In memoriam Loek Zonneveld (Jaarboek 37 2014 pg 115-116)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 37, pagina 115

In memoriam Loek Zonneveld

Loek Zonnneveld
Loek Zonnneveld

Op 12 december 2013 twee dagen na zijn 83e verjaardag overleed Loek Zonneveld. Loek was bijna 30 jaar een markant lid van de werkgroep Oud-Castricum. Samen met Jaap Stuifbergen verzorgde hij talloze diavoorstellingen over de historie van ons dorp. Hij werkte mee aan tentoonstellingen en aan de uitgifte van verschillende boekwerkjes. Hij beheerde de fotocollectie en de donkere kamer van de werkgroep. Bovenal was hij, geboren Bakkummer, een vraagbaak voor allerlei onderwerpen op het gebied van de plaatselijke historie. Aan de moeilijke oorlogsjaren bewaarde hij levendige herinneringen. Onvergetelijk zoals hij kon vertellen over de armoede in de crisisjaren en de grote standsverschillen. Loek kende ontzettend veel mensen ook dankzij zijn functies bij Vitesse ’22, Radio Castricum, de Amateurtuindersvereniging en zijn werk als operateur in het Corsotheater. We zijn blij dat hij in 2012 nog kon helpen bij een tentoonstelling en een artikel in het jaarboek ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van deze bioscoop. Zo’n 17 jaar was Loek bestuurslid van Oud-Castricum en tot op het laatst had hij belangstelling voor het wel en wee van de werkgroep. Hij was trots op de koninklijke onderscheiding die hem voor zijn vele verdiensten in 2006 werd toegekend. De werkgroep zal hem erg missen.

Herinneringen van Loek Zonneveld

Mijn grootvader Kees woonde op het Commissarishuis, een klein boerderijtje aan de Zeeweg. Hij tuinde in het duin en hield er een koppel geiten. Hij beheerde ook een stortplaats voor schelpen. Als er veel schelpen op het strand lagen dan gooiden de schelpenvissers hun wagen leeg bij mijn grootvader en keerden zo snel mogelijk terug naar het strand voor een nieuwe lading. Er werd bijgehouden hoeveel karren er gelost werden en die hoeveelheid konden de schelpenvissers later weer ophalen om naar de kalkovens te brengen. Mijn vader ‘Jaap van Kees’ is in het Commissarishuis geboren. Hij heeft ook schelpen gevist en hij ging diepspitten bij de boeren. Wat hij ook deed was takken halen uit het duin voor de bakkersovens. Hij deed van alles om aan de kost te komen. We hebben het in de dertiger jaren erg arm gehad.

De polis van de ‘dooienverzekering’ werd als onderpand gegeven voor een lening. Alle kleren maakte moeder zelf. Ze moest dus een naaimachine hebben. Die betaalden ze af met 25 cent in de week.

Op de Mient woonde een familie Loeb, een vriend van dokter Leenaers. Hij was advocaat en van joodse afkomst. In 1940 emigreerde hij naar Argentinië. Zijn dochter woont er nog en een zoon van hem woont in Amsterdam. Die advocaat stuurde toentertijd een wieg met allemaal kleren die zijn eigen zoon niet meer aan kon. Daar had ik dan een pakkie van. Het was een pak met allemaal blokkies erop; het leek op een clowntjespak. Ik zal het nooit vergeten. Je was er trots op want je had niets anders.

Aan mijn schooltijd heb ik geen goeie herinneringen. Ik had altijd het gevoel dat de meeste onderwijzers op arbeiderskinderen neerkeken. Als je van de middenstand was dan werd je voorgetrokken.

Het was ook nog eens een onzekere tijd. In begin 1940 werd een deel van de jongensschool van de Augustinus gevorderd voor de Nederlandse soldaten. Er was een veranda en die maakten ze dicht en dat werd een keuken. De schoolkinderen werden overal neergezet. Er ging een klas in het gymnastieklokaal en er zat een klas op de gang. In 1943 werden veel mensen geëvacueerd en zo af en toe was er geen school. Schriften waren er niet meer.

