Gereformeerde Kerk (Jaarboek 36 2013 pg 18-27)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum:
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 36, pagina 18

De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)

Castricum telde ongeveer 11.000 inwoners toen in 1955 aan de rand van de toenmalige bebouwing op de hoek van de Prinses Beatrixstraat en de Kleibroek de Maranathakerk werd gebouwd. Tot 2006 was het gebouw van de Gereformeerde Kerk en nu (in 2013) behoort het tot de Protestantse Gemeente Castricum. Achthoekig van vorm, omringd door bijgebouwen en met in top het hugenotenkruis, ook wel het kruis van de calvinisten genoemd. De ombouw dateert uit 1978. Het achthoekig centrum werd in 1955 gebouwd ter vervanging van de kerk aan de Beverwijkerstraatweg 32, nu een zakenpand.

Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.
Het ‘lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg in september 1920 met de heer Cornelis Baart, zijn echtgenote Helena Nuis en dochter Trijntje tussen hen in.

Het lokaal

Vroeg in de vorige eeuw had zich een klein aantal gereformeerden in Castricum gevestigd. Zij hadden hun werk veelal op Duin en Bosch en behoorden tot de kerk van Beverwijk. Sinds december 1918 hielden zij hun kerkdiensten bij een van hen thuis.
Twee jaar later bouwt de kerk van Beverwijk aan de Beverwijkerstraatweg in Castricum een ‘lokaal’ ten behoeve van haar Castricumse leden. Vanaf september 1920 houden zij daar hun zondagse diensten.

Ruim tien jaar later, op 18 januari 1931, wordt ‘het lokaal’ door dominee F. Kramer van de kerk in Beverwijk geïnstitueerd tot de Gereformeerde Kerk van Castricum. Dat heeft tot gevolg dat per die datum 89 leden worden overgeschreven van de kerk van Beverwijk naar die van Castricum. De familienamen van die leden zijn: Baart, Bakker, Bokelman, Bontan, Brandsen, Brug, Van Dalfzen, Doekes, Eikelenboom, Eilander, Fey, Hellinga, Hendrikse, Ineke, De Jong, Van Kerkhof, Krösschell, Kuperus, Van der Meulen, Moes, Oortgijsen, Procee, Rozemuller, Visser, Wessels, Witbaard en Woudenberg.

De kerkenraad gaat bestaan uit de ouderlingen Cornelis Baart en Age Kuperus en diaken Jan Hendrikse. Al gauw ontstaat behoefte aan een eigen voorganger. Die wordt gevonden in theologisch kandidaat D.B. Lengkeek uit Rotterdam, die vanaf februari 1932 als hulpprediker wordt aangesteld. Per 1 november van dat jaar vertrekt hij naar Rotterdam-Delfshaven. Een jaar later neemt dominee Johannes Krüger uit Elburg het beroep aan dat op hem was uitgebracht.

Het interieur van de Gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.
Het interieur van de Gereformeerde kerk aan de Beverwijkerstraatweg in 1934.

Binnen de landelijke organisatie van de Gereformeerde Kerken behoort die van Castricum tot de ‘hulpbehoevende kerken’. Met dat stempel ondernemen de Castricummers acties tot geldwerving voor uitbreiding van de kerkruimte. Die is niet alleen nodig vanwege de groei van het aantal leden, maar ook voor de opvang van zomerse vakantiegangers.
In mei wordt begonnen met het vergroten van de zaal en wordt in De Standaard (een landelijk gereformeerd dagblad) een advertentie geplaatst voor het verkrijgen vaneen lening. Aldus wordt de verbouw gefinancierd. Op22 juli 1934 volgt de intrede dienst van dominee Krüger in het zojuist van 50 tot 140 zitplaatsen vergrote kerkgebouw. Inmiddels heeft dominee Krüger een aannemer opdracht gegeven tot de bouw van zijn huis aan de Beverwijkerstraatweg 140 dat de naam ‘Nieuw Silvold’ (zie noot 1) krijgt, een verwijzing naar Silvolde-Gendringen waar Johannes Krüger, 28 jaar oud, op 9 januari 1910 predikant werd. Tegen het einde van 1934 betrekt hij de pastorie.

Dominee Krüger komt in een kleine kerkgemeenschap vol activiteiten. De kerkenraad was al eerder ingegaan op het verzoek van het gemeentebestuur mee te helpen


Jaarboek 36, pagina 19

in het gemeentelijk crisiscomité. Alle hens aan dek was nodig om hulpbehoevende burgers bij te staan. Dat was een zorg die de diaconie in haar kerkenwerk al volop kende, ‘stille hulp’ aan leden die het financieel niet meer konden bolwerken.
Bij de Nederlandse Zuivelcentrale wordt een aanvraag ingediend voor het beschikbaar krijgen van vet, reuzel en margarine als kerstgift aan degenen die die hulp hard nodig hebben. De meisjes- en jongelingsverenigingen zijn volop actief, de evangelisatiecommissie verspreidt wekelijks het blad de ‘Goede Tijding’ en intern wordt veel tijd besteed aan huisbezoek, dat toeneemt met de groei van het aantal leden.Eind december 1934 is dat aantal op 125 gekomen en zal in 1939 tot 210 stijgen.

In 1937 behandelt de kerkenraad het synodale rapport over de NSB en de CDU (Christen Democratische Unie; pacifistisch). De synode spreekt daarin uit: “Dat er geen plaats is voor leden onzer Gereformeerde Kerken in organisaties die uitgaan van het leidersbeginsel, van de nationalistische totalitaire machtstaat en van de antimilitaristische verwerping van de oorlog.” Dit rapport zal van invloed geweest zijn op de houding van veel gereformeerde Castricummers.
Op 29 september 1938 wordt een dienst van gebed gehouden vanwege de kritieke internationale situatie. Duitsland dreigt verder te gaan dan de bezetting van Oostenrijk: het is bezig troepen samen te trekken bij Sudetenland.

Dominee Johannes Krüger.
Dominee Johannes Krüger.

De oorlogsjaren

Op 10 mei 1940 vallen Duitse legers Nederland binnen.Tijdens de kerkenraadsvergadering op 3 juni van dat jaar zegt voorzitter Krüger:
“Er is reden om de adem in te houden van schrik, maar dat Gods Woord nog gebracht mag worden, daarvoor is dankbaarheid en wij bidden dat wij het getrouw mogen blijven doen.” Er wordt een collecte gehouden ten behoeve van de ‘zwaar geteisterde gereformeerde kerken in Rotterdam’.

