Gevers, Jonkheer Frits (Jaarboek 26 2003 (pg

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 26, pagina 53

Wie was … jonkheer Frits Gevers

De jongens van Boreel hingen aan zijn lippen als oom Frits weer eens een spannend verhaal vertelde over zijn avonturen in Indië. Het waren heel genoeglijke zondagmiddagen daar op de buitenplaats Westerhout in Beverwijk. Emmy Boreel – van Tuyll van Serooskerken, oom Frits, Jan en Lucas speelden graag een partijtje bridge. Er werd een kopje thee gedronken en voor jonker Frits was er een glaasje ‘rood’. Maar even plotseling als hij was gekomen vertrok hij weer, meestal zonder afscheid te nemen.
Jonkheer Gevers stond bekend als een wat zonderlinge, eenzame man, die van 1928 tot zijn dood in het voormalig jachthuis van zijn familie nabij de jachtopzienerswoning Kijk Uit in Castricum woonde. Jagen was zijn grote passie, daarna kwam zijn liefde voor auto’s. Uiteindelijk keek hij met weinig vreugde terug op zijn leven. Als de mooiste tijd zag hij achteraf de korte periode waarin hij op een plantage op Java werkte.
Naar mate hij ouder werd, had hij met steeds minder mensen contact. Degenen die hem gekend hebben, herinneren zich jonkheer Gevers nog heel goed. Hij is een van onze legendarische plaatsgenoten die niet snel vergeten zal worden.

Jonker Frits in 1892.
Jonker Frits in 1892.

Het gezin Gevers

Jonkheer Frederik Albert Govert (Frits) Gevers is geboren op 2 september 1890 op het kasteel Marquette in Heemskerk en is de eerste nakomeling van jonkheer mr. Hugo Gevers, burgemeester van Heemskerk, en jonkvrouw Paulina Adriana van Lennep. Frits krijgt de namen van een oom, graaf van Limburg Stirum, o.a. heer van Noordwijk, die getrouwd is met een zuster van zijn grootvader. Na hem komen er nog twee jongens en een meisje. Hendrik Jan (Henri) wordt in 1892 geboren, Cornelia Gualtheria (Corrie) in 1897 en tenslotte Abraham Daniël Theodoor (Daan) in 1901.

Hugo Gevers met links Frits en rechts Hendrik Jan (Henri).
Hugo Gevers met links Frits en rechts Hendrik Jan (Henri).

Vader Hugo Gevers is burgemeester en ook secretaris van de gemeente Heemskerk vanaf 1888. Verder is hij president-kerkvoogd van de Hervormde kerk en tot zijn dood zou hij voorzitter zijn van het Burgerlijk Armbestuur. De tekorten op de jaarrekeningen van de kerk vult hij uit eigen zak aan en schoolreisjes van de kinderen van de openbare school wil hij ook wel bekostigen. Hij is een edelman in de beste betekenis van het woord, die zich van harte inzet voor de plaatselijke gemeenschap.

Jonkvrouw Paulina Gevers - van Lennep.
Jonkvrouw Paulina Gevers – van Lennep.

Jaarboek 26, pagina 54

Wegens problemen met zijn gezondheid neemt hij in 1907 op 49-jarige leeftijd ontslag als burgemeester/secretaris. Hij blijft wel lid van Provinciale Staten van Noord-Holland van 1896-1919 en in 1915 wordt hij voorzitter van de commissie van advies voor de exploitatie en de ontginning van het landgoed Bakkum. Verder is hij jagermeester in buitengewone dienst van Koningin Wilhelmina. In 1911 gaan de vele bezittingen van zijn ouders, waaronder het Castricumse duingebied op hem over.
Plotseling, op 21 maart 1921, tijdens een buitenlandse reis overlijdt hij in Cannes. Er wordt gefluisterd dat de jonkheer zelfmoord pleegde omdat hij bankroet was. Hij had zijn vermogen o.a. belegd in aandelen van de Russische spoorwegen, die na de revolutie van 1917 niets meer waard waren. Ook Frits heeft zijn twijfels over de dood van zijn vader, waarbij hij zelfs moord niet helemaal uitsluit. Het zo onverwachte overlijden is moeilijk te aanvaarden.

Jonkheer Hugo Gevers en jonkvrouw Paulina van Lennep zijn direct na hun huwelijk in 1889 op het kasteel Marquette komen wonen. Marquette was door overerving eigendom van Hugo’s vader. Jan Hugo (1829-1891) geworden. Deze Jan Hugo was getrouwd met Paulina Johanna Rendorp van Marquette. Sinds de achttiende eeuw was Marquette al bezit van de familie Rendorp. Door dit huwelijk kwam het kasteel in handen van de familie Gevers. Omdat de familie Gevers ook banden had met de familie Deutz van Assendelft, eigenaren van kasteel Assumburg, werd ook dat kasteel hun eigendom. Twee kastelen was wat teveel van het goede, vanwege de hoge onderhoudskosten. Daarom werd Assumburg in 1911 aan het Rijk verkocht voor het symbolische bedrag van 1 gulden.

De vier (heems)kinderen

De vier kinderen van jonkheer Hugo Gevers en jonkvrouw Paulina van Lennep zijn afgezonderd van de rest van de Heemskerkse gemeenschap opgegroeid. Zij krijgen privé-onderwijs op het kasteel tot hun tiende jaar. Het spreken van de Franse taal is in adellijke kringen de gewoonte en daar wordt dus veel aandacht aan besteed. Correspondentie met familieleden gaat meestal in het Frans en ook voor bijvoorbeeld menukaarten wordt de Franse taal gebruikt. Logisch dat Hendrik Jan door de familie Henri wordt genoemd, wat overigens door de buitenwacht wordt vertaald in Harry.

Frits leert heel goed pianospelen. Hij is daar later mee gestopt toen hij een koetsiershand kreeg; een vergroeiing waaraan hij wel geopereerd is, maar die nooit helemaal verholpen is. Hij is bepaald geen lieverdje en hij is zelfs een plaag voor de inwonende gouvernantes: strooit knikkers op de trap of haalt kikkers uit de slotgracht om die in hun bed te verstoppen.

Het gezin Gevers is geen warm en harmonieus gezin, maar veel spanningen blijven achter de dikke muren van kasteel Marquette verborgen. De Heemskerkse meisjes die als dienstboden op het kasteel werken, laten natuurlijk wel eens wat los. De relatie van vader en moeder Gevers is nogal vrijblijvend. Zo eten ze ieder in hun eigen kamer. In hoeverre er hier sprake van is geweest, is uiteraard niet bekend, maar in adellijke kringen werden huwelijken nog wel eens gearrangeerd ter wille van materiële belangen. De wat meer afstandelijke mevrouw Gevers is op zijn zachtst gezegd niet geliefd bij het personeel, terwijl haar man op handen wordt gedragen.

Het wapen van de familie Gevers sinds 1842 toen Abraham Gevers in de adelstand werd verheven. Vertaling van de wapenspreuk: 'de tijd gaat snel'.
Het wapen van de familie Gevers sinds 1842 toen Abraham Gevers in de adelstand werd verheven. Vertaling van de wapenspreuk: ‘de tijd gaat snel’.

Familie Gevers

De stamboom van de familie Gevers gaat terug tot 1563, het jaar waarin de stamvader Henrick Gevers, schout van Grevenbroich en daarna van Wachtendonk, werd geboren. Zijn zoon en kleinzoon waren kaarsenmakers in Rotterdam. Abraham Gevers uit de 6e generatie (1712-1780) bekleedde een groot aantal functies, waaronder burgemeester en bewindhebber van de VOC. De oudste zoon uit zijn huwelijk met Keno Deynoot was mr. Paulus Gevers (1741-1797) die ook in Rotterdam schepen was en lid van de vroedschap, directeur van een verzekeringsmaatschappij enz. Zijn zoon mr. Hugo Gevers was burgemeester van Dordrecht, vice-president van de nationale conventie van 1796-1798 en raadsheer van het Hooggerechtshof en van de Hoge Raad.
Hugo’s zoon Abraham geboren in 1795 wordt koopman en landeigenaar in Batavia. Koning Willem II verheft hem en zijn nakomelingen op 27 oktober 1842 in de adelstand. Op de terugreis uit Ned.-Indië, aan boord van het fregatschip de Anna en Elize, overlijdt hij op 30 juni 1844. Uit zijn huwelijk met Suzanna Cornelia Tiedeman wordt dochter Suzanna geboren die met Frederik Albert Govert graaf van Limburg Stirum trouwt.