Erg kerks waren we niet en dan hoor je er ook al niet bij. Mijn hoogste rapportcijfer was 163 voor kerkverzuim. We woonden toen aan de Heereweg. Als je zondags naar de bijeenkomst van de Heilige Familie ging, een soort katholieke zondagsschool, dan kwam je om kwart voor één thuis en dan stond je prakkie op de kachel. Dat vond ik zonde van mijn zondagseten, want dat was de enige keer dat je een stukkie vlees op je bord kreeg en moeder maakte dan ook nog eens pudding. Ik ging dus niet meer naar de Heilige Familie. Ook mijn vriend Joop Koper niet. Op een gegeven moment kwam kapelaan Van der Zalm zeggen dat we moesten komen. Ik weet het nog als de dag van gisteren. Die keer dat we er heen gingen was er een bijzondere bijeenkomst, een soort inwijding of zo. We liepen de kerk binnen. Van der Zalm zei toen: ‘’Ik had nu ook maar niet gekomen.” We draaiden ons tegelijk om en liepen de kerk weer uit. Dat was foute boel natuurlijk. Maandag op school kwam ik het wel aan de weet. Ik heb ‘s middags van 2 uur tot half 4 op mijn knieën moeten zitten.

In 1945, toen ik een jaar of 14 was, ging ik op werk uit. Je mocht op die leeftijd nog niet werken. De bunkers werden afgebroken. Samen met een koppel jongens mocht ik voor de smid Klaas Koper van die eenmansputten uit de grond halen. Na een halfjaartje kwam er op een zaterdagochtend een mannetje van het leger langs. Hij ontsloeg iedereen van rond de 15 jaar. Volgens hem moesten we naar school. Die man had wel goeie opvattingen maar daar hoefde ik thuis niet mee aan te komen. Toen heb ik in het duin boompjes geplant en daarna werd ik een soort loopjongen voor het PWN op het oude Fochteloo. Ik heb daar drie jaar gezeten en ook nog een cursusje gevolgd en allerlei administratief werk gedaan.

In 1946 ben ik ‘s avonds in de bioscoop gaan werken. Want wat ik bij het PWN verdiende gaf ik af en zo kon ik nog geen kleren kopen. De centen die ik in de bioscoop verdiende mocht ik zelf houden.
Ik werd buitengewoon dienstplichtig en hoefde dus niet


Jaarboek 37, pagina 116

in dienst. Van de gemeente kreeg ik later nog wel een brief dat ik bij de organisatie Bescherming Bevolking aan de slag moest. Daar heb ik op ingevuld: “Ik wens geen zaken te doen met jullie.” Zo heb ik het in de brievenbus gegooid. Ik heb er nooit meer iets van gehoord.

Op een gegeven moment ben ik helemaal in de bioscoop terecht gekomen. Dat salaris droeg ik weer af en zo had ik nog weer niks. Toen ben ik gaan helpen bij Biesterbos in de fietsenstalling voor extra geld. Met een beetje heibel ging ik bij de bioscoop weg.

Mijn volgende baan was de linoleumfabriek in Wormerveer. Ik walgde van de stank. Toen kreeg ik een aanbieding uit Hilversum of ik bij een onderdeel van de NOS wilde werken. Dat was door mijn contacten bij de Bioscoopbond. Daar heb ik zo’n anderhalf jaar gewerkt. Ik was bij de opnames van het programma van Mies Bouwman en nog een paar andere afdelingen. Ik kon in dat wereldje toch niet wennen.

Daarvandaan ging ik naar de Hoogovens, waar ik 36 jaar heb gewerkt. Ik ging ‘s avonds ook weer in de bioscoop aan de slag. Dat kwam zo: ik had net scooterles gegeven bij Co Fontein, een ander bijbaantje, toen ik werd gevraagd weer in te vallen want de operateur was niet gekomen. Vanaf die tijd ben ik er gebleven. De speciale donderdagavond voorstellingen kwamen er op mijn initiatief, Ik voelde me samen met de familie Bettink verantwoordelijk voor de gang van zaken. Ik heb er in totaal 41 jaar gewerkt. En diploma als operateur had ik niet maar ik redde het evengoed.

Mijn vrouw Thea was verpleegster op Duinenbosch. Ik ontmoette haar in 1958 en eind 1960 zijn we getrouwd. Het feest was in de Brabantse Landbouw, waar toen een zuster van mij woonde. Ik ging bij mijn vader en moeder inwonen, maar in 1961 kregen we een huis aan de Poelven, Daarvoor heb ik toen een niet zo zachtzinnig gesprek met de burgemeester moeten voeren.

Loek met kleinzoon Sem op de tuin.
Loek met kleinzoon Sem op de tuin.

Later zijn we naar de Zeeweg verhuisd. In 2010 hebben Thea en ik onze gouden bruiloft samen met onze drie kinderen en vijf kleinkinderen gevierd in Hotel Borst. De zaal staat op de plaats waar mijn geboortehuis heeft gestaan. Ik kan me geen andere woonplaats dan Bakkum voorstellen.

Niek Kaan

Print Friendly, PDF & Email