Gezondheidszorg 1880 – 1950 (Jaarboek 17 1994 (pg 16-28)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over hulpverleners en zorginstellingen: brandweer, dokter Leenaers, gezondheidszorg voor 1880, gezondheidszorg tot 1880 – 1950, kindertehuis St. Antonius, kruisverenigingen, politie, Rode kruis, veldwachters, verzorgingshuis de Boogaert, ziekenhuis psychiatrisch -.


Jaarboek 17, pagina 16

Gezondheidszorg in Castricum in de periode 1880 tot 1950

In een voorgaand artikel is getracht een beeld te schetsen van de gezondheidszorg in Castricum met als leidraad de soms schaarse gegevens over chirurgijns en heelmeesters, die in de loop der jaren achtereenvolgens in Castricum werkzaam zijn geweest. Als laatste in de reeks werd besproken Anthonius Reijnders, die in 1881 in Castricum kwam te overlijden.
In het navolgende zullen behalve de personen, die een belangrijke rol hebben gespeeld, ook de ontwikkelingen worden geschetst, die aan de geleidelijke verbetering van de gezondheidszorg van de Castricummer, hebben bijgedragen.

Pieter Stolp, 1881-1905

De Castricumse heelmeester Anthonius Reijnders werd wegens een slechte gezondheid, nog vóór zijn overlijden, in februari 1881 opgevolgd door Pieter Stolp. Stolp was de eerste universitair opgeleide arts, die zich in Castricum vestigde. Hij studeerde in Amsterdam, waar hij op 26 mei 1880 het artsexamen aflegde. Geboren in juni 1855 op Texel was hij dus bij zijn komst naar Castricum 25 jaar. Zijn beroep had hij van niemand vreemd, want zijn uit de Zaanstreek afkomstige vader, Pieter Stolp sr., was plattelandsheelmeester en vroedmeester, eerst op Texel en later te Akersloot.
Opmerkelijk is, dat deze Pieter Stolp sr. voorkomt op een lijst van in 1840 door de Provinciale Commissie te Haarlem geëxamineerden, op welke lijst we ook de naam van Anthonius Reijnders aantreffen. Het is mogelijk, dat Stolp sr. en Reijnders elkaar kenden en dat contact tussen beiden aan de komst van Stolp jr. naar Castricum ten grondslag heeft gelegen.
Pieter Stolp gaat in Castricum aanvankelijk inwonen bij de bejaarde weduwnaar en rentenier Pieter Kreur in het herenhuis Zorgvlied (het latere Hermana State), dat gelegen was aan de Dorpsstraat op de plaats thans direct ten oosten van dansschool Griffioen.
In 1964 is het herenhuis gesloopt. In februari 1883 koopt Stolp Zorgvlied van Kreur voor 3.000 guden. Op 30 augustus van hetzelfde jaar trouwt Stolp in Egmond aan Zee met Christina Johanna Planteijdt, die in 1884 in Castricum wordt ingeschreven. Na de dood van Kreur in 1884 laat Stolp Zorgvlied renoveren.
Stolp is nog maar nauwelijks in Castricum gevestigd, of hij stelt in april 1882 een soort ultimatum aan de gemeenteraad:
“Dat hij uit hoofde de grootte en uitgestrektheid der ge111eente moeilijk in staat is om zowel de genees- als de verloskundige praktijk beiden goed te behartigen, dat hij daarom de belooning van de verlossing binnen een niet te lang tijdsverloop zoo zal stellen, dat verreweg het grootste gedeelte der ingezetenen niet of slechts onder de grootste bezwaren zijn hulp zal kunnen inroepen en dat hij met het oog op deze omstandigheden het zijn plicht acht de raad te wijzen op de moeilijkheid welke hieruit voor de ingezetenen zal voortvloeien.
Redenen, waarom hij met de meeste bescheidenheid de vrijheid neemt de Raad te verzoeken om te willen besluiten tot het aanstellen van eene vroedvrouw.” Het rekwest heeft succes, want nog in hetzelfde jaar vraagt de burgemeester advies aan de Geneeskundig Adjunct Inspecteur voor Noord-Holland, Teixeira de Mattos, over de aanstelling van een vroedvrouw. De inspecteur antwoordt positief. Eén en ander leidt eind 1882 inderdaad tot aanstelling van een vroedvrouw, overigens in samenwerking met de gemeente Limmen. Op deze eerste officiële Castricumse vroedvrouw, Elisabeth Slot, komen we nog terug.
Hoewel er zich in de periode Stolp in Castricum geen uitzonderlijke sterfte voordoet en er zelfs een trend is waar te nemen tot afname van de gemiddelde sterfte werd Stolp niettemin, evenals zijn voorgangers, geconfronteerd met veel besmettelijke ziekten.
Op 5 januari 1883 schrijft de burgemeester van Castricum aan de Adjunct Inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht te Amsterdam over een tyfusgeval te Castricum met dodelijke afloop. “De geneesheer alhier heeft gemeend. ter voorkoming van besmetting de voorwerpen door de lijderes gedurende hare ziekte gebruikt te vernietigen. De vernietiging vond plaats door verbranding op 2 januari 1883.”

Dreigende cholera

In de raadsvergadering van 8 augustus 1883 komen maatregelen tegen cholera aan de orde naar aanleiding van een missive van Gedeputeerde Staten over cholera in Egypte. De voorzitter van de raad heeft dokter Stolp geraadpleegd over te nemen maatregelen. Deze heeft in overweging gegeven desinfectantia aan te schaffen, waaronder 1 vat carbolzuur en 1 vat ijzervitriool. Voorts adviseert Stolp om buiten de kom der gemeente een huisje of loods te plaatsen voor verpleging van eventuele patiënten. Tegen aanschaf van de chemicaliën maakt de raad geen bezwaar, maar wel tegen de loods, waarvan men de noodzaak niet inziet, met als argumentatie, dat zich bij vorige cholera-epidemieën vrijwel geen gevallen in Castricum hadden voorgedaan.
In de raadsvergadering van 12 september 1883 deelt de voorzitter mee, dat de chemicaliën nog niet zijn gekocht, i.v.m. met de “gunstige cholera-berichten”‘. Uit een brief, die burgemeester Mooij op 12 oktober 1885 schrijft aan de geneeskundig inspecteur, blijkt dat een cholera-epidemie inderdaad is uitgebleven en dat zich in 1884 in Castricum maar één aan cholera toegeschreven ziektegeval heeft voorgedaan.

Mazelen

Viel het met de cholera dus mee, eind 1883 meldt burgemeester Mooij aan de geneeskundig inspecteur het heersen van mazelen in Castricum en omringende gemeenten. Hij vraagt om de ziekte ‘epidemisch’ te verklaren, wellicht in verband met financiële steun, wat overigens niet gebeurt. Hoewel Stolp niet met name wordt genoemd, mogen we aannemen, dat hij bij de besluitvorming was betrokken.
Ook in 1887 wordt de gemeente geconfronteerd met een epidemie van mazelen. Er worden maatregelen genomen om de kinderen weg te houden van school, maar opnieuw weigert de geneeskundig inspecteur de ziekte ‘epidemisch’ te verklaren, omdat er nog geen sterfgeval is. Op 14 januari schrijft de burgemeester terug, dat er in 34 huisgezinnen mazelen heerst, dat 1 kind is gestorven en dat 1 kind stervende is. Het jaar 1887 toont inderdaad een relatief hoge sterfte en de discussie om de ziekte al of niet ‘epidemisch’ te ver- klaren doet wat bizar aan. Met regelmaat blijven zich in de volgende jaren gevallen van besmettelijke ziekten voordoen, die trouw door de burgemeester worden aangemeld.


Jaarboek 17, pagina 17

Weer cholera-dreiging

In 1892 heerst opnieuw angst voor de cholera en komen in de raadsvergadering van 21 september maatregelen aan de orde, voorgesteld door dokter Stolp. Besloten wordt om de vermoedelijk schadelijke mest- en vuilnishopen te doen om mimen”.
Verder zullen de “reinheidstoestanden” gecontroleerd worden, door de gemeenteveldwachter en een assistent. Bovendien wordt aan Stolp gevraagd de nodige ontsmettingsmiddelen in te slaan, te bekostigen door de gemeente.
In de volgende vergadering van 28 september 1892 wordt het resultaat van de verschillende maatregelen gemeld. De veldwachter en zijn medewerker hebben de toestand van sloten en putten geïnspecteerd en waar nodig tot reiniging aangespoord.
Door Stolp zijn o.a. 25 fusten creoline aangekocht, een stof met een antiseptische werking, die werd vermengd met zeep tot een relatief goedkoop ontsmettingsmiddel (lysol).
Reiniging van de woningen werd door de gemeente niet nodig geacht. Ook nu komt het echter in Castricum niet tot een epidemie van cholera.

Gewaardeerd arts Pieter Stolp was lidmaat van de Remonstrantse Kerk, maar werd niettemin in het overwegend katholieke Castricum zeer gewaardeerd. Dat blijkt onder meer uit het onderschrift bij een foto, die dokter Stolp toont op een wandeling door de duinen in 190 1 en die voorkomt in het boekje ‘Oude Ansichten van Castricum ‘:
” Midden in de duinen, op weg naar zee, treffen we dr. Stolp op z’n dagelijkse wandeling. Deze arts was rond de eeuwwisseling niet alleen een zeer bekende, maar ook een zeer beminde en gerespecteerde figuur in onze streek. Dr. Stolp had een uitgestrekte praktijk, want niet alleen Castricum, ook Limmen en Egmond werden door hem verzorgd. En dan te bedenken dat hij dit alles lopend afwerkte, hoewel, ook de koets zal er toch wel eens aan te pas gekomen zijn” .

Net 50 jaar geworden schrijft Pieter Stolp een korte brief aan het gemeentebestuur, waarin hij per 1 augustus 1905 ontslag vraagt en verzoekt om in zijn plaats te benoemen de arts J. Rentmeester. Het ontslag wordt verleend en per 1 augustus verkoopt Stolp Zorgvlied voor 6000,- gulden aan Rentmeester, die er al een maand eerder vanuit Utrecht was komen wonen om met de praktijk vertrouwd te raken. Kort daarop vertrekken Pieter Stolp en zijn echtgenote – het echtpaar had geen kinderen – naar Haarlem.
Pieter Stolp is, volgens de beschikbare gegevens, in zijn Haarlemse periode niet meer als arts werkzaam geweest. Op lijsten van geneeskundigen, werkzaam in Noord-Holland, wordt zijn naam na 1905 niet meer vermeld. Kennelijk heeft hij het bereiken van de leeftijd van 50 jaar aangegrepen om een punt achter zijn medische carrière te zetten. Hij kon dit doen, omdat hij niet onbemiddeld was. Hij lijkt in Haarlem, aan de Kleverparkweg, vrij teruggetrokken te hebben geleefd, want zijn overlijden als “rustend geneesheer” in 1928, op 73 jarige leeftijd, wordt slechts sober aangekondigd: een “Eenmalige en algemeene kennisgeving” in het Noord-hollands Dagblad van 9 augustus 1928.