Haar broer jhr. Jan Hugo Gevers (1829-1891) trouwt op 7 juni 1855 op kasteel Marquette met Paulina Johanna Rendorp, vrouwe van Heemskerk en Marquette (1829-1909). Joachim Rendorp, een van haar voorvaderen, heeft het kasteel in 1717 gekocht. Zij erft in 1896 ook het duingebied in Castricum. Het echtpaar Gevers-Rendorp woont vele jaren op het kasteel en ook op huize Leeuwenhorst te Noordwijk.
De vele bezittingen gaan over op een van hun zoons jhr. mr. Hugo Gevers (1858-1921), die trouwt met jkvr. Paulina Adriana van Lennep (1869-1947). Zij krijgen vier kinderen: Frits, Henri, Daan en Corry, waarvan jonker Frits (1890-1984) de oudste is. Zij zijn allen overleden. Er is nog wel een dochter van Henri in leven: jvr. Paulina Agnes Gevers geboren in Soerabaja op 22 april 1936. Zij is het enige kind van Henri uit zijn tweede huwelijk met Antoinette Charlotte Jacobs en de laatste adellijke nazaat van deze tak van de familie Gevers.
Al was de familie Gevers dan niet van oude adel, aan de titels werd veel waarde gehecht. Vader Hugo heeft altijd zorgvuldig twee geschriften bewaard, waarin de genealoog J. Bicker Caarten het bewijs leverde dat via vrouwelijke en mannelijke lijnen de Geversen afstamden van grote figuren uit de vaderlandse geschiedenis. Met de rechtsgeleerde en staatsman Hugo de Groot (1583-1645) en Kenau Simons Hasselaer (1526- 1589), beroemd wegens haar optreden bij het beleg van Haarlem door de Spanjaarden, zouden er aantoonbare familiebanden bestaan. Van beide personen hebben er geschilderde portretten in kasteel Marquette gehangen.


Jaarboek 26, pagina 55

Frits Gevers toen hij nog op de kostschool in Utrecht verbleef (foto Iconografisch Bureau).
Frits Gevers toen hij nog op de kostschool in Utrecht verbleef (foto Iconografisch Bureau).

In het jaar 1900 wordt Frits op een kostschool aan de Kromme Nieuwe Gracht 19 in Utrecht geplaatst. Het instituut is wel gekenschetst als een instituut voor moeilijke jongens van nette komaf. Ook zijn neef Jan Hugo Gevers uit Noordwijkerhout heeft daar in 1901 onderdak gevonden. Henri wordt er in 1903 ingeschreven en in 1914 is Daan aan de beurt. Frits verblijft in aansluiting op het Utrechtse pensionaat, van december 1907 tot december 1909 in Arnhem. Vermoedelijk heeft hij daar iets in de richting van bosbouw gestudeerd. Betwijfeld wordt of de opleidingen ooit met succes zijn afgerond. In ieder geval heeft het wat Frits betreft niet tot een beroep of betaald werk geleid, met uitzondering van enkele jaren in Indië. Eind 1909 is hij weer terug op Marquette. Ook zijn broer Henri is in 1909 vanuit Utrecht weer in Heemskerk neergestreken. In aanwezigheid van zijn ouders, broers en zuster, legt hij in 1911 de eerste steen van het oude raadhuis van Heemskerk. De broertjes vermaken zich in hun jonge jaren vooral met jagen, motor- en autorijden. Hun belangstelling voor het vrouwelijk geslacht is ook boven iedere twijfel verheven.

De eerste-steenlegging van het raadhuis in Heemskerk op 2 september 1911. V.l.n.r.: Frits, Henri, aannemer Jan Henneman, oud-burgemeester Hugo Gevers (met strohoed) en op de achtergrond: Daan in matrozenpakje, Corry en mevr. Gevers - van Lennep (foto gemeentearchief Heemskerk).
De eerste-steenlegging van het raadhuis in Heemskerk op 2 september 1911. V.l.n.r.: Frits, Henri, aannemer Jan Henneman, oud-burgemeester Hugo Gevers (met strohoed) en op de achtergrond: Daan in matrozenpakje, Corry en mevr. Gevers – van Lennep (foto gemeentearchief Heemskerk).

Frits Gevers: de jager

De duinen onder Castricum zijn sinds 1896 in handen van de familie Gevers. Het Heemskerkerduin is in dezelfde tijd eigendom van de familie Van Tuyll van Serooskerken en een stuk duingebied bij Wijk aan Zee van de familie Boreel. Frits, zijn broer Daan en de zoon van baron Van Tuyll, Freddy, hebben zich daar in hun jeugd kunnen uitleven. Daan en Frits racen op hun Harley Davidsons dwars door de duinen naar Wijk aan Zee en weer terug. Het is ‘hun’ terrein, dus niemand die er wat van zegt.

Voor de eigenaren van het duingebied zijn de verpachting van landbouwgrond, de houtproductie en de jacht de belangrijkste bronnen van inkomsten. De bestrijding van de konijnen en ander schadelijk wild, zoals vossen, bunzings en wezels, heeft in het belang van de exploitatie van het cultuurland en de bescherming van het houtgewas altijd een hoge prioriteit gehad. De wettelijke regels stonden tot 1923 nog in het teken van een regeling van de jacht als een vorm van sport. De manier waarop ermee werd omgegaan sloot daar helemaal bij aan.
Onder andere fazanten worden speciaal voor de jacht gefokt. Bij de jachtopzienerswoning Kijk Uit bestond rond 1900 een eenvoudige fazanterie, van waaruit jonge fazanten in de duinen werden uitgezet.

Dat Frits en zijn vriend Freddy van Tuyll de jacht als een sport zien is overduidelijk. Ze willen erin uitblinken en daarom oefenen ze zoveel mogelijk. Het liefst jagen ze met z’n tweeën. Fazanten moeten door de jachtopziener hoog over de duinen worden gejaagd en als ze torenhoog overvliegen, dan moet het met één schot gedaan zijn. Ze willen niet voor elkaar onderdoen en dagen elkaar voortdurend uit.

Jonker Frits bij de Schaapherderswoning met jachtopziener Pieter Schellevis en zijn gezin.
Jonker Frits bij de Schaapherderswoning met jachtopziener Pieter Schellevis en zijn gezin.

Beide families hebben jachtopzieners in dienst voor het onderhoud van de duinen en het weren van stropers. Verder moeten ze uiteraard de heren bij de jacht bijstaan. Drie jachtopzieners die vele jaren voor de familie Gevers hebben gewerkt zijn, Hein Zoontjes, woonachtig in de jachtopzienerswoning aan de Beverwijkerstraatweg, Peter Weenk die in Kijk Uit woont en Pieter Schellevis. Schellevis woont met zijn gezin in de Schaapherderswoning, die in de buurt van de boerderij de Brabantse Landbouw stond. Bij de woning die in de zestiger jaren is gesloopt, stond in vroeger tijd een rond 1852 gebouwde grote schaapskooi. De jongste zoon van Pieter Schellevis, Adriaan, is in 1919 in de Schaapherderwoning geboren en hij heeft zijn hele jeugd in het duin doorgebracht. Hij herinnert zich de vele jachtpartijen en jonker Frits en baron Freddy nog goed.
“De adel nodigde elkaar vaak uit voor de jacht. Mijn vader heeft nog eens meegemaakt dat Prins Hendrik in de duinen van Gevers kwam


Jaarboek 26, pagina 56

jagen. De genodigden kregen de beste plaatsen, waar het meeste wild langs zou komen. De belangrijke jachtheren hadden altijd twee dubbelloops geweren. Die hoorden bij elkaar. Ze hadden iemand naast zich die hun geweren steeds opnieuw laadde; dat deden ze niet zelf. Nadat ze twee schoten hadden afgevuurd gaven ze hun geweer af en kregen dan direct het andere inmiddels geladen geweer weer in handen. De jachttijd begon omstreeks oktober en ging dan de hele winter door. Er werden wel eens 1000 stuks wild geschoten op één dag. Freddy van Tuyll en Frits Gevers organiseerden voor zichzelf ook korte jachtpartijen en hielden dan een wedstrijd wie het meeste schoot. Ze wilden geen dier schieten dat geen kans had. Een fazant die zowat in je loop zit, daar is geen kunst aan vonden ze. Ze schoten soms zoveel dat hun geweer gloeiend heet was en ze het niet meer vast konden houden. Een keer heb ik meegemaakt dat Frits zijn geweer tegen een auto had aangezet en dat er iemand tegenaan liep, waardoor het in het zand viel. Ik heb nog nooit iemand zo horen vloeken. Baron van Tuyll probeerde hem te kalmeren: “Frits … Frits beheers je toch !” Dat geweer was alles voor hem, het was een verlengstuk van hemzelf.

