Hageman, Arie (Jaarboek 39 2016 pg 29-31)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2Castricum in oorlogstijd – Dagboek kapelaans – De dood van Arie Hageman – Duin en Bosch, evacuatie – Duinkant, een verdwenen dorpje – Oorlogsherinneringen Nardus Bos – Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot – verzetsstrijders – Leenaers, dokter – tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 39, pagina 29

De dood van Arie Hageman

Precies een jaar voor de bevrijding op 5 mei 1944 werd Arie Hageman in het duingebied gedood door een kogel van een Duitse soldaat. De toedracht en de gevolgen zijn beschreven door zijn zoon Jan. Bevrijdingsdag is voor het gezin nooit een feestdag geworden. Het overlijden van vader Arie liet diepe sporen na.

Het gezin van Arie Hageman omstreeks 1943.
Het gezin van Arie Hageman omstreeks 1943; Arie en zijn echtgenote Griet
Groentjes met hun kinderen Tiny en Jan.

Mijn naam is Johannes Pancratius Hageman. Jan, geboren 11 november 1934, zoon van Adrianus Cornelis (Arie) Hageman, geboren in Bakkum op 29 mei 1905 en van Margaretha (Griet) Groentjes, geboren in Castricum op 26 februari 1908. Hun trouwdag was 12 juni 1930. Op 2 oktober 1941 werd dochter Catharina Wilhelmina (Tiny) geboren.

Mijn vader was eerst vele jaren tuinder en had een depot voor zaaizaden van de firma Zaadnoordijk, gevestigd aan de Kaasmarkt in Alkmaar. De lokale boeren en tuinders konden bij hem het benodigde zaaizaad bestellen. Hij zorgde voor distributie van het bestelde.
Kort voor de mobilisatie in oktober 1939 werd mijn vader aangenomen bij de PWN in de bosbouw en als controleur van waterputten in het duinterrein. Hij volgde in die tijd een cursus bosbouw. Ik heb nog steeds een studieboek van hem.

Op 30 januari 1943 moesten we evacueren naar Heiloo. We werden ingekwartierd bij bewoners, een oudere man en vrouw, die plaats in hun woning hadden moeten maken. Dat bleken achteraf mensen van Joodse afkomst te zijn, want op een dag kwam ik uit school en was het huis leeg op één afgesloten kamer na. Mijn ouders wilden er naar mij toe niet veel over kwijt, maar later is het mij wel duidelijk geworden. Gedeporteerd!
Mijn vader kreeg in Heiloo bericht dat hij naar Duitsland moest om daar te werken, zoals zo velen met hem. De leiding van de PWN heeft hem toen als onmisbaar verklaard en hij hoefde zich niet te melden. Mijn moeder heeft later heel vaak gezegd: “Was hij maar gegaan dan had hij misschien nog geleefd.” Op grond van die verklaring mochten we op 19 juni 1943 weer terug naar Castricum. Niet naar Bakkum, maar naar de Geelvinckstraat 96, met als buurman dokter Van Nievelt. Het was van korte duur, want op 21 december moesten we weer evacueren, nu naar een hoekwoning in Uitgeest, Nieuwstraat 11.

Door al die evacuaties in zo’n korte tijd liep ik een achterstand met leren op en mijn ouders besloten dat ik weer naar de Augustinus jongensschool in Castricum moest. Samen met mijn vader reisde ik met de trein van 10 over 7 naar Castricum. Ik was dan keurig op tijd voor de H. Mis en kon daarna naar school. (Het misdienaarschap heb ik aan me voorbij laten gaan.) ’s Middags ging ik alleen met de trein terug naar Uitgeest. Tweemaal heb ik een beschieting van de trein meegemaakt en eenmaal een bombardement, waarbij we halverwege uit de trein moesten. Paniek natuurlijk.