Regelmatig ontvangt de kerkenraad een circulaire van de Generale Synode. Deze dragen vaak het stempel ‘Niet voor publicatie bestemd’. In een eerste brief roept de Synode op ‘uw inzicht te laten bepalen door Gods Woord en dat u waakt tegen elke machtsuitoefening van de Staat’. Samenwerking met de door de Duitsers ingestelde ‘Winterhulp’ wordt de kerkenraad afgeraden in een circulaire van de Centrale Diaconie: de actie Winterhulp houdt geen rekening met de aard en de bedoeling van de kerkelijke armenzorg en bevestigt de vrees van inmenging in onze aangelegenheden.

In juni 1941 wordt dominee Krüger door de Duitse politie van huis gehaald. De kerken- raad spreekt er zijn vreugde over uit dat hij nog dezelfde dag vrij komt. Ook gemeentelid Krösschell wordt gearresteerd, zit een tijd gevangen en komt 5 oktober in dat jaar de kerkenraad begroeten.

Organist van de kerk is Van Ginhoven. Al langere tijd wordt hij wegens afwezigheid vervangen door de reserve-organisten Doekes, Kuperus jr. en Van de Vliet. Op 8 mei 1941 wordt Van Ginhoven (zie noot 2) in Amsterdam door de bezetter gearresteerd wegens spionage en sabotage. Bijna twee maanden later, op 30 juni, wordt Age Kuperus in Schoorl gevangen gezet en later naar Buchenwald overgebracht (zie noot 3). Ook Belgraver wordt gevangen genomen. Op 18 december 1942 komt Kuperus weer thuis. Belgraver zou pas kort voor de bevrijding vrij komen. Naast Huibert van Ginhoven hebben ook Gerrit Krösschell, Simon Belgraver en Age Kuperus, leden van de Gereformeerde kerk, zich actief afwerend tegenover de bezetter opgesteld.

Huibert van Ginhoven

Op 4 oktober 1941 hoorde Huibert van Ginhovenin het Huis van Bewaring aan de Weteringschans in Amsterdam het doodvonnis tegen zich uitspreken. Na de uitspraak hief mevrouw Van Ginhoven, bijgevallen door anderen, het Wilhelmus aan.
Op 11 november 1941 schrijft Huibert van Ginhoven vanuit zijn gevangenis in Amsterdam aan de leden van de Gereformeerde Kerk in Castricum (zie noot 4) : “Ruim vijf jaar (zie noot 5) mocht ik onder u verkeren. Mijn werk als organist was mij lief. Ik zou dit allen wel willen inhameren. Besef toch welke zegeningen gij wekelijks ontvangt in de Bediening des Woords, in Catechisatie en Vereniging.


Jaarboek 36, pagina 20

Bij mij was ook veel sleur, gewoonte. Hoeveel Psalmen speelde ik niet voor u, zonder recht de woorden te verstaan. Zeker, ik las ze steeds na voordat ik ze speelde, maar o zo vaak alleen uit muzikaal oogpunt. Hoe moet ik ze spelen. Nu weet ik beter. Nu zou ik zo graag elke Psalm goed doordacht willen spelen, wat er gezongen wordt.
In dit gehele halve jaar hoorde ik tweemaal een preek. Deze tijd heeft mij veel geleerd, vooral na 4 oktober. Geen uwer weet, Goddank, wat een doodvonnis betekent en ik zal niet proberen u dit duidelijk te maken. Ik wil alleen u schrijven, wat ik voel, hoe alles in mij stukgeslagen werd, alle trots en eigen waan geknakt, tot er niets meer overbleef. Of niets, nee veel. Een totaal gebroken mens met een volkomen gebroken geest. Na veel worstelen en gebed werd mij duidelijk dat ik voor grote zegeningen danken kon; nee, moest. God gaf mij rust en vertrouwen in Zijn Leiding met mij en de mijnen. Hij gaf mij vrede met de mensen. Hij leerde mij bidden ook voor hen, die mij verraden hebben. Hij nam alle haat en wrevel uit mij weg. Hij gaf mij de lust Hem mijn zonden, verkeerde daden en gedachten te belijden. Hij gaf mij troost mij vast te klampen aan Christus’ verlossingswerk. Het is heel moeilijk geweest om zover te komen. Bedenk hoeveel ik achter moet laten als het vonnis voltrokken moet worden, wat Hij genadiglijk verhoede. Vrees en benauwdheid zijn in ruime mate mijn deel geweest en nog slaan ze soms als een vloedgolf over mij heen. Dan moeten we God danken een Rots te hebben waar we tegen kunnen leunen.
Deze week zong een andere gevangene op één der luchtplaatsen: ‘Veilig in Jezus armen’. Zo is het. Maar wij beseffen het vaak niet, vooral als ons leven gewoon verloopt. Laten wij allen het ons bewust worden, dat wij in zijn armen veilig zijn, maar ook alleen daar en nergens anders. Nog weet ik niet wat God over mij besloten heeft, maar ik kan nu rustig afwachten. Gemeente van Castricum, blijf mij en de mijnen in uw gebeden gedenken. We hebben het nodig. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk, maar Zijn Bedoeling is goed, hoe dan ook en Zijn Doen is Majesteit.
Ik neem geen afscheid van u en wij zullen elkaar eens weer zien. God weet alleen of dat hier beneden of hierboven zal zijn. Mocht het Zijn Wil zijn mij op te nemen, dan bid ik de genade te mogen ontvangen, om de woorden van psalm 43-4 tot de mijne te maken. God zegene u. Tot weerziens, uw broeder Ginhoven.“ (zie noot 6)
Op 17 maart 1942 wordt Huibert van Ginhoven op de schietbaan van Laren gefusilleerd (zie noot 7).

In augustus wordt dominee Krüger uitgenodigd aanwezig te zijn bij de ambtsaanvaarding van de NSB-burgemeester. Hij gaat daar niet op in.

De Synode schrijft in een circulaire dat zij heeft moeten constateren, dat pogingen aangewend worden om haar laatste besluiten niet als wettig te erkennen. In juni 1942 heeft de Synode met overgrote meerderheid een besluit genomen over de betekenis van de doop. Een minderheid kan zich daar niet bij neerleggen en blijft de kerken oproepen tot het niet erkennen van het genomen Synodebesluit. Twee weken later spreekt de Synode over de bezwaren van die minderheid, verwoord door de professoren Schilder en Greijdanus. Deze bezwaren zouden in 1944 tot een scheuring in de Gereformeerde Kerken leiden. Tot april1947 zouden 13 leden van de Gereformeerde Kerk Castricum overgaan naar de Vrijgemaakt Gereformeerde Kerk.