Als jonker Frits bij ons thuis kwam dan vroeg hij aan mijn moeder om een sneetje zelf gebakken brood waar niets op hoefde. Wij kregen dan het dik belegde Casinobrood dat hij bij zich had; dat was voor ons net gebak.

Jonker Frits heeft jachtopziener Schellevis behangen met de meeuwen die hij heeft geschoten.
Jonker Frits heeft jachtopziener Schellevis behangen met de meeuwen die hij heeft geschoten.

Om vroeger het voorjaar in het duingebied mee te maken was een geweldige ervaring. Je hoorde de grutto’s, kievieten, wulpen, alles leefde. Nu is het duin bijna dood. De vossen lopen bijna door de straat. De grauwe lijster die haast nog mooier zingt dan de nachtegaal, is zo goed als verdwenen. De meeuwenkolonies broeden op het dak van de Hoogovens, omdat ze hun nesten niet meer op de grond durven te maken. Het verbieden van de jacht heeft grote gevolgen gehad. Dat kan iedereen wel zien.”

Behalve jachtpartijen in het duingebied wordt ook tweemaal per jaar een jachtpartij op de landerijen rond Marquette georganiseerd, waarvoor dan belangrijke relaties worden uitgenodigd. Vooral Frits Gevers gaat omgekeerd regelmatig in op uitnodigingen voor jachtpartijen in alle uithoeken van het land. Het toeval wil dat de man die van 1957 tot 1963 bedrijfsleider was op de boerderij van kasteel Marquette, Klaas Maassen, zich jonker Frits vooral herinnert van de jachtpartijen in de jaren (negentien)veertig in Friesland in de omgeving van Veenklooster. Maassen werkte daar toen als knechtje van een hereboer. De eigenaren van een groot gebied met aaneengesloten landerijen, waaronder de familie Harinxma toe Slooten, waar Frits Gevers banden mee had, organiseerden gezamenlijk de jacht.

Klaas Maassen: “Jonker Frits was een bijzonder goede schutter. Jagers lopen meestal met een gebroken geweer; de loop is dan ontgrendeld en wijst naar de grond. Frits liep altijd met het geladen geweer op zijn schouder. Moest er geschoten worden dan klapte hij het geweer op zijn hand en daar lagen ze. Eén keer heb ik hem kwaad gezien. Toen knalde hij twee fazanten uit de lucht en vervolgens kwamen er twee hazen in zijn schootsveld. Zonder dat hij er erg in had schoot hij weer zonder dat hij geladen had. Ik zal maar niet vertellen wat voor woorden er toen vielen. Dat heeft hij zich nooit meer vergeven geloof ik.”

Frits en jachtopziener Gijs met een geschoten hert in Schotland.
Frits en jachtopziener Gijs met een geschoten hert in Schotland.

Jonker Frits is ook af en toe in Schotland, waar hij logeert in het huis Rossdhu tegenover het Loch Lomond. De eigenaar Sir Iain Colquhoun was een bijzonder mens. Hij had een hoge functie als vertegenwoordiger van de Kroon bij de Raad van kerken in Schotland, was lichtgewicht bokskampioen van het Britse leger geweest en zijn daden in de eerste wereldoorlog waren legendarisch. In de voorste loopgraven had hij een tamme leeuw bij zich. In het niemandsland tussen de linies vierde hij kerstmis met de Duitsers, waarvoor hij door de Krijgsraad ter dood werd veroordeeld, waarop hem door de Koning weer gratie was verleend.

Kaart van Gijs uit Schotland.
Kaart van Gijs uit Schotland.

In de nalatenschap van Gevers werden verschillende foto’s uit Schotland gevonden. Ook was er een briefje en een briefkaart uit


Jaarboek 26, pagina 57

Schotland, ondertekend door jachtopziener Gijs, die verslag doet van een geslaagde jachtpartij.

Frits Gevers wordt in 1946 lid van het jachtgezelschap ‘Het Loffelijke Gilde van Sint Hubert’ te Haarlem. Het is een soort sociëteit, die al een paar honderd jaar bestaat. Van dat selecte gezelschap kon men alleen op uitnodiging lid worden.

Jonkheer Frits Gevers, tweede van links, op een schip van de Rotterdamse Lloyd op weg naar Indië.
Jonkheer Frits Gevers, tweede van links, op een schip van de Rotterdamse Lloyd op weg naar Indië.

Nederlands-Indië

Frits en Henri zijn al in 1915 samen naar Indië gereisd. Veel jonkheren en baronnen trekken in die tijd naar plantages op Java en Sumatra en bovendien heeft de familie wel iets met dat land. Hun overgrootvader Abraham Gevers is immers koopman en landeigenaar in Batavia geweest en aldaar in 1842 in de adelstand verheven en hun grootvader is daar geboren. Toch zal het avontuur in het verre vreemde land wel het meest hebben getrokken. De broers trekken in Indië veel met elkaar op en gaan ook samen op jacht. Toch zouden hun wegen zich scheiden.

Henri vestigt zich definitief in het Rijk van Insulinde. Hij klimt op tot afdelingschef bij Ned.-Ind. Steenkolen Handels Mij en wordt in 1925 procureur van een Frans-Hollandse Importmaatschappij. Hij trouwt in 1918 met Adeline (Lies) Scheffer. Het is een meisje van Indische afkomst en in de familie levert dat wel wat commotie op. Het echtpaar krijgt geen kinderen. Na een scheiding in 1926 trouwt Henri in 1935 in Soerabaja met Antoinette Charlotte Jacobs. Zijn moeder en zuster Corrie hebben het paar nog opgezocht en hebben bij ze gelogeerd in Talang Mangoe, een plaatsje in de bergen van Java. Tot verdriet van de familie is Henri ook van Antoinette gescheiden. Antoinette kon heel goed met haar schoonmoeder opschieten. Ze bleven ook na de scheiding met elkaar corresponderen en zelfs in het testament van mevrouw Gevers was aan haar gedacht.

Uit het korte tweede huwelijk is in 1936 jonkvrouwe Paulina (Paula) Agnes Gevers geboren. Haar vader overlijdt in 1941 in Soerabaja. Paula wordt door haar moeder opgevoed en bezoekt de Middelbare Meisjes School (MMS). In 1953 overlijdt moeder Antoinette en Paula gaat dan terug naar Nederland. Daan wordt tot haar voogd benoemd. Ze wordt gedeeltelijk opgevangen op Marquette en bij een tante in Den Haag. Paula bewaart mooie herinneringen aan het verblijf op het kasteel. Freule Christine was nogal uithuizig en met haar oom Daan ging ze dan heerlijk kokkerellen. Oom Frits haalt haar wel op om te gaan eten bij het Kopje van Bloemendaal en ze mag hem ook van advies dienen als er gewinkeld wordt.
Paula trouwt in 1960 in Oosterhout met Johannes Stephanus Wiendels en zij krijgen drie kinderen, waarvan de oudste, Karin ‘de wereld is klein’ met een Bakkummer trouwt.

Frits treedt in 1915 in dienst als employé bij de onderneming Gogoniti in Wlingi. In tegenstelling tot zijn broer Henri, die in Indië een carrière opbouwt, is Frits al weer snel in Heemskerk teruggekeerd om zijn oude leventje op te pakken, dat voornamelijk uit jagen bestaat. Indië blijft hem kennelijk toch trekken en een paar jaar later, in mei 1919, scheept hij zich opnieuw in. Hij is dan assistent op een rubberplantage Djasinga, ten oosten van het toenmalige Batavia. De plantage was eigendom van een cultuurmaatschappij, waarin de families Van Riemsdijk en Van Motman grote belangen hadden. Het winnen van het melksap van de inheemse rubberbomen, is een erg arbeidsintensief karwei. Onder streng toezicht van de kolonisten worden veel inlanders ingezet. Op de periode waarin hij betaald werk deed, keek hij later met genoegen terug. Meermalen heeft hij verteld dat hij in Ned.-Indië een tijger als huisdier had. Het beest had hij als welpje gekregen en opgevoed. Hij bewaarde een tand van die tijger als een relikwie in een lucifersdoosje.

