Heimans Eli, wandeling (Jaarboek 38 2015 pg 71-76)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 38, pagina 71

Een wandeling met Eli Heimans

Als ik, in den voorzomer eens heerlijk en op mijn gemak langs en door mooie duinen wil zwerven, spoor ik naar Castricum.”

Rondje Papenberg, een eeuw geleden.
Rondje Papenberg, een eeuw geleden.

Ruim een eeuw geleden, rond 1906, maakte Eli Heimans, vriend en tijdgenoot van Jac.P. Thijsse, een wandeling die onder Castricummers wel bekend staat als ‘een rondje Papenberg’. Heimans (1861-1914) was evenals Thijsse onderwijzer in de hoofdstad en een groot pleitbezorger van goed natuuronderwijs. Hij schreef onder andere in het tijdschrift De Levende Natuur; zijn wandelingen inspireerden hem ook tot verhalen die onder andere in het weekblad de Groene Amsterdammer en in het boek ‘Met kijker en bus’ verschenen.

Links Eli Heimans, rechts Jac. P. Thijsse, ca 1905.
Links Eli Heimans, rechts Jac. P. Thijsse, ca 1905.

Het verhaal van Heimans toont een andere natuur en ook andere machtsverhoudingen in het duin. Want in die jaren was het nog grotendeels verboden gebied en particulier bezit. Er stonden jachthuizen en de boswachter was een hele of halve jachtopziener, een man die je wegstuurde of op de bon slingerde. Stropers hoorden erbij en zo af en toe kwam er een lid van het Koninklijk Huis om te jagen. Er was nog geen sprake van waterwinning. Zonder persoonlijke toestemming mocht je het gebied niet in. Geen wonder dat Eli als plantenverzamelaar gewend was gebodsbordjes te negeren. ‘Vrije duinen’, is dan ook de licht spottende titel van zijn verhaal. We volgen zijn verhaal en ontrafelen zijn spoor.

Een rake openingszin: “Er is geen wetsartikel, dat meer overtreden wordt dan artikel 461 Wetboek van Strafrecht.” Artikel 461 is in 100 jaar niet van naam of nummer veranderd, maar hij wandelde wel in een andere wereld. Aan het begin van zijn verhaal meteen een verzuchting dat een duinwandeling “dubbel te waardeeren is als wij, ook zonder permissie, en zelfs in den fazantentijd, niet steeds herinnerd worden aan ‘t feit dat wij op verboden terrein zijn.”

De fazantentijd was de tijd dat opgefokte fazanten voor de jacht werden uitgezet en tijdens jachtpartijen werden geschoten. Dat was in de nazomer en het najaar. Een voerhuis stond bij boerderij – thans Gasterij – de Kruisberg. Een van de jachtopzieners woonde in Kijk Uit waar ook een fazantenhouderij was. De plek noemt Eli niet, want hij zal deze locatie vermeden hebben. Hij nam de duinen ‘onderlangs’ dat wil zeggen aan de meestal windstille oostzijde van het hoge duin, buiten het blikveld van jachtopzieners en bosbazen.

Het pad van Eli Heimans

Sla voorbij het station dadelijk links om, neem den eersten overweg den besten aan den Alkmaarschen kant en houdt voortdurend links. Dan komt ge van zelf op een alleraardigst voetpad, dat eerst een paar minuten gaans tusschen tuinland doorloopt en u brengt tot vlak aan den voet van de hooge mooi belijnde duinengroep, die u uit