Verspreiding gemeente

In december 1942 eist de Duitse bezetter evacuatie van een groot deel van de bevolking van Castricum en Bakkum. Dominee Krüger wijst erop dat de evacuatie de gemeente sterk zal verspreiden. Velen zullen gedwongen moeten verhuizen naar plaatsen buiten Castricum. Hij spoort iedereen aan de nieuwe adressen zo veel mogelijk door te geven en er ook voor te zorgen dat de kerkelijke bijdrage gehandhaafd blijft. Voor de geestelijke verzorging van de Castricummers mogen een pastoor, een kapelaan en de hervormde dominee blijven. Pogingen van dominee Krüger om ook te blijven, hebben geen resultaat. Hij vertrekt met zijn gezin naar Beverwijk.
In mei 1943 wordt de kerk in beslag genomen. De kerkenraad vergadert in de Keizersgrachtkerk in Amsterdam. Eind augustus komt een deel van de kerk weer voor de gemeente beschikbaar, inclusief de bovenwoning.

Heroriëntatie en groei

Vanaf voorjaar 1944 worden geen kerkenraadsvergaderingen meer gehouden. In de eerste vergadering van na de oorlog op 15 september 1945 herdenkt voorzitter Krüger dat ons land door Gods hand weer bevrijd is. Tijdens de evacuatie zitten drie kerkenraadsleden in Amsterdam, een in Medemblik en de vijfde (C.J. Baart) wordt als noodouderling voor Castricum benoemd.
Per januari 1946 wordt een nieuwe kerkenraad bevestigd: Simon Belgraver en Jelle van der Meulen als ouderling, Klaas Bakker en Leendert Vaalburg als diaken.

In de eerste gemeentevergadering van na de oorlog (mei 1946) geeft dominee Krüger een terugblik op de afgelopen vier jaren. In het verslag daarvan is nieuw dat de kerk voor wapenopslag wordt gebruikt en dat op kamp Bakkum samenkomsten met OT-werkers (zie noot 8) worden georganiseerd. Opvallend is dat geen melding wordt gemaakt van de fusillade van Huibert van Ginhoven en van de gevangenneming van dominee Krüger’s zoon Theodoor bij de razzia op 1 oktober 1944 in Putten (zie noot 9). Theodoor Krüger, geboren in mei 1914 in Silvolde, was een van de vele honderden die vanuit Putten werden afgevoerd naar Neuengamme; hij overleed daar op 12 maart 1945. Zijn naam staat geschreven in de muur van de Gedachtenisruimte ‘Oktober44’ in Putten.

Op 26 februari 1950 neemt dominee Krüger afscheid van Castricum wegens emeritaat. Theologisch kandidaat A.G. Kornet volgt hem op vanaf 5 maart 1950; Torenstraat 24 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 21

In 1951 wordt een bouwcommissie ingesteld die alle Gereformeerde Kerken in Nederland een circulaire toestuurt met het verzoek eenmalig een collecte te houden ten behoeve van de kerkbouw in Castricum. Aan dat verzoek gaat vooraf: “In ons dorp vindt men, behalve twee grote R.-K. kerken en een oude Ned. Hervormde kerk nog een klein, onaanzienlijk gebouwtje, dat niet als kerk kenbaar zou zijn, indien dit niet op een naambord was vermeld. Hier vergadert, nu ongeveer 30 jaar (Nota Bene!), de Gereformeerde kerk. Dit gebouwtje verkeert in staat van bouwvalligheid. Noodgedwongen zullen wij op vrij korte termijn tot nieuwbouw moeten overgaan.

Er worden allerlei geldwervingsacties ondernomen, zoals orgelconcerten in omliggende steden. Als dominee Kornet elders gaat preken, gaat er een brief naar die gemeente met een verzoek tot geldelijke steun, zoals op 8 juni 1952: “Wij wonen in een omgeving, waarin de macht van Rome steeds meer toeneemt. Er staan twee prachtige roomse kerken in Castricum. De hervormde kerk heeft een vrijzinnige predikant. Onze kerk is klein; wij behoren tot de hulpbehoevende kerken. Het kerkje is bouwvallig. Zoudt u in ernstige overweging willen nemen een collecte te houden ten bate van kerkbouw in Castricum?”

In diezelfde maand richt een gemeentelid zich tot de classis Haarlem:
De kerk van Rome bouwt ook, en hoe? In het bisdom Haarlem moeten binnen afzienbare tijd 30 kerken worden gebouwd, en die komen er, want het gehele bisdom offert elke zondag in de eerste collecte voor nieuwe kerken. In Castricum is de 7e van de 30 kerken in 1951 gereed gekomen. Daar kan het Calvinisme iets van leren. Diep doordrongen van de noodzaak, dat in het door en door Roomse Castricum ook het Calvinisme de mogelijkheid moet worden geboden zich te ontplooien, vertrouw ik dat u allen, hoofd voor hoofd, met deze zaak ernst zult maken, zodat in 1953 in Castricum geen hagenpreken maar kerkdiensten kunnen worden gehouden in een kerkgebouw, dat geen aanfluiting is voor de wereld en het papisme.
Eind 1952 zeggen de kerken in de classis (red: regionale vergadering) Haarlem aan Castricum elk een jaarlijkse collecte toe gedurende vijf jaar.

Bijzondere hoorcommissie

In 1953 heeft de kerk geen predikant. Het jaar daarvoor is dominee Kornet naar Sint-Annaparochie vertrokken. Een nieuwe predikant is nog niet in zicht, hoewel de hoorcommissie, die als eerste in Nederland ook vrouwen telt, uit alle streken preken hoort.

Vanaf begin 1954 komen brieven binnen, waarin dominee A. A. Leenhouts uit Soest wordt aanbevolen. De kerkenraad doet daar onderzoek naar en belegt een gemeentevergadering, waarna de raad hem per 1 april van dat jaar met algemene stemmen benoemt tot hulppredikant. Hij gaat wonen op Koningin Julianastraat 18. Op zondag 19 december 1954 vindt de bevestiging plaats van dominee Leenhouts als predikant van de Gereformeerde Kerk van Castricum en komt er een einde aan zijn korte periode van hulppredikantschap.