Waarschijnlijk naar aanleiding van het overlijden van zijn vader keert hij in 1921 alweer terug naar Holland en gaat opnieuw op Marquette wonen met zijn moeder, zuster Corrie en jongste broer Daan. Daan vertrekt in 1923 uit Heemskerk om in Engeland te gaan werken. Later woont hij in Den Haag en werkt hij bij een bank in Amsterdam. Mevrouw Gevers besluit in 1925 samen met haar dochter naar Zwitserland te vertrekken. Later zouden ze samen naar Brussel gaan. Corrie trouwt in Brussel op 31 jarige leeftijd met Jean Maria René Edmond Ghislain le Brun, eigenaar van een plantage in Belgisch Kongo. Het echtpaar heeft geen kinderen gekregen. Zij zijn goed bevriend met Koning Leopold en Koningin Astrid en gaan ook samen met het Belgische koningspaar op vakantie. Zij zijn getuige van het auto-ongeluk in 1935 in Zwitserland, waarbij de zeer geliefde vorstin om het leven komt.


Jaarboek 26, pagina 58

Frits zal zich wel verlaten hebben gevoeld bij het vertrek van zijn moeder en zuster. Hij wil niet alleen op het kasteel achterblijven en besluit dan voor de derde keer naar Ned.-Indië af te reizen. In afwachting van zijn vertrek verblijft hij eerst een paar maanden in het luxe Hotel Duin en Daal in Bloemendaal. In februari 1926 scheept hij zich opnieuw in voor de reis naar Soerabaja.
Voor zover bekend heeft hij daar toen alleen maar gejaagd. Voor jonker Frits is het land met zijn indrukwekkende natuur, de hemel op aarde. De jacht is onverbrekelijk verbonden met de Indische cultuur en het Indische leven. Hij heeft daar menige spannende jachtpartij meegemaakt, op alle soorten groot wild, zoals tijgers, luipaarden en krokodillen.

Meerdere keren wordt hij gevraagd om een banteng te schieten. De banteng is een wilde buffel, die niet agressief is, maar wel levensgevaarlijk wordt als hij eenmaal een mens heeft aangevallen. Dan moest zo’n beest afgeschoten worden en dat is een risicovolle onderneming. De inlanders die moeten drijven, willen daarom alleen met een ervaren jager op pad gaan. Het is jonker Frits die het volledige vertrouwen krijgt, omdat zijn kwaliteiten als jager boven iedere twijfel verheven zijn. Dat bewijst hij keer op keer.

Tijdens zijn verblijf in Indië wordt hij getroffen door een hevige aanval van malaria, die gepaard gaat met hoge koorts. Zoals hij later aan zijn kapper Anton Bleijendaal in Heemskerk zou vertellen, veranderde van de ene op de andere dag de kleur van zijn haar. Had hij eerst donker haar, voortaan ging hij met een witte haardos door het leven Hij kon het goed vinden met Bleijendaal. Toen die in de oorlogsjaren behoefte had aan kleding, nodigde de jonker hem uit mee te gaan naar Marquette om wat uit te zoeken. Aangekomen op de bovenverdieping van het kasteel, opende de jonker een kast die vol hing met manchesterpakken voor de jacht. Hij pakte er een uit, maar dat viel vervolgens totaal uit elkaar, vergaan door vocht. Zodoende had Bleijendaal nog geen pak, maar wel een mooi verhaal.
(red: tekst vervolgt – na tussenartikel hieronder over Geversduin – onder kopje ‘Jachthuis’)

Geversduin

Het duinbezit in Castricum en Heemskerk groot 1484.13.10 hectare wordt in 1834 nagelaten door jhr. mr. Andries Adolph Deutz van Assendelft (1764-1833), burgemeester van Amsterdam, heer van Assendelft, Assumburg en Heemskerk, o.a. lid van de Eerste Kamer.
Een zoon en dochter ontvangen ieder de helft. De dochter, Vrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, krijgt na een herverdeling in 1846 het duingebied in Castricum. Zij was in 1828 gehuwd met Daniel Theodoor Gevers van Endegeest, referendaris bij de Raad van State, voorzitter van de Tweede Kamer, minister van Buitenlandse Zaken enz. Het echtpaar woonde in huize Endegeest in Oestgeest.

Gevers van Endegeest had naar aanleiding van een prijsvraag een plan opgesteld om voor landbouw geschikte duinvalleien te ontsluiten door deze te voorzien van een goede afwatering en toegangswegen. Zijn verhandeling werd in 1824 met goud bekroond. Voor het hele duingebied tussen Scheveningen en Bergen heeft hij afwateringsprojecten onder de loep genomen. Daarvan zijn er twee uitgevoerd, waaronder de ‘Hoepbeekse afwatering’ in de duinen onder Castricum. Zijn belangrijkste voorstel was, een afwatering op de Limmerpolder te maken door een aansluiting bij Bakkum op de Schulpvaart, middels een vaart langs de tegenwoordige Zeeweg (Koningskanaal). De prijsvraagwinnaar heeft actief aan de uitvoering mogen deelnemen als lid van een in 1829 door de Koning benoemde beheerscommissie.
Middels de erfenis van zijn vrouw wordt hij dus later zelf eigenaar van het duinterrein.

Het duingebied wordt in 1896 nagelaten aan een nicht van Vrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, douairière van jhr. Daniel Gevers van Endegeest. Deze nicht is Paulina Johanna Rendorp van Marquette. Zij was op 7 juni 1855 getrouwd met jhr. Jan Hugo Gevers, geboren in Batavia op 20 juni 1829 en zoon van jhr. Abraham Gevers en Suzanna Cornelia Tiedeman.

Op 10 juni 1911 gaan de bezittingen over op hun zoon jhr. mr. Hugo Gevers en Pauline Adrienne van Lennep. Jhr. Hugo Gevers is burgemeester van Heemskerk (1888-1907). In 1921 overlijdt hij in Cannes. In 1923 richten zijn weduwe en haar vier kinderen de N.V. Gevers Duin op, waarin ruim 721 ha duingebied in Castricum en 8 hectare in Heemskerk, alsmede onder andere de bouwhoeve ‘De Brabantse Landbouw’ wordt ingebracht. Het gebied wordt begrensd ten westen door de Noordzee, ten zuiden ongeveer door de grens met de gemeente Heemskerk, ten oosten door Onderlangs en de Beverwijkerstraatweg en ten noorden door een lijn van oost naar west, die grofweg ligt in het verlengde van de Geversweg.

In 1925 wordt de naam van de vennootschap gewijzigd in N.V. Hollandse Duinmaatschappij, waarschijnlijk vanwege de 16 hectare grond die inmiddels is bijgekocht en die niet meer alleen in Geversduin ligt. Directeur van de onderneming is dan Cornelis Pruyser, wonende te Amsterdam.
Op 8 september 1933 worden alle eigendommen van de NV verkocht aan de provincie Noord-Holland voor een bedrag van 625.000,— gulden Cornelis Pruyser blijkt dan als directeur te zijn opgevolgd door jhr. Willem Philip Barnaart, een in Bergen wonende bloembollenkweker. Overeengekomen wordt dat jonkheer Frits Gevers het jachthuis bij de Oude Schulpweg met het bijbehorende terrein van ongeveer 5 ha gedurende de rest van zijn leven zal mogen huren voor 1 gulden per jaar. Zo’n 37 jaar is het duingebied bij Castricum eigendom geweest van de familie Gevers.

Het jachthuis aan de Oude Schulpweg in de sneeuw.
Het jachthuis aan de Oude Schulpweg in de sneeuw.

Jachthuis

In april 1928 keert Frits voorgoed terug in zijn vaderland. Na opnieuw een aantal maanden in Hotel Duin en Daal in Bloemendaal te hebben gelogeerd, gaat hij in augustus 1928 in Castricum wonen. Hij betrekt het jachthuis aan de Oude Schulpweg, een uitneembaar dubbelwandig houten gebouw dat in 1921 nog in opdracht van zijn vader is gebouwd. De bedoeling is om daar tijdens jachtpartijen de gasten te ontvangen voor een maaltijd, meestal erwtensoep, en een borreltje. De jachtopzienerswoning Kijk Uit is daarvoor veel te klein. Met wat aanpassingen is het jachthuis als woning geschikt gemaakt, al is er de eerste jaren geen aansluiting op de waterleiding of op het elektriciteitsnet.