Jaarboek 38, pagina 72

den trein al zoo verleidelijk tot beklimmen lokte.
Dit is navolgbaar. Hij nam de spoorovergang die nog steeds spoorovergang is en die we dun belijnd ook op de topografische kaart uit begin 20e eeuw tegenkomen. En wat is nog meer duidelijk: de duinen waren in die tijd goed zichtbaar vanuit de trein. Niet verscholen achter bomen en bebouwing als villa’s en een archeologisch centrum. Er lag ‘tuinland’: kleine kaveltjes met boerenhuisjes, deels omzoomd door elzensingels tegen de wind. Pal achter het duin was de waterspiegel hoog. De tuinderij, grotendeels voor de lokale markt, gedijde in de luwte van het hoge en deels stuivende duin. Hier lag de Duinderbuurt of zoals het werd genoemd de Duinkant. Een buurtje dat in de oorlog in 1943 verloren ging.
In het begin van de 19e eeuw stonden er nog maar een paar huisjes. Het buurtje breidde zich uit door de economische impuls van de kolossale zandafgraving voor de 19e-eeuwse spooraanleg. Dat ging met de hand en met gebruikmaking van een smalspoor.

Het Prikkelvlak was een nog niet afgegraven strook langs de Geversweg.
Het Prikkelvlak was een nog niet afgegraven strook langs de Geversweg.

Een vergelijking met de kaart van de ‘Hoepbeeksche afwatering’ gemaakt in 1823 in opdracht van door D.T. Gevers en de topografische kaart uit de tijd van Eli laat zien dat in het massieve duin ten westen van het dorp Castricum een enorm groot gat is gegraven: de vroegere Goudsbergen. De Zanderij resteerde en werd met sloten ontwaterde tuingrond. Niet alles was zo strak afgegraven als nu. De kaart toont nog een lob met duinterrein langs de huidige Geversweg. Er is nog een foto van: ‘Geiten op het Prikkelvlak.’
Verkoop van zand was voor de grondeigenaren al vanaf de 17e eeuw een van de mogelijkheden om wat opbrengst van zijn bezittingen te hebben. In veel zanderijen kwamen later duinboerderijen of landhuizen (bijvoorbeeld Elswout bij Haarlem).

Afgraving op de Zanderij in 1862. Het smalspoor op de voorgrond diende voor de afvoer van zand richting station.
Afgraving op de Zanderij in 1862. Het smalspoor op de voorgrond diende voor de afvoer van zand richting station.

Waarschijnlijk liep Eli trouwens niet links af, zoals hij beschrijft, maar rechtsaf. Het Slingerpad uit het volgende citaat namelijk lag ter hoogte van de kaasopslag Kaptein BV anno 2015, halverwege de spoorwegovergang en het onderkomen van de Werkgroep Oud-Castricum aan het begin van de Geversweg, die vanaf hier het voormalige duinland insteekt. Eerst rechts af en dan meteen links. Hij volgt dit bijzondere laantje.

Uitzicht vanaf de Papenberg

En dan het uitzicht.
Naar alle zijden vrij en eindeloos ver. Ge kijkt opeens over heel Noord-Holland heen, over Alkmaar in ’t noorden tot aan de echte witte Blinkerts achter Schoorl; boven de torentjes van Castricum en Limmen zeilt een beurtschipper met volle zeilen, er stoomt een bootje op ‘t Alkmaardermeer. Door een dunne fabrieksrook heen draaien de molenwieken van de Zaanstreek, die nog lang niet alle door de stoom op non-activiteit zijn gesteld; en met wat goeden wil en een besten kijker ziet ge uw eigen Haarlem of Amsterdam, of althans St. Bavo en den Westertoren. Naar ‘t westen zijn IJmuiden en Wijk aan Zee heel goed


Jaarboek 38, pagina 73

zichtbaar en een tipje van de Noordzee glinstert tusschen twee lage toppen door. De verre zeeduinen zelf zijn grootendeels verborgen achter een dicht gordijn van groen, dat zijn de bosschen achter de ‘Brabantsche Landbouw.