De eerste erkende Castricumse vroedvrouwen

Volgens het Provinciaal Blad van Noord-Holland was in gemeenten als Bergen, Uitgeest, Egmond aan Zee en Schoorl al rond 1820 een door de gemeente benoemde vroedvrouw werkzaam. In vergelijking hiermee heeft de vroedvrouw in Castricum laat haar intrede gedaan en lijkt er van de kant van het gemeentebestuur steeds weerstand tegen een benoeming te hebben bestaan, wat waarschijnlijk te maken had met de financiële consequenties. Reeds in 1827 werd door de Staatsraad Gouverneur van Noord-Holland, Van Tets van Goudriaan, het aanstellen van een vroedvrouw in Castricum, in een schrijven aan de burgemeester, gesuggereerd:
“Daar het bestaan van vroedvrouwen in de gemeenten ten platten lande, als zeer nuttig en heilzaam moet worden geacht, en er in Uwe gemeente geene bestaat, vermeen ik UEd in consideratie te geven, of niet tot de aanstelling van een vroedvrouw in Uwe gemeente zoude behooren te worden overgegaan.”

Een antwoord op deze brief is niet gevonden, maar de gemeente is er kennelijk niet op ingegaan, want de aanstelling van een vroedvrouw laat nog lang op zich wachten.

De arts Pieter Stolp, gefolografeerd in 1901 tijdens een wandeling in het duingebied.
De arts Pieter Stolp, gefotografeerd in 1901 tijdens een wandeling in het duingebied.

Als in de loop van 1880 de gezondheid van de in Castricum werkzame plattelandsheelmeester Anthonie Reijnders sterk achteruitgaat en zijn praktijk moet worden waargenomen, komt in een vergadering van de gemeenteraad het voorstel aan de orde om een vroedvrouw aan te stellen. De zieke Reijnders heeft met dit voorstel zijn ” ingenomenheid” betuigd. De raad stemt echter tegen. Een argument: “Vroeger, toen er geen dokter in Castricum was (gedoeld wordt op een periode voor 1828), was er ook geen noodzaak voor een vroedvrouw”. De opvolger van Reijnders in 1882, de arts Pieter Stolp, is nog maar nauwelijks in Castricum gevestigd of hij forceert min of meer de benoeming van een vroedvrouw, zoals we hiervoor hebben gezien.

Voor Castricum blijkt het al of niet benoemen van een vroed-


Jaarboek 17, pagina 18

vrouw toch vooral een financiële kwestie en daarom komt, in overleg met de geneeskundig inspecteur van Noord-Holland, pas een regeling uit de bus, als een kostendeling kan worden bereikt door samenwerking met de gemeente Limmen.

Elisabeth Kieft-Slot, 1882-1910

Na een wervingsprocedure wordt in oktober 1882, na goedkeuring door de Castricumse gemeenteraad, aangesteld als vroedvrouw in Castricum en Limmen:
“Elisabeth Slot oud 28 jaren. ongehuwd, wonende te Hoorn, op eene Jaarswedde van driehonderd gulden, met bovendien vrije woning ter hare standplaats te Limmen, waar zij zich met der woon zal moeten vestigen en voorts, onder bepaling. dat de helft der jaarwedde en kosten van vrije woning door deze gemeente gedragen en betaald zullen worden.”
Elisabeth Slot, die haar diploma behaalde op 19 juli 1882 in Rotterdam, kan dus worden gezien als eerste van een reeks erkende Castricumse vroedvrouwen.

In de eerste jaren van haar werkzaamheden leert Elisabeth haar toekomstige echtgenoot Christiaan Kieft, bollenkweker te Limmen, kennen, waarmee ze op 8 september 1886 in het huwelijk treedt. Het echtpaar gaat wonen Rijksweg 54 te Limmen, een huis dat kortgeleden is gesloopt. Elisabeth Kieft – Slot blijft meer dan 25 jaar als vroedvrouw in Castricum en Limmen werkzaam en wij mogen dus aannemen, dat zij een aanzienlijk aantal Castricummers en Limmenaren op de wereld heeft geholpen. Om bij dag en nacht de verlossingen te kunnen verrichten, verplaatste zij zich meestal met paard en wagen. Een opvallend aspect in haar loopbaan is, dat zij, hoewel behorend tot de kleine protestantse gemeenschap in Limmen (Christiaan Kieft was kerkvoogd van de Hervormde Kerk aldaar), in de overwegend katholieke dorpen werd geaccepteerd en gewaardeerd.

Ontslag-affaire

Niettemin wordt Elisabeth betrokken in een vervelende ontslag-affaire, zoals blijkt uit een brief gedateerd 23 september 1905, aan B&W Castricum.
“Weledelachtbare Heeren!
Naar aanleiding van geruchten, als zou de Raad der gemeente Castricum er over denken mij met 1 januari 1906 als vroedvrouw te ontslaan, neem ik de vrijheid mij tot U te richten, met het beleefd verzoek, mij althans voor het komende jaar 1906 in mijne betrekking te handhaven. Afgezien van de overweging in hoeverre zulk een ontslag in overeenstemming is met het besluit voltrokken, welke ik destijds ben benoemd, meen ik op grond van een 23 jarige nauwgezette plichtsbetrachting, gegrond bezwaren te mogen hebben tegen een omslag, op zulk een kort termijn.
Wel is waar hebben zich door de vestiging van twee Doktoren, de toestanden ter plaatse van de verloskundige hulp in Uwe gemeente gewijzigd. Het is mij echter bekend dat Dr. Rentmeester geen verloskundige praktijk zal uitoefenen. terwijl mede ondersteld mag worden dat Dr. Schoonhoff evenwel de tarieven voor verloskunde hulp in Medische kringen gebruikelijk handhaven zal, en zoo de toestand wel gewijzigt, toch meen ik niet in die mate dat althans niet voor één jaar, een afwachtende houding zou kunnen worden aangenomen.”

De zaak heeft kennelijk te maken met het feit, dat zich in 1905 twee artsen in Castricum vestigen: Jacobus Rentmeester, die door Pieter Stolp als zijn opvolger wordt geïntroduceerd en Yeb Schoonhoff, die zich “vrij” vestigt.
Dat Schoonhoff zijn oog heeft laten vallen op de verloskundige praktijk blijkt uit een korte brief van 26 september 1905 aan de Castricumse gemeenteraad, waarin hij “met verschuldigde eerbied te kennen geeft, dat hij voor eventuele benoeming van geneesheer der verloskundige praktijk te Castricum gaarne in aanmerking wenscht te komen”.

De kwestie van een mogelijk ontslag van Elisabeth Kieft – Slot loopt hoog op, gezien een rekwest van de Bond van Vrouwelijke Verloskundigen in Nederland aan de gemeenteraad van Castricum, gedateerd 28 oktober 1905. Het rekwest is opgesteld door twee vrouwelijke bestuursleden van de bond, die met verschuldigde eerbied te kennen geven:
“Dat het geven van liet ontslag aan de Gemeente vroedvrouw E. Kieft – Slot is een onbillijke houding, die geen gegronde redenen tot grondslag heeft; dat door dit ontslag de Raad der Gemeente Castricum een onrechtvaardig besluit heeft genomen tegenover het grootste deel der bevolking dat prijs stelt op hulp van een vroedvrouw; dat door het verdwijnen der vroedvrouw uit Uw gemeente wordt in den hand gewerkt het uitoefenen van de verloskunde door onbevoegden; dat door het geven van het ontslag aan de vroedvrouw een grove onbillijkheid is begaan, omdat zij drie en twintig jaren steeds ten genoegen van den Raad en Gemeentenaren haar ambt heeft vervuld.
Reden waarom adressanten U eerbiedig verzoeken bedoeld besluit te herroepen of aan de ontslagene een jaarlijkse toelage Ie verschaffen van minstens 75,- gulden voor trouwe dienstvervulling.
Adressanten zullen de vrijheid nemen de vraag en het antwoord te publiceren in verschillende bladen” .

Ondanks deze opmerkelijke vuist van de vakorganisatie, heeft de gemeente Castricum het ontslag doorgezet, gezien een brief van Elisabeth aan burgemeester en wethouders van Castricum, gedateerd 13 oktober 1906, dus vrijwel een jaar na het rekwest. Hieruit blijkt dat zij een onderhoud heeft gehad met de burgemeester van Castricum, over een nieuwe benoeming op de oude voorwaarden. Merkwaardigerwijs lijkt Schoonhoff, die aanvankelijk grote belangstelling voor de verloskundige praktijk toonde, aan het ‘eer- herstel’ van Elisabeth te hebben bijgedragen. Hij verschijnt in de raadsvergadering van 18 september 1906 ten tonele en stelt, dat door het vertrek van zijn collega Rentmeester, de toestand weer zo is als ten tijde van dokter Stolp, met een te grote praktijk voor één arts en hij pleit voor aanstelling van een vroedvrouw.

Herbenoeming

In de raadsvergadering van 8 november 1906 komt de herbenoeming van Elisabeth aan de orde. Van een schadeloosstelling voor het jaar ”haar salaris niet genoten hebbende” wil de raad niets weten. Voorgesteld wordt dat Schoonhoff bij het aanstellen van een vroedvrouw in het salaris zal bijdragen. Als er in de raadsvergadering van 28 december 1906 opnieuw over de kwestie wordt gesproken, wordt gemeld dat Schoonhoff inderdaad bereid is in de salariskosten van een vroedvrouw bij te dragen (100,- gulden gedurende 2 jaren), waarbij dan zijn gratis verloskundige hulp aan behoeftigen komt te vervallen en zal worden overgenomen door Elisabeth Kieft – Slot, die een nieuwe aanstelling krijgt.

Dit lijkt een gelukkig einde, maar de affaire heeft toch zijn sporen nagelaten, zoals men zou kunnen concluderen uit de notulen van de vergadering van de Castricumse gemeenteraad van 23 oktober 1907. In deze vergadering wordt door raadslid Duyn het 25-jarig jubileum van mej. Slot als verloskundige gememoreerd. De voorzitter stelt een gratificatie uit de gemeentekas voor, maar hiervan wordt met 4 tegen 3 stemmen afgezien. Rancune blijkt ook uit een voorstel tot felicitatie, dat door de voorzitter wordt ontraden.


