Hofdijk, Willem Jacobsz, balladen (Jaarboek 39 2016 pg 11-13)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 39, pagina 11

Willem Jacobsz. Hofdijk, Castricumse balladen

Het is dit jaar 200 jaar geleden dat Willem Hofdijk in Alkmaar geboren werd. In de huiselijke omgeving met zijn stiefvader en in de contacten met zijn vrienden raakte hij begeesterd door de romantische dichtkunst van zijn tijd en de middeleeuwse geschiedenis. Hij werkte enkele jaren elders als hulponderwijzer en debuteerde als romantisch dichter met de bundel ‘Rosamunde’. Terug in Alkmaar kreeg hij daar een positie als klerk op de secretarie. Op zijn naam staan vier balladen die Castricum als achtergrond hebben.

Willem Hofdijk in 1858 (gravure door J.H. Rennefeld).
Willem Hofdijk in 1858 (gravure door J.H. Rennefeld).

In die jaren maakte hij kennis met zijn plaatsgenoot Geertruida of Truitje Toussaint, die toen al een paar historische romans op haar naam had staan. (Het borstbeeld van haar, na haar huwelijk met de schilder Johannes Bosboom alom bekend als Truitje Bosboom – Toussaint, staat in Alkmaar aan het begin van de Kennemerstraatweg.) Zij bracht Hofdijk in contact met de Kring van Heiloo, de moderne schrijvers en dichters die zich verzamelden rondom J.P. Hasebroek, de nieuwe dominee in het Witte Kerkje van Heiloo. Die zagen niet veel in Hofdijks overdreven romantische gedichten. In literaire kringen kon men iets meer waardering opbrengen voor de gedichten die hij in 1844 publiceerde onder de titel ‘In de duinen van Castricum’.
Ondertussen was hij begonnen zich meer te verdiepen in de middeleeuwse geschiedenis van Kennemerland. Onderwerpen daaruit ging hij gebruiken voor een serie balladen, gedichten rondom een historische gebeurtenis of een legende, over alle plaatsen in Kennemerland. Hij noemde zich graag ‘De minstreel van Kennemerland’.

Prinses Sophie van Würtemberg in 1863; zij was na haar huwelijk met Koning Willem III, koningin der Nederlanden (1849-1877).
Prinses Sophie van Würtemberg in 1863; zij was na haar huwelijk met Koning Willem III, koningin der Nederlanden (1849-1877).

Die gedichten werden vanaf 1850 onder de titel ‘Kennemerland. Balladen’ in vijf deeltjes in Haarlem gepubliceerd. Tegelijkertijd verscheen een nieuwe uitgave in twee delen in Leiden en in 1853 nogmaals twee nieuwe uitgaven in Haarlem en Leiden. Hofdijk droeg de eerste bundel in mei 1850 op aan de nieuwe koningin, de vrouw van koning Willem III, prinses Sophie van Württemberg, die als beschermster van kunst en letterkunde gezien werd.

Als inleiding op de drie balladen over Castricum schrijft hij:
“Castricum is een oud en edel Kennemer hoofddorp, in de vlakke velden aan den voet van het duin. Het komt my voor, waarschijnlijk van Romeinschen oirsprong te zijn. De kerk, voorheen toegewijd aan Sint-Pancras, en zichtbaar van zeer ouden grondslag, draagt op een verweerden steen, die vroeger boven den ingang zal gestaan hebben, maar thans in den beer ter linkerzijde van den toren gemetseld is, het jaarmerk anno xiicxix.”

Dat jaartal 1219 (in plaats van 1519, het jaar waarin kerk en toren werden verbonden) is niet de enige fout waaraan historici zich geërgerd hebben. Ze verwerpen zijn balladen als pure fantasie. Van de andere kant erkennen ze wel dat, dankzij de romantiek en dichters als Hofdijk, de wetenschappelijke bestudering van de middeleeuwse geschiedenis van de grond is gekomen. Willem Jacobsz. Hofdijk moeten we in dit werk in de eerste plaats als dichter zien, een dichter die zich heel vrij baseert op mondelinge en schriftelijke bronnen.

Deze drie Castricumse balladen zijn: De lijfknaap van Castricum (1005), De stalboef (1358) en Het Wisselkind (1150).

De lijfknaap van Castricum (1005). De eerste en historisch gezien oudste Castricumse ballade plaatst Hofdijk in 1005 als Gozzowijn heer van Castricum is. Zijn enige dochter Tette wordt door een leider van de Friezen, Rienck IJfs uit het West-Friese Winkel, voor de poort van kasteel Cronenburg als zijn vrouw opgeëist.


Jaarboek 39, pagina 12

De titelpagina van deel 3 van ‘Kennemerland, Balladen’, waarin de drie Castricumse balladen zijn opgenomen.
De titelpagina van deel 3 van ‘Kennemerland, Balladen’, waarin de drie Castricumse balladen zijn opgenomen.

De lijfknaap van Castricum (1005)

Voor ‘t hooge Huis te Castricum
Daar blaast een horen luid.
Heer Gozzo zat in de opperzaal,
En zag het boograam uit:

“Wat wil die barsche stierenhuid?
Wat wil die Friesche hond?
Ik was nog nooit in een landouw.

Waar ik zo’n landreus vond!” –

– “Heer Gozzowijn van Castricum!
En houd u niet zoo blind:
Hier staat 
rienc IJfs, de Winckelaer,
en vraagt uw liefste kind;

“Hier staat Rienc IJfs, de Winckelaer,
en eischt haar tot zijn bruid –
Of anders staat ge uw erf hem af
En trekt uw burchtpoort uit.” –

Haar ‘lijfknaap’, haar page, die het jaar daarvoor op de vlucht door Heer Gozewijn gastvrij was opgenomen, biedt zich aan om haar eer te verdedigen.