Vanaf 1928 woont Frits dus in zijn geliefde natuur- en jachtgebied en op zijn eigen domein. De post die hij krijgt, is eenvoudig geadresseerd aan: Jonkheer Frits Gevers, Jachthuis, Castricum.
Het is dan nog maar een vijftal jaren dat jonker Frits zich heer en meester kan voelen in het Geversduin. De vele hectaren grond van de familie, ondergebracht in een naamloze vennootschap, worden in 1933 aan de provincie Noord-Holland verkocht. Bij de verkoop wordt overeengekomen dat jonkheer Gevers het jachthuis met ongeveer 5 ha duingebied gedurende zijn verdere leven zal kunnen huren tegen de som van één gulden per jaar. Een bijzondere bepaling is dat bij eventuele afsluiting van de Kramersweg voor autoverkeer de jonker


Jaarboek 26, pagina 59

wel over die weg naar en van zijn huis zal mogen rijden. Verder wordt overeengekomen dat het jachtrecht op het verhuurde terrein door provincie niet aan derden zal worden verpacht en dat de huurder gerechtigd is er te jagen op schadelijk gedierte, met uitzondering van fazanten. Fazanten kunnen eventueel weer wel door de huurder worden opgeruimd, met speciale toestemming van de provincie.

ledere gelegenheid om te jagen grijpt de jonkheer aan. Jonkheer Boreel: “Na de oorlog waren er te veel meeuwen in het duin en die moesten afgeschoten worden. Toen hebben ze hem gevraagd of hij dat wilde doen en hoeveel meeuwen hij met 100 patronen dacht te kunnen schieten. Hij heeft geantwoord dat hij er zeker meer dan 100 zou halen, omdat er wel eens een paar achter elkaar zitten.”
Ook toen de jonker vanwege zijn leeftijd allang niet meer deelneemt jachtpartijen in binnen- en buitenland wordt hij nog altijd meegevraagd door de jachtopzieners als er konijnen moesten worden geschoten.

De poort van kasteel Marquette.
De poort van kasteel Marquette.

Marquette

Het kasteel Marquette wordt niet meer door de familie bewoond, sinds mevrouw Gevers, Corrie en Frits het in 1925 hebben verlaten. Tuinbaas De Kruyff gaat in op het verzoek van de familie om met zijn gezin in het kasteel wonen en als huisbewaarder op te treden Na het vertrek van de familie De Kruyff in 1942 keert Frits tot 1946 weer terug op Marquette, ook al omdat hij op last van de Duitsers zijn jachthuis moet verlaten.

De jonkheren Daan en Frits en freule Christine de Vos van Steenwijk (1952).
De jonkheren Daan en Frits en freule Christine de Vos van Steenwijk (1952).

Na zijn huwelijk in 1943 gaat ook jonker Daan, de jongste zoon van het echtpaar Gevers-van Lennep, op kasteel Marquette wonen. Hij is getrouwd met Christine Bernadine Johanna, barones de Vos van Steenwijk, van Essen tot Windesheim.
In de oorlog wordt het gebouw nog beschoten door geallieerde vliegtuigen, waardoor behoorlijke schade ontstaat, maar niemand gewond raakt. De aanval was gericht tegen een weerkundige eenheid van de Duitse Luftwaffe waarvoor het kasteel gedeeltelijk was gevorderd.

Daan erft het kasteel, dat hij namens zijn moeder al lang beheerde, in 1947. De jonkheer is bijzonder aan het erfgoed gehecht en probeert het zo goed mogelijk in stand te houden, maar de onderhoudskosten en de belastingen zijn hoog. In een interview in het blad Elsevier in 1970 slaakt hij de verzuchting: “Arme adel, over dertig jaar is het met ons afgelopen.” In september 1979 vertrekt hij met zijn echtgenote naar Apeldoorn en Marquette wordt uiteindelijk een hotel-restaurant en conferentieoord.

Wienus van de Berg, vanaf 1957 bedrijfsleider van de boerderij op het landgoed, vertelt: “Er was weinig tijd voor de verhuizing. Ik kwam aanlopen en zag rook opstijgen, uit een gat in de grond. Wat zijn jullie aan het doen vroeg ik. Daar verdwenen pakken obligaties in het vuur. Obligaties van de Russische Spoorwegen, nog van Hugo Gevers, de vader van de jonker. Ze waren waardeloos. De familie heeft in het begin van de vorige eeuw veel kapitaal verloren. Zoals veel Nederlanders.”

Hilbrand de Kruijff, zoon van tuinbaas De Kruijff, heeft nog veel herinneringen aan de tijd dat hij op het kasteel woonde;
“We woonden tot 1925 in het tuinmanshuis maar toen is ons gevraagd of we op het kasteel wilden wonen zodat het beter bewaakt kon worden. We hebben er een fijne tijd gehad. Er waren prachtige tuinen met rozenperken en borders met planten die het hele jaar door bloeiden. Er waren zwanen en siereenden en er liepen pauwen rond. Het was er prachtig. In 1937 werd er nog een bloembollententoonstelling op het terrein gehouden, waar mijn vader een grote rol bij heeft gespeeld.
In de oorlog wilde Daan schapen en koeien houden en werden de tuinen verwaarloosd. Het werk zinde mijn vader niet meer. Hij was tenslotte tuinbaas en geen boer. Mijn vader is aan de Stetweg in Bakkum met een bloemisterij begonnen.
De paden rond het kasteel hadden vroeger een speels verloop. Het verhaal is dat die paden ooit eens recht zijn getrokken zodat Frits en


Jaarboek 26, pagina 60

Daan er met hun Harley’s makkelijker overheen konden scheuren. Daan had op de bovenverdieping van het kasteel een kamer, waar hij verbleef als hij uit Den Haag kwam. Mijn moeder verzorgde dan de maaltijden ‘s middags en ik moest de jonker dan zoeken als het eten op zijn kamer klaar stond. Zijn broer Henri heb ik nooit gezien en freule Corrie ook niet. De oude mevrouw Gevers kwam nog wel eens op Marquette en bracht dan voor ons een glazen stolp met snoepjes mee. Frits woonde in het jachthuis bij Kijk Uit. Hij kwam vaak langs voor een kopje koffie of thee en ook ging hij naar de kamers die voor de Geversen gereserveerd waren. Af en toe had hij een kwaaie bui; dan smeet hij de deur van zijn cabriolet zo hard dicht dat de deur aan de andere kant zowat weer openvloog. Dan schopte hij tegen alles aan wat hem voor de voeten kwam. Blikken trapte hij door de hele hal heen en vloeken, vloeken …! Hij vloekte altijd wel maar dan helemaal. Het is eens voorgekomen, ik heb het zelf gezien, dat hij aankwam en z’n geweer pakte en pardoes 5 zwanen doodschoot. Onbegrijpelijk! Mijn vader was er helemaal kapot van.
Frits heeft een tijd een soort raceauto gehad die bulderend lawaai maakte. Hij nam mijn vader wel eens mee voor een ritje of een bezoek aan baron van Tuyll of andere kennissen in Haarlem en omstreken. Mijn vader ging ook nog wel eens op zijn fiets naar het jachthuis als Frits advies nodig had over zijn bomen en dan mocht ik wel eens mee. Ik hoor hem nog op zijn speciale manier tegen mijn vader zeggen: “Godverdomme Kruyff!”

Theetijd in de tuin van Westerhout. V.l.n.r.: Frits Gevers, Jan Boreel, mevrouw Emilie Boreel - van Tuyll van Serooskerken, Lucas Boreel, Marietje (zuster van Hugo), Geert Boreel, Hugo Boreel, Pauline (zuster van Hugo).
Theetijd in de tuin van Westerhout. V.l.n.r.: Frits Gevers, Jan Boreel, mevrouw Emilie Boreel – van Tuyll van Serooskerken, Lucas Boreel, Marietje (zuster van Hugo), Geert Boreel, Hugo Boreel, Pauline (zuster van Hugo).