Jaarboek 17, pagina 19

Elisabeth Kieft - Slot (met koffiepot) en familieleden voor het huis aan de Rijksweg te Limmen.
Elisabeth Kieft – Slot (met koffiepot) en familieleden voor het huis aan de Rijksweg te Limmen.

Na haar herbenoeming oefent Elisabeth haar praktijk niet lang meer uit. In 1910 wordt ze ernstig ziek. Zij ondergaat een zware operatie in een ziekenhuis in Amsterdam en komt daar ook te overlijden. Het graf van deze vrouw, die ongetwijfeld veel heeft betekend voor de gezondheidszorg in Castricum, kan men nog aantreffen op het kerkhof van de Hervormde Kerk te Limmen.

Johanna J. Vahl, 1911-1931

Johanna Jeanetta Vahl, geboren 7 oktober 1882 in Heiloo, behaalde haar diploma als vroedvrouw te Groningen op 17 december 1910 en werd benoemd tot Gemeente Vroedvrouw te Castricum met ingang van 16 mei 1911. Ze was de opvolgster van Elisabeth Kieft – Slot. Een vroedvrouw in gemeentedienst werd verondersteld armlastigen gratis of tegen een geringe vergoeding te helpen en daarvoor werd haar door de gemeente een salaris betaald, dat in het geval van Johanna Vahl aanvankelijk 200 gulden per jaar bedroeg. Daarnaast had een vroedvrouw inkomsten van haar particuliere praktijk, waarbij soms een aanzienlijke concurrentiestrijd bestond met de plaatselijke artsen, die ook de verloskundige praktijk beoefenden en een belangrijke, vaak beslissende, stem hadden in de wijze waarop een bevalling moest verlopen. Johanna Vahl is een dergelijke concurrentie waarschijnlijk lange tijd bespaard gebleven, omdat de Castricumse arts Schoonhoff zich van de verloskundige praktijk nogal afzijdig schijnt te hebben gehouden en juist had gepleit voor de aanstelling van een vroedvrouw. Er zijn overigens vrijwel geen gegevens over de omvang van de verloskundige praktijk als die van Johanna Vahl, met uitzondering van een mededeling in 1929, als het gemeentebestuur aan de inspecteur van de volksgezondheid meldt, dat door mej. J. J. Vahl in november in 10 gevallen verloskundige hulp werd geboden, wat over een heel jaar gerekend zou neerkomen op assistentie bij ruim 100 bevallingen.

In latere jaren ondervond Johanna Vahl waarschijnlijk wel concurrentie van een arts als Leenaers, die de verloskundige praktijk niet schuwde. Mevrouw Scholten – Kloes, die van 1937 tot 1969 als vroedvrouw in Castricum werkzaam is geweest, doet over de concurrentie door de artsen vrij bitter: “De dokter hoefde op de vraag of een bevalling door een vroedvrouw zou mogen worden verricht maar even de wenkbrauwen op te trekken en met het hoofd te schudden en hij had weer een klant van de vroedvrouw afgesnoept.” Volgens mevrouw Scholten – Kloes was het bestaan van een vroedvrouw in een kleine gemeente als Castricum dan ook zeker niet ruim. Ca. 80 bevallingen per jaar, waarvoor per bevalling 15,- gulden werd ontvangen, was normaal. Dat ook Johanna Vahl met krappe inkomsten kampte, kunnen we opmaken uit de brief, die zij gedateerd 3 september 1922 aan het gemeentebestuur van Castricum stuurt, met het verzoek om verhoging van haar jaarsalaris van 750,- naar 1.000,- gulden, omdat zij “door minder gunstige toestand in deze gemeente, voor een deel hare verloskundige hulp voor een laag tarief moet verrichten, of in sommige gevallen zelfs zonder betaling moet helpen degene die in andere jaren steeds behoorlijk betaalden”.

Ze merkt nog op, dat ook Heiloo en Heemskerk reeds 1.000,- gulden per jaar aan de vroedvrouwen betalen. Nog dezelfde maand wordt de salarisverhoging door de toch over het algemeen zuinige Castricumse gemeenteraad goedgekeurd.
Over een aantal bijzonderheden uit de loopbaan van de ongehuwd gebleven Johanna Vahl wordt bericht door Q. de Ruijter in zijn boek “Schippers van het Stel”. Hij uit zich zeer lovend en noemt Johanna Vahl door haar bekwaamheid en doortastendheid in de dorpsgemeenschap zeer gezien. Hij memoreert de slechte omstandigheden, waaronder zij haar werkzaamheden aanvankelijk moest verrichten, bij nacht en ontij op de fiets over slechte wegen, terwijl de families, die zij bezocht, niet beschikten over gas, elektriciteit en waterleiding.

Verongelukt met motorfiets

Het feit, dat Johanna Vahl op een gegeven moment een motorfiets aanschaft, moet waarschijnlijk niet worden gezien als een teken van haar toegenomen welvaart, maar lijkt vooral bedoeld om haar praktijk naar omringende gemeenten uit te breiden en een beter inkomen te verkrijgen.
De motorfiets is er overigens op tragische wijze de oorzaak van dat Johanna Vahl op nog geen vijftigjarige leeftijd komt te overlijden. Nabij haar woning aan de Sifriedstraat kwam zij met haar motorfiets onder de tram van het Provinciaal ziekenhuis.
Wat de toedracht van het ongeluk betreft geeft het Noordhollandsch Dagblad nadere bijzonderheden: op maandag 3 augustus 1931 schrijft het blad:
“Omtrent het treurig ongeval dat mej. J.J. Vahl, verloskundige


Jaarboek 17, pagina 20

alhier, vrijdagmiddag overkwam vernemen we nader, dat het slachtoffer waarschijnlijk door een ogenblik afwezigheid niet voldoende had uitgezien of een trein naderde, met als gevolg dat de trein haar greep en zij geheel daaronder geraakte. Direct was geneeskundige hulp aanwezig. De wagen moest opgevijzeld worden om haar uit haar benarde positie te verlossen. Een ziekenauto uit Alkmaar was reeds gewaarschuwd. doch overbrenging naar het ziekenhuis kon niet meer plaatshebben, doordat zij een half uur na het ongeluk, in haar woning, welke vijftig meter verder is gelegen, aan de bekomen verwondingen is overleden.”

Het blad wijdt vervolgens nog lovende woorden aan Johanna Vahl:
“In mej. Vahl verliest deze gemeente een zeer geacht ingezetene. Als verloskundige stond zij zeer hoog aangeschreven, hetgeen ook wel bleek 7 jaren geleden. toen zij haar koperen jubileum vierde en allerwegen werd gehuldigd. Door haar patiënten werd zij dan ook zeer gewaardeerd. Daarenboven deed zij vooral voor de arme pa1iënten veel goeds, wat haar bij ieder in aanzien liet stijgen. De gehele gemeente is diep onder de indruk van het tragisch verscheiden.”
Johanna Vahl werd op de algemene begraafplaats bij de Hervormde Kerk begraven en vandaag de dag kunnen we daar haar wat vervallen grafmonument, gesierd door een gebroken zuil, nog aantreffen, dat volgens het opschrift werd geschonken door de vrouwen van Castricum.

Johanna Vahl, vroedvrouw in Castricum in de periode 1911 - 1931.
Johanna Vahl, vroedvrouw in Castricum in de periode 1911 – 1931.

Jacobus Rentmeester (1905-1906) en Yeb Schoonhoff (1905- 1926)

Op 4 augustus 1905 vestigt zich vanuit Utrecht in Castricum de arts Jacobus Rentmeester, die de praktijk van Pieter Stolp overneemt en ook Zorgvlied koopt. De in 1854 in Alkmaar geboren Rentmeester, die o.a. arts in het leger was geweest, voorzag niet de moeilijkheden, die zouden voortvloeien uit de vrijwel gelijktijdige vestiging in Castricum van de 31-jarige arts Yeb Schoonhoff, die aan de Universiteit van Amsterdam in oktober 1904 tot arts was bevorderd. Schoonhoff kwam op 9 augustus 1905 vanuit Bolsward naar Castricum en nam voorlopig zijn intrek in De Rustende Jager.

Wat de acceptatie van de beide artsen betreft blijkt zich al snel een controverse onder de Castricumse bevolking af te tekenen, die overwegend het gevolg lijkt te zijn van een verschil in de godsdienstige opvattingen van beide artsen: Rentmeester was van protestantse huize, terwijl Schoonhoff een zeer vroom Rooms-Katholiek was.

Reeds kort na zijn vestiging schrijft Rentmeester een wat trieste brief aan het gemeentebestuur, waarin hij stelt:
“Oorspronkelijk hier gekomen met ‘t plan een rustige praktijk uit te oefenen is mij thans ter oore gekomen dat mijn komst minder gewenscht was en men een katholieken dokter hier wilde hebben en zulks met ‘t oog op het feit. dat bijna alle ingezetenen katholiek zijn. Daar ik s1eeds een grote praktijk onder katholieken heb gehad en ‘t laatst nog 5 jaren ben werkzaam geweest in het St. Andreas gesticht in Utrecht, tot groote tevredenheid van de eerwaarde moeder overste, getuige een brief U ter lezing gegeven, is het mij nog nooit in gedachte gekomen, dat ‘het niet katholiek zijn’ voor mijn vestiging hier een bezwaar zou zijn.”
Hij merkt verder nog op, dat de praktijk van Stolp slechts een voldoende bestaan oplevert voor één geneesheer. Hij biedt aan om in de raadsvergadering te verschijnen om zijn standpunt nader toe te lichten en hoopt, dat daarvan het gevolg zal zijn, dat hij, evenals Stolp, belast zal worden met lijkschouw en vaccinatie en met de behandeling van de armen. Dit was echter een misrekening.

