pastoor of kapelaan wordt soms genoemd.

Jan de Ruijter (1894-1992) zat in het begin van de vorige eeuw op de lagere school in de Schoolstraat. Hij vertelde: “Wij waren schooljongens van Bakkum en moesten onder de middag overblijven. Dan gingen we altijd naar het station. De trein kwam om effe over twaalf an. We keken uit naar mensen, die naar de kankerjuffrouw toe moesten. Daar kregen wij dan wel eens een dubbeltje van als we ze de weg wezen naar het huis van Maartje Glorie. Ik heb ze zien komen, mensen heel uit Zeeland vandaan.”

In de woning van de familie Glorie aan het Onderlangs was een extra kamertje naast de voordeur bestemd voor Rika’s praktijk en zij had net als Maartje over de klandizie niet te klagen. Piet Stuifbergen: “Als je op de weg aan het spelen was dan werd ons nog wel eens gevraagd of we wisten waar de Kankerjuffrouw woonde. De mensen kwamen van heinde en ver. Mijn zuster heeft bij haar gewerkt en dan moest ze knoflook schoonmaken, die werd versnipperd en met wat andere kruiden in zakjes gedaan. Mevrouw Glorie had het er druk mee. Ze had een wit schort voor en het haar netjes in de krul.”

Rika Glorie-Hopman (1899-1977).
Rika Glorie – Hopman (1899-1977).
Theo Glorie (1932).
Theo Glorie (1932).

Theo Glorie (1932): “Mijn moeder heeft na het overlijden van Maartje eerst nog patiënten geholpen in de boerderij ‘Papenberg’’ van haar opa. Mensen gingen naar de wc die tegenover de boerderij stond als ze iets moesten uittrekken. Ze maakte helemaal geen reclame. Het ging van mond tot mond. Soms zat de hele gang vol thuis. Wij vonden het wel eens vervelend dat we ons verhaal niet kwijt konden, als we uit school kwamen. Tussen de bedrijven door moest ze het brood voor de kinderen klaar maken en dat smaakte nog al eens naar knoflook. Intussen zijn we al aardig op leeftijd, maar niemand van ons lust knoflook.”

Rika Hopman staat links bij de boerderij Papenberg van haar grootvader Piet Stuifbergen. Na haar huwelijk met Simon Glorie had ze haar kruidenpraktijk aan het Onderlangs en na de oorlog aan de Verlegde Overtoom. Naast haar v.l.n.r Jan, Piet, Antje en Trijn Stuifbergen.
Rika Hopman staat links bij de boerderij Papenberg van haar grootvader Piet Stuifbergen. Na haar huwelijk met Simon Glorie had ze haar kruidenpraktijk aan het Onderlangs en na de oorlog aan de Verlegde Overtoom. Naast haar v.l.n.r Jan, Piet, Antje en Trijn Stuifbergen.

Jaarboek 33, pagina 15

Rika Glorie – Hopman werd in 1933 voor de kantonrechter gedaagd wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. Ze verklaarde dat ze geen risico’s nam en dat ze steeds doorverwees naar doktoren. Bovendien vroeg ze geen geld voor haar diensten; ze liet het aan de mensen over om haar te honoreren. Toch kreeg ze een boete van 200,- gulden. Ze was erg aangeslagen door het vonnis, maar ook daarna kon ze zich niet aan het werk onttrekken. Patiënten uit het hele land bleven haar tot in de jaren zestig opzoeken. Na de oorlog heeft ze aan de Verlegde Overtoom een nieuw huis laten bouwen en ook daar had ze een kamertje voor haar praktijk.

Het boshuisje en de boerderij van Bos

Het huisje van Jan Winkelman aan het Onderlangs stond tegen het duin aan. Op de achtergrond de Beverwijkerstraatweg. V.l.n.r. Anton van den Berg, Aagje van den Berg-Steijn, Fem Bos, Trien Winkelman, Alida Winkelman-Bos, Gerrit Winkelman, de heer en mevrouw Steijn en geheel rechts Jan Winkelman.
Het huisje van Jan Winkelman aan het Onderlangs stond tegen het duin aan. Op de achtergrond de Beverwijkerstraatweg. V.l.n.r. Anton van den Berg, Aagje van den Berg-Steijn, Fem Bos, Trien Winkelman, Alida Winkelman-Bos, Gerrit Winkelman, de heer en mevrouw Steijn en geheel rechts Jan Winkelman.