Man op Papenberg. Het had Eli kunnen zijn, maar de foto dateert van circa 1930. Links een nauwelijks zichtbaar groepje kinderen. “Zijt ge nog ‘jong en vlug ter been’ dan zult ge het bloemrijke slingerpad wel niet ten einde loopen; de jongelui onder de veertig zie ik al met handen en voeten opklauteren tegen de steile helling van de Papenberg, zoo heet dat geduinte bij de Castricummers”.
Man op Papenberg. Het had Eli kunnen zijn, maar de foto dateert van circa 1930. Links een nauwelijks zichtbaar groepje kinderen. “Zijt ge nog ‘jong en vlug ter been’ dan zult ge het bloemrijke slingerpad wel niet ten einde loopen; de jongelui onder de veertig zie ik al met handen en voeten opklauteren tegen de steile helling van de Papenberg, zoo heet dat geduinte bij de Castricummers”.

Het uitzicht op de Papenberg, vergeleken met Eli’s uitzicht, heeft een drievoudig gezicht. Naar het oosten op de voorgrond op de hellingen hoog opgaand geboomte, dat het uitzicht deels ontneemt en daar achter het grotendeels verstedelijkte landschap van Castricum tot Uitgeest. Van open polders met kronkelende sloten, late restanten van het Oer-IJ met haar wadkreken van 2000 jaar terug, naar boomrijk land met huisjes, spoorwegen, rijks- en provinciale wegen, bedrijven en musea. De geschiedenis zichtbaar in het landschap zelf is vervangen door de vertelde geschiedenis van educatieve programma’s en films.

Het begin van het Slingerpad vanaf de Kramersweg.
Het begin van het Slingerpad vanaf de Kramersweg.

En zuidwaarts: heel goed zoeken levert de oude Wijkertoren van Beverwijk op, verscholen in een verder industriële horizon van Hoogovens en pijpen; rumoer en stank en lichtjes in de nacht.
Maar naar het westen strekt zich nog steeds alleen maar duin uit. Met veel meer bos dan een eeuw geleden. Ook hier is Eli wat losjes uit de pols met zijn plaatsaanduiding. Hij spreekt van bos achter de boederij de Brabantse landbouw, maar elke, ook 19e-eeuwse kaart laat zien dat vrijwel al het bos er voor en ten oosten van lag.

Waterloop waar nu archeologisch centrum staat.
Waterloop waar nu archeologisch centrum staat.

Na het overzicht gaat de natuurliefhebber in Eli uitpakken. We krijgen zicht op de plantenwereld van een eeuw geleden, bovenop het duin.
De Papenberg zelf is niet sterk bewassen; wel groeien er verscheidene zeldzame planten, onder andere de mooie, kleine pyramiden-orchis, maar daar kijkt alleen een plantenkenner naar.“
Vele bijzondere planten kenmerken dit landschapstype dat ‘zeedorpenlandschap’ wordt genoemd. Een mede door lokale begrazing met wat vee en het beperken van de konijnenstand (want dat was het vlees dat op tafel kwam) uniek landschapstype. Veel aanwezig bij Egmond en Wijk aan Zee, maar een mooie snipper ook vlakbij Castricum, boven de Duinkant van Castricum.

In de Duinkant woonden al vanaf de 17e eeuw vele telgen van het geslacht Stuifbergen (de naam spreekt boekde-


Jaarboek 38, pagina 74

len). In het 33e Jaarboek van Oud-Castricum (2010) is de vooroorlogse ervaring van Piet Stuifbergen opgetekend: “Mijn ome Klaas Stuifbergen had op de oude boerderij de Papenberg altijd zijn dubbelloops jachtgeweer in het stookhokkie voor de was. Dan zei ie: jongens vlieg effe die berg op. Dan klonken er een paar schoten en riep ie, ik heb er genoeg hoor! Dan kregen we een stuiver. Hij maakte de konijnen direct schoon.”

We volgen Eli weer verder. “De noordelijke helling evenwel (die naar ‘t station is gekeerd) is onderaan geheel verscholen in een dichten kring van hooggeboomte en struikgewas. Wordt het u daar boven te warm of te zonnig, rol dan of duikel, hol of schuifel, al naar leeftijd en massa, de helling halverwege af, daar is het lekker koel; het ziet er rood en wit van nachtegaalskruid en koekoeksbloemen en het wemelt er van allerlei vogels, die u de ooren doof zingen.”