Conflicten in de gemeenteraad

Het conflict over beide artsen liep zo hoog op, dat door enkele raadsleden onder aanvoering van P. Duijn, een klacht, in de vorm van een adres aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, werd ingediend. Dit adres was het gevolg van de gang van zaken in een raadsvergadering van december 1905, waar met vier tegen twee stemmen het besluit was genomen om dokter Schoonhoff met de vaccinatie, doodschouw en armenverpleging te belasten. Op de vraag van één der raadsleden, “Waarom Schoonhoff en niet Rentmeester?” had een ander raadslid opgemerkt “Wij willen een roomsche docter”. Enkele raadsleden, waaronder Duijn, waren hierna van mening, dat bij de benoeming van Schoonhoff “motieven hebben voorgezeten, die hun inziens tot de ongeoorloofde behooren” en dienden genoemde klacht in. In de raadsvergadering van 27 februari 1906 komt de kwestie uitvoerig aan de orde. Er was bij deze vergadering aanvankelijk publiek aanwezig, wellicht representanten van pro-Rentmeester en pro-Schoonhoff groeperingen, maar de voorzitter wil de zaak “in comité” bespreken, “niet zozeer uit geheimhouding maar om de goede orde” en het publiek wordt verzocht zich te verwijderen.
De discussie spitst zich vervolgens toe op de vraag of de benoeming van Schoonhoff tot gemeentearts onwettig was. Men komt tot de conclusie van niet. Ook is men van mening, dat geen grievend onrecht aan Rentmeester is aangedaan.
Als aanleiding tot de moeilijkheden wordt de handelwijze van dokter Stolp genoemd, hoewel niet wordt aangegeven wat hierin verkeerd was. Waarschijnlijk wordt bedoeld, dat Stolp in het over- doen van zijn praktijk de gemeente niet had gekend en bovendien te veel verwachtingen bij Rentmeester had gewekt. In een volgende raadsvergadering wordt alles in der minne geschikt, terwijl bovendien Gedeputeerde Staten te kennen geven onbevoegd te zijn tot tussenkomst in het conflict.

Vertrek van Rentmeester

Voor Rentmeester was hiermee de kwestie echter niet ten einde. In het persoonlijke vlak had hij wellicht geen slechte verstandhouding met Schoonhoff, want hij verkoopt hem Zorgvlied en


Jaarboek 17, pagina 21

Yeb Schoonhoff arts te Castricum in de periode 1905 - 1926.
Yeb Schoonhoff arts te Castricum in de periode 1905 – 1926.

de achterliggende tuinen in 1906 en vertrekt in juli van datzelfde jaar met vrouw en kind naar Almelo.
Yeb Schoonhoff is nu de enige arts in Castricum, dat inmiddels ruim 2200 inwoners telt. Hij trouwt in augustus 1906 te Bolsward met Petronella Bruinsma. Zijn eigenlijke aanstelling tot gemeente-arts vindt plaats op 28 december 1906, wanneer hij in de gemeenteraad verschijnt en de eed aflegt.
Schoonhoff toonde aanvankelijk belangstelling voor de verloskundige praktijk in Castricum, maar later draagt hij bij aan een soort eerherstel van de ontslagen vroedvrouw Elisabeth Kieft – Slot, zoals hiervoor besproken, omdat een dubbele taak hem te zwaar valt.
In zijn beginjaren zal het Schoonhoff niet ontgaan zijn dat de sterfte in Castricum vrij plotseling toenam. Stierven in 1908 van de ca. 2500 inwoners er 48, in 1911 was dit opgelopen tot 114 op ruim 3200 inwoners (!). Oorzaak was de komst van Duin en Bosch, waar de sterfte aanvankelijk schrikbarend hoog was. De geschiedenis van Duin en Bosch wordt in een volgend jaarboekje afzonderlijk besproken.

Gedurende zijn periode in Castricum blijft Schoonhoff op Zorgvlied wonen, dat hij omdoopt in Hermana State, een naam, die teruggaat op zijn Friese afkomst. De loopbaan van Schoonhoff in Castricum duurde meer dan 20 jaar en eindigde in het jaar 1926, waarin hij zich als arts terugtrok. Er leven nog Castricummers, die uit hun jeugd een vage herinnering aan hem hebben bewaard: een lange, statige man, zeer deskundig, maar in de omgang met patiënten wat afstandelijk. Hij trok in Castricum veel aandacht als één van de eerste bezitters van een auto, een 3-wielige Hanomag, waarmee hij patiënten bezocht.
Schoonhoff was ook een kunstzinnig man. Hij tekende, maakte houtsnijwerk en hield zich met stereo-fotografie bezig. Helaas zijn slechts enkele van zijn foto’s bewaard gebleven. Wat zijn werkzaamheden als arts betreft doet het verhaal de ronde, dat hij op zekere dag bij patiënt Willem Baars werd geroepen, die onder de tram was geraakt en waarvan met spoed een been moest worden geamputeerd. Omdat hij op een dergelijke operatieve ingreep qua medische apparatuur niet was ingesteld gebruikte hij voor de amputatie primitief gereedschap uit een naburige stal.

Schoonhoff lid van de regionale gezondheidscommissie

In 1902 werden, als uitvloeisel van de Wet tot regeling van het Staatstoezicht op de Volksgezondheid uit 1901, gezondheidscommissies ingesteld. Castricum maakte met Beverwijk, Wijk aan Zee, Assendelft. Akersloot, Limmen, Uitgeest, Heemskerk, de Egmonden, Heiloo, Oudorp. Bergen. Koedijk en Schoorl deel uit van de Noordhollandse Commissie III, met als zetel Beverwijk. Rond 1920 maakte Schoonhoff een aantal jaren deel uit van deze commissie en werd zijn medisch oordeel dus van belang voor de gehele regio geacht. Als zodanig had hij invloed op een groot aantal ontwikkelingen in de volksgezondheid, die kenmerkend waren voor het begin van deze eeuw. Naast Schoonhoff telde de commissie nog vijf leden, waaronder een apotheker en twee aannemers. Het lidmaatschap van aannemers is niet zo verwonderlijk, want de volkshuisvesting, waaronder het beoordelen van woningen, behoorde tot de onderwerpen waarover de commissie advies uitbracht en maatregelen voorstelde.
De commissie uitte zich hierover soms in harde bewoordingen, zoals in 1920 in een brief aan het gemeentebestuur van Beverwijk: “De toestand van het meerendeel der door ons bezochte
woningen is zoodanig, dat de meeste voor onbewoonbaarverklaring, enkele voor herstellingen, in aanmerking komen”. En even verder:
“Het heeft ons getroffen, dat hoewel door onze Commissie reeds geruimen tijd geleden over een tweetal plannen tot bouwen van volkswoningen advies is uitgebracht, tot nu toe voor de uitvoering dier plannen geen spade in den grond is gestoken. Van de ernstige gevolgen, die uit de bestaande wantoestanden kunnen voortvloeien is Uw College ongetwijfeld nier minder overtuigd dan onze Commissie. Het geldt hier gevaren voor de volksgezondheid op moreel en physiek gebied. meer in het bijzonder wat beteft de kinderen. Het is de Commissie opgevallen, dat de kleine kinderen in deze woningen er in het algemeen zwak, ongezond, suf, vuil uitzien. Bij de heerschende overvulling, de zeer onvoldoende woonruimte, onbehoorlijke gelegenheid tot slapen in kasten, op de vloeren, in duffe, duistere, vochtige overvulde bedsteden, kan van een behoorlijke verzorging in het algemeen geen sprake zijn. Hoewel de Commissie erkent, dat in sommige gevallen de bewoners zelven schuld hebben aan de bijna walgelijke vervuiling en den toestand van verval van enkele woningen. zoo moet hier toch het bestaan van een wisselwerking tusschen bewoners en her milieu, waarin zij verkeeren, niet uit het oog verloren worden. Er gaat van het langdurige wonen in een overvulde, havelooze, duffe omgeving in vervallen huizen, een nederdrukkende, desorganiserende werking uit op her gezin en bewoner.”

Sommige taken van de commissie doen ook nu nog modern aan. Zo werd bijvoorbeeld wat betreft de relatie tussen besmettelijke ziekten en hygiëne over de toestand van bodem, water en lucht gerapporteerd. De aanleg van waterleiding en riolering waren in dit verband punten van aandacht.

Vertrek Schoonhoff

Op 27 mei 1926 schrijft Schoonhoff een korte brief aan de gemeenteraad, waarin hij meedeelt zijn praktijk te hebben neergelegd en waarin hij verzoekt om ontheffing als gemeentearts. Op 9 juli 1926 volgt het raadsbesluit tot eervol ontslag van Schoonhoff en wordt tevens het besluit genomen tot benoeming van H. M. J. M. Leenaers tot gemeentearts. Schoonhoff nam ontslag op 52-jarige leeftijd, niet om als arts opnieuw een carrière te beginnen, maar kennelijk als een vervroegde pensionering, om zich met zijn niet-medische interesses bezig te kunnen houden. Hij kon zich dit permitteren, omdat hij niet onbemiddeld was, wat waarschijnlijk niet zozeer met zijn Castricumse praktijk, clan wel met de nalatenschap van zijn vader te maken had. Hij onderneemt nu reizen met een


Jaarboek 17, pagina 22

'Hermana State', de in 1964 afgebroken woning van Yeb Schoonhoff aan de Dorpsstraat.
‘Hermana State’, de in 1964 afgebroken woning van Yeb Schoonhoff aan de Dorpsstraat.

religieuze inslag naar het buitenland, o.a. naar Lourdes. Ook vertaalt hij religieuze geschriften.
Yeb Schoonhoff woonde de laatste jaren van zijn leven in missiehuis St. Xaverius te Driebergen en stierf daar in oktober 1954 op 85-jarige leeftijd. Zijn vrouw was 6 jaar eerder overleden. Het echtpaar had geen kinderen.

‘Secundaire’ gezondheidszorg

Aan het einde van de vorige eeuw en vooral in het begin van deze eeuw kwamen vormen van gezondheidszorg op, waarin artsen slechts een beperkt aandeel hadden. De opkomst van kruisverenigingen, met de daaraan gekoppelde wijkverpleging en kraamzorg kunnen als een voorbeeld worden genoemd. Op de Castricumse kruisverenigingen wordt in een afzonderlijk artikel ingegaan.
Ook de gemeenten trokken steeds meer zaken betreffende de gezondheidszorg naar zich toe. Zo treft men al vanaf ca. 1850 in gemeentelijke politieverordeningen een hoofdstuk ‘Gezondheidspolitie’. In de periode Schoonhoff komen hierin wat betreft Castricum een groot aantal bepalingen voor. We geven enkele voorbeelden. Bij het uitbreken van besmettelijke ziekten, hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om de verkoop van groente, fruit en melk aan banden te leggen. Het is verboden om binnen 30 meter van de bebouwde kom een verzameling van mest of ander vloeibaar vuil aan te leggen. Vloeibare meststoffen mogen uitsluitend in bakken, kuipen of tobben worden vervoerd, die waterdicht zijn. Er mag geen vee worden gehouden “hetwelk merkelijke stank of luchtbederf veroorzaakt”. Kinderen, die aangetast zijn door open tuberculose, hoofdzeer, schurft, kinkhoest, mazelen of een kwaadaardige oogontsteking mogen niet naar school totdat de ziekte volgens de verklaring van een geneesheer geweken is. Het is verboden goederen uit huizen te vervoeren, waar een besmettelijke ziekte heeft geheerst, tenzij van gemeentewege ontsmetting heeft plaatsgevonden. Het is verboden aan kinderen beneden de 15 jaar tabak, sigaren of sigaretten te verkopen.