Het Onderlangs volgend komen we voorbij het klimduin bij het huisje van Winkelman. Het stond als het ware in het duin.

Trien Winkelman (1930).
Trien Winkelman (1930).

Trien Winkelman: “In 1930 ben ik in het boshuisje geboren. Mijn grootvader Jacob Winkelman heeft er ook gewoond. Het was van de familie Gevers. Er was geen elektriciteit, gas of waterleiding, zoals bij wel meer huisjes. We hadden een diepe welput voor het drinkwater. Het was heel lekker water en veel mensen die van de Papenberg afkwamen, hebben daar hun dorst gelest. Die put kan er nog wel zijn.
Mijn vader is getrouwd met Alida Bos, dochter van Gert Bos van de boerderij die daar in de buurt stond. Van huis uit zijn de Winkelmannen niet katholiek. Mijn grootmoeder was zelfs kosteres van de protestantse kerk. Mijn vader is katholiek geworden op zijn trouwdag. Hij werkte als arbeider onder andere bij de bouw van Duin en Bosch en ook bij de aanleg van de Zeeweg. Ik heb een leuke jeugd gehad daar aan het Onderlangs. Je kon er heerlijk spelen. Kennissen en familie kwamen vaak op bezoek.
Er kwam plotseling een einde aan die tijd. In 1943 moest mijn vader om 9.00 uur op het gemeentehuis komen en kregen we de aanzegging dat we er om 12.00 uur uit moesten zijn.“

De familie Bos was in 1916 verhuisd van de Mient naar een boerderij dichtbij het boshuisje. De boerderij stond een stukje van de Beverwijkerstraatweg af en zou onge-

De boerderij van Gert Bos stond op de plaats van de kantine van de voetbalclub Vitesse. Op het lange pad naar de Beverwijkerstraatweg hebben in oorlogstijd soldaten uit Mongolië nog leren etsen. Na de oorlog zette zijn zoon Klaas en later diens zoon Gerrit het bedrijf voort aan de Ruiterweg.
De boerderij van Gert Bos stond op de plaats van de kantine van de voetbalclub Vitesse. Op het lange pad naar de Beverwijkerstraatweg hebben in oorlogstijd soldaten uit Mongolië nog leren etsen. Na de oorlog zette zijn zoon Klaas en later diens zoon Gerrit het bedrijf voort aan de Ruiterweg.

Jaarboek 33, pagina 16

veer gestaan hebben op de plaats van de tegenwoordige kantine van Vitesse.

Gerrit Bos: “Mijn grootvader Gert Bos had wat koeien en teelde aardbeien, maar hij was toch vooral vrachtrijder en paardenhouder. Paarden waren het voornaamste. Ze reden op Lisse, Hillegom en Sassenheim met bollen en haalden riet uit de Moerdijk vandaan voor de rietdekkers. Ze brachten ook groente naar de veiling. Ome Jan Bos, een broer van mijn vader, was erg lenig. Ze zetten wel eens een kruiwagen rechtop met de armen omhoog en daar sprong hij dan zo doorheen. Geen koddebeier die hem te pakken kon krijgen. De boerderij had een kaaskelder en de ramen zaten daar vlak boven de grond. Dus konden ze uit de kelder op konijnen en fazanten schieten. De jachtopzieners hoorden dan wel een schot, maar ze zagen niemand. Het hondje haalde de fazant of het konijn op.”

