Johanna’s Hof (Jaarboek 27 2004 pg 3-15)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over middenstanders in Castricum: architectbakkersbioscoopbouwbedrijfcafé / hotelcafés en kasteleins in Bakkum –  drukkersexpeditiegasfabriekgroenteboerengroenteveilingkruideniersmelkboerenmelkfabriekmolenaarrestaurantschelpenvissersschilder – schildersbedrijf – slagerssmidsmederijstoomwasserijstrandvonderveldwachtersvrachtrijderijwereldwinkel


Jaarboek 27, pagina 3

De geschiedenis van Johanna’s Hof

Boerderij – theehuis – partycentrum

Inleiding

Johanna’s Hof kent een rijke historie die een aanvang neemt met de bouw in 1832 tijdens de uitvoering van een grootschalig ontginningsproject in het duingebied van Bakkum en Castricum. In dit artikel wordt uitvoerig ingegaan op dit project, dat diende om uitgestrekte duinvalleien voor landbouw en veeteelt geschikt te maken, Dit gebeurde onder andere door de aanleg van wegen, kanalen en sloten, die moesten zorgen voor een goede waterhuishouding en door de bouw van meerdere duinboerderijen. Naar aanleiding van de aankoop in 1829 van een uitgestrekt duingebied voor dit project door koning Willem I wordt het eigendom van het duingebied in de opeenvolgende eeuwen geschetst. Verder worden de geschiedenis, de opeenvolgende bewoners en de naamgeving van de duinboerderij Johanna’s Hof behandeld.
In 1927 wordt door de toenmalige eigenaar, Provincie Noord- Holland, besloten om de inmiddels bouwvallige boerderij te slopen en wordt in haar opdracht in 1933 een fraai uitziend hotel-café-restaurant gebouwd. Dit kreeg de naam: Theehuis Johanna’s Hof; de exploitatie wordt verpacht aan Cornelis Heek. De Tweede Wereldoorlog ‘gooit roet in het eten’ en Johanna’s Hof gaat dienen als verblijf voor hoge Duitse officieren. Kort voor de bevrijding in 1945 gaat het Theehuis in vlammen op, alleen de garage annex schuur blijft behouden.
Van hieruit begint Theun de Hoop kort na de oorlog het bedrijf weer op te bouwen. Vanaf 1981 is Gerrit Dokter hier bedrijfsleider en hij heeft in het jaar 2000 het eigendom van Theun de Hoop overgenomen. De aanleiding hiertoe vormde een grote brand in december 1999, waarbij een flink deel van het bestaande gebouw in de as werd gelegd. Met de herbouw van Johanna’s Hof en de heropening in 2001 is met behoud van het oorspronkelijke karakter ook een grote uitbreiding gerealiseerd die het geheel mede de functie van partycentrum heeft gegeven.

Landbouw en veeteelt in de duinvalleien

Het duingebied was tot de 19e eeuw een wildernis die steeds van aanzien veranderde door de vele zandverstuivingen. Aan de dorpen was een verplichting tot helmbeplanting op de binnenduinen opgelegd om de aangelande gronden, erven en huizen tegen verstuiving te beschermen. Dit duingebied werd in die tijd vooral voor de jacht gebruikt en voor de konijnenvangst. De konijnenvangst werd door de eigenaar van het duingebied verpacht aan een duinmeier die bovendien het beheer voerde over het duingebied en er zijn woning had.
Al aan het einde van de 18e eeuw zijn er pogingen ondernomen om kleine delen van het duingebied voor de landbouw geschikt te maken. In het duingebied van de familie Deutz van Assendelft werd in 1771 een bedrijf gesticht ‘De Brabantsche Landbouw’, een gemengd bedrijf met enkele melkkoeien, jongvee en schapen die de mest leverden voor 30 hectare akkerland.

In de tientallen jaren die volgden, werd de roep steeds sterker om de laag gelegen gedeelten in het duingebied beter te gaan benutten voor landbouw en veeteelt. In 1799 werd een ‘Ontwerp tot vruchtbaarmaking der duinen’ aangeboden aan de Eerste Kamer van het Vertegenwoordigend Lichaam des Bataafschen Volks. Dit ontwerp was opgesteld door Jan Kops, toen chef van het Bureau van Landbouw en ging uit van een ontginning en kolonisatie van 16.000 morgen (ca. 13.000 ha) duingebied. Het plan werd door zijn grootschaligheid door het departementaal bestuur niet goed ontvangen. Bovendien waren er in deze Franse periode weinig mogelijkheden voor investeringen.