Omdat meer dan in voorafgaande jaren de kerk aan de Beverwijkerstraatweg in de zomermaanden overbezet is, worden de morgendiensten in zaal Roozendaal (zie noot 10) gehouden. De twee ochtenddiensten kunnen zo beperkt worden tot een. Dat heeft tot gevolg dat de kerk dan ’s morgens niet wordt gebruikt. Als de Doopsgezinde Kring vraagt de kerk voor haar zondagse dienst te mogen gebruiken, weigert de kerkenraad dat, ‘omdat op grond van verkregen inlichtingen moet worden gevreesd dat de prediking niet de Christus der Schriften tot inhoud zou hebben.’ Dit besluit heeft afkeurende reacties van gemeenteleden tot gevolg en krijgt vermelding in het Nieuwsblad voor Castricum, in het Doopsgezind Weekblad en in het Centraal Weekblad.

Kerkenraad en bouwcommissie december 1955.
Kerkenraad en bouwcommissie december 1955. V.l.n.r. zittend K.Bakker, A. Kuperus, ds. A. A. Leenhouts, H. Knol en J. C. Baart. Staand v.l.n.r. B. Moes, A. Eikelenboom, J. A. van der Meulen, D.Sixma, S. van Weeren en G. A. Sneep.

Jaarboek 36, pagina 22

Een nieuwe kerk

In oktober 1953 zoekt de bouwcommissie contact met architecten. Dat leidt tot de keuze voor het architectenbureau Hink Eldering uit Leeuwarden, ontwerper van verschillende na de oorlog gebouwde kerken.

Eind januari 1954 komt de commissie in gesprek met het gemeentebestuur over een stuk grond in het uitbreidingsplan ‘Noord-Oost’. Het perceel (sectie B, nummer 5459 )is driehoekig van vorm en 5650 vierkante meter groot. Een kleine 3000 vierkante meter daarvan wil de gemeente verkopen ten behoeve van kerkbouw.
Verschillende ontwerpen passeren de revue, inclusief die waarbij naast de kerk een kosterswoning en een pastorie staan getekend. In oktober 1954 komt het definitieve ontwerp gereed op 715 vierkante meter gekochte grond en geeft de gemeente de bouwvergunning af. De bouw van de kerk wordt opgedragen aan de Friese aannemer Van der Woude uit Twijzel, die daarmee in maart 1955 begint.

Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.
Toespraak van burgemeester C.F. Smeets op vrijdag 23 december 1955 bij de ingebruikname van de kerk.

Op 23 december 1955 wordt de nieuwe kerk in gebruik genomen. De kerk krijgt de naam ‘Maranatha’, een Aramees woord dat de roep om de terugkomst van Jezus aanduidt.
Ruim vijfendertig jaar heeft ‘het lokaal’ aan de Beverwijkerstraatweg dienst gedaan. Het wordt verkocht voor tienduizend gulden. De nieuwe kerk staat niet meer afzijdig, maar aan de noordrand van het dorp, waar plannen tot bouw van nieuwe wijken in ontwikkeling zijn.

De Maranathakerk.
De Maranathakerk.

Door de nieuwe plaats is de kerk komen te liggen aan het parcours van de ‘Ronde van Castricum’, die in 1956 op zondagmiddag 29 juli verreden zou worden. Zonder medewerking van de kerk kan de burgemeester op grond van de Zondagswet geen toestemming voor de Ronde geven. Hij vraagt daarom of de kerkdienst van vijf uur naar de avond kan worden verplaatst. De kerkenraad antwoordt daarop dat dat om principiële redenen niet kan: “De kerkenraad is van oordeel, dat de zondag als de dag des Heren moet worden gevierd; dat daarom alle sport op deze dag in strijd is met de Bijbelse opvatting van de zondagsheiliging; dat op grond hiervan de kerkenraad niet in het minst kan meewerken aan hetgeen naar zijn inzicht ontheiliging van de van Godswege ingestelde rustdag is.
Al eerder was de Zondagswet actueel geweest.In 1938 vraagt de burgemeester of er bezwaar is om de avonddienst op kermiszondag te laten vervallen. De kerkenraad schrijft terug: “Het zal u niet bevreemden, dat het onmogelijk is, om ter wille van de kermis de gewone avonddienst te doen vervallen. Afgezien dat dit zou strijden met de onder ons bestaande zeer ernstige bezwaren tegen de kermis in het algemeen en in het houden daarvan op zondag in het bijzonder, zou dit ook een afwijking zijn van de roeping tot prediking, die naar onze belijdenis de Kerk des Heren heeft op Zijn dag.

Dominee Leenhouts legt zijn ambt neer

In april 1957 meldt dominee Leenhouts de kerkenraad dat de kerk van Heerlen een beroep op hem heeft uitgebracht en dat hij dat beroep wil aannemen. Briefschrijvers willen graag dat Leenhouts blijft. Eind september besluit een gemeentevergadering dat Leenhouts nog tot september 1958 de kerkdiensten blijft leiden. Opnieuw nemen gemeenteleden de pen om hun diepe teleurstelling uit te spreken over het vertrek van dominee Leenhouts. Er ontstaat een sfeer die de gemeente verdeelt. Ook binnen de kerkenraad is verschil van mening. Allerlei pogingen om de verstandhouding met de dominee te verbeteren hebben geen resultaat.


Jaarboek 36, pagina 23

Een briefschrijver zegt dat de kwestie tussen dominee Leenhouts en de kerkenraad niet te benoemen is. Van ‘zondige wandel’ of van dwaalleer is geen sprake. Het is meer een kwestie van geloofsgevoelen. Hij ziet de oplossing in het vervangen van de hele kerkenraad. Er vormt zich een groep die kerkscheuring vreest en zich tot de classis richt met het verzoek de kerkenraad te bewegen af te treden.

De pastores Leenhouts, Papineau Salm (hervormd) en Heemskerk (rooms-katholiek) konden het blijkbaar goed met elkaar vinden, want in de zomer organiseren zij bij Johanna’s Hof een openluchtspel rond de vraag, wat God en godsdienst betekenen in de realiteit van het dagelijks leven.