Cor, Piet en Jan Bos hebben het in 1932 nog eens ernstig aan de stok gekregen met jachtopziener Weenk. Ze kregen ruzie over de plaatsing van scheidingspalen in het duin en er ontstond een vechtpartij. Dat kon natuurlijk niet ongestraft blijven. De drie broers, 24, 23 en 21 jaar oud, moesten voor de kantonrechter verschijnen. Vanwege hun blanco strafregister kregen ze relatief lage boetes van ƒ 60,- en twee keer ƒ 40,-, maar het waren voor die tijd toch grote bedragen. Om de boetes te betalen werd een stuk duingrond aan de familie Gevers verkocht.

TBC

Zoals in veel plaatsen waren er in Castricum en Bakkum heel wat lijders aan tuberculose of tering zoals het ook werd genoemd. Het was een van de meest voorkomende ziekten.

Er stonden tientallen TBC-huisjes in het dorp, huisjes die gemonteerd waren op een draaischijf, zodat ze steeds naar de zon gericht konden worden. Frisse lucht, rust en goed eten was voor de oorlog nog de enige geneeswijze. Voor leden van de kruisvereniging was de plaatsing van een ‘lig-tent’ bij hun huis gratis. Het Witte Kruis (1908) en Het Wit Gele Kruis (1920) werkte hierbij goed samen.
Piet Stuifbergen herinnert zich dat er in De Duinkant zeker vijf of zes van die tentjes hebben gestaan. De beheerder van het magazijn in de Burgemeester Mooijstraat, Kees ‘Spriet’ Stuifbergen, leverde ook de hulpmiddelen, bedden, steken enz. De huisjes werden met paard en kar bij de mensen gebracht en op het erf opgebouwd.

Alie Veldt-Zomerdijk (1918-2009).
Alie Veldt-Zomerdijk (1918-2009).

Alie Veldt – Zomerdijk vertelde over haar broer Arie: “Mijn broer heeft drie jaar in een tent bij ons huis gelegen. Nelis Stolk had het met hem te doen en hij kwam vaak op bezoek. Hij heeft Arie nog eens een hele mooie radio gegeven. Het leek wel een schilderijtje. Hij is in 1932 overleden, toen hij 23 was. Ik zie me nog naar mijn vader rennen en roepen: Vader het gaat niet goed met Arie. Hij is toen ook dood gegaan.”

Van de kaasfabriek naar de tuinderij

Manus, de vader van Alie Zomerdijk, was in 1900 uit Zijdewind naar Castricum gekomen. Zijn vader had een smederij en die wilde hij aan een van zijn jongens overdragen, maar er was niemand die er zin in had. Ze wilden allemaal een zuivelfabriek beginnen. De een begon in Zijdewind, de ander in Alkmaar en de derde in Limmen.
Alie Veldt – Zomerdijk (1918-2009): “Mijn vader begon in de kaasfabriek ‘De Duinstreek’ aan de Cieweg, waar ze ook woonden. In dat huis ben ik in 1918 geboren. De fabriek liep goed. Mijn vader en moeder hebben er vreselijk

Hermanus (Manus) Zomerdijk was kaasmaker maar begon in 1918 een tuinderij aan de Kramersweg. Hij was getrouwd met Aaltje Brakenhoff en zij kregen 13 kinderen. Op de foto v.l.n.r. Herman, Jan, Jaap, Niek, Arie, Gré, Piet en Marie. Voorts Manus en zijn vrouw met dochter Alie op haar arm.
Hermanus (Manus) Zomerdijk was kaasmaker maar begon in 1918 een tuinderij aan de Kramersweg. Hij was getrouwd met Aaltje Brakenhoff en zij kregen 13 kinderen. Op de foto v.l.n.r. Herman, Jan, Jaap, Niek, Arie, Gré, Piet en Marie. Voorts Manus en zijn vrouw met dochter Alie op haar arm.