Sommige bepalingen doen opvallend modern aan. Zo mogen wasserijen hun afvalwater niet afvoeren, zonder het te hebben ‘geklaard’ via een bezinkingsmethode, waarbij het bezinksel in een gegraven gat in de grond moet worden gestort. Meer algemeen is het fabrikanten verboden om zonder vergunning stoffen , die het water verontreinigen “onmiddellijk in de wateren binnen de gemeente te doen of laten vloeien of daarin te doen of te laten brengen”.
Schoonhoff maakte, zoals we zagen, deel uit van een geneeskundige commissie in Beverwijk, die zich onder meer bezig hield met grotere en duurdere projecten in de ‘secundaire’ gezondheidszorg, zoals het verbeteren van de huisvesting en het bevorderen van de hygiëne via de aanleg van riolering en waterleiding. Wat dit laatste betreft liep de gemeente Castricum zeker niet voorop, een situatie die ook Schoonhoff niet heeft kunnen veranderen.

Riolering

De geschiedenis van de riolering in Castricum begint omstreeks 1912, als het gemeentebestuur aan het provinciaal bestuur vergunning vraagt tot aanleg van riolering in de rijksweg Haarlem – Alkmaar. In januari 1913 wordt de vergunning verleend, die later nog eens wordt verlengd tot januari 1916.
Er volgen niettemin een aantal jaren, waarin kennelijk niets gebeurt, tot door de gemeente in 1925 aan het Technisch Adviesbureau van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten opdracht wordt gegeven een rioleringsplan te ontwerpen. Dit plan, dat eind 1925 door de raad werd vastgesteld, voorzag in een uitvoering in fasen.
Volgens een opgave van de gemeente aan het Bureau voor Statistiek in Den Haag, was er in Castricum in 1933 nog slechts een partieel (red: gedeeltelijk) rioleringsstelsel. De lengte van het hoofdriool was in 1932 350 meter en in 1933 kwam daar 797 meter bij. Het aantal aangesloten woningen was toen 129.

De raad stelde in 1938 een krediet beschikbaar voor omvangrijke rioleringswerken van 200.000,- gulden en toen pas werd aan de aanleg van een rioleringsstelsel voor heel Castricum voortvarend uitvoering gegeven.
Niettemin waren er volgens het Nieuwsblad voor Castricum anno 1979 nog 60 woningen in Castricum zonder riolering. Het ging o.a. om woningen aan De Puikman, Oude Haarlemmerweg,
Doodweg en in Bakkum Noord.


Jaarboek 17, pagina 23

Waterleiding

De aanleg van waterleiding in Castricum verliep zo mogelijk nog trager. Het oudste aangetroffen archiefstuk in dit verband is een brief van de Gezondheidscommissie te Beverwijk gericht aan een aantal gemeentebesturen in juli 1912, met het voorstel om een commissie te vormen voor de stichting van een waterleidingnet t.b.v. van Castricum en omringende plaatsen. In de commissie zouden o.a. zitting moeten nemen de burgemeesters van de aangeschreven gemeenten.
Het voorstel tot oprichting van de commissie vloeide voort uit een circulaire van de Commissaris der Koningin uit 1911 , waarin bij de aanleg van een waterleiding samenwerking tussen de gemeenten werd bepleit, “daar iedere gemeente bezwaarlijk zelf de aanleg ter hand kon nemen”.
Als argument voor de noodzaak van aanleg van een waterleiding werd ook genoemd de droge zomer van 1911, die problemen schijnt te hebben gegeven.

Hoe het de commissie verging is niet duidelijk, maar in augustus 1914 komt er een rapport van een medewerker van de Bussumse Waterleiding-Maatschappij beschikbaar “inzake aanleg en exploitatie van een waterleiding voor de gemeenten Castricum, Uitgeest, Akersloot en Limmen”, met een gedetailleerde tekening van de loop der leidingen en berekeningen over de capaciteit.
Er werd in deze periode ook een Rijksbureau voor Drinkwatervoorziening ingesteld, met als directeur J. van Oldenborgh, dat vrijwel onmiddellijk na oprichting kwam met een plan voor centrale drinkwatervoorziening in Noord-Holland, omvattend 39 gemeenten.
Eén en ander heeft met betrekking tot Castricum niet veel uitgehaald, want jaren later, in 1922 is er nog steeds geen waterleiding. Dit blijkt uit de notulen van een besloten raadsvergadering over een mogelijke aansluiting van Castricum op het waterleidingnet, waarbij vertegenwoordigers van het in 1919 opgerichte PWN de raadsleden uitvoerig informeren.
Op 3 april 1923 schrijft het gemeentebestuur aan de directeur van het PWN dat de gemeenteraad heeft besloten om niet tot aansluiting op het waterleidingnet over te gaan.
Deze afwijzing was puur politiek bedoeld, om van het PWN “gunsriger voorwaarden voor de levering van water re bekomen” . Een vraag, die aan de orde komt is of het PWN de bevoegdheid heeft water van niet-aangeslotenen te keuren, zoals in Uitgeest is gebeurd. De burgemeester stelt, volgens de raadsnotulen, met grote pertinentie ‘van niet’. Ook naar de rol van de Gezondheidscommissie in Beverwijk wordt gevraagd. Volgens de burgemeester heeft deze alleen een adviserende stem, die het gemeentebestuur naast zich neer kan leggen.
Uit één en ander spreekt irritatie bij het gemeentebestuur over de druk, die van buiten af wordt opgelegd, om tot realisatie van een waterleiding te komen. Toch heeft deze beïnvloeding succes, want in de raadsvergadering van 17 maart 1925 deelt de voorzitter mee, dat werkloze tuinders voor de aanleg van een waterleiding zullen worden ingeschakeld.

Bewijs van koepokinenting, afgegeven door dokter Schoonhoff in 1910.
Bewijs van koepokinenting, afgegeven door dokter Schoonhoff in 1910.

De aanleg van een Castricums waterleidingsysteem krijgt in de periode 1925 tot 1929 gestalte en er komt een aansluitingsplicht, hoewel in 1929 nog honderden percelen in Castricum, o.a. aan de Rijksstraatweg en de Mient, niet aangesloten zijn. Er wordt in een schrijven van de kant van het gemeentebestuur gedreigd met sancties. Om dit kracht bij te zetten laat het gemeentebestuur door de Keuringsdienst van Waren te Alkmaar analyse rapporten opmaken over de kwaliteit van het water in de niet-aangesloten percelen.
In 1930 verleent het gemeentebestuur niettemin een aantal ontheffingen der Bouw- en Woningverordening tot aansluiting aan het waterleidingnet, voor percelen, waar de analyse resultaten niet negatief uitvielen.
De ontheffingen vormen één van de oorzaken, dat het nog lang duurde, voordat alle Castricumse gezinnen over waterleiding konden beschikken.
In 1954 bijvoorbeeld is er nog steeds een aantal percelen, o.a. aan de Kronenburgerlaan, Oosterbuurt en Doodweg, waar men gebruik maakt van regenwater of opgepompt welwater.

De ziekenbarak

De geschiedenis van de Castricumse ziekenbarak is opnieuw illustratief voor een gemeentebestuur, dat zich moeilijk laat overtuigen van de noodzaak van voorzieningen op het gebied van de volksgezondheid. Waarschijnlijk speelden in deze houding van het gemeentebestuur toch vooral, op zichzelf respectabele, financiële overwegingen een rol. Een discussie, om in Castricum een ziekenbarak op te richten, d.w.z. een lokaliteit voor isolering en behandeling van lijders aan besmettelijke ziekten, kwam al in de vorige eeuw op gang.

In 1874 vraagt de Geneeskundig Inspecteur van Noord-Holland, Teixeira de Mattos, aan de burgemeester of er in Castricum een ziekenbarak bestaat.
De burgemeester antwoordt, dat er geen lokaal in Castricum is voor lijders aan besmettelijke ziekten, maar dat het Armenbestuur in het bezit is van een loods, die eventueel ingericht zou kunnen worden voor verpleging van 40 tot 50 personen. Het vervolg van de geschiedenis is niet duidelijk, maar tot realisatie van het loodsplan lijkt het niet te zijn gekomen.

In de periode Schoonhoff speelt vanaf 1910 de oprichting van een ziekenbarak voor lijders aan besmettelijke ziekten opnieuw. Overheidsinstanties (o.a. het Provinciaal Bestuur) zijn in hun angst voor besmettelijke ziekten vrij fanatiek in het streven tot oprichting van dergelijke voorzieningen, terwijl het gemeentebestuur van Castricum vrijwel niets nalaat om de bouw van een dergelijke voorziening, die geld kost, tegen te houden. Castricum wordt echter onder druk gezet. In november 1911 schrijft het Provinciaal Bestuur aan het gemeentebestuur, dat onderzoek aan het licht heeft gebracht, dat er in Castricum geen ziekenbarak aanwezig is. Er wordt op aangedrongen “de bouw van een inrichting van meer duurzaam karakter ernstig te overwegen. Te meer is de gelegenheid hiertoe thans gunstig, nu ook in de aangrenzende gemeente Limmen plannen tot de bouw van een ziekenbarak aanhangig zijn”.
Inderdaad stelt het gemeentebestuur van Limmen bij dat van


Jaarboek 17, pagina 24

Castricum een samenwerking voor bij het stichten van een gemeenschappelijke ziekenbarak.
In 1912 vindt hierover een gesprek plaats tussen de burgemeester van Castricum en de Commissaris van de Koningin in Noord- Holland. Kennelijk heeft de burgemeester zich nu definitief van de onontkoombaarheid van een ziekenbarak laten overtuigen, want in januari 1913 komt het tot een aanbesteding van de bouw van een ziekenbarak met woning op een plek ter hoogte van de huidige begraafplaats Onderlangs.