Familie Boreel

Het contact van jonker Frits met de eigenaren van het Heemskerkse duingebied, de familie Boreel, kwam behalve door de gezamenlijke passie voor de jacht, ook voort uit een familieband. Een zuster van grootvader Jan Hugo Gevers trouwde met Jonkheer Gerard Salomon Boreel, burgemeester van Beverwijk en eigenaar van huize Westerhout. Na zijn overlijden gaat zijn zoon Hugo Boreel en zijn echtgenote Emilie Henriëtte Adèle barones van Tuyll van Serooskerken op Westerhout wonen. Hij heeft heel lang gewerkt als hoofdadministrateur van de theeplantage Parakan Salak in de buurt van Batavia. Zij hebben drie zoons: Lucas, Jan en Geert, die in Indië zijn geboren. Na de oorlog komt jonkheer Frits de familie op zondag om de veertien dagen opzoeken.

Jonkheer Lucas Boreel vertelt:

“Oom Frits bezocht ons vaak op Westerhout. Hij was gek van mooie en dure auto ‘s, waar hij heel zuinig op was. Als het regende dan bleef de auto in de garage en kwam hij op de fiets of met de trein. Mijn vader en moeder, haar zuster en Frits hielden ontzettend van bridgen en speelden met z’n vieren. Mijn broer Geert deed ook wel eens mee. Mijn moeder vroeg dan of hij bleef eten. Dan antwoordde hij ontwijkend: “ik dacht van niet” of “het hangt van het weer af”. Toch bleef hij elke keer. Ik denk dat hij nooit iemand bedankte of goedendag zei; ineens was hij dan weer weg. Als er eens onverwacht bezoek kwam was hij zeker meteen verdwenen. Het was een aardige man, bijzonder onderhoudend en het was leuk als hij kwam. Maar de mensen moesten hem bekend zijn, anders moest hij niets van ze hebben. Hij had altijd prachtig gepoetste schoenen. Dat had hij van een knecht geleerd, aan wie hij wel had moeten beloven dat hij het geheim nooit aan iemand anders zou doorvertellen. We hebben het hem honderd keer gevraagd: “Oom Frits hoe krijg je die schoenen zo mooi?” “Nee, zei hij steeds, dat heb ik beloofd dat vertel ik niet.” Hij heeft het geheim meegenomen in zijn graf.

Frits was een aardige man maar hij vloekte wel veel. Dat mocht hij gewoon doen bij ons thuis en dat was voor mijn broers en voor mij onbegrijpelijk. Het hoorde bij die man. Als je bij hem aanklopte, dan hoorde je hem schelden, gvd wie is daar nu weer en deed hij niet open. Dan riep ik: “Oom Frits, ik ben het Lucas.” Gestommel en weer gevloek en dan kwam hij te voorschijn.
Vroeger reed hij veel in een open auto. Er waren toen nog maar weinig auto’s op de weg. Dan reed hij wel eens vooruit van het kasteel naar het centrum van Heemskerk en daarna achteruit weer terug. Hij hield van hard rijden en niemand ging in zijn ogen vlug genoeg opzij. Hij had toen stenen op de stoel naast zich klaar liggen om naar de mensen te gooien. We weten wel dat hij dat nooit heeft gedaan, maar hij vertelde het wel.
Hij had ook de nodige vriendinnen vroeger. Hij is dodelijk verliefd geweest op de vrouw die later mijn schoonmoeder zou worden. (Aantekening: jkvr. Margaretha Teixeira de Matthos). Zij woonde naast het huis Vogelenzang waar hij honderden keren heeft gejaagd. Ze is ook wel verliefd op hem geweest. Ze was beeldschoon. Het is nooit wat geworden. Er is wel gezegd dat hij daarom ongetrouwd is gebleven.”


Jaarboek 26, pagina 61

Vriend Jan Luden

In zijn afgelegen jachthuis kon de jonker zich ideaal terugtrekken. Hij had er een enorme hekel aan als er mensen op zijn terrein kwamen. Bij de jaarlijkse ceremonie van de verlenging van zijn jacht- akte op het gemeentehuis verzuchtte hij eens op zijn wat geaffecteerde manier: “Vroeger, ja vroeger zeiden de mensen nog goedemorgen jonker of goedemiddag jonker en men nam de pet voor je af, maar tegenweurdig rijen ze je op je eigen terrein met een bgommer voor je poten.”

Gevers had wel contact met de verschillende boswachters en jachtopzieners. Met Jaap en Cees Schoen maakte hij soms een praatje en ook met Cor Mooij. Zo ook met de families De Jong, Bleijendaal, Castricum en Benjamin die in Kijk Uit hebben gewoond.
Ook bij de familie Benjamin kwam hij wel eens koffiedrinken. Hij was gek op koekjes met een vullinkje (frou frou) en regelmatig informeerde hij hoe deze koekjes ook al weer heetten. Kreeg hij een sigaret aangeboden van mevrouw Benjamin, dan brak hij die altijd in twee stukken voordat hij ging roken. Hij was altijd bereid de familie Benjamin mee te nemen voor een ritje in zijn Cadillac of, als bijvoorbeeld hun kinderen ziek waren, om die met zijn auto te vervoeren. Om zijn haar te wassen haalde hij water uit de put bij Kijk Uit, omdat dat water zo lekker zacht was. Hij was gek op de verse eitjes van de kippen van de Benjamins.
Ook de familie De Jong die van 1964 tot 1968 jaren in Kijk Uit woonde, heeft aardige herinneringen aan hun adellijke buurman. Hij heeft ze wel meegenomen in zijn grote auto om door de duinen naar Wijk aan Zee te rijden om de zonsondergang te zien. Hij was wel bang voor besmettelijke ziektes. Toen de kinderen de mazelen hadden, bleef hij op ruime afstand, maar op een zekere dag rolden wel de sinaasappelen het huis binnen.

Opzichter Cor Mooij werd door Gevers af en toe om hulp gevraagd. Hij had vaak moeilijkheden met jongens op zijn terrein. In een naburige bunker had hij zijn kolen liggen en dan waren er soms jongens in geweest die de deur hadden opengelaten. Cor Mooij: “Om de hoek van de deur had hij flessen met bessenjenever staan. Dat was zijn vaste drank. Altijd vroeg hij of je een glaasje rood wilde en dan schonk hij wel een wijnglas vol. Haal ‘s uit, haal ‘s uit, dan kan ik nog een keer intappen!”

Villa Koningshof in Overveen.
Villa Koningshof in Overveen.

Met zijn broer Daan had hij niet veel contact meer; alleen de freule kwam regelmatig te paard vanaf Marquette door het duin bij hem langs. In de laatste jaren van zijn leven kwam het helemaal tot een breuk. De aanleiding was dat jonker Daan op een keer niet op zijn verjaardag was verschenen. Dat heeft jonker Frits hem nooit meer vergeven. Ondanks het feit dat hij een hele goede kolenkachel had in zijn huisje, was het er in strenge winters moeilijk warm te krijgen. Het kwam dus goed uit dat de jonkheer jaren achtereen iedere winter bij zijn vriend Jan Anton Willem Luden op het enorme landgoed met het prachtige huis Koningshof in Bloemendaal mocht verblijven. Het contact met de heer Luden is ontstaan door de vele keren dat hij in Bloemendaal heeft gejaagd. Ze konden het waarschijnlijk zo goed met elkaar vinden omdat er veel overeenkomsten tussen hun beiden waren. Het waren allebei eenzelvige, bijna mensenschuwe mannen, die niet of nauwelijks hebben gewerkt en die nooit getrouwd zijn geweest.

Jonkheer Lucas Boreel: “Die man was ongelofelijk rijk maar leefde toch heel sober. Van armoede had hij nog nooit gehoord. Dat er mensen waren die van hun rente moesten leven vond hij al gek. Zijn stelregel was: Nooit meer uitgeven dan de rente van je rente, dan kan er niets misgaan.”

Jan Luden had een begaafde, oudere broer gehad die in 1924 bij het zwemmen in een mui terecht kwam en verdronk. Ook diens enige zoontje Jack overleed heel jong. Hij was dus de enige nazaat van een rijke familie. Bij zijn overlijden in 1962 schonk Jan Luden het kasteel Moersbergen aan het Utrechts Landschap, Koningshof aan Natuurmonumenten en aan de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij deed hij een bedrag van 600.000 gulden cadeau, waarvoor een reddingsboot is gebouwd die de naam de ‘Gebroeders Luden’ heeft gekregen.