In januari 1958 deelt ds. Leenhouts de kerkenraad mee dat hij zijn ambt neerlegt en stuurt hij elk gemeentelid persoonlijk een herderlijk schrijven ten afscheid:
Er moet mij nog iets van het hart: blijf om Christus wil trouw aan de Gereformeerde Kerk. Ga niet weg, ik doe het ook niet. Nergens zullen we een volmaakte kerk aantreffen, nergens volmaakte leden, nergens volmaakte predikanten. Wat mijn toekomstige arbeid betreft, neem dit van mij aan: ik blijf bij dezelfde BAAS, bij dezelfde PATROON. Ik blijf mijn leven lang dienaar van het goddelijk Woord.”

Als eind februari een geheel nieuwe kerkenraad wordt gekozen, laat ds. Leenhouts weten het daar absoluut niet mee eens te zijn. De tegenstellingen tussen de medestanders van de predikant en die van de kerkenraad verscherpen zich.
Op 20 augustus 1958 verschijnt in de Friese Koerier een artikel onder de kop ‘Schisma in Gereformeerde Kerk Castricum’. Ook in andere bladen waaronder Trouw verschijnen dergelijke berichten.
Op diezelfde dag neemt Leenhouts in hotel Borst afscheid van vrienden en bekenden, onder wie veel leden van de Gereformeerde Kerk. Omdat persberichten de indruk wekken dat het om een officieel afscheid van de Gereformeerde Kerk gaat, laat de kerk de kranten weten dat daarvan geen sprake is.
Al maandenlang was Leenhouts voorgegaan in diensten buiten de Gereformeerde Kerken, zoals in bioscoop Corso en in de Vrije Evangelische Gemeente Beverwijk. Eind augustus vertrekt hij met zijn gezin naar Amsterdam. Hij had zich, zoals hij bij zijn afscheid in hotel Borst had meegedeeld, onttrokken aan de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Een tientallen jaren later gemaakte analyse van de kwesties uit de tijd van Leenhouts zegt:
‘Uiterlijk werden deze toegespitst op de onwilligheid van Leenhouts om kerkleden, die regelmatig de middagdiensten verzuimden, onder kerkelijke tucht te plaatsen.’
Eerder, in 1965, had Leenhouts de kerkenraad geschreven:
Doorslaggevend om het ambt neer te leggen was dat er geen openheid was voor het fungeren van de bijzondere gaven des Geestes.” (zie noot 11) Leenhouts was ervan overtuigd dat hij de bijzondere gave had om rechtstreeks boodschappen van God(s Geest) te ontvangen. Hij meende dat de kerkenraad hem te weinig ruimte gaf om vanuit die geloofservaring als predikant werkzaam te zijn.

Eind 1958 stuurt de kerkenraad brieven naar leden die in verband met de gemeentelijke onenigheid de laatste tijd de kerkdiensten niet hebben bijgewoond: “… wil de kerkenraad u ernstig vermanen om in de kerkelijke weg der gehoorzaamheid terug te keren”. Dat geeft tegen reacties:
Ik weiger mij aan ambtsdragers te onderwerpen die de eenheid der Kerk stuk voor stuk in de weg staan!” en “Ons verstand staat er bij stil, hoe durft u ons te vermanen.” Na een uitspraak van de Generale Synode keert de kerkelijke rust langzaam terug.

Oecumenische ontwikkelingen

In 1966 vinden de rooms-katholieke en de protestantse kerken elkaar in de oprichting van de Interkerkelijke Commissie Kerk-Recreatie ten behoeve van het evangelisatiewerk op kamp Bakkum. Tien jaar later blijkt uit een enquête dat de vakantiegangers de daar gehouden kerkdiensten op prijs stellen, vooral vanwege het oecumenisch karakter.

In november 1967, precies een jaar na de oprichting van het IKV (Interkerkelijk Vredesberaad), vindt er in de kerkenraad een discussie plaats over kernbewapening. Na overleg met de andere Castricumse kerken leidt dat tot invoering van de Vredesweek.
Bij de kerkenraad komen in die periode kritische brieven binnen over allerlei ontwikkelingen in de kerk (samenwerking met de hervormde kerk, vrouw in ambt, liturgische vernieuwingen, veranderde gezangmelodieën). Ook de sterke groei van de kerk levert bedenkingen op: het bezwaar tegen toetreding tot de kerkenraad van mensen die onbekend zijn voor de hier al lang wonende kerkleden. “Moeten we leden in de raad kiezen die wij niet kennen?”

Passend bij de bestaande interkerkelijke activiteiten als evangelisatie en vredesberaad (gereformeerd, hervormd, rooms-katholiek), vinden de drie kerken elkaar in 1967 in de werkgroep Oecumene Castricum (zie noot 12), waaraan aanvankelijk ook kerken uit de IJmond meedoen. Deze samenwerking krijgt in 1976 de naam ‘Voorlopige Raad van Kerken’, totdat eind 1986 de toevoeging ‘Voorlopig‘ vervalt en de Raad van Kerken Castricum ontstaat (formeel per 1 januari 1987).

Nieuw elan

Ds. Y. Stienstra is in februari 1963 als predikant bevestigd in de Maranathakerk. In augustus 1967 is hij vertrokken naar Zuidland. De commissie, die een opvolger zoekt voor dominee Stienstra, komt in april 1969 de naam van drs. B. Boelens, predikant bij de Christian Reformed Church in de VS, ter ore. Al snel begint correspondentie, waarin de kerkenraad hem informeert over Castricum, over de kerkelijke situatie en over de samenwerking met andere kerken die vrij gering is:
Niet uit onwil, noch van deze, noch van andere zijde, maar meer door gebrek aan stimulansen.”
Op 31 augustus van dat jaar wordt B. Boelens bevestigd als predikant van de Gereformeerde Kerk van Castricum. Dat gebeurt in de R.-K. kerk in Bakkum. De Maranathakerk biedt daarvoor te weinig ruimte. Koningin Wilhelminalaan 3 wordt de pastorie.


Jaarboek 36, pagina 24

Omdat de Maranathakerk regelmatig overbezet is, wordt onderzoek gedaan naar de toekomstige behoefte aan kerkruimte. Dat onderzoek concludeert dat forse uitbreiding nodig is als gevolg van de sterke groei van het aantal inwoners, het relatief hoge percentage gereformeerden daarin en de wens de kerk ook als ontmoetingscentrum te gebruiken. Het idee om samen met de R.-K. Bethlehemparochie een kerkelijk centrum (Geesterhage) te bouwen, strandt eind 1974, omdat de kosten voor de kerk te hoog worden geacht.