De oplevering van het gebouw, dat zal bestaan uit 2 verdiepingen, zal plaats vinden binnen 4 maanden na gunning. Op 26 februari 1914 wordt in de vergadering van de gemeenteraad besproken, dat dokter Schoonhoff heeft aangedrongen de inmiddels gebouwde ziekenbarak op orde te brengen met in het raadhuis opgeslagen meubilair, in verband met een geval van diphteritis (red: keel ontsteking). Een der raadsleden ‘is van gevoelen’, dat het geval van diphteritis niet in de barak thuishoort en dat verpleging thuis kan geschieden. Inrichting van de ziekenbarak en verpleging brengen hoge kosten met zich mee, die door niet in te richten kunnen worden vermeden. De gemeenteraad besluit hierop inrichting van de ziekenbarak voorlopig uit te stellen. De ziekenbarak blijft een blok aan het been van het gemeentebestuur en in juni 1914 wordt besloten tot een onderhandse verhuur van de voorwoning, tegen een huurprijs van twee gulden per week.

Op 1 september 19 14 meldt de burgemeester in de raadsvergadering met een soort tegenzin, dat de ziekenbarak in gebruik is genomen. Hij werd voor dit feit gesteld en daaraan was moeilijk te ontkomen. Burgemeester en wethouders menen nu de raad te moeten voorstellen om van de personen, die in de barak verpleegd worden, een vergoeding te vragen van 1,50 per dag voor een volwassen persoon en 1,- gulden voor een kind tot 12 jaar. Dit voorstel wordt goedgekeurd.
In 1914 stelt Het Witte Kruis voor om de exploitatie van de ziekenbarak over te nemen, maar de gemeente gaat er niet op in.
De kosten van exploitatie van de ziekenbarak blijven zorgen baren. Uit de raadsvergadering van 24 maart 1915: ” De voorzitter zegt, dat het gebleken is, dat de verpleging in de ziekenbarak van diphreriris gevallen met groote kosten gepaard gaan. Spreker zegt, dat de laatst voorgekomen gevallen nier van ernstigen aard zijn geweest en zou willen voorstellen in her vervolg alleen bij ernstige gevallen de ziekenbarak beschikbaar te stellen …” .

De ziekenbarak, gebouwd in 1913 en afgebroken in 1943.
De ziekenbarak, gebouwd in 1913 en afgebroken in 1943.

In de raadsvergadering van 5 april 1916 wordt medegedeeld, dat zich enkele huurders voor de ziekenbarak hebben gemeld. De heer Schoen wordt als huurder aangenomen tegen een huur van 1,50 per week en onder voorwaarde van het schoonhouden der barak. De indruk bestaat, dat de ziekenbarak omstreeks deze tijd geheel opgehouden heeft om dienst te doen voor het oorspronkelijk doel en nog slechts voor behuizing van min of meer armlastige Castricummers in gebruik is. Het gebouw werd in 1943 gesloopt.

Malaria

Malaria was in de vorige eeuw en ook gedurende een periode aan het begin van deze eeuw een inheemse ziekte, vooral in het waterrijke Noord-Holland. Men deed veel, in onze ogen soms bizar aandoende pogingen, om de ziekte te bedwingen.
In de winter van 1922 wordt in Noord-Holland bijvoorbeeld een campagne gevoerd om de malaria te bestrijden, waarbij een 25-tal ‘districtsmuggenploegen’ zijn ingeschakeld. De geneeskundig inspecteur Aldershoff gaat in op een aantal gebreken van de ‘veldtocht’. Zo was het moeilijk om voor het verdelgingswerk geschikte personen te vinden, omdat niemand enige ervaring had. Ook liet de werklust van de muggenverdelgers het wel eens afweten, vooral omdat er onvoldoende controle op de werkzaamheden was. In Sijbekarspel zouden de muggenverdelgers volgens de pers slechts gokspelletjes hebben gespeeld. Ook de burgemeesters zijn van oordeel, dat een strengere controle op de muggenploegen noodzakelijk is.
Uit het feit dat in het voorjaar 1922 veel malaria optreedt, leiden ook geneeskundigen af, dat de campagne is mislukt. Deze conclusie is echter volgens Aldershoff te voorbarig. Pas in de zomer zal duidelijk worden wat het effect is geweest. Hij doet een oproep om in de persoonlijke sfeer in ieder geval met de bestrijding door te gaan: het doden van muggen in huis en vooral ook in stallen, waarbij voor het vangen bijvoorbeeld een dot op een stok, gedrenkt in petroleum kan worden gebruikt. Aldershoff verzoekt de gemeenten om een bijdrage van 5 cent per inwoner voor de verdere campagnes.
In 1928 heerst de malaria nog steeds en treffen we in de Castricumse Courant een advertentie van een nieuw opgerichte Commissie voor de Malariabestrijding: “Ziet ge muggen, lang van poot, aarzelt nier, maar slaat ze dood”.
Deze commissie bracht verschillende malen een jaarverslag uit. In het verslag uit 1929 lezen we, dat de commissie 12 leden telt, waaronder burgemeester Lommen uit Castricum, die zitting heeft als vertegenwoordiger van het Wit-Gele Kruis.
Noord-Holland is wat de muggenplaag betreft verdeeld in 11 districten. Castricum behoort tot district VII, met o.a. Alkmaar, Uitgeest, Limmen, Graft en Oudorp, waar zich 40 tot 60 sterftegevallen aan malaria per 10.000 inwoners voordoen, wat boven het provinciale gemiddelde ligt. Over district VII merkt het jaarverslag op, dat het percentage ‘ontmuggers’ zeer gering is: “Voor een deel is dit een gevolg hiervan, dat de propagandist alleen dan melding maakt van zelfontmuggers, als hij absoluut zeker is, dat de ingezetenen werkelijk de muggen verdelgen en dan wel in alle vertrekken”.

Het verslag is soms lachwekkend gedetailleerd. Zo werden in 1929 in de gemeente Castricum door de voorlichters 239 gezinshoofden bezocht, waaronder zich slechts tien ‘zelfontmuggers’ bevonden. Hiervan maakten voor het vangen van de muggen twee van Flit (red: een insecticide), vier van petroleum, twee van creoline en twee van een doek gebruik. Men spreekt de hoop uit in district VII meer medewerking van de bevolking te krijgen.
Wat voorlichting aan het publiek betreft werd door de commissie een aantal middelen in de strijd geworpen.


Jaarboek 17, pagina 25

Er werd gedemonstreerd met verdelgingsmiddelen. Een door Jac. P. Thijsse geschreven boekje ‘Van Muggen en Malaria’ en het vlugschrift (red: folder) ‘Geen Muggen, Geen Malaria’ werden verspreid. Een malariafilm werd vertoond en er was ook een strijdzang. Bij de huisbezoeken werden propagandaplaten en wandspreuken uitgereikt.

Een meer grootschalige aanpak van de muggenplaag was het paraffineren van sloten. Dit kwam neer op het besproeien van het wateroppervlak met paraffine, als de sloten in de loop van juni met grote aantallen muggenlarven waren bezet. Er werd zodanig gesproeid, dat het water met een dun laagje paraffine, ca. 5 gram per m², werd bedekt. Deze werkwijze had gunstige resultaten. Bij onderzoek bleek, dat alle behandelde sloten vrij van larven waren. In een campagne werd soms meer dan 1500 kg paraffine verbruikt, wat inbegrepen het loon van de besproeier ongeveer 700 gulden aan kosten betekende.
Ondanks dit soort bestrijding duurde het nog een aantal jaren voordat de malaria definitief was bedwongen.
Castricum liet zich over het algemeen niet zo veel aan de bestrijding gelegen liggen. Zo spreekt een lid van de Begrotingscommissie in de raadsvergadering van 12 december 1936 zijn verwondering er over uit, dat de gemeente geen subsidie heeft verstrekt aan de Commissie voor Malariabestrijding. De gemeenteraad voelt er echter niets voor, gezien de financiële toestand der gemeente. Bovendien, zo wordt opgemerkt, geven slechts 24 gemeenten in Noord-Holland een subsidie, die bovendien niet verplicht is.

Tuberculose (TBC)

In Nederland heerste TBC, in de volksmond ook tering genoemd, al volop in de vorige eeuw. Alle in dit artikel besproken Castricumse artsen werden met de ziekte geconfronteerd.
Het gemiddelde landelijke sterftecijfer in 1850 was 384 per 100.000 inwoners. In de 19e eeuw werd een zacht kustklimaat voor tuberculose-patiënten het meest gewenst geacht, speciaal de kusten van de Middellandse Zee. Daarnaast ontstonden er sanatoria, o.a. in Duitsland en Zwitserland, bijv. Davos in 1860. Men meende, dat het klimaat en de zuivere lucht bevorderlijk zouden zijn voor de genezing van longtuberculose. De naam Davos kreeg een magische kracht voor tuberculose-lijders uit heel Europa, vooral voor de kapitaalkrachtigen.

Behandeling van tuberculose is lange tijd gebaseerd gebleven op versterking van de afweerkrachten van het lichaam, o.a. door een langdurige rustkuur, die systematisch en streng moest worden doorgevoerd met veel eten, terwijl ook zon-behandeling deel kon uitmaken van de therapie. Vroeger vormden een belangrijke bron van besmetting rauwe melk en produkten daarvan gemaakt, afkomstig van met TBC besmette koeien. De ziekte maakte dan ook op het platteland meer slachtoffers dan in de steden. In 1900 is het sterftecijfer in Nederland 200 per 100.000 inwoners. In 1940 is dit gedaald tot ca. 40, om in de oorlog weer te stijgen tot ca. 90. Na de oorlog is de daling nog sterker. Rond 1950 is het sterftecijfer ca. 20, rond 1960 3 en in 1970 kleiner dan 2.
Tuberculose was lange tijd een zeer groot maatschappelijk probleem. De eerste organisaties voor bestrijding ontstonden in 1903. Als overkoepelend orgaan werd in 1903 opgericht de Nederlandse Centrale Vereniging tot bestrijding der Tuberculose (NCV), die zich als doel o.a. stelde de bevordering van wetenschappelijk onderzoek naar TBC, het inzamelen van geld door de jaarlijkse Emmabloem-collecte, de kerstzegelactie en het aanwenden van het geld voor verpleging via verpleegfondsen. Ook richtte de vereniging consultatiebureaus op en organiseerde zij later periodiek röntgenologisch bevolkingsonderzoek.

In 1908 werd de Noordhollandse Vereniging tot Bestrijding van Tuberculose (NHV) opgericht, met als mede-oprichters de bovengenoemde NCV en Het Witte Kruis. Eind 1908 waren er 64 Witte Kruis-afdelingen lid. Aanvankelijk was het, volgens het Gedenkschrift ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de NHV, niet gemakkelijk de Witte Kruis afdelingen tot intensieve arbeid te bewegen. “Men meende met het verschaffen van een sputumflacon (red: voor opvangen van speeksel bij hoesten) en een ligtentje zijn arbeid te hebben gedaan”. Om de inspanningen te intensiveren werden cursussen georganiseerd voor huisbezoeksters, die tot taak kregen gezinnen van TBC-lijders op te sporen een aanbevelingen te doen om de verdere verspreiding van de ziekte tegen te gaan. Vooral op het platteland stuitte men op ‘laksheid’, wat wordt toegeschreven aan de ingewikkelde verhoudingen op het gebied der wijkverpleging: Het Witte Kruis, de Diaconale Gezinsverpleging en het Wit-Gele Kruis werkten veelal naast elkaar, zonder de nodige samenwerking. In 1924 werd Noord-Holland ingedeeld in 4 districten en werden er in een aantal plaatsen consultatiebureaus opgericht, o.a. in Beverwijk.