Rijst, witlof en tartaar

Jonker Frits heeft in de begintijd nog wel een huishoudster gehad, maar waarschijnlijk omdat hij zuinig was aangelegd en omdat hij liever niemand in huis toeliet, deed hij het huishouden de laatste tientallen jaren op zijn manier zelf. Hij gebruikte vanaf de vijftiger jaren tot de sluiting in 1974 zijn warme maaltijden in De Rustende Jager. Rijst, witlof en tartaar was zijn vaste menu. Daarnaast kocht hij bijna iedere middag een biefstukje bij slager Sneekes. Als hij geen zin had om het zelf te halen en dat kwam nog al eens voor, dan belde hij op en moest Corrie Kuys, die bij de slager in de huishouding werkte, het lapje vlees naar het jachthuis brengen.

Hij at in De Rustende Jager altijd aan hetzelfde tafeltje, waar absoluut niemand anders mocht zitten. Lucas Boreel is hem daar eens komen opzoeken: “Toen ik binnen kwam was hij er nog niet. Ik vroeg waar hij altijd zat en ging op de plaats er tegenover zitten. De waard waarschuwde mij er nadrukkelijk voor dat de jonker dat niet op prijs zou stellen. Ik probeerde hem gerust te stellen. Aarzelend ging hij er uiteindelijk toch mee akkoord. Toen Oom Frits binnenkwam, betrok zijn gezicht toen hij iemand aan zijn tafeltje zag zitten. Ik ben vlug naar hem toe gegaan en heb hem begroet. Zijn gezicht klaarde weer op en hij zei: “gvd wat aardig dat je er bent”. We hebben samen geluncht maar geen minuut langer dan gebruikelijk was.”

Na de definitieve sluiting van De Rustende Jager gebruikte de jonker in Hotel-restaurant Kornman zijn warme maaltijden. Ook daar had hij zijn vaste plaats en het menu bestond nog steeds uit tartaar, maar nu met aardappelen en appelmoes. Verse groente gooide hij van zijn bord. Daar is hij volgens zijn gastheer Klaas Westland aan onderdoor gegaan. Zijn andere boodschappen bestelden Westland en zijn vrouw ook voor hem en die rekende hij dan op zaterdag altijd af.

Westland: “Toen hij bij ons kwam, kwam hij lopend of op de fiets. Ik heb hem niet meer met zijn auto gezien. Hij ging zo de spoorwegovergang over en keek helemaal niet of er een trein aan kwam. Hij begon er steeds sjofeler uit te zien en soms zei ik er ook wat van zoals: “Jonker die broek kan echt niet meer.” Alleen zijn schoenen waren altijd mooi gepoetst. Op een keer kwamen er een paar dames uit Heemskerk binnen die zeiden tegen elkaar: “Daar heb je die oude viezerik ook weer…” Ik maakte daar een opmerking over, maar de


Jaarboek 26, pagina 62

dames reageerden met de woorden: “Oh meneer u moest eens weten hoe hij achter ons aan zat op Marquette.” Toen ik dat aan de jonker vertelde lachte hij en zei: “Mooie tijd … mooie tijd geweest.” Van mij mocht hij in de zaak niet vloeken. Ik weet wel dat hij voortaan eerst om zich heen keek of ik uit de buurt was, voordat hij zich weer eens liet gaan.
De laatste jaren heb ik hem gehaald en gebracht. We hadden toen een Plymouth en daar reed hij graag in. Op de Geversweg zei hij dan langzaam, langzaam … en nu gas en dan gvd wat een auto ! Ik had het idee dat hij maar moeilijk rond kon komen, maar dat bleek later wel wat mee te vallen”.

Als de jonker geld nodig had belde hij naar de contactpersoon van zijn bank in Haarlem, Johan Vunderink, die dan ‘s avonds bij hem langs kwam. Vunderink nam altijd een thermosfles koffie mee en ook melk en suiker. De jonker hield wel van koffie maar hij zette het nooit zelf en hij had de ingrediënten ook niet in huis. Sinds de jonker hem een glas ‘vruchtensap’ had aangeboden, wat bessenjenever bleek te zijn. nam hij geen risico meer. Ook de jonge jenever, aangelengd met water ‘anders was het te sterk’, kon hem niet bekoren.

Vunderink was ongeveer 15 jaar contactpersoon van de bank en er ontstond in de loop van de tijd min of meer een vertrouwensband met de jonker. Op een keer belde de jonker of hij met spoed de volgende dag om 11.00 uur langs kon komen omdat hij iets belangrijks wilde bespreken. Al spoedig bleek toen dat de jonker hem te pakken had gehad. Hij was gevallen met zijn fiets en in het ziekenhuis moesten er hechtingen worden verwijderd. Het was de bedoeling dat Vunderink hem er naar toe zou brengen.

In de middaguren begaf de jonker zich bijna dagelijks naar Johanna’ s Hof voor een kopje koffie en een borreltje. Hij zat dan graag aan de ronde tafel dichtbij de ingang en kon van die plaats de gaande en komende man bekijken. Hij hield ervan een praatje te maken met de toenmalige eigenaar de heer en mevrouw De Hoop. De jonker vond het erg prettig als ze even bij hem kwamen zitten. De drukte in de zaak maakte dat niet altijd zo makkelijk.

De prachtig gepoetste Cadillac van jonker Frits voor Marquette. De foto is gemaakt door zijn nichtje jkvr. Paula Gevers die daar toen samen met haar oom Frits op bezoek was.
De prachtig gepoetste Cadillac van jonker Frits voor Marquette. De foto is gemaakt door zijn nichtje jkvr. Paula Gevers die daar toen samen met haar oom Frits op bezoek was.

Intrekking rijbewijs en jachtakte

De grote grijze Cadillac, waar de jonker zich af en toe in voortbewoog , begon wat mankementen te vertonen en de jonker had zich laten overtuigen dat hij die auto maar het beste kon inruilen. De heer Zentveldt herinnert zich de aflevering van de nieuwe auto nog goed: “Mijn kennismaking met jonkheer Gevers was een zakelijke; net gestart als verkoper bij de Opel garage Lute medio 1974, moest ik de nieuwe Opel Kadett Coupé bij de jonker afleveren. Mijn baas Bal Lute had de transactie gedaan en er hoefde niet over geld gepraat te worden; de Cadillac van de jonker was ingeruild voor genoemde Kadett. Een afspraak was gemaakt op een ochtend om 10.00 uur. Aankomend bij het jachthuis stond jonkheer Gevers bij het hek en ik mocht op het terrein komen gebaarde hij. “Zet deze automobiel maar daar naast de garage.” De auto moest afgesloten worden en uitleg hoefde de jonkheer niet. “Kom maar naar binnen Zethoven.” “Jonker de naam is Zentveldt.” “Ja ja.” De buitendeur van het jachthuis werd van het slot gedraaid en ik moest blijven staan totdat de tussendeur van het slot ging. De jonker ging mij voor naar zijn sober ingerichte woonkamer en hij vroeg mij plaats te nemen.
“Zo Zentkamp we nemen nu eerst een glaasje rood op de nieuwe automobiel.”
“Jonker ik drink niet overdag, doet u mij maar een glaasje fris.”
“Nee, nee op al mijn automobielen heb ik een stevige dronk uitgebracht en u meneer Zenthoven doet daar aan mee want dat brengt geluk.”
“Oké jonker een klein glaasje dan.”
Hij ging naar een ander vertrek en ik keek wat rond naar zijn zeer stoffige curiosa uit de Oost. Voorzichtig pakte ik één van zijn bij zondere krissen op en legde hem vlug weer terug in zijn door stof gevormde geultje.
Onderhoud werd duidelijk niet gepleegd, maar wat mij wel opviel was het perfect glimmend jachtgeweer naast de openslaande tuindeuren. Inmiddels was de jonker gearriveerd met een limonade glas tot de rand gevuld met iets roods en voor mij een borrelglas vol. “Prosit op de nieuwe automobiel.” In gedachten zag ik hem met z’n nieuwe auto van het jachthuis naar Hotel Kornman en terug rijden. De Cadillac had in zijn lange levensduur nog geen 10.000 km op de teller staan, dus met de nieuwe automobiel zou zoveel niet gereden worden: de jonkheer was toen al ver over de 80.
Glaasje rood is op en ik vroeg de jonker: “Waarom heeft u hier zo’n uitstekend onderhouden jachtgeweer staan ?” De tuindeur werd opengemaakt, de leunstoel gedraaid en het geweer dat binnen handbereik stond, gepakt, geschouderd en na wat richten sprak de jonkheer: ” Er komt op mijn terrein geen enkele verdomde kat, begrijp je Zentkamp.”
Na gevraagd te hebben of de jonkheer alsnog uitleg over de nieuwe auto wilde hebben, werd ik vriendelijk doch dringend gevraagd om de Cadillac mee te nemen. Hij wilde duidelijk weer van mij af. Na opnieuw de ceremonie van het openen en sluiten van tussen- en buitendeur werd ik naar de Cadillac gebracht en mocht ik het terrein verlaten.”