Dat ging zo door tot die fatale 5 mei 1944. Mijn zusje Tiny was heel erg ziek van de mazelen en mijn vader twijfelde nog of hij wel naar zijn werk zou gaan. Maar helaas ging hij toch! ’s Morgens vroeg, samen met mijn vader, naar de trein. Afscheid als gewoonlijk. Dag pappa, dag Jan goed je best doen hè. Een kus en ik naar de kerk en hij op de fiets naar het pompstation. En daarna de bossen in. Dat was de laatste keer dat ik hem levend heb gezien.


Jaarboek 39, pagina 30

Ik bleef natuurlijk over tijdens de middagpauze. Enkele jongens die wel naar huis waren gegaan, kwamen weer terug op school en vertelden mij: ”Je vader is dood”. Ik geloofde daar natuurlijk helemaal niets van, want ik had hem een paar uur daarvoor nog gezien. Dat moest mijn opa zijn, die nog op Bakkum aan de Heereweg woonde en als tuinder niet geëvacueerd was. Want je moest oud zijn om dood te gaan.
Ik zat in de 4e klas bij meester Louwe. De lessen waren net begonnen toen de hoofdonderwijzer, meester Van Westen, samen met mijn ondergedoken neef Kees Bakker, de klas binnen kwamen en mij vroegen mee de gang op te gaan. Je bent 9,5 jaar oud, maar je begrijpt heel goed wat er verteld gaat worden. Het was dus toch waar wat ze me gezegd hadden!
Het was een moment om nooit te vergeten. Alles draaide om me heen. Neef Kees moest me vasthouden. Je kunt en je wilt het niet geloven. Je wereld stort in.
Het stuk weg van school naar de Nuhout van der Veenstraat, het huis van mijn oom Piet Bakker, waar mijn vader naar toe was gebracht, duurde een eeuwigheid. Het erge was dat oom Piet net een week daarvoor zijn vrouw (tante Anne, de zus van mijn moeder) verloren had. Voor zijn kinderen was het heel erg om nu al weer een dode in huis te hebben.
Het naar binnen gaan om daar mijn dode vader te zien liggen was verschrikkelijk. Ik weet nog dat moeder zei: “O, Jan wat zijn we ongelukkig. Hoe moet dat nou verder met ons.” Hij lag daar alsof hij sliep, een beetje bloed was uit zijn linker oor gelopen, verder zag je niets. Ik snapte niet hoe het had kunnen gebeuren. Later is het stukje bij beetje duidelijk geworden.

Terwijl de PWN-mensen een koffiepauze hielden in hun schaftkeet rond 09.30 uur, waren een paar Duitse militairen met te veel schnaps op uit verveling gaan schijfschieten op die houten schaftkeet. Juist op het moment dat mijn vader een slok koffie uit de beker van zijn thermosfles nam met zijn hoofd achterover, vloog die noodlottige kogel door de houten wand zijn linker oor in en bleef in zijn hoofd steken. Hij was op slag dood en viel heel langzaam voorover. Verbijsterde collega’s dachten eerst nog dat hij een grap maakte, wat hij wel vaker deed. En er werd wel meer geschoten in het bos en duingebied. Maar dan op konijnen en fazanten. Ze zagen al heel snel dat het fout was. Mijn vader werd in paniek op een handkar naar het pompstation gebracht. Arie de Nijs is zo snel hij kon naar de pastorie gefietst, waarna heel snel door kapelaan Holthuizen nog de laatste sacramenten zijn toegediend. Daarna is hij met een gemeenteauto naar de pastorie gebracht. Kapelaan Van der Zalm is daarna op de fiets naar Uitgeest gereden. Hij moest dat verschrikkelijke bericht bij mijn moeder brengen. Daar ben ik niet bij geweest, maar kan me daar heel veel bij voorstellen. Ze heeft mijn zieke zusje goed ingepakt en is met lood in haar schoenen naar de pastorie gefietst. Daar wilden ze wel weten wat te doen. In overleg met mijn oom Piet is toen besloten om mijn vader in zijn huis op te baren.