De tuberculose heeft, mede door de slechte hygiënische omstandigheden en de armoede, ook in Castricum veel slachtoffers gemaakt. Door de besmettelijkheid waren vaak meerdere gezinsleden het slachtoffer. Dit vloeide ook voort uit de eetgewoonten van een deel der bevolking. Men gebruikte geen borden. Er werd een pan met aardappelen of stamppot op tafel gezet met in het midden een ‘dooplokje’, een schaaltje met vet of jus waar ieder zijn aardappelen in doopte, dus kans op besmetting via het speeksel te over. De gezondheidsraad formuleerde ook waarschuwende spreuken , zoals “Het is en blijft een vaste wet, geen pomp naast een riool gezet” en “Waar men de kamer veel laat luchten, daar gaan ook ziektekiemen vluchten”. Het TBC-vrij maken van het rundvee en het ontwikkelen van effectieve geneesmiddelen leverden een belangrijke bijdrage aan de afname van de tuberculose.

Henri M.J.M. Leenaers, 1926-1943

Op 1 april 1926 nam de arts Henri Maria Jozeph Michel Leenaers de praktijk van Yeb Schoonhoff over. Hij nam overigens niet zijn intrek in Hermana State, dat in juni 1926 door Schoonhoff was verkocht, maar huurde tijdelijk Huize Maja aan de Mient, het tegenwoordige (red: anno 1994) hotel-restaurant Kornman. Later liet hij een praktijkwoning aan de Mient bouwen met de naam ‘Op ‘t Sant’, die niet meer bestaat en gelegen was in de nabijheid van het huidige Dr. Leenaershuis. Bij zijn komst naar Castricum was de katholieke Leenaers, die in 1926 afstudeerde aan de Universiteit van Amsterdam, 25 jaar. Hij trouwde in 1926 met Henclrica de Jongh, een zuster van de latere Castricumse arts A.P.W.A.M. de Jongh. Uit het huwelijk werden vijf kinderen geboren. Leenaers was, volgens Castricummers die hem nog hebben gekend, een joviale, extroverte figuur.
Hij was apotheekhoudend arts en zijn drukke praktijk, die zich uitstrekte tot Egmond, omvatte de verloskunde, de medische zorg voor kampeergasten en voor kinderen in vakantietehuizen, het adviseren van het Wit-Gele Kruis en het geven van EHBO-lessen. Leenaers trok evenals zijn voorganger Schoonhoff van leer tegen slechte woonomstandigheden. In een interessant rapport uit 1928 over een uitbreidingsplan van Castricum wordt hierover opge- merkt:
“Volgens het oordeel van den gemeentearts laten de slaapgelegenheden in de huizen, bewoond door groote gezinnen te wenschen over. De gemeenrearts schatte, op grond van zijne uitgebreide kennis der woningtoestanden in deze gemeente, het percentage der woningen, waar geslapen wordt in bedsteden zonder direcre verluchring, op vijftig procent van het totaal aantal woningen.”


Jaarboek 17, pagina 26

Johan Chr. van der Sluis, 1931-1944

In de periode Schoonhoff groeide het aantal inwoners van Castricum van 2000 tot ruim 5000 en het is dus niet verwonderlijk, dat opnieuw een arts in Castricum een bestaan meent te kunnen vinden. De 25-jarige Johan Christoph van der Sluis werd op 24 januari 193 1 in Castricum ingeschreven en het bevolkingsregister vermeldt, dat hij onkerkelijk was. Hij kwam met zijn vrouw, Dieuwertje Sissingh, vanuit Groningen. In 1932 wordt in Castricum zijn dochter Jossina Dieuwertje geboren. Hij woonde aanvankelijk in Bakkum aan de Van Oldenbarneveldtweg, maar laat in 1935 een huis aan de Bakkummerstraat bouwen, dat thans (red: 1994) nog wordt bewoond door de arts Ch.A. van Leesten. Van der Sluis wordt door Castricummers, die hem nog hebben gekend, omschreven als een kundig arts. Kort na zijn vestiging was hij betrokken bij een zeer ernstig ongeval, dat ook de landelijke pers haalde. Op weg naar Amsterdam raakte hij op een regenachtige avond met zijn auto in het Noordzeekanaal, vanaf de aanlegsteiger voor de pont bij de Hembrug, omdat hij ten onrechte dacht dat de pont reeds was afgemeerd. De auto viel van twee meter hoog in het kanaal en verdween vrijwel onmiddellijk onder water. Van der Sluis wist zich met moeite uit de auto te redden, maar twee mede- passagiers, een Castricums echtpaar, vonden de verdrinkingsdood.

Henri J. van Nievelt, 1939-1964

Op 17 februari 1939, het inwonertal van Castricum was inmiddels gestegen tot bijna 8000, vestigt zich in Castricum een derde arts, de 36-jarige Henri Johan van Nievelt. Van Nievelt had zijn artsendiploma in maart 1938 behaald aan de Rijksuniversiteit van Utrecht. Vóór zijn vestiging in Castricum had hij enige tijd gewerkt in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. De ervaringen daar opgedaan zijn hem later in zijn Castricumse praktijk van groot nut geweest en hebben bij zijn patiënten wel eens de indruk gewekt, dat hij kinderarts was. Hij schijnt na zijn studie aanvankelijk Arnhem overwogen te hebben om als huisarts te beginnen, omdat daar ook zijn grootvader huisarts was geweest. Hij ontdekte bij één van zijn landelijke speurtochten naar een vestigingsplaats echter Castricum, waar de mooie omgeving de doorslag gaf. Hij vestigde zijn praktijk niet ver van die van Leenaers aan de Mient, toevalligerwijs aan de oostkant, die in de oorlog niet aan sloop ten prooi is gevallen, zodat het huis thans nog bestaat: Mient nr 33.

Henri van Nievelt, arts te Castricum in de periode 1939 - 1964.
Henri van Nievelt, arts te Castricum in de periode 1939 – 1964.

De oorlog

Toen de oorlog uitbrak waren in Castricum drie artsen werkzaam: Leenaers, Van der Sluis en Van Nievelt.
Leenaers toonde niet alleen openlijk een anti-Duitse houding, maar speelde daarnaast een vooraanstaande rol in het, gedeeltelijk ondergrondse, artsenverzet. Eerst als districts-vertrouwensman van de in augustus 1941 opgerichte verzetsorganisatie Medisch Contact. Vanaf februari 1942 maakte hij ook deel uit van de leiding van deze organisatie, het z.g. Centrum. Het artsenverzet keerde zich vooral tegen het verplichte lidmaatschap van artsen van de Nationaal Socialistisch georiënteerde Nederlandse Artsenkamer. De ‘illegale’ activiteiten van Leenaers en ook zijn openlijke conflicten met de Castricumse NSB-burgemeester Masdorp, leidden in februari 1943 tot zijn ontslag als gemeente-arts en een maand later tot zijn arrestatie, waarbij hij werd vastgezet aan de Weteringschans te Amsterdam. In mei 1943 werd hij overgebracht naar het concentratiekamp Vught, waar hij ook als arts te werk was gesteld. In september 1943 werd hij vrijgelaten en voegde hij zich bij zijn gezin, dat inmiddels in Son in Brabant bij zijn zwager, dokter De Jongh, woonde, omdat het huis aan de Mient moest worden ontruimd en inmiddels was gesloopt. Leenaers werkte nog enige tijd als arts in Brabant, maar zijn gezondheid ging vrij plotseling achteruit en hij kwam in juli 1944 op 42-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Tilburg te overlijden. Hij werd in Castricum, onder grote belangstelling, begraven. Over het leven van Leenaers en zijn uitzonderlijke rol in oorlogstijd valt veel meer op te merken, maar dat is al eens gedaan door N.A. Kaan in het 13e Jaarboekje (1990) van de werkgroep Oud-Castricum in het artikel “Wie was … dokter Leenaers“. Ook in “Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog” van dr. L. de Jong komen Leenaers en het artsenverzet uitvoerig aan de orde.

Door de prominente rol van Leenaers in het artsenverzet en de latere aandacht daarvoor, is het werk van dokter Van Nievelt in oorlogstijd wat onderbelicht gebleven. Ook Van Nievelt was zeer tegen de bezetter gekant en zag na 1940 een groot deel van zijn juist opgebouwde praktijk verloren gaan, omdat veel van zijn patiënten moesten evacueren. Uiteindelijk moest hij zelf ook uit Castricum weg en zette hij zijn praktijk voort vanuit Limmen, waar hij aan de Molenweg een kleine woning had weten te huren. Toen o.a. door de maatregelen tegen Leenaers Castricum voor een groot deel van medische hulp verstoken dreigde te raken. werd dokter Van Nievelt verzocht naar Castricum terug te keren om naast zijn eigen praktijk vooral de functie van gemeente-arts te behartigen. Doordat zijn huis aan de Mient in het zogeheten ‘Sperr-Gebiet’ lag, werd er voor hem een ander huis gezocht en gevonden in de Geelvinckstraat, één van de weinige huizen waar men nog over telefoon kon beschikken.

In 1944, door de dood van Leenaers, brak een extra moeilijke tijd aan voor Van Nievelt, omdat de bevriende artsen elkaar beloofd hadden, dat indien er iets met één van hen zou gebeuren de ander diens praktijk zou waarnemen. Van Nievelt had inmiddels ook een aandeel in het ondergronds verzet. Zo voorkwam hij door middel van dubieuze medische verklaringen, dat Castricumse jongeren op transport naar Duitsland werden gezet en zelfs wist hij reeds in Duitsland werkzame Castricummers terug te halen met gefingeerde verklaringen over de slechte gezondheidstoestand van familieleden.
In verband met zijn ondergronds verzet, moest Van Nievelt van tijd tot tijd onderduiken, indien er weer represaille-maatregelen op komst waren en zo verkoos hij tenslotte om beide praktijken vanuit Limmen, waar zijn familie nog woonde, te behartigen.