Door de ‘Maatschappij tot bevordering van den Landbouw’ was in 1816 een prijsvraag uitgeschreven voor het opstellen van een ontwerp om voor landbouw geschikte duinvalleien te ontsluiten door deze te voorzien van een goede afwatering en van toegangswegen. Als reactie hierop zond Daniël Theodore Gevers van Endegeest een omvangrijke verhandeling in over de ontsluiting van de Nederlandse duinen voor de landbouw en noemde het duingebied van Bakkum als een geschikte plaats voor ontginning met een afwateringsproject van de Hoepbeek. De plannen van Gevers werden in 1824 met goud bekroond en behelsden de ontwikkeling van het duinterrein tot een volwaardig landgoed met een landhuis, wegen en vaarten, boerderijen met landbouwgronden en bospartijen voor houtkap, jacht en recreatie. Het landgoed moest zichzelf kunnen bedruipen op basis van een rendabele landbouwondememing en moest bovendien landschappelijk mooi zijn. Het zwaartepunt was veeteelt, de akkerbouw werd van secundair belang geacht. De stalmest moest voor vruchtbare weiden en akkers zorgen.

Het voorgaande speelde zich af tijdens de regeerperiode van Koning Willem I, die groot voorstander was van het uitvoeren van landontginningsprojecten, sterk betrokken was bij de economische ontwikkeling van ons land en daarvoor initiatieven ontplooide. In 1829 geeft hij de Amsterdamse makelaar Jan Cornelisz Twisk opdracht om het duingebied, voornamelijk gelegen onder Bakkum en ter grootte van ruim 1000 hectare, te kopen. Voor de uitvoering van het ontginningsproject en het beheer van het zogenoemde ‘Landgoed Bakkum’ stelde de koning op 12 september 1829 een commissie in, bestaande uit de eerder genoemde Daniël Theodore Gevers van Endegeest (op dat moment referendaris bij de Raad van State), David Jacobus van Lennep (hoogleraar aan het Atheneum in Amsterdam en een van de directeuren van de Maatschappij tot bevordering van den Landbouw) en Jacob Rendorp (grootgrondbezitter en ambachtsheer van Heemskerk en Wijk aan Zee en Duin).

De vroegere eigenaren van het duingebied

In de 17e eeuw waren de graaf van Egmond en de heer van Marquette beleend met het duingebied in onze regio. Nadien werd het duingebied door de Staten van Holland verkocht aan veelal vermogende Amsterdamse families.
In 1832 wordt bij de oprichting van het Kadaster vermeld dat van het duingebied in de gemeente Castricum het noordelijke gedeelte ter grootte van 665 hectare in het bezit is van Abraham Jacobsz Barnaart, het zuidelijke gedeelte ter grootte van 769 hectare van Andries Adolph Deutz van Assendelft en een tussenliggende strook duin groot 344 hectare van jonkheer Lucas Boreel.

Abraham Jacobsz Barnaart stond vermeld in de kadastrale registers als rentenier wonende in Sassenheim. Hij is op 23 mei 1829 in Lisse overleden. Het opmeten van alle percelen in de gemeente Castricum en de uitwerking en registratie in de zogeheten oorspronkelijk aanwijzende tafels (O.A.T.) strekten zich uit over een aantal jaren


Jaarboek 27, pagina 4

Het duingebied van de gemeente Castricum met daarbij aangegeven de eigenaren van de verschillende delen van dit duingebied en de aanwezige duinboerderijen in de periode vóór 1829.
Het duingebied van de gemeente Castricum met daarbij aangegeven de eigenaren van de verschillende delen van dit duingebied en de aanwezige duinboerderijen in de periode vóór 1829.

voorafgaande aan de officiële oprichting van het kadaster in 1832. Daarom staat in de O.A.T. nog Abraham Barnaart als eigenaar te boek. terwijl hij in 1829 reeds is overleden. Abraham Barnaart, afkomstig uit een Amsterdamse koopmansfamilie, kocht in 1803 het duingebied ten noorden van de Zeeweg (toen gemeente Bakkum) met de bijbehorende duinboerderij ‘Het Zeeveld’ van de erfgenamen van de Alkmaarse koopmansfamilie Van der Nolle. (Zie het 7e jaarboekje.) Het duingebied ten zuiden van de Zeeweg (Castricum) had hij in 1813 gekocht van de erfgenamen van Jan van Bruijnswaard en Guurtje van Velsen.

Op 24 oktober 1829 verkochten de erfgenamen van Abraham Barnaart Jacobszoon aan de Amsterdamse makelaar Jan Cornelisz Twisk in opdracht van Koning Willem I het gehele duingebied in Bakkum gelegen ten noorden van de Zeeweg (469 ha) met de boerderij ‘Het Zeeveld’ en het duingebied ten zuiden van de Zeeweg (196 ha) met de duinboerderij ‘Het Zeeduin’. (Deze boerderij is afgebroken vóór 1914, stond nagenoeg op de plaats van het kantoor Fochteloo van PWN en is afgebeeld in het 20e jaarboekje blz. 36.) Deze bezittingen werden voor 12.240 gulden aan makelaar Twisk verkocht.