Veel geluk heeft het glaasje rood de jonkheer niet gebracht. Na ongeveer anderhalf jaar werd de garage gebeld door de politie met de vraag de Opel van de jonkheer weg te slepen van de Soomerwegh en hemzelf naar huis te brengen. Een weg met gescheiden rijbanen was een nieuw verschijnsel in het dorp. Jonker Frits was spookrijder geworden en frontaal op het tegemoetkomende verkeer gebotst. Hij werd door Zentveldt naar zijn huisarts gebracht. Vanaf die dag mocht hij zelf niet meer rijden en hij wilde het zelf ook niet meer.

Het terrein om het jachthuis was heilig voor de jonker. Zonder zijn nadrukkelijke toestemming mocht daar niemand komen. De uitdaging voor jongens uit het dorp om daar toch te spelen was des te groter. Menigmaal heeft hij jongens vloekend van zijn terrein gejaagd. Op een avond waren er jongeren die op de houten wanden van zijn huisje bonkten. Getergd greep hij zijn jachtgeweer en loste enkele schoten. Een van de jongens werd door een schot hagel behoorlijk geraakt. Een huisarts heeft er nog heel wat werk aan gehad om de hagel uit zijn lichaam te peuteren. De politie werd uiteraard ingescha-


Jaarboek 26, pagina 63

keld en dat betekende het einde van het wapenbezit voor de 80-plusser jonker Frits. Ook moest hij voor de rechtbank in Alkmaar verschijnen. Vergezeld door zijn bankman Vunderink heeft de jonker aan de oproep voldaan. Hij verklaarde dat hij zenuwachtig was geworden en dat hij daarom had geschoten. De zaak is uiteindelijk geseponeerd.

Jonker Frits in het verzorgingshuis Egberts Duin in Wijk aan Zee.
Jonker Frits in het verzorgingshuis Egberts Duin in Wijk aan Zee.

Egberts Duin

De laatste jaren van zijn leven bleef jonker Frits de knorrige aristocraat die hij altijd was geweest. Klaas Westland van Hotel-restaurant Komman sloeg alarm toen de jonker niet opendeed, toen hij hem kwam ophalen om te komen eten. Hij bleek in de gang te liggen en moest in het Sint-Jozef ziekenhuis in Heemskerk worden opgenomen. Freule Christine Gevers zocht hem op, maar ze herkende hem eerst niet eens vanwege zijn lange haar. Duidelijk was dat hij niet langer zelfstandig kon wonen. Zijn huis was totaal verwaarloosd. De gordijnen waren vergaan en zijn matras was tot op de draad versleten. Naast zijn bed lag een hakmes, waaruit toch wel bleek hoe bang hij eigenlijk was geweest in zijn eenzame woning. Geert en Lucas Boreel namen de taak op zich om een oplossing te vinden. Per 1 november 1982 werd huur van het terrein namens de jonker opgezegd. Vanaf die datum werd de enclave van Gevers, inclusief jachthuis, gewoon PWN-terrein. Zijn huis stond vol met antiek meubilair dat bij de ‘Oprechte veiling’ in Haarlem onder hamer kwam en ruim 40.000 gulden opbracht.

Met behulp van een maatschappelijk werkster werd een klein protestants-christelijk verzorgingshuis in Wijk aan Zee gevonden. ‘Egberts Duin’ was de naam van het inmiddels afgebroken gebouw. Astrid Willems, die er werkzaam was, ziet de lange, gebogen gedaante, weggedoken in een loden jas, nog komen. Ze herinnert zich hem als een zwijgzame en wereldvreemde man. Hij keek erg op van het bestaan van papieren zakdoekjes en dat een drankje in het huis 50 cent moest kosten vond hij belachelijk veel geld. Hij kon vloeken en tieren, maar deed dat volgens Astrid op een gedistingeerde manier. Hij hield erg van zoetigheid en voor een chocolaatje kregen de verzorgsters veel van hem gedaan.
Hij kon absoluut niet tegen lawaai; als er muziek was, stopte hij zijn vingers in zijn oren. Hij sprak niet of nauwelijks met de andere bewoners. Als zijn vroegere buren, het echtpaar Benjamin, hem bezochten, bloeide hij weer op, want dan kon hij het weer even over de jacht en het duingebied hebben. De andere bewoners keken ervan op dat hij dan opeens zijn mond weer opendeed.

Ook de jonkheren Geert en Lucas Boreel zochten hem op. Om zijn kleine kamer wat aan te kleden brachten ze een afbeelding van kasteel Marquette voor hem mee, maar dat deed hem weinig meer. Hij begon geestelijk wel wat achteruit te gaan, maar toen de banteng-jacht in Ned-Indië ter sprake werd gebracht, wist hij alles nog precies. Lucas Boreel vertelde hem dat hij nu was uitgenodigd lid te worden van het Gilde van Sint-Hubert. Hij suggereerde de plaats van zijn oom te hebben ingenomen en dat hij nu zijn zilveren hoorntje had ontvangen als symbool van het lidmaatschap. Oom Frits antwoordde daarop dat dat onmogelijk waar kon zijn, omdat hij een gouden hoorntje had gehad.
Ze vroegen hem: “Oom heeft u nog ergens spijt van gehad in uw leven?” Na lang nadenken kwam zijn antwoord: “Waar ik spijt van heb gehad is, dat ik nooit beslissingen heb durven nemen. Ik ben altijd bang geweest en heb altijd alles uitgesteld en daar heb ik mijn leven mee vergooid.”
“Maar u moet toch ook een fijne periode in uw leven hebben gehad?” “Ja, de mooiste jaren waren toen ik op een plantage op Java werkte.”

Na nog geen twee jaar in ‘Egberts Duin’ te hebben gewoond is de jonker op 2 mei 1984 op 93-jarige leeftijd overleden. Bij zijn crematie in Driehuis waren twee personen aanwezig: notaris Stuart, executeur testamentair en Vunderink, de trouwe contactpersoon van zijn bank. Noch zijn broer en schoonzuster, noch anderen werden in de gelegenheid gesteld afscheid te nemen. Zijn resterende kapitaal, meer dan drie miljoen gulden, heeft jonkheer Gevers vermaakt aan de Vereniging Natuurmonumenten en aan het Wereldnatuurfonds.

Niek Kaan

Verantwoording:

Bijzondere dank aan jhr. Lucas Boreel voor zijn medewerking en de beschikbaarstelling van foto’s uit de nalatenschap van jhr. Frits Gevers. Voorts dank aan: de heer K. Aardenburg, de heer L. van de Berg, mevr. N. Benjamin – Bunschoten, mevr J. Zelfelder – Benjamin , de heer A. Bleyendaal, jhr. G. Boreel, de heer R. Eykmans, de heer en mevr. Th.J. de Hoop, mevr. J. Idsinga, de heer P.J.C.M. Janssens, mevr. K. Kuys – Wiendels, de heer H. de Kruyff, de heer K. Maassen, de heer J.A. Marsman, de heer C. Mooij, de heer A. Schellevis, de heer J.W.H. Vunderink, de heer mr. Vrijland, de heer en mevrouw K. Westland, jkvr. P.A. Wiendels – Gevers, mevr. A. Willems, de heer J.G.A. Zentveldt en de heer S.P.A. Zuurbier.

Overige bronnen:

  • Indisch familie archief
  • Nationaal Archief
  • Rijksarchief Noord-Holland
  • Archiefdienst voor Kennemerland
  • Gemeentearchief Amsterdam
  • Gemeentearchief Utrecht
  • Centraal Bureau voor Genealogie
  • Iconografisch Bureau
  • Kadaster Alkmaar
  • Regionaal Archief Alkmaar
  • Stichting Ons Bloemendaal, mevr. Joan Patijn
  • Scottish Tourist Board
  • Jelles, ir. J.G.G., Geschiedenis van Beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat, Arnhem 1968
  • Groesbeek, mr. J.W., Heemskerk onderweg van verleden naar heden. Heemskerk 1978
Print Friendly, PDF & Email