Intussen hadden enkele kerkleden zich gegroepeerd in ‘De Club van Zes’ (zie noot 13) rond de vraag of de huidige organisatie van de kerk in staat is slagvaardig te reageren op de snelle veranderingen in de maatschappij. Daarover wordt met een groot aantal gemeenteleden gediscussieerd met als resultaat dat in februari 1973 een nieuwe organisatiestructuur wordt gepresenteerd. Die houdt in dat de kerkelijke activiteiten worden ondergebracht in een twaalftal werkgroepen, zoals pastoraat, diaconie en interkerkelijke samenwerking.

Geconstateerd wordt dat het jeugdwerk ‘de gebouwen uitgroeit.’ Bij de diverse clubs zijn vele tientallen jongeren aangesloten. Daarnaast bereikt de oecumenische werkgroep Kerk en Recreatie met kinderkerkdiensten op kamp Bakkum tientallen binnen- en randkerkelijke kinderen. Maar waar de evangelisatiesamenwerking van de kerken op kamp Bakkum hecht is, is die tussen beide gemeenten nog maar weinig aanwezig. Totdat de vraag opkomt of alles samen gedaan wordt wat samen gedaan kán worden. Die vraag blijft niet zonder resultaat, want eind 1972 ligt er een beginnend stuk op tafel over samenwerking tussen gereformeerd en hervormd Castricum. Dat document schuift de tot dan toe stroeve samenwerkingspogingen opzij en opent elkaars zicht op de ander.

Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.
Het interieur van de Maranathakerk gezien vanuit het liturgisch centrum.

Eind 1975 gaat een gemeentevergadering enthousiast akkoord met een schetsplan voor de uitbreiding van de Maranathakerk. Het kostenniveau is de helft van het vorige plan (deelname in bouw Geesterhage). Aan architect H. Blansjaar uit Leiderdorp wordt de opdracht verstrekt tot het maken van een schetsontwerp met begroting. Er worden allerlei doe-het-zelfacties op touw gezet die tienduizenden guldens opbrengen. Nadat de bouwvergunning was verkregen, presenteert de architect in april 1977 het bestek met tekeningen en wordt de bouw in juni opgedragen aan het aannemersbedrijf Gebr. Terlingen in Amsterdam.
In maart 1978 wordt de met zalen uitgebouwde Marana-thakerk in gebruik genomen met naast de ingang – die nu (in 2013) aan de noordkant in plaats van aan de westkant ligt – het oudchristelijk symbool van de vis. De werkgroep Kerkbouw (zie noot 14) had na ruim twee jaar haar doel bereikt.

Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.
Het grondvlak van de kerk na de uitbreiding in 1978. Oorspronkelijk de kerkzaal met rechts (westkant) de entree en links de grote vergaderzaal met toneelpodium en daartussen een ‘sluis’ van vergaderkamer en buffet. Het overige werd aangebouwd in 1978: twee ontmoetingsruimten, de entree aan de noordkant en drie vergaderruimten aan de westkant.

Weer klinkt de vraag: “Wat doen we nog niet gemeenschappelijk?” Dat zet tot verdere initiatieven aan. Zo wordt besloten tot gezamenlijke kerkenraadsvergaderingen in voor- en najaar en tot het ingrijpende besluit om een gezamenlijke jeugdpredikant aan te stellen. Per 1 januari 1978 wordt dat theologisch kandidaat H. J. Westmaas. Twee jaar eerder had dominee Boelens zijn boek ‘Tussen mens en onmens’ uitgegeven met als ondertitel ‘Een poging tot interpretatie van het woordje God’. De inhoud was ontleend aan onderwerpen die de afgelopen jaren in


Jaarboek 36, pagina 25

een tiental gespreksgroepen aan de orde waren geweest. Het boek had kritische reacties opgeroepen van predikanten, van de classis en van (ook Castricumse) kerkleden; er wordt een bezwaarschrift naar de Synode gestuurd en de discussies rond het boek krijgen uitgebreid aandacht in de kerkelijke pers en in ‘Trouw’. Daarin verschijnen ook ingezonden brieven van Castricummers die het opnemen voor dominee Boelens.
Eind 1978 besluit de Synode niet te voldoen aan het verzoek van dominee H. J. Hegger om Boelens het predikantschap te ontnemen en krijgt een synodecommissie opdracht het boek van Boelens ‘te beoordelen ten aanzien van de wijze waarop deze de centrale geloofsinhoud probeert te vertolken voor mensen van deze tijd.’ Die beoordeling loopt uit op wat te benoemen is als een schikking.

De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.
De uitbouw aan de westzijde van de Maranathakerk.

Veranderingen

Niet alleen het boek van Boelens, maar ook de vorm van de kerkdiensten houdt leden van de Maranathakerk bezig. De inkleding van de kerkdiensten maakt sommige kerkgangers ongerust, zoals blijkt uit binnengekomen brieven. Brieven die zich keren tegen de bijzondere diensten, tegen de steeds wijzigende liturgie en tegen het gebruik van de ouwel in plaats van brood bij het Avondmaal. Andere leden laten weten met deze veranderingen juist gelukkig te zijn. Op een gespreksavond over dit onderwerp worden de bezwaren niet weggenomen, maar wordt opgeroepen elkaars geloofsbelevingen te accepteren.

De Vredeswerkgroep heeft enkele jaren geleden een politiek avondgebed georganiseerd rond het thema ‘Help de kernwapens de wereld uit, om te beginnen uit Nederland’. In november 1980 komt de Hervormde Synode met een rapport over kernbewapening, dat enkele leden in de Hervormde Gemeente aanzet tot het leggen van contact met de Evangelische Gemeente in Erfurt. Doel ervan is iets te doen aan de spanning tussen Oost en West en mogelijk het wederzijds vijand denken te doorbreken. Die inzet vindt weerklank in Erfurt, zoals blijkt uit een brief naar de inmiddels in Castricum ontstane hervormd-gereformeerde werkgroep DDR. Vanaf dat moment gaan er jaarlijks delegaties uit beide gemeenten naar Erfurt.Na de val van de Muur komt er in mei 1990 voor het eerst een delegatie naar Castricum. Die wordt door de burgemeester ontvangen op het gemeentehuis, waar de DDR-vlag naast die van Nederland zou wapperen.
In september 1991 gaat een delegatie van de werkgroep uit Erfurt met een aantal leden van de Martini Gemeinde naar de Evangelische Gemeente in Cluj (Roemenië), waarmee Erfurt in contact stond. In Cluj zijn gemeenteleden bezig met de oprichting van wat het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’ zou worden. In1992 wordt dat geopend. Vier jaar later zou de nieuwbouw worden opgeleverd. Sindsdien ondersteunt de Castricumse werkgroep Cluj het Medisch Kinderdagverblijf ‘Bethania’.