Bij de PWN zat de schrik er ook goed in. Het is in de oorlogsjaren de enige keer dat de PWN ‘s middags al het personeel dat niet direct nodig was voor het drinkwater, als protest naar huis stuurde. Er was door het Duitse commando veiligheid gegarandeerd voor de mensen in de bossen. En nu dit! De afspraak was duidelijk: als er oefeningen waren, dan werden Bloemendaal en Fochteloo gewaarschuwd en werden er klusjes in het pompstation of op Fochteloo gedaan.
Daarbij was het natuurlijk een blamage voor het Duitse aanzien: twee dronken Duitsers die een PWN’er zinloos vermoorden. Het duurde dan ook niet lang of twee hoge Duitse officieren kwamen zich bij ons melden vergezeld door een tolk. De Ortskommandantur zat aan de Overtoom, in het huis van de dominee.
Via de tolk lieten ze mijn moeder weten dat beide schuldige militairen waren vastgezet en vroegen mijn moeder wat te doen: fusilleren of naar het Oostfront. (Ik was daarbij en er getuige van; sommige dingen vergeet je nooit.) Mijn moeder vroeg toen of ze daarmee haar man terugkreeg. Toen ze nogmaals spijt betuigden, heeft mijn moeder gezegd dat ze dat zelf maar moesten uitzoeken; ze had op dat moment zorgen genoeg.

De werkelijke reden van hun snelle bezoek was dat ze een afspraak met mijn moeder wilden maken. Of mijn moeder er akkoord mee wilde gaan dat de dood van mijn vader een ongeluk was tijdens oefeningen en dat het zo in de officiële stukken zou komen. Als tegenprestatie zouden ze zorgen dat we in de kortste keren weer in Castricum konden wonen. Mijn moeder was op dat moment volkomen apathisch en heeft dat goed gevonden. Iets waarvan we later veel spijt hebben gehad. Ze hebben woord gehouden, want op 31 mei 1944 verhuisden we naar een keurig schoongemaakte en gestoffeerde woning in de Nuhout van der Veenstraat (toen nummer 46). Wie er daar voor ons heeft plaats moeten maken, heb ik nooit geweten. Wilde ik ook niet weten.
Ook hebben de Duitsers de verhuizing vanuit Uitgeest geregeld en ze hebben via de toenmalige burgemeester Masdorp ervoor gezorgd dat mijn moeder voorzien werd van inkomen. Vader was in tijdelijke dienst bij de PWN en van pensioen of iets dergelijks was geen sprake. Merkwaardigerwijs was het inkomen tijdens dat laatste oorlogsjaar hoger dan de naoorlogse uitkering van de Stichting Oorlogsslachtoffers, later sociale zaken.

Eind augustus, begin september (ik weet het niet precies meer) ontstond een nieuw probleem. Mijn moeder was nog volop in het rouwproces (hartpatiënt), toen geheel onverwachts zonder waarschuwing vooraf familie van ons, twee gezinnen uit Velsen-Noord, bij ons voor de deur stonden. Ze waren met spoed uit Velsen geëvacueerd zonder enig adres waar ze naar toe konden. Ze wisten van ons redelijk ruime huis. Mijn moeder kon ze natuurlijk niet wegsturen.
Oom Cor (broer van mijn vader), zijn vrouw tante Nettie en hun kinderen Jan, Willie en Martien. Dan oom Hendrik (jongste broer van mijn vader) en zijn vrouw tante Corrie. Ze kwamen met een motorbakfiets vol met spullen. Toen nogmaals naar Velzen om ledikanten en matrassen op te halen. Een huis vol met ellende.
Dat ging een poosje goed, maar de ooms hadden geen inkomen, voedsel was schaars en drie kapiteins op een schip dat moest fout gaan. En dat ging het ook. Ik weet


Jaarboek 39, pagina 31

nog van de bijna slaande ruzie tussen mijn moeder en tante Corrie. Wij allemaal huilen. Dat ging zo niet langer en toen zijn oom Hendrik en tante Corrie met hun spullen en de motorbakfiets naar haar familie in Heerhugowaard gegaan. Tante Nettie geloofde het wel, zij liet het aan mijn moeder over.