De boerderij Papenberg stond op de tegenwoordige begraafplaats Onderlangs.
De boerderij Papenberg stond op de tegenwoordige begraafplaats Onderlangs.

Heimans – ondanks zijn achtergrond als onderwijzer wederom niet erg nauwgezet in zijn topografie, want het is een helling op het oosten en niet op het noorden – vertelt van bomen die onderaan de helling stonden en niet, zoals nu, tot helemaal bovenaan. De kaart uit circa 1905 laat een smalle strook zien en de foto’s uit die tijd tonen nog minder: hier en daar een bossage aan de duinvoet.
Er zijn niet veel paden op de Papenberg in die tijd, dus adviseert hij bovenaan te blijven of weer terug af te dalen langs wat ook nu nog Onderlangs heet en waar aan het begin de huidige, gelijknamige begraafplaats ligt, die dateert van na de Tweede Wereldoorlog.

Schilderijtje van het boshuisje van de familie Winkelman aan het Onderlangs.
Schilderijtje van het boshuisje van de familie Winkelman aan het Onderlangs.

Zorg maar dat de straatweg naar Beverwijk in zicht blijft, dan kunt ge niet dwalen. Maar wie ‘t minder vermoeiend blieft aan te leggen, moet weer beneden komen en ‘t pad verder volgen onder langs den Papenberg. Dat is inderdaad een van de mooiste wegjes, die ge in heel Holland bewandelen kunt nu hoog dan laag, breed of smal, met de begroeide duinen voortdurend aan de rechterhand; links, vlak land of heerlijke boschjes, van elzen, esschen, eiken en lijsterbes, alles door elkaar en vol met bloemen.”
“Links aan den zoom van het weiland, waar het afstroomend hemelwater den grond vochtig houdt, bloeit de heele zomerflora van den vochtigen zandgrond; prachtige wilgeroosjes en fijn getint leverkruid geven er den toon aan.”
Dit moet in de buurt zijn van de laatste kleine tuinderij in dit gebied, sinds de Tweede Wereldoorlog aan de oostzijde begrensd door een tankmuur van circa 1,80 m hoog. Het was er veel natter dan nu. Leverkruid is de wat oudere naam voor het hoogopgaande koninginnekruid. Een ruigte plant van natte bodem, waar vele vlinders op afkomen.

Een enkel huisje dat hier in het duin stond (en op de kaart, zie detail) vermeldt hij niet. Het ‘boshuisje’, zo genoemd door Trien Winkelman, die er in 1930 werd geboren. Het is waarschijnlijk eind 19e eeuw gebouwd. Het had een oude waterput waaruit helder duinwater werd gehaald. De put is mogelijk nog in het terrein terug te vinden.


Jaarboek 38, pagina 75

Rijkstraatweg nu.
Rijkstraatweg nu.

“Opeens staat ge op den straatweg, nu moet ge rechts om. De weg ligt hier geheel in de schaduw van het hooge duinbosch, zodat de wandeling van een kwartiertje een genot is.”
Eli is bij de Rijkstraatweg aangekomen, nu voorzien van rotonde, fietspad en paddentunnels op de overgang van duin en cultuurland.
“Loop door tot even voor Paal 18.“
Dat is een flink stuk langs het pad. De locatie is met de kaart van 1905 (en de huidige) te traceren. Paal 18 staat tegenover de middeleeuwse ‘oergrens’ tussen Castricum en Heemskerk: de Maer- of Korendijk. En bij het nalopen van de route troffen we twee oude paaltjes aan net naast de paal met gemeentegrens, met de letters R.P. Eli moet ze gezien hebben of zijn veters erop hebben gestrikt. Dan wordt het lastiger hem te volgen.
“Daar is toegang tot het duin langs een kleine zanderij. Een vijftig pas verder is ook een heel mooie weg, die het duin ingaat, maar daar staat weer zoo’n vervelend bordje. Wel niet met verboden toegang en het onmisbaar art. 461, alleen maar het verbod de paden te verlaten.“

Schotse hooglanders.
Schotse hooglanders.