Toen trad heur wakkre Lijfknaap toe,
Van onbekenden stam:
“Gy naamt my op in ‘t vorig jaar,

Toen ik hier vliedend kwam –

Nu zegge ik, dat mijn proef van trouw
Ten dank u blijken ga:
Hier zet ik u mijn eed ten pand,
Dat ik dien Fr
ies versla.” 

Als hij erin geslaagd is de reusachtige Rienck te verslaan, maakt hij zich bekend als Sijvaert, of Siegfried, de zoon van graaf Aernout van Holland. (De ‘Sifriedstraat’ in Bakkum is vermoedelijk naar de held van deze ballade genoemd.) Daarop vraagt Sijvaert aan Gozewijn zijn dochter ten huwelijk:

– “Dan weet – ik vraag uw erf niet, neen!
Maar schenk me uw kind ten loon:
Want ben ik niet van Kenmer bloed –
Ik ben Grave Aernouts zoon.


En kwam ik hier als zwerver aan,
Vermomd in vreemd gewaad –
Dat was wijl ik een Ridder sloeg,
In onbedachten raad”. –


Jaarboek 39, pagina 13

De grijzaart zag zijn kind in ‘t oog:
-”Wat, Tetta! dan gemard?…”
En Jonker 
syvaert sloot geroerd
Zijn schoone bruid aan ‘t hart.

De stalboef (1358) bezingt hoe in de tijd van de Hoekse en Kabeljauwse twisten heer Reynout, de nieuwe baljuw van Kennemerland, door zijn stalknecht (stalboef) net op tijd gewaarschuwd wordt voor een hinderlaag. Hij zoekt zijn toevlucht in de toren van de kerk van Castricum:

Heer Reynout klom ten toren op
En zag van alle zij
De Castricummers aangespoed,

En riep met drift en stouten moed:
“Dien wakkren dorpers by!”

Dankzij de toegesnelde dorpelingen worden de Kabeljauwse belegeraars verdreven en de baljuw bevrijd.

Een heel bijzondere ballade, die meer op een sprookje lijkt dan op een legende, is ‘Het Wisselkind (1150)’. Het gaat over de Heinmannekens, kabouters die in de duinen bij Bakkum leefden.
Een dorpsoudste van Bakkum ziet op een nacht een mooi meisje, Belwit, in het duin op een gouden harp spelen. Betoverd door de zoete tonen van de muziek en haar schoonheid biedt hij haar zijn huis en zijn hart aan:

“Belwit, lieflijkste aller schonen!
Duinroos, geurende overzoet!
Wat toch heeft de wildernisse
Lokkend voor uw teer gemoed?

Op de Santmark staat mijn huizing,
Cierlijk als een landkasteel –
Belwit! ‘k biede ‘t met mijn harte
U ten recht en wettig deel.”

Door zijn optreden weet hij de betovering, waardoor het meisje in de macht van de Heinmannekens was, te verbreken en haar te bevrijden. Het verhaal over die kabouters zegt Hofdijk opgetekend te hebben uit de mond van Klaas Mooij, een oude landman uit Egmond-Binnen.

Fictieve afbeelding van Croonenburg (in welstand). Sepia-tekening van omstreeks 1720 van Abraham Rademaker.
Fictieve afbeelding van Croonenburg (in welstand). Sepia-tekening van omstreeks 1720 van Abraham Rademaker.

Bij de uitgebreide herdruk van de bundel Kennemerland Balladen in 1876 heeft Hofdijk tussen de nummers twee en drie nog een vierde Castricumse ballade ingevoegd, ‘Getuigenis der Liefde’. Het gedicht speelt in dezelfde tijd als De lijfknaap van Castricum.
Het vertelt hoe bij Castricum een meisje en een ruiter elkaar toevallig ontmoeten en elkaar hun liefde bekennen. Die ruiter blijkt later Aernout, de zoon van graaf Diederik, te zijn. Als Aernout gedwongen wordt te trouwen met ‘Vlaandrens fiere spruit’, ontdekt het meisje na het huwelijk wie haar ruiter is. Als deze in de slag bij Winckel in 1003 of 1004 sneuvelt, wordt zijn lichaam niet gevonden.

En dat vernam een bleeke vrouw,
een vrouwe, stil en droef,
Die woonde aan ‘t duin van Castricum,

ter eenzaamlyke hoef.

Zij gaat naar het slagveld en vindt in aanwezigheid van een abt het lijk. Zij omarmt het, bezwijmt en sterft met de woorden ‘Thands uw bruid’. Ze worden beiden in hetzelfde graf begraven.

Willem Hofdijk kreeg in 1851 ook maatschappelijk erkenning door zijn benoeming als leraar Nederlandse geschiedenis en letterkunde aan het Stedelijk Gymnasium in Amsterdam. Hij bleef actief als amateurschilder, dichter, toneelschrijver en historicus. Ook Alkmaar en Kennemerland bleven zijn belangstelling houden. Zijn hoofdwerk op het gebied van de geschiedenis, zijn zes delen omvattende Ons voorgeslacht in zijn dagelijksch leven geschilderd(1859-1864), is historisch gezien volledig achterhaald.

Arnold van Gemert

Literatuur:

  • Bork, G.J. van, Schrijvers en dichters: Hofdijk, W.J.;
  • Hendriks, A., Willem Hofdyk, de minstreel van Kennemerland, Amsterdam 1928;
  • Mathijsen, Marita e.a., De Kring van Heiloo, Vereniging Oud-Heiloo, Heiloo 1982.
Print Friendly, PDF & Email