De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.
De heer F. W. Hutter, voorzitter van de kerkenraad, drukt dominee Boelens en echtgenote de hand ter gelegenheid van zijn afscheid van Castricum op 31 oktober 1982.

In Trouw van 18 februari 1982 verschijnt een advertentie waarin Castricum contact zoekt met een opvolger voor dominee Boelens, voor wie aan het eind van het jaar het emeritaat wacht. Een paar maanden later wordt dominee drs. H. Appers uit Heerhugowaard beroepen. Als gastpredikant was hij meer dan eens in de Maranathakerk voorgegaan.
Op zondag 31 oktober 1982 neemt dominee Boelens afscheid van Castricum. De afscheidsdienst vindt plaats in de veel ruimte biedende R.-K. Sint-Pancratiuskerk. Enkele maanden later wordt dominee Appers bevestigd als predikant van de Maranathakerk.

Dominee Boelens heeft niet lang van zijn emeritaat kunnen genieten. Hij overlijdt op 20 augustus 1984 en wordt onder overweldigende belangstelling vanuit de Maranathakerk begraven bij de Hervormde kerk in Castricum.


Jaarboek 36, pagina 26

Samen-Op-Weg

Tijdens Pinksteren 1961 roepen achttien gereformeerde en hervormde predikanten op om tot eenheid te komen, het begin van het Samen-Op-Wegproces (SOW), dat in 2004 zou eindigen.
In aansluiting daarop overleggen beide Castricumse kerken over mogelijkheden van samenwerking. Zij besluiten tot gezamenlijke viering van de hervormingsdag en van de kerstnacht.

Die samenwerking was vroeger geheel afwezig. Toen de kerk van Beverwijk in 1924 overwoog een hulpprediker aan te trekken, verzochten de Castricummers die voor Castricum in te zetten vanwege onder meer de positie van die hervormden, ‘die in hun kerk geen bevrediging vinden voor hun geestelijke behoeften naar de begeerten van hun hart’.
Van contacten tussen gereformeerd en hervormd is in de eerste helft van de vorige eeuw geen sprake, niet in Castricum, ook elders niet (zie noot 15). Wel was er enig contact met de Hervormde Evangelisatievereniging.
Van bewuste toenadering tot elkaars gemeenten is pas sprake na het begin van de jaren zestig, toen het SOW-proces op gang kwam. Sindsdien werden de contacten tussen beide kerken steeds steviger.

Begin 1964 beoogt een gezamenlijke kerkenraadscommissie gesprekskringen en zangdiensten te organiseren. Als deze onderwerpen op een ledenvergadering aan de orde worden gesteld, wordt de vrees uitgesproken dat dit leidt tot eenwording met de Hervormde Kerk. De kerkenraad antwoordt daarop dat de besprekingen met de Hervormde Kerk alleen bedoeld zijn om elkaar beter te leren kennen en dat daarbij ‘voorop staat dat aan de waarheidsvraag niet getornd zal worden.’ Het handhaven van de ware leer was sinds haar ontstaan de eerste prioriteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Het is niet gebruikelijk dat de kerk zich over politieke kwesties uitspreekt. Dat de gezamenlijke kerkenraad dat wel doet in 1986 benadrukt haar dringend beroep op de Tweede Kamerfracties om de zorg van de zwakken in de samenleving ernstig te nemen, gezien de voorgenomen herziening van het zorgstelsel. Gezamenlijke vergaderingen zijn er ook over godsdienstonderwijs op openbare scholen, over Duin en Bosch, over het jeugdwerk van dominee Westmaas.

Op weg naar fusie

De kerkenraad constateert dat het Samen-op-Weg-proces stokt. Op het uitvoerend vlak wordt door veelwerkgroepen intensief samengewerkt, maar niet opbeleidsniveau. Tussen de kerkenraden is er soms sprake van gebrekkige communicatie die tot misverstanden en irritaties leidt. In 1992 gaan zij daarom over tot een hechtere vorm van samenwerking, aangeduid met de ‘Verenigde Kerkenraad’. De VKR komt in de plaats van ongeveer de helft van het aantal jaarlijkse vergaderingen van de kerkenraden.
De VKR bestaat intussen uit twee niet geïntegreerde helften. Er zijn verschillen in cultuur, in kerkelijke gebruiken en tussen personen onderling. Verschillendie spanningen veroorzaken en uiteindelijk uitlopen ophet opschorten van de VKR-vergaderingen.

In 1995 viert de Maranathakerk zijn veertigjarig jubileum. Daar wordt werk van gemaakt. Zo worden de banken vervangen door stoelen en werkt Wim van Doorn met anderen aan het Jubileumboek ‘40 Jaar Maranathakerk’. Het boek wordt op de feestdag van zaterdag 16 december gepresenteerd. Een orgelconcert door Bram Kuperus en een optreden van het jongerenkoor ‘Connection’ verhogen het feestgevoel.

Dominee Bert Appers.
Dominee Bert Appers.

Al vergaderen de kerkenraden dan weer apart, de dagelijkse besturen houden de gezamenlijkheid in het oog via de stevig in stand gebleven samenwerkende werkgroepen. In de zomer van 1997 verschijnt de Samen-op-Wegwijzer en brengt een gemeentevergadering nieuwe initiatieven voort: Taizé-diensten, Open Kerk en Sacred Dance.
In januari 2000 geven de pastores Bert Appers (gereformeerd), Theo Haitjema (hervormd) en Gerard Huisman (rooms-katholiek) in discussie met een volle Maranathakerk hun visie op de opgave voor de Castricumse kerken in de komende 10 jaar.

Het oudste aandachtsgebied van de diaconie is ‘stillehulp ’ aan kerkleden die het sociaal en/of financieel niet meer kunnen bolwerken. Vanaf de jaren (negentien)zeventig was tussen de beide diaconieën een steeds steviger samenwerking ontstaan en van daaruit later ook met de parochies en de burgerlijke gemeente.
Na de vorming van de nieuwe gemeente Castricum worden de per dorp uiteenlopende samenwerkingsvormen tussen de kerken en de plaatselijke gemeente op elkaar afgestemd en besluiten de protestantse diaconieën en de parochiële caritatieve instellingen in 2003 tot de oprichting van de Stichting Noodfonds Gemeente Castricum. Doel ervan is om daarmee daadwerkelijk


Jaarboek 36, pagina 27

hulp te verlenen in het kader van de ‘Arme Kant’ van Castricum. De burgerlijke gemeente Castricum ondersteunt het noodfonds administratief.