Zandafgraving

Tegenwoordig geen spoor meer van een zanderij. Hier kiest Eli waarschijnlijk niet voor het hoofdpad bij paal 18, maar voor een sluippaadje dat ook rond 1900 op de topografische kaart stond met een klein stippellijntje. Na dit sluippaadje speculeren we erop dat hij de ook nu nog bestaande de Diaconieweg en de Koekoekslaan volgde om op de Helmweg uit te komen. Op de oude kaart is dit nog onbebost nollenterrein met in de laagtes veel mooie planten.

Het hele gebied was rond 1910 onderdeel van het uitgestrekte particuliere duinbezit van de kasteeleigenaren van Marquette, Paulina Johanna Rendorp van Marquette en haar echtgenoot Jan Hugo Gevers. Pas later, op 8 september 1933, werden deze eigendommen door hun erven verkocht aan de provincie Noord-Holland voor een bedrag van 625.000 gulden. In de tijd van Eli was er sprake van lokale duinbenutting door zandafgraving ter hoogte van de huidige camping Geversduin.

“De weg langs de zandgraverij is bijna even mooi; en zeker komt ge na een uurtje weer bij het station uit, als ge maar niet ver links af gaat toeren; rechts is geen enkel zijpad zelfs, dat u op een dwaalspoor kan brengen.”

We moeten Eli nu zien te volgen in een ander, bosrijk landschap. En gaf hij eerst nog nauwkeurig zijn route aan, nu moeten we die maar zien te raden. De route op de kaart die we aangeven, is vanaf hier een vermoeden, een ‘best guess’. Hij liep door open duinen met op de natste plekken hier en daar een bosje en soms met een landje van een duinboer.
“In dat eene uurtje langzaam wandelen, krijgt ge een afwisseling van duinlandschap dat ge niet licht ergens anders sterker, mooier en gemakkelijker genieten kunt. Eerst, dicht bij den weg nog, de gewone droge duinen van Zandvoort en Scheveningen, in den voorzomer veel mooier dan later in ‘t badseizoen. Binnen een kwartier merkt ge wel, als ge maar een heel klein beetje verstand van bloemen hebt, dat de duinen daar laag liggen en ‘t grondwater hoog staat. Daar groeien die mooie gevlekte en de effen handekenskruiden, de lichtpaarse orchideeën van onze veenen en moerassen. Ronde blaadjes als van Oost-Indische kers, maar veel kleiner, dekken er den bodem met groene loovertjes; het nieuwe schittergroene leerblad van ‘t Wintergroen zweeft hier en daar er boven.

Jaarboek 38, pagina 76


Eli liep door een duin natter dan wij kennen, een deels niet meer bestaand landschap, al duiken de rietorchis en het wintergroen wel elders in het duin op. Volgens duinkenner Rienk Slings (tot 2014 duinbeheerder bij PWN) wandelde Eli toen door het nog niet beboste deel van het Sappenbos: “Qua reliëf een nollenterrein, ontstaan in de loopduinvlakte van de Papenberg. Tegenwoordig kunnen we ons daar, weliswaar in verdroogde vorm, nog een voorstelling van maken als we de ten westen aangrenzende zanderij bezoeken; pal ten noorden van camping Geversduin.”
Sappenbos is de officiële ‘vaknaam’ die vermoedelijk wel in een oud toponiem zijn oorsprong vindt. Volgens Frits David Zeiler (historicus uit Bergen) is het mogelijk afkomstig van ‘Sape’, wat mager en onvruchtbaar land betekent. Zie ook breeSAAP en Sappeland, namen van duinvalleien en natte ontginningen.

Ergens op de route langs de Helmweg komen we anno 2015 weer duinlandjes tegen met oude meidoorn en resten van elzenhagen. Eens kleine akkertjes, nu recreatieweidjes en voorzien van watertjes voor poelkikkers, libellen en de Schotse hooglanders van nu. In Eli’s tijd waren koeien schaars (en lokaal) in het duin, in tegenstelling tot konijnen.