Doordat benzine nagenoeg niet beschikbaar was. bleef Van Nievelt vanuit Limmen vrijwel alles per fiets doen, op antiplof-


Jaarboek 17, pagina 27

banden, waarbij hij zelfs nog patiënten in Heemskerk wist te bezoeken. Spreekuren in Castricum werden eerst gehouden in de banketbakkerswinkel van Juffermans (later Uljee) aan de Dorpsstraat en toen dat ook niet meer mocht werd de praktijk, inbegrepen de apotheek, in één dag verplaatst naar Hermana State, waar tijdelijk onderdak was gevonden.

Atto H. van der Werff, 1944-1958

Van der Sluis schijnt, in tegenstelling tot Leenaers en Van Nievelt, sympathiek te hebben gestaan tegenover de bezetter, hoewel de meningen over de mate van zijn ‘fout’ zijn verschillen. In 1944 vertrok Van der Sluis uit Castricum, nadat hij zijn praktijk en woonhuis had overgedaan aan de 27-jarige arts Atto Hessel van der Werff, die had gestudeerd aan de Universiteit van Utrecht. Van der Werff, die in februari 1944 was getrouwd, vestigde zich met zijn echtgenote in Castricum in een moeilijke periode en hij had zich waarschijnlijk onvoldoende rekenschap gegeven van de problemen, waa1mee hij geconfronteerd zou worden.
Hij werd slechts één week door Van der Sluis ingewerkt, die daarna naar Amsterdam vertrok. De symphatiën van Van der Sluis voor de bezetter werden, niet onbegrijpelijk, maar wel ten onrechte, ook aan zijn opvolger toegeschreven en daarom had Van der Werff aanvankelijk maar weinig patiënten. Bovendien kon hij het huis aan de Bakkummerstraat niet betrekken, omdat de Duitsers dit inmiddels hadden gevorderd. De familie Van der Werff ging daarom eerst wonen aan de Pernéstraat en kort daarna aan de Wilhelminalaan, uitgerekend tegenover de toenmalige burgemeester van Castricum, die als zeer fout bekend stond. Van artsen, die zich nieuw in een plaats vestigden werd geëist, dat zij lid waren van de Artsenkamer en omdat Van der Werff dit had geweigerd was hij nog in 1944 gedwongen uit Castricum te vertrekken en dook hij tijdelijk onder bij zijn schoonouders in Utrecht.

Atto van der Werft, arts te Castricum in de periode 1944 - 1958.
Atto van der Werft, arts te Castricum in de periode 1944 – 1958.

De eerste jaren na de oorlog

Kort na de bevrijding keerden dokter Van der Werff en zijn vrouw naar Castricum terug (op de fiets!), om zich aanvankelijk opnieuw aan de Wilhelminalaan te vestigen. Later kwam het huis aan de Bakkummerstraat weer beschikbaar, waar enige tijd een Duits hospitaal in gevestigd was geweest. Van der Werff wist zijn praktijk nu tot bloei te brengen en was vele jaren een zeer gewaardeerd Castricums arts.

Hij werd kort na de oorlog door het PWN aangesteld tot arts van het kampeerterrein Bakkum. In een kranteninterview over deze taak verklaarde hij het meest te worden geconfronteerd met polsbreuken. In de kindervakantie zelfs gemiddeld één per dag. Op een vraag of hij wel eens naar het strand werd geroepen voor een verdrinkingsgeval verklaarde Van der Werff: “Zeer zelden; de kampeerders zijn niet roekeloos. Als dit het geval is, zijn het meestal de Duitsers, die zich te ver in zee wagen”.
Op de vraag of hij wel eens ‘s nachts naar het kampeerterrein werd geroepen antwoordde Van der Werff: “Zeker. En ik vind het pret-tig te kunnen zeggen. dat de kampeerders ons practisch nimmer voor niets laten komen. Een paar jaar geleden werd ik zelfs geroepen voor een vroegtijdige gehoorte. Meestal stuur ik de moeders in-spé tijdig naar huis, of zijn ze zèlf zo wijs niet naar Bakkum te komen. Maar ja, dit geval was niet te voorzien … Een paar weken geleden werd ik ‘s nachts op het weekend-terrein geroepen. Bij het olielampje van de buurvrouw constateerde ik een arnte blindedarmontsteking. Tja …en dan zakt zo nu en dan een kind ‘s avonds wel eens door de po met alle gevolgen daarvan …”
In 1958 doet Van der Werff zijn praktijk over aan de arts Ch.A. van Leesten en verlaat hij Castricum om zich als verzekeringsgeneeskundige te vestigen in Zwolle. Zijn vertrek schijnt vrij onverwacht te zijn geweest en kwam bij zijn patiënten hard aan. Er werd zelfs actie gevoerd om hem in Castricum te behouden. Hij overleed in 1992 op 74-jarige leeftijd in Amerongen.

Dokter Van Nievelt keerde direct na de bevrijding terug in zijn huis aan de Mient. Zo langzamerhand kwamen de andere oorspronkelijke bewoners ook weer terug en begon zijn praktijk zich snel uit te breiden. Van Nievelt was niet getrouwd en werd in zijn praktijk geassisteerd door zijn zuster, die apothekersassistente was. Ook Van Nievelt werd ingeschakeld bij de medische verzorging van de kampeerders en hield vele jaren lang een regelmatig spreekuur in de EHBO-post. Rond 1950 begon dokter Van Nievelt te denken over het laten bouwen van een eigen huis op een plek aan de Geversweg, die hem zeer dierbaar was. Naarmate de bouw vorderde ging het projekt hoe langer hoe meer voor hem betekenen. Het was de kroon op zijn werk en na het betrekken in 1952 heeft hij er nog een aantal gelukkige jaren gewoond.

Helaas openbaarden zich in 1959 de eerste symptomen van een ernstige ziekte, waardoor hij tenslotte in 1963 zijn praktijk moest neerleggen. Hem werd in juni 1964 eervol ontslag als gemeente-arts verleend. In 1982 is dokter Van Nievelt overleden.

Adrianus P.W.A.M. de Jongh, 1946-1971

Tot slot willen we nog één arts memoreren, wiens vestiging in Castricum ook met de oorlog te maken had, want onder zijn overwegingen speelde het plichtsgevoel een rol om de praktijk voort te zetten van zijn in 1944 overleden zwager Leenaers, de praktijk, die tijdelijk door Van Nievelt was waargenomen. Dit was Adrianus Petrus Wilhelmus Anthonius Marie de Jongh, die zich in 1946 in Castricum vestigde en die vanwege zijn vele voornamen door zijn collega’s wel Apwam werd genoemd. De Jongh, die in Amsterdam had gestudeerd, was voor zijn komst naar Castricum eerst een aantal jaren in zijn geboortedorp, het Brabantse Son, werkzaam geweest en had ook nog een jaar als scheepsarts gevaren. Hij schijnt geen moeite te hebben gehad om in Castricum een grote praktijk op te bouwen. In een interview met Onze Krant uit 1970 zegt zijn dochter, die lange tijd in de praktijk van haar vader assisteerde, hierover: “Hij viel destijds meteen bij de bevolking in het kuiltje, want hij kwam als katholieke arts en vroeger was zeker 70% van de Castricumse bevolking katholiek en zeer streng.”

Inderdaad voorzag De Jongh wat dit betreft in een behoefte, want zijn collega’s, de artsen Van Nievelt en Van der Werff waren niet katholiek. Uit opgetekende verhalen komt De Jongh als een zeer kundig en sociaal voelend arts naar voren. Na een motorongeluk schafte hij zich een auto aan, maar omdat hij geen rijbewijs had


Jaarboek 17, pagina 28

Adrianus de Jongh, arts te Castricum in de periode 1946 - 1971.
Adrianus de Jongh, arts te Castricum in de periode 1946 – 1971.

reed hij eerst met een chauffeur. Kort na het behalen van zijn rijbewijs belandde hij bij het uitwijken voor een fietser met zijn auto in de sloot, maar zette niettemin zijn visites voort terwijl zijn auto werd opgetakeld. Hij viel ook eens bij een patiënt van de trap, waarbij hij zijn pols brak, wat de aanleiding schijnt te zijn geweest, dat zijn dochter hem in 1961 is komen assisteren.

De Jongh was een expert in het verrichten van bevallingen, waarvan hij er soms wel meer dan 100 per jaar deed. Hij beheerste het halen van baby’s met een z.g. ‘hoge-tang’, wat voor een huisarts als één van de moeilijkste ingrepen geldt. Bij zijn 12,5-jarig jubileum trok langs zijn huis aan de Wilhelminalaan een stoet van kinderen, die hij ter wereld had geholpen. De Jongh verzorgde ook pro-deo sportkeuringen bij voetbalclub Vitesse en was bestuurslid en medisch adviseur van ‘De Boogaert’. In januari 1971 stopte hij op 68-jarige leeftijd met zijn praktijk en deed deze over aan de arts A. van den Berg. Dokter De Jongh overleed in september van hetzelfde jaar.

In de ‘periode De Jongh’ steeg het aantal inwoners van Castricum tot meer dan 20.000, wat tot een grote uitbreiding van de gezondheidszorg aanleiding gaf. Het aantal artsen nam toe en er vestigden zich ook tandartsen en apothekers. In de organisatie van de geneeskundige hulp veranderde veel. bijvoorbeeld met betrekking tot ziekenfondsen en vormen van verzekering. Voor een bespreking van deze ontwikkelingen ontbreekt helaas de ruimte, maar wellicht komen we op dit verleden in de toekomst nog eens terug.

W. Hespe
A.C. Glorie-van der Steen

Bronnen:

Deelen, D. van: Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
Zuurbier, S.P.A.: Wat was … Hermana State, WOC, 6e Jaarboekje, 1983.
Kaan, N.A.: Wie was … dokter Leenaers, WOC, l3e Jaarboekje, 1990.
Ruijter, Q. de: Schippers van het Stet, Castricum, 1975.
Schoonhoff, H.G.: Eindhoven, Familiearchief.
Nievelt, H.D.E. van: Castricum, aantekeningen, mededelingen.
Rijksarchief Haarlem:
– Verslagen Gezondheids Commissie Beverwijk.
Streekarchief Alkmaar:
– Doop-, trouw- en begraafregisters Castricum
– Oud Rechterlijk Archief Castricum
– Notulen van de Castricumse Gemeenteraad
– Oud-Archief Castricum, stukken betreffende gezondheidszorg, riolering en waterleiding.
Oude Ansichten van Castricum, Schoorl, 1972.
Mededelingen van Ch. A. van Leesten, J.E. van der Werff-Bakker en N. van Port-De Jongh.

Print Friendly, PDF & Email