Hoe het precies gegaan is weet ik niet, maar begin november 1944 kwam er een officier met tolk namens de Ortskommandant vragen of ze nog iets voor mijn moeder konden betekenen, want hij werd teruggeroepen naar Duitsland. Nou dat had mijn moeder wel. Buiten mijn man terug, wil ik naar mijn eigen huis in Bakkum. Dat is wat ik graag wil. Met die vraag zijn ze weggegaan. En o wonder het werd goed gevonden. De namen werden opgenomen, ook de namen van oom Cor en zijn gezin. Ausweisen werden verstrekt (Bakkum was ‘Sperrgebiet’) en op 13 november 1944 verhuisden we terug naar ons eigen huis aan de Heereweg.

Oom Cor ging bij zijn vader, mijn opa, in de tuin werken. Hij en zijn gezin zijn tot het einde van de oorlog bij ons blijven wonen. Een paar weken na het einde van de oorlog zijn ze weer naar Velsen-Noord vertrokken.
Oom Hendrik en tante Corrie zijn na de oorlog in Bakkum komen wonen in een verbouwde schuur van mijn opa, dus ook aan de Heereweg. Huize Willie stond op de gevel.

Conclusie: opgroeien zonder man en vader (hij was nog maar 38 jaar bij zijn overlijden, mijn moeder 37 jaar en mijn zusje 2,5) is vreselijk. De wetenschap dat het moord respectievelijk dood door schuld was. Dus GEEN ongeluk tijdens oefeningen!! Dat maakt het voor ons onverteerbaar. De armoede waarin mijn moeder jarenlang moest zien rond te komen! Pas op 65-jarige leeftijd kon ze met haar AOW en los van de bevoogding van allerlei instanties wat royaler leven. Ze overleed op 16 april 1978.

En nu je dan zelf je twee kinderen hebt zien opgroeien en je drie kleinkinderen volwassen ziet worden, besef je eens te meer wat mijn vader op zo’n jonge leeftijd door twee dronken idioten is ontnomen. En dat je nooit zult weten wat met die twee kerels is gebeurd. Mogelijk zelfs niets.

Ik weet niet precies meer in welk jaar, maar ik zal 12 of 13 zijn geweest, toen we een verzorgde vakantieweek hebben gekregen van de Stichting Het Vierde Prinsenkind. Samen met nog heel veel andere kinderen van oorlogsslachtoffers, waaronder Ko Beentjes, zoon van ook een Castricums oorlogsslachtoffer, mochten we een week in de barakken van deportatie kamp Westerbork verblijven! Een paar jaar later is mijn zusje daar ook een week geweest. Toen wisten we het niet. Het is nu een herdenkingsplaats en zoeken ze stukken van barakken ter restauratie. Eind jaren 1940, begin 1950, werd daar kinderen van oorlogsslachtoffers een vakantie aangeboden. Hoe kon het bestaan?

Ik denk dat ik redelijk compleet ben met mijn verslag. Het is niet iets om vrolijk van te worden. Heel raar, maar hoe ouder je wordt, hoe meer het aan je gaat knagen. Je kunt nog steeds geen vrede hebben met de toen gedane verdraaiing van de feiten.

Jan Hageman:”De 5e mei is voor ons nooit een feestdag geweest.”
Jan Hageman:”De 5e mei is voor ons nooit een feestdag geweest.”

Ten slotte mag het duidelijk zijn dat de 5e mei voor ons nooit een feestdag is geweest of zal worden. Ik ben wel blij dat op 4 mei de oorlogsslachtoffers nog steeds herdacht worden. Ook bij de herdenkingsplaat achter in de Pancratiuskerk, waarop ook zijn naam – naar ik hoop in blijvende herinnering – geschreven staat.

Jan Hageman

Print Friendly, PDF & Email