Verdwenen dieren

“De weg ligt nu verder geheel in de schaduw van sappige berkenboschjes, waar de zangvogels van heel de buurt bijeen zijn om te broeden en te zingen; van tijd tot tijd kort een fasantenhaan, wulpen schreien hoog in de lucht en een kievit verjaagt met moed en groot misbaar twee Vlaamsche Gaaien uit de buurt van zijn nest.”
In de periode rond 1990-2000 verdwenen de wulpen na de komst van de vos. Rienk Slings: “Vermoedelijk ook als gevolg van degradatie van het open duin, waardoor de voedselsituatie voor de jongen sterk achteruit ging.”

Ik herinner ze me nog wel broedend op de Papenberg. Ook het geluid van de fazantenhaan is vrijwel verstomd en kieviten in het duin zijn pas echt schaars, al duikelen ze wel weer boven de nieuw afgegraven valleien die de laatste tien jaar er bij zijn gekomen in middenduin en in het zeeduin. Vlaamse gaaien zijn tegenwoordig zeer algemeen. Als eters en begravers van eikels spelen ze een niet onbelangrijke rol in de uitbreiding van het eikenbos. Havik, sperwer en buizerd noemt Eli niet; die waren toen te sterk vervolgd om tot broeden te komen.

“Misschien valt langs den weg uw oog op een hier weinig in ‘t oog vallende plant, die twee ronde bladeren heeft en een trosje groene bloemen, waarin een goudgeel stipje blinkt. Dat is een orchidee, de keverorchis, die hier in ontzaglijke hoeveelheid en in reusachtige exemplaren voorkomt.’

Volgen we zijn oude spoor, dan komen we fraaie restanten van berkenbosjes tegen. Meteen achter de camping bij de Helmweg ligt een dichtgegroeid en nog steeds vochtig stuk met duinriet en braam.

Dan volgt de uitsmijter van Eli:
“En stellig, tenminste als ge tegen den avond deze wandeling doet, hoort ge uit de boschjes aan uw linkerhand een zonderling geluid komen, een vreemd geratel of gesnor als van een groot spinnewiel, of van een tandrad dat langs een veer glijdt. Dat doet de geheimzinnige geitenmelker, een groote nachtvogel, half zwaluw, half valk, met heel vreemde gewoonten, waarvan ik nog wel eens iets vertellen zal.”

De Nachtzwaluw.
De Nachtzwaluw.

Het dier zou het er nog een halve eeuw minstens volhouden. Tot rond 1960 broedde de nachtzwaluw jaarlijks in de eikenhakhoutbosjes. In plaats van een nachtegalentocht hield de vogelwerkgroep toen een nachtzwaluw excursie.

Rolf Roos

Bronnen:

  • Heimans, Eli, Vrije duinen. Uit: Met kijker en bus. Amsterdam, 1906;
  • Heimans, Eli, Zeldzame planten in de duinen. De Levende Natuur, 13 (1908);
  • Kaan, Niek, De Duinkant, een verdwenen dorpje, 33e Jaarboek Oud-Castricum (2010);
  • Kaan, Niek, Wie was … jonkheer Frits Gevers, 26e Jaarboek Oud-Castricum (2003);
  • Roos e.a., Rolf, Duinen en mensen Kennemerland, Amsterdam, 2009;
  • Zeiler, Frits David, Nollen krochten blinken. Duintoponiemen tussen Wijk aan Zee en Camperduin, PWN, Castricum, 1995.

De reconstructie van de wandeling van Eli Heimans is in een uitgebreide versie ook te vinden op de website www.duinenenmensen.nl

Met dank aan:
Anneke Brouwer, Niek Kaan, Peter Levi, Rienk Slings, Thea Spruijt en Joost Veer.

Print Friendly, PDF & Email