Op 21 mei 2003 gaat de (gereformeerde) gemeentevergadering akkoord met de verdere opbouw van een gezamenlijke protestantse gemeente. Beleidsplannen worden opgesteld en in het voorjaar van 2004 stelt de Protestantse-Kerk-van-Castricum-in-oprichting een gezamenlijk dagelijks bestuur aan.
De snelle ontwikkeling naar de fusie van beide gemeenten was ook al tot uiting gekomen in de samenstelling van een beroepingscommissie voor het aantrekken van een opvolger voor dominee Bert Appers, die wegens emeritaat afscheid zou nemen. Die commissie werd voor de helft samengesteld uit gereformeerden en voor de andere helft uit hervormden. In een gezamenlijke dienst op 6 juni 2004 neemt dominee Bert Appers in een overvolle Maranathakerk afscheid als predikant van de Gereformeerde Kerk.

In september gaat de kerkenraad over tot de benoeming van dr. D. van Arkel, hervormd predikant in Voorthuizen. Het is, misschien wel landelijk, een historisch besluit: de Gereformeerde Kerk trekt een hervormde predikant aan. Op 28 november 2004 vindt de bevestiging plaats door dominee M. Beitler, sinds 2002 predikant van de Hervormde Gemeente Castricum.

Predikanten van de Gereformeerde Kerk van Castricum:
1932 – 1932 Paul Bastiaan Lengkeek (kandidaat)
1934 – 1950 Johannes Krüger
1950 – 1952 Adrianus Gerardus Kornet
1954 – 1958 Abraham Adriaan Leenhouts
1958 – 1962 Ynze van der Zee
1963 – 1967 Iense Stienstra
1969 – 1982 Boelo Boelens
1982 – 2004 Hilbert Appers
2004 – 2005 Dick van Arkel

Eind 2004 besluiten de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente zich te verenigen tot de Protestantse Gemeente Castricum. Op 10 november 2005 houdt de Gereformeerde Kerk van Castricum haar laatste vergadering. Per 1 januari 2006 verenigt zij zich met de Hervormde Gemeente tot de Protestantse Gemeente Castricum.

Meerten Ritzema

Noten:

  1. Uit Register Gemeentelijke Monumenten: Expressionistische bouw. Asymmetrisch tegen elkaar gezette volumes, elk met een eigen vorm van overkapping. De unieke waarde en de cultuurhistorische waarde zijn beide hoog. Architect R.G. Rodenburg uit Oldebroek.
  2. In het 28e Jaarboek Oud-Castricum (2005) is van Huibert van Ginhoven een levensbeschrijving opgenomen.
  3. Zie ook ‘Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong, deel5, blz. 130 e.v.
  4. Opgenomen met instemming van nabestaanden.
  5. In april 1936 was hij met zijn vrouw en vijf kinderen van de kerk in Watergraafsmeer overgekomen naar de kerk van Castricum.
  6. De toevoeging ‘Van’ liet hij weg. Ps. 43:4: ‘Dan ga ik optot uw altaren, tot U o bron van zaligheid’.
  7. Zie ook ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’, dr. L. de Jong,deel 5 blz. 835.
  8. Werkers die gedwongen werden tot de aanleg van Duitse verdedigingsstellingen, vaak graafwerk.
  9. Zie ‘Het Koninkrijk der Nederlanden’ van dr. L. de Jong,deel 10b, blz. 43.
  10. Café Roozendaal stond op de plaats van het Eihof aan de Dorpsstraat.
  11. Ds. A. A. Leenhouts schreef verschillende boeken en kreeg ruime aandacht in de dissertatie van Ds. W. van Herwijnen, gereformeerd predikant in Zwijndrecht. Onder de titel ‘Profetie van Leenhouts eindelijk getoetst’ recenseert J. Greven de dissertatie ‘Rentree van de profetie’ in Trouw van 5 oktober 2010. Hij besluit zijn recensie met de opmerking dat hij sceptisch tegenover Leenhouts staat, hoe fascinerend hij zijn levensverhaal ook vindt.
  12. Aanvankelijk A.P. Schaffers (herv.), G. B. Borst (r.-k.), J.H. Beekman (geref.).
  13. J. Deuring, W. van Doorn, F. W. Hutter, L .J. de Lange, G.J. van Oostende en H. A. Leenstra als voorzitter
  14. J. Graafland, P. Blom, D. Broer, J. Hummel, S. de Jong, C. J. Krist-Brons en D. Visser.
  15. Zoals bijvoorbeeld blijkt in maart 1911 toen de Doopsgezinde Kerk in Beverwijk de Gereformeerde Kerk daar uitnodigde voor de feestelijke opening van hun nieuwe kerkgebouw aan de Meerstraat. De Gereformeerde Kerk bedankt voor de uitnodiging: “Betrof het alleen de inachtneming van een burgerlijke beleefdheid, dan zou er geen twijfel zijn of uw uitnodiging werd gaarne aanvaard. De Gereformeerden echter hebben niet de gewoonte op dergelijke wijze gemeenschap te oefenen met andere kerkelijke gezindten.”

Bronnen:

  • Archief Gereformeerde Kerk Castricum;
  • Ÿ Boelens Czn, drs. B., Tussen mens en onmens; een poging tot interpretatie van het woordje God, Kampen, 1976.
  • Ÿ Doorn, W. van e.a., Jubileumboek 40 jaar Maranathakerk, 1995;
  • Ÿ Ginhoven, M. J. van, voorjaar 2012;
  • Ÿ Heideman, J., Castricum en Bakkum tijdens de Tweede Wereldoorlog, Deel I 1939-1942, 2011;
  • Ÿ Herwijnen, ds. W. van, Recensie van J. Greven over het proefschrift ‘Rentree van de profetie’, 2010;
  • Ÿ Jong, dr. L. de, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog;
  • Ÿ Register Gemeentelijke Monumenten (internet);
  • Ÿ Stichting Werkgroep Oud-Castricum: 8e Jaarboek (1985) en 28e Jaarboek (2005).

Dit artikel is een verkorte versie van het boek: De Gereformeerden van Castricum / Eigenzinnig en betrokken / Een geschiedenis.

Print Friendly, PDF & Email