Jaarboek 33, pagina 17

hard gewerkt. Tenslotte was het mijn moeder die niet langer voor de boeren wilde werken. Rond 1919 gingen we naar Kramersweg om er een tuindersbedrijf te stichten, samen met mijn oudste broers. We hebben daar een nieuw huis laten zetten waarvoor een ouder huis werd afgebroken. Van dat bouwmateriaal is zoveel mogelijk gebruik gemaakt. Daar in De Duinkant ben ik opgegroeid.
Er woonden allerlei bijzondere mensen. Je had het honingvrouwtje, dat was een Duitse mevrouw en die was met Arie Bakker getrouwd. Ze verkochten bijenhoning. Er stond een bordje bij het huis met de tekst: ‘Mensen, mensen eet toch honing, eet toch zoete zonneschijn.’ De zoon van het honingvrouwtje was kapitein en die kwam eens in de zoveel tijd over. Dan kwam hij met zijn (Duitse) vrouw. Ik kreeg een dubbeltje als ik haar fiets aanpakte.
Je had er het winkeltje van Jaap Stuifbergen alias ‘Kluit’. Ik weet nog goed, het was op een zondagmiddag toen mijn ouders naar de kerk waren. Samen met mijn broer heb ik door een klein kelderraampje mijn spaarpot gepakt en er wat centen uitgehaald om snoep te kopen. Mijn ouders kwamen er later toch achter, want het werd doorverteld. Onze buurvrouw was zuster Plas, die op Duin en Bosch werkte. Die had altijd vreemde mensen over de vloer. Ze heeft in de crisisjaren nog een jasje voor mij gemaakt van een oude jas. Die werd uit elkaar gehaald en er kwam een bontkraagje op. Ik mocht daarmee de klassen in de rondte. Maar ik was niet achterlijk, ik merkte dat ze me voor de gek hielden.
Mijn eerste betrekking was in de strandtent van Dirk Bakker. Ik was toen een jaar of 15. Ik was net 16 toen ik bij een vroedvrouw in dienst kwam. Ze was nogal modern. Moeder kwam op visite en ze zag naaktfoto’s hangen en toen moest ik ontslag nemen. Eind 1939, begin 1940 werkte ik in de kantine bij de bouw van de bergplaats voor het Stedelijk Museum in de duinen. Ik ben in 1942 getrouwd met Gerrit Veldt. Hij werd Gert Best genoemd. Die had eerst verkering met mijn zuster Nel. Die is later nooit getrouwd. Mijn man had altijd zijn eigen stoel bij haar thuis. We waren thuis met zeven meiden, maar ik ben de enige die ooit getrouwd is.”

Vader Manus Zomerdijk stichtte na zijn vertrek uit de kaasfabriek met medewerking van zijn zoons een flinke tuinderij aan de Kramersweg, waar later ook een grote kas bijgebouwd werd. Aan de opbouw van zijn bedrijf kwam na ruim 23 jaar een eind. Door beschietingen van de trein werden verschillende panden onder andere van Bleijendaal, Stolk en Van Duijn getroffen. Ook het huis en de kas van Zomerdijk werden behoorlijk geraakt. De kogels waren door het huis gevlogen en er was veel schade aan het dak en de muren. Ze konden daar niet meer blijven. Nog voor de grote afbraak was begonnen, vertrok de familie in 1942 naar een woning aan het Schoutenbosch en vervolgens naar een huis tegenover de r.k. kerk. Zowel in Egmond als in Castricum hebben de zoons van Manus de tuinderij voortgezet.

Oorlog en afbraak

Theo van der Himst: “Jonkheer Gevers was de eerste die tegen mijn vader zei dat de oorlog was begonnen. Mijn vader stond op de Papenberg naar de vliegtuigen te kijken. Vloekend kwam de jonker met z’n witte kop ook de berg op. Hij zei: Gijs hoor je gvd dat die vuile rotmoffen het vliegveld in Bergen bombarderen?
Mijn vader zei: Het wordt wel link voor u. U mag wel uitkijken met het dak van uw huis. Het is van golfplaat en het glimt dat is goed te zien uit de lucht.
Jhr.Gevers: Gijs gvd, ga direct naar Portegies en haal een pot groene verf en ga m’n dak schilderen. Zo is het echt gebeurd.”

De kennisgeving aan radiopionier Cornelis Stolk, waarin werd meegedeeld dat zijn pand zou worden afgebroken.
De kennisgeving aan radiopionier Cornelis Stolk, waarin werd meegedeeld dat zijn pand zou worden afgebroken.

In november 1942 begon de evacuatie. Bevolen werd dat iedereen de gemeente moest verlaten, behalve land- en tuinbouwers en personen wier verblijf noodzakelijk was. Degenen die geen werk hadden, moesten op 30 november 1942 weg zijn; de anderen op 31 december 1942.
Op 18 augustus 1943 kregen veel woningbezitters een brief met de tekst: “Ik deel u mede, dat uw woning … in opdracht van het Rijkscommissariaat op korten termijn afgebroken wordt.” Niet minder dan 267 huizen, bedrijven en boerderijen aan de Vinkebaan, Mient, Stetweg, Kooiweg, Oosterbuurt moesten verdwijnen, waaronder de hele Duinkant. De Atlantikwall moest ook aan de landzijde verdedigd kunnen worden. De tankmuur, een stukje van de tankgracht en een enkele verdwaalde bunker zijn nog de stille getuigen van wat Castricum is overkomen.



Jaarboek 33, pagina 18

Mensen zochten een goed heenkomen, soms in het dorp als daar een huis werd toegewezen en soms ver daarbuiten. Rie Brasser – Beentjes: “Het was vreselijk voor die mensen. Ze hadden alles bij elkaar moeten sparen om aan een huisje te komen. Ze waren gehecht aan hun buurtje en aan de gezelligheid onder elkaar. Toen kwamen ze in rijtjeshuizen terecht. Daar waren ze helemaal niet thuis. Ze waren geen naaste buren gewend, maar ruimte en vrijheid. Het is een grote klap geweest. Ze waren er geboren en woonden er van vader op zoon. Hun leven veranderde volkomen.”

Er werd niet veel tijd gegund om het huisraad in te pakken en te vertrekken onder andere naar een van de vele door de evacuatie leeg gekomen woningen of naar andere plaatsen.
Er werd niet veel tijd gegund om het huisraad in te pakken en te vertrekken onder andere naar een van de vele door de evacuatie leeg gekomen woningen of naar andere plaatsen.

Theo van der Himst: “Wij waren een van de laatsten die van De Duinkant weggingen. Het was een heel mooi buurtje. Er woonden veel arme mensen, maar de mensen hadden wat voor elkaar over. Als De Duinkant terugkwam zoals het vroeger was, dan ging ik op mijn knieën terug.”

De Duinkant voorgoed verdwenen

De wederopbouwautoriteiten besloten na de oorlog dat de duinzijde onbebouwd moest blijven om het zicht op het landschap te behouden. In Het Nieuwsblad voor Castricum van 9 juni 1948 verscheen een artikel, waarin de gevoelens van de gedupeerden werden weergegeven over het niet mogen bouwen op de plaats waar ze gewoond hadden:
“In 1942 lagen alle huizen in het schootsveld van de Duitse kanonnen. Het is wel toevallig dat de gemeente en de provincie zeker vanaf 1943, nu niet uit ‘schietgezichtspunt’’, maar uit ‘schoonheidsoogpunt’ precies hetzelfde beschouwen als onze ‘vijand’. Een onbekende architect maakt een wederopbouw en uitbreidingsplan van Castricum, zonder de getroffenen ook maar in iets te raadplegen. Schreeuwend onbillijk vinden wij, dat wat de wederopbouwautoriteiten willen voor ons, zonder pardon, wet moet zijn. Nu vragen de wederopbouwautoriteiten zich nog af, waarom er in Castricum zo weinig animo is voor herbouw.”

Wederopbouw

Al in 1940 werd er in de Besluiten op de Wederopbouw bepaald, dat slachtoffers van de oorlog een tegemoetkoming moesten krijgen voor de geleden schade. Na de oorlog was er niet direct genoeg geld om de oorlogsschade te vergoeden. De schulden moesten worden bijgeschreven in het Grootboek Wederopbouw. Een belangrijk uitgangspunt binnen het Besluit Oorlogsschade was de herbouwplicht. Dit hield in dat aan het beschikbaar stellen van een bijdrage voor schade aan onroerende goederen de voorwaarde werd verbonden dat de bijdrage besteed zou worden voor herbouw overeenkomstig een goedgekeurd plan, dus passend binnen het Wederopbouwplan. Voor de tijd tot het opstellen van het plan werd een rente betaald en zo leefde in economisch opzicht het genot van het eigendomsrecht voort.

Castricumse bouwbedrijven namen de rechten van herbouwplichtigen graag over. Alie Zomerdijk: “Mijn vader is 78 jaar geworden. Hij heeft na de oorlog nog jaren meegewerkt met zijn zoons. Hij zat bij ‘Onderlinge Hulp’ en bij de veiling. De mogelijkheid om te herbouwen heeft hij verkocht voor 12.000 gulden. Dat was dan het bedrag waarvoor hij zijn hele leven had gewerkt.”

Zo’n 15 bewoners van De Duinkant besteedden hun schadevergoeding voor de aankoop van een woning in het eerste na-oorlogse nieuwbouwwijkje, bestaande


Jaarboek 33, pagina 19

Een beeld van de Zanderij in de jaren zestig. Op de voorgrond de eerste tennisbanen, thans deel van de begraafplaats, de Kramersweg en nog iets verder het veilinggebouw, waar ooit het Slingerpad en het Radiopad liepen.
Een beeld van de Zanderij in de jaren zestig. Op de voorgrond de eerste tennisbanen, thans deel van de begraafplaats, de Kramersweg en nog iets verder het veilinggebouw, waar ooit het Slingerpad en het Radiopad liepen.

uit de Leo Toepoelstraat, de Jan Hobergstraat en de Van Ginhovenstraat. Jaap Stuifbergen was de eerste bewoner van de nieuwe Leo Toepoelstraat. Hij heeft daar in een iets aangepast huis nog een aantal jaren zijn winkeltje gehad. Kouwe Bal Lute begon een kroegje op de hoek van de Verlegde Overtoom en de Dorpsstraat.
Piet van Duijn zette zijn elektronica-winkel voort in een pand op de hoek van de Dorpsstraat en de Torenstraat. De winkel is later overgenomen door de firma Oudejans. In 1951 verkochten Piet van Duijn en zijn vriend Nelis Stolk hun historische grond op de Zanderij voor de bouw van de veiling.
Engel Zonneveld kreeg een dienstwoning van het PWN in Heemskerk. De familie Wulp bouwde een nieuwe woning aan de Puikman en zette van daaruit het tuindersbedrijf voort. Zo hebben velen hun weg weer gevonden, maar de herinneringen aan het duindorpje worden nog steeds gekoesterd.

Een gedenkteken in een of andere vorm voor De Duinkant zou zeker op zijn plaats zijn. Oud-Castricum wil in ieder geval de geschiedenis van het verdwenen buurtje en zijn bewoners levend houden.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief gemeente Castricum, zoals aanwezig in het Regionaal Archief Alkmaar.
  • Heideman, H., Het dorpje aan de duinkant, Alphen aan den Rijn 1986.
  • Jaarboeken Oud-Castricum met de geschiedenis en stamboom van Castricumse families, waaronder Lute, Glorie, Stuifbergen, Wulp en Zonneveld.
  • Utrechts Archief voor documentatie over de aanleg van de spoorlijn.


Met dank aan Job Baltus, Gerrit Bos, Rie Brasser – Beentjes, Theo en Joke Glorie, Henk Heideman, Theo van der Himst, Jan de Ruijter en Tinie Hendriks – de Ruijter, Sien Nijman – Zonneveld, Jan de Ruijter, Piet Stuifbergen, Alie Veldt – Zomerdijk†, Niek Veldt, Trien Winkelman, Wim Wulp en Jan Zonneveld†.

Print Friendly, PDF & Email