Jonkheer Lucas Boreel was in 1780 in Amsterdam geboren en zoon van de toen machtige mr. Willem Boreel en Maria Trip. Lucas trouwde in 1811 met Maria Johanna Sara, gravin van Limburg Stirum en was tot 1830 houtvester van het eerste jachtdistrict in de provincie Noord-Holland. Daarna had hij zitting voor de Ridderschap in de Staten van Noord-Holland. In 1826 kocht hij een duingebied onder Castricum ter grootte van 344 hectare met de daarop staande duinmeierswoning, later ‘De Kwekerijwoning’ genoemd (‘Het Oude Huys’ op het terrein van Duin en Bosch). Deze bezittingen in het duingebied van Castricum werden door jonkheer Lucas Boreel op 3 oktober 1829 voor 8.000 gulden bij Jean de la Chambre Karshoff, notaris te Beverwijk, uit de hand verkocht aan makelaar Jan Cornelisz Twisk, die handelde in opdracht van Koning Willem I.

Het ontginningsproject

Na de instelling van de commissie door koning Willem I in 1829 werd het project voortvarend aangepakt. De grote, drijvende kracht was Daniël Theodore Gevers van Endegeest, zoals blijkt uit het omvangrijke archief dat over het ontginningsproject is bewaard. Dit omvat onder andere de uitwerking van de plannen, de bouwtekeningen en de uitvoerige correspondentie die is gevoerd door Gevers met de andere commissarissen en met hoofdopzichter Kros over allerlei lopende zaken, over de voortgang van het project en de besluiten.

Jonkheer mr. Daniël Theodore Gevers van Endegeest was geboren op 25 augustus 1793 in Rotterdam en zoon van jhr. mr. Dirk Cornelis Gevers en Maria Catharina de Leeuw. Hij trouwde in Amsterdam op 28 mei 1828 met jonkvrouwe Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, geb. Amsterdam 6-10-1807 en dochter van jhr. mr. Andries Adolph Deutz van Assendelft en Jacoba Margaretha Maria Boreel. Zijn schoonvader bezat duingebied in Castricum (860 morgen) en Heemskerk (554 morgen). Dit duingebied maakte deel uit van het ontwikkelingsproject.
Daniël Gevers studeerde rechten in Leiden en promoveerde in 1817, was referendaris bij de Raad van State, achtereenvolgens lid van de Tweede en Eerste Kamer, voorzitter van de Tweede Kamer, minister van Buitenlandse Zaken. Daarnaast was hij o.a. president-curator aan de Leidse Hogeschool, voorzitter van de commissie van beheer en toezicht over de droogmaking van de Haarlemmermeer, regent van het Deutzenhotje en ambachtsheer van Endegeest, Oegstgeest en Poelgeest. Hij woonde o.a. in ‘s-Gravenhage en op landgoed Endegeest te Oegstgeest, waar hij op 27 juli 1877 kinderloos is overleden.

Gerrit Willems is aangesteld als opzichter/voorman op het ‘Landgoed Bakkum’ en fungeert als zodanig als assistent-in-het- veld voor opzichter/rentmeester Jan Kros, die niet op het Landgoed woont maar in Spaarndam en tevens opzichter is over de Rijnlandse werken aldaar.
Opzichter Willems werkt zelf ook mee aan de aanplant en verdient 2 gulden per dag. Dat is beduidend meer dan een arbeider in het ontginningsproject, die 16 stuivers per dag verdient.
In 1830 wordt er al volop gewerkt en gebouwd. Op 20 september van dat jaar is de bouw van het Commissarishuis aan de Zeeweg gereed. In dit pand is een kamer ingericht voor het verblijf van commissarissen. Bij het Commissarishuis kunnen ca. 15 koeien worden geplaatst. Ook is er een veestal in aanbouw voor de plaatsing van 38 koeien en berging van hooi (later Van Lennepsoord genoemd). In de bestaande stal bij Bakker (de toenmalige bewoner van de Kwekerijwoning) zijn 25 koeien ondergebracht. Vanwege de stalcapaciteit van ca. 78 koeien en het aanwezige aantal van 61 volgt het besluit om er nog een tiental koeien bij te kopen. Aan de ontginningswerkzaamheden wordt op dat moment door 58 ‘aardwerkers’ gewerkt.


Jaarboek 27, pagina 5

Ook in september van 1830 worden plannen genoemd om een schuur direct aan de vaart (het Koningskanaal langs de Zeeweg) te bouwen met de deur aan het water om zo gemakkelijk het water uit de vaart direct in een bak te scheppen of te pompen en het via een goot naar de stalgoot te brengen voor de koeien. Bij de inrijdeur voor de hooiwagens zal aan weerszijden een stal worden gebouwd voor de plaatsing van vier paarden. Tegenover de paardenstal komt dan later een woning voor de boer; hierin hoeft dan geen grote hooizolder te worden ondergebracht.

Overzicht van de ligging van de boerderijen, de ontgonnen kavels en de loop van de hoofdafwatering (uit boek Jelles).
Overzicht van de ligging van de boerderijen, de ontgonnen kavels en de loop van de hoofdafwatering (uit boek Jelles).

Bouw van boerderij Johanna’s Hof

In februari 1832 heeft Gevers in het Commissarishuis overnacht. Hij is op dat moment kapitein van de 1e compagnie van het veldbataljon der Haagse Schutterij te Standaardbuiten bij Zevenbergen, Gevers rapporteert: “De bewoner V. d. Berg en zijne vrouw schijnen wel tevreden, zoo ook Tromp aan het Zeeduin en Jacobs aan de Duinwoning, die thans een knecht heeft en een eigen ploeg en ijverig werkt. Willems heeft zich aangeboden als blijvend opziener maar naar het zeggen van den heer Kros zoude het in zijn belang zijn en niet tot schade der onderneming dat Willems niet voor het najaar in het duin kwam. Hij zou dan in de nieuw gebouwde woning kunnen komen.”
Op 3 maart 1832 is er een beschrijving en schetsplan opgemaakt voor de te bouwen boerenwoning. De schatting is dat deze in september 1832 door Willems kan worden betrokken, die op dat moment zelf in Bakkum buiten het duingebied woont, terwijl zijn gezin nog in Spaarndam verblijft. Er wordt gerekend op een stalcapaciteit van 16 koeien en 5 paarden.

Plan voor de aanleg van erf en omliggende terrein rond de boerderij. Ook de Johanna's laan en Johanna's bosch worden genoemd.
Plan voor de aanleg van erf en omliggende terrein rond de boerderij. Ook de Johanna’s laan en Johanna’s bosch worden genoemd.

Op 23 mei 1832 wordt de nieuwe woning voor de somma van 5.000 gulden aanbesteed aan Klaas de Vries, timmerman en Fulps Ranke, metselaar, beiden wonende in Castricum. In een brief van 31 juli van Kros aan Gevers wordt gemeld: “De woning vordert thans zeer goed. Er is hoop dat in deze week de balken gelegd zullen worden en aan het kapwerk een begin zal komen.”
In september bericht Kros dat Willems waarschijnlijk in november zijn nieuwe woning kan betrekken en mogelijk, als hij zijn huis hier spoediger kan verhuren, nog wel eerder. Ook is er een plan gemaakt voor de aanleg van het erf van Johanna’s Hof. De tekening geeft de geplande inrichting van het erf met een tuin en een boomgaard achter de boerderij. Daarbij wordt o.a. vermeld: “Voor het huis een bloemrond en het overige bezood; om het huis zoude het om de verstuiving niet kwaad zijn enige schulpen te doen brengen.”

Kros rapporteert over dit plan aan Gevers: “Ik heb dit Willems overgebragt. De woning hem aangenaam te maken om het er zijne vrouw te doen behagen, zal niet meer noodig zijn. Maandagmorgen heeft hij haar gezond verlaten, eenige zwakheid uitgezonderd, die zij van eene koortsige gesteldheid had behouden. Nog zal hij niet te Bakkum geweest zijn of zijne vrouw was aangetast van de cholera die hier vrij sterk heerscht. Willems is dadelijk gehaald, heeft het geluk gehad van haar nog levend te zien, maar niet om haar te behouden, zijnde zij ‘s nachts ten 11 en 1/2 ure van denzelfden dag reeds overleden. Daardoor zal hij eenige dagen tehuis moeten zijn en het is hierom dat ik mij na Bakkum zal moeten begeven.”

Enkele weken later schrijft Kros over Willems dat het verlies van zijn vrouw geen verandering heeft gebracht in het aanvaarden van zijn post en dat hij vanaf 15 oktober op Johanna’s Hof woont.

In hun rapportage aan koning Willem I over het jaar 1832 schrijven de commissarissen: “Er is voor de daartoe geraamde som van 6.000,- gulden behoorlijk in het onderhoud der gebouwen voorzien en eene nieuwe boerenwoning aan de Hoepbeeksche vaart aangelegd, Johanna ‘s Hof genaamd, liggende tusschen die landen welke het eerste voor verhuring zullen vatbaar zijn. Dezelve is reeds door den


Jaarboek 27, pagina 6

opzichter bewoond, het koren is er in den nazomer gedorschen en 16 stuks jong kalfvee, benevens 5 paarden vinden er eene behoorlijke stalling. Tot nu toe voldoet dit gebouw geheel aan het doel en aan de verwachting.”

Ondertekening door de drie commissarissen.
Ondertekening door de drie commissarissen.

De naam Johanna’s Hof

Blijft de vraag waar de naam Johanna’s Hof vandaan komt. Omdat er in 1830 voor de nieuwe grote schuur en stal de naam Van Lennepsoord is toegekend en dus de naam van een van de drie commissarissen Dirk Jacob van Lennep is gebruikt, ligt het voor de hand ook de naam Johanna bij de andere commissarissen te zoeken. Johanna was de vrouw van Daniël Th. Gevers en dochter van Andries Deutz van Assendelft, eigenaar van het zuidelijke duingebied in Castricum. Deze vrouw was gedoopt als Margaretha Johanna Deutz van Assendelft en officieel heette zij ook zo, maar zij gebruikte als roepnaam en lievelingsnaam Johanna. Deze naam is toegekend aan de boerderij en, zoals het kaartje voor de inrichting van het omliggende erf met tuin en boomgaard aangeeft, ook aan de oprijlaan en het achtergelegen bos: Johanna’s Laan en Johanna’s bosch. Dat zij zich Johanna noemde, wordt nog eens bevestigd door het feit dat er in meerdere onderhandse akten betreffende de verkoop in 1836 van stukjes bosland sprake is van de verkoop aan: “Jonkheer Mr. Daniël Theodore Gevers, wonende te ‘s-Gravenhage ten behoeve van zijn Hoogwelgeboren echtgenote Jonkvrouwe Johanna Margaretha Deutz van Assendelft.” Ook wordt in het Nederlandse Adelsboek (1913) Johanna als eerste voornaam gegeven.

Daniël Theodore Gevers van Endegeest (foto Iconografisch Bureau RKD 's-Gravenhage).
Daniël Theodore Gevers van Endegeest (foto Iconografisch Bureau RKD ‘s-Gravenhage).
Margaretha Johanna Deutz van Assendelft (foto Iconografisch Bureau RKD 's-Gravenhage).
Margaretha Johanna Deutz van Assendelft (foto Iconografisch Bureau RKD ‘s-Gravenhage).

In de vele brieven die zij aan Daniël schreef in hun verkeringstijd (onder andere in 1827), ondertekende zij met J. Deutz of met het familiaire Hansje Deutz. Op het grafmonument van Daniël Theodore Gevers van Endegeest op het kerkhof te Oegstgeest heeft zijn echtgenote een uitvoerig opschrift laten beitelen dat wordt afgesloten met: “door Johanna Margaretha Deutz van Assendelft Haren dierbaren Echtgenoot gewijd tot blijvend aandenken van zijn edel en Godvruchtig leven in dankbare Herinnering van nimmer te vergeten bijna vijftig jarig huwelijksgeluk.”

Koning Willem I op Johanna’s Hof

Volgens een artikel in de Alkmaarse krant prees de gemeente Castricum zich uiterst gelukkig om op 29 juli 1839 koning Willem I “op haren grond te mogen aanschouwen”. Doel van het bezoek van de koning was de bezichtiging van zijn duinontginning. Om 9 uur stapte hij uit zijn rijtuig bij de woning Johanna’s Hof en werd daarbij begroet door de Castricumse burgemeester Jan de Quack. Ook dominee Canne richtte het woord tot de koning en “betuigde zijne en der gemeente dankbaarheid en vreugde over de eer en het geluk, welke op dezen dag aan Castricum mogten te beurt vallen”. Volgens de krant begaf de koning, vergezeld door twee van zijn adjudanten en de commissarissen van de duinontginning, zich vervolgens in Johanna’s Hof, waar de hoog welgeboren vrouwen Rendorp van Marquette en Gevers voor Zijne Majesteit een dejeuné in gereedheid hadden gebracht. Kort hierna werd de koning in zijn rijtuig in de duinontginning rondgeleid.

Gerrit Willems, de eerste bewoner

De eerste bewoner van Johanna’s Hof vanaf 15 oktober 1832 is dus Gerrit Willems. Gerrit is in 1791 geboren in Spaarnwoude, is in Spaarndam achtereenvolgens werkman en winkelier. Hoogstwaarschijnlijk is hij door de in Spaarndam woonachtige hoofdopzichter Jan Kros benaderd, want in 1829 wordt hij opzichter bij het ontginningsproject in Bakkum en na beëindiging van dit project rond 1834 is hij landbouwer-veehouder op boerderij Johanna’s Hof tot zijn overlijden op 5 juni 1858. Gerrit trouwt in Spaarnwoude in 1834 met Antje van Stet, geboren in Limmen in 1792 en overleden te Spaarndam op 1 oktober 1832. Uit dit huwelijk zijn in Spaarnwoude/Spaarndam zes kinderen geboren, waarvan er drie jong overlijden. Gerrit betrekt Johanna’s Hof samen met zijn 16-jarige dochter


Jaarboek 27, pagina 7

Acte met vermelding; van de aankoop van een stukje bosland door 'Johanna Margaretha Deutz van Assendelft'.
Akte met vermelding; van de aankoop van een stukje bosland door ‘Johanna Margaretha Deutz van Assendelft’.

Antje en zijn 9- en 8-jarige zoons Meijndert en Gerrit. Dochter Antje trouwt in 1836 met Lourens Zonneveld van Bakkum; van dit echtpaar stammen vele Castricumse Zonneveldjes af. (zie het 21e jaarboekje Familie Zonneveld 1). Waarschijnlijk mede door deze familiebanden zien we dat later verschillende familieleden van Lourens Zonneveld in de zogeheten Duinontginning wonen. In een opgave uit 1903 van de te betalen pacht aan vorstin Von Wied wordt vermeld dat zoon Kees Zonneveld in het Commissarishuis woont, zoon Lou Zonneveld aan de zuidkant en Engel Zonneveld van Trijn Boon aan de noordkant op Van Lennepsoord, Piet Zonneveld van schoonzus Sientje Sinnige in de Kroftwoning en Jan Zonneveld van broer Jan in een huisje aan de Geversweg.

Gerrit Willems trouwt voor de tweede maal in 1837 met Guurtje Dekker uit Egmond aan Zee. Uit dit huwelijk worden nog de dochters Maartje, Dirkie en Pietertje geboren. In het bevolkingsregister van 1850 wonen behalve het gezin van Gerrit Willems en Guurtje Dekker ook de 30-jarige boerenknecht Jan de Winter, de 22-jarige werkbode Aaltje Hoegesteijn uit Den Helder en de 13-jarige Pieter van Wieringen uit De Rijp op Johanna’s Hof. Als weduwe hertrouwt Guurtje Dekker in 1860 met Dirk Bruin, sinds 1857 weduwnaar van Trijntje van Bruijnswaard en zij gaat bij hem in Bakkum wonen.

Gerrit Willems heeft nog de goede jaren van het project meegemaakt. Jaarlijks worden op Johanna’s Hof veeverkopingen gehouden die enkele duizenden guldens opbrengen.

Johannes Vasseur vlucht naar Amerika

Na het overlijden in 1858 van Gerrit Willems komt op 1 februari 1859 Johannes Bernardus Vasseur inwonen op Johanna’s Hof en hij staat te boek als landbouwer en zaakwaarnemer. Hij is dan twintig jaar, geboren in Velsen en zoon van Paulus Vasseur, genees- en verloskundige. In 1860 trouwt deze Johannes met Dirkje Willems, dochter van Gerrit Willems en wordt na het vertrek van zijn schoonmoeder in dat jaar hoofdbewoner van Johanna’s Hof. In 1863 wordt Vasseur benoemd tot strandvonder.

Johannes Vasseur is op 3 januari 1869 stiekem naar Amerika vertrokken, daarbij zijn zwangere vrouw Dirkje Willems met haar vier kinderen in de steek latend. De toedracht is dan onbekend. Dominee Van der Laan krijgt op 13 januari het verzoek van de officier van justitie een onderzoek in te stellen naar de redenen van het heimelijk vertrek van Vasseur en of het vermoeden op waarheid berust dat hij zich gelden uit de diaconiekas, die aan hem als administrerend diaken waren toevertrouwd, heeft toegeëigend. Een bericht van 20 januari meldt dat Vasseur in Londen op de veemarkt gezien zou zijn en ook dat op de stoomboot via Londen veedrijvers met hem hebben gesproken.

Een bericht van 12 februari meldt: “De voortvlugtige heeft een brief aan zijn vrouw geright, waarin hij zou hebben medegedeeld dat hij 3.000 gulden, toebehoorende aan Z.K.H. Prins Frederik der Neder- landen, uit zijn zak zou hebhen verloren en toen op de vlugt was gegaan. Dat hij leed gevoelde over zijn vlugt en wel weer terug wilde komen. Jhr. Jacob Rendorp van Marquette, commissaris aan de duinontginning van Z.K.H. had een brief van Vasseur ontvangen uit New York, waarin hij mededeelde te laat berouw gevoeld te hebben, over den ondoordachten stap.”

Pieter Kuijs, arbeider, landbouwer en schelpenvisser, werkt na het vertrek van Johannes B. Vasseur als knecht voor Dirkje Willems. Omstreeks 1871 gaan Pieter Kuijs en Dirkje Willems samen wonen aan de Heereweg in Bakkum; voordat zij in 1876 kunnen trouwen, worden hun kinderen geboren: Pieter (1871), Gerrit (1872) en Jacob (1874), die nog de naam Vasseur krijgen. Het huwelijk van Johannes B. Vasseur met Dirkje Willems wordt pas na het vonnis van de rechtbank op 1 oktober 1875 ontbonden vanwege kwaadwillige verlating. J.B. Vasseur woont dan in Patterson in de staat New Jersey (Amerika).

Arie Docter

Arie Docter is opgegroeid in de duinontginning. Zijn ouders Hendrik Docter en Guurtje Bleeker wonen op de Brabantsche Landbouw. Als Arie op 23-jarige leeftijd in 1872 trouwt, gaat hij in mei van dat jaar met zijn bruid Antje van der Sluis op Johanna’s Hof wonen. Hier worden in de jaren die volgen hun drie kinderen geboren. Na 21 jaar vestigt Arie zich in mei 1893 met zijn gezin in Heemskerk.

Willem Twisk

Na het vertrek van Arie Docter zijn Willem Twisk in 1893 met zijn vrouw Agie Levering en drie kinderen de nieuwe bewoners van Johanna’s Hof. Willem is in 1859 geboren, woont in zijn jeugd op de Bleumerweg en is een zoon van de rijke boer Kees Twisk en Wilhelmina Kuijs.

Boerderij Johanna 's Hof omstreeks 1895.
Boerderij Johanna ‘s Hof omstreeks 1895.

Jaarboek 27, pagina 8

Volgens een lijst uit 1898 staat er dan bij de boerderij een schuur, een schaapskooi en een vijzelberg.

Johanna's Hof was een lange boerderij en lag evenwijdig langs Zeeweg en vaart. De voorgevel staat op het oosten. Hier de zuid- en oostgevel.
Johanna’s Hof was een lange boerderij en lag evenwijdig langs Zeeweg en vaart. De voorgevel staat op het oosten. Hier de zuid- en oostgevel.
De west- en zuidgevel; de dorsdeuren zaten aan de zuidwestkant. Aan de westzijde stond ook lange tijd een hooiberg.
De west- en zuidgevel; de dorsdeuren zaten aan de zuidwestkant. Aan de westzijde stond ook lange tijd een hooiberg.
Dit was de aanblik van de boerderij vanaf de Zeeweg; op de voorgrond is nog net iets van de vaart te zien.
Dit was de aanblik van de boerderij vanaf de Zeeweg; op de voorgrond is nog net iets van de vaart te zien.

De eerste kampeerders zetten vanaf 1914 hun tenten op in het bos tegenover boerderij Johanna’s Hof. Voor water, melk of stro kloppen zij aan bij Willem Twisk, die het goed kan vinden met het kampeerdersvolkje en al spoedig ontstaat met hen een hechte band. Ook komen kampeergasten op de boerderij logeren. Het kamperen in het bos tegenover de boerderij neemt dusdanige vormen aan dat in 1920 door de Provincie een vergunning tot kamperen wordt verstrekt aan in totaal twintig personen. In de jaren die volgen, neemt dat aantal vergunningen explosief toe. In 1927 komen er enkele sanitaire voorzieningen, waarna in 1928 de officiële opening van het kampeerterrein Bakkum volgt. (Zie 25e jaarboekje Kampeerterrein Bakkum.)

Agie Levering, de vrouw van Willem Twisk, overlijdt eind 1921. Als haar jongste zoon Hendrik een half jaar later trouwt met Dieuwertje Schouten, wordt hij de hoofdbewoner op Johanna’s Hof en woont zijn 62-jarige vader bij hen in. Hendrik Twisk speelt in op de ontwikkelingen van het kampeerterrein en richt op het erf een theetuin in voor de verkoop van koffie, thee, frisdrank en versnaperingen en dat was niet alleen voor de kampeerders, maar in die tijd ook voor fietsers. De verharding van de Zeeweg eindigde bij boerderij Johanna’s Hof. De fietsers die naar strand wilden, stalden hun fiets bij de boerderij en liepen verder naar het strand. Bij het ophalen van de fiets hadden de meesten best dorst gekregen. In 1925 is de Zeeweg volledig bestraat.

Aankoop Landgoed Bakkum door Provincie Noord-Holland

Koning Willem I, eigenaar van het eerder genoemde duingebied binnen de gemeente Castricum, overlijdt in 1843. Bij de boedelscheiding gaan deze bezittingen niet naar de troonopvolger koning Willem II, maar naar diens broer Willem Frederik Karel, bekend als Prins Frederik der Nederlanden, die in 1825 trouwde met prinses Louise van Pruisen. Uit dit huwelijk worden de dochters Louise en Marie geboren. Louise trouwde met Koning Karel XV van Zweden en Marie met de Prins von Wied. Na het overlijden van Prins Frederik in 1881 worden zijn Castricumse bezittingen geërfd door dochter Marie, Prinses von Wied, geboren Prinses der Nederlanden en wonende te Neuwied (Duitsland).

In 1902 had de Provincie Noord-Holland deze prinses bereid gevonden om een deel van haar grondgebied, ter grootte van ruim 80 hectare, te verkopen om het mogelijk te maken hier binnen de provincie een tweede psychiatrische inrichting te stichten die de naam ‘Duin en Bosch‘ zou krijgen. Een jaar later doet Hare Koninklijke Hoogheid von Wied het aanbod aan de Provincie Noord-Holland om al haar overige bezittingen in Castricum te verkopen voor 240.000,- gulden. De uiteindelijke overdracht vindt plaats op 31 december 1903 en omvat het duinterrein van ruim 967 hectare, inclusief de duinboerderijen waaronder Johanna’s Hof. Uit een voor de koop opgesteld overzicht van de opbrengsten blijkt Willem Twisk 260 gulden per


Jaarboek 27, pagina 9

jaar aan pacht te betalen.
Nu de Provincie Noord-Holland eigenaar is geworden, moeten allerlei besluiten rond het Landgoed door Gedeputeerde Staten (GS) worden genomen. Voor het beheer wordt een rentmeester aangesteld die moet rapporteren aan GS. Deze rapportage, de stukken over allerlei besluiten en de eigendomsbewijzen, worden bewaard in de archieven van de Provincie Noord- Holland.

Hendrik Twisk met familie en schoonfamilie aan de westzijde van de boerderij. V.l.n.r. zwager Petrus Beentjes met echtgenote Catharina Schouten en zoontje Bank, vader Willem Twisk, Dieuwertje Schouten en echtgenoot Hendrik Twisk en schoonzus Maria de Winter - Schouten.
Hendrik Twisk met familie en schoonfamilie aan de westzijde van de boerderij. V.l.n.r. zwager Petrus Beentjes met echtgenote Catharina Schouten en zoontje Bank, vader Willem Twisk, Dieuwertje Schouten en echtgenoot Hendrik Twisk en schoonzus Maria de Winter – Schouten.

In april 1924 rapporteert rentmeester Vogelenzang dat de boerderij Johanna’s Hof in slechte staat verkeert en dat het bij stormweer niet zonder gevaar is. De pachter Twisk is bereid om 100 gulden per jaar meer te betalen mits een en ander wordt verbeterd en hersteld. Nadat een commissielid van GS ter plaatse de situatie heeft bekeken, worden voorstellen ter verbetering van de Provinciale Waterstaat afgewacht. In augustus van dat jaar ligt er een schetsontwerp met verbouwing van de boerderij. De kosten hiervan worden begroot op 3.500 gulden. Vanwege de verkoop van versnaperingen en frisdrank op Johanna’s Hof wordt in een begeleidend schrijven opgemerkt dat, indien men er toe zou overgaan om Johanna’s Hof als theehuis in te richten, de kosten dan zo hoog zouden worden dat het beter zou zijn om het bestaande gebouw te slopen en een nieuw theehuis te bouwen.

Sloop in 1927 van de boerderij Johanna’s Hof

Ook de Provincie kijkt met een kritisch oog naar de kosten van de verbouwing. In een schrijven van de rentmeester geeft zij aan dat de huidige huur 390,- gulden bedraagt en dat een verbouwing van 3.500,- gulden een huurverhoging zou eisen van 240,- gulden, wat zij als een te grote stijging aanmerkt. Er is echter een huur van 2.000 gulden per jaar geboden voor de boerderij als café met ca. 20 logeerkamertjes. Volgens de rentmeester zou er van Johanna’s Hof veel meer gemaakt kunnen worden. Er zou in een hier algemeen gevoelde behoefte worden voorzien door deze boerderij te bestemmen voor bijvoorbeeld theehuis met speeltuin enz. Hij bepleit een nader onderzoek door de Provinciale Waterstaat naar de beste bestemming voor Johanna’s Hof. Uit dit onderzoek volgt een besluit over de sloop van de boerderij en de uitgifte van het terrein in erfpacht aan een geschikte ondernemer; de Provincie wil niet zelf investeren in een horecaonderneming.

In maart 1927 wordt gemeld dat het huurcontract in september afloopt en dat direct daarna de oude boerderij gesloopt kan worden, zodat het terrein per 1 januari 1928 in erfpacht uitgegeven kan worden met de verplichting op dat terrein een ‘ververschingshuis of theehuis’ te bouwen. Inmiddels laat de familie Twisk aan de Bleumerweg een nieuwe boerderij bouwen waar Hendrik Twisk in 1928 met vrouw, vader en dan 3 kinderen gaan wonen; de weilanden bij Johanna’s Hof huurt hij nog een aantal jaren.

Johanna’s Hof is een van de laatste boerderijen uit het grote ontginningsproject van rond 1830 die nog als boerderij werd gebruikt. De landbouw in het duingebied leverde bij lange na niet die opbrengsten op die ervan werden verwacht. Als oorzaken werden genoemd de slechte waterhuishouding, met afwisselend wateroverlast en droogte tot gevolg, mesttekorten en te lage prijzen voor de landbouwproducten door internationale concurrentie.

Schets van de ligging van de boerderij met hooiberg en schuurtje en de aan de overzijde van de weg gelegen jachtopzienerswoning. De Johanna's weg maakte toen nog een knik. Voorafgaande aan de bouw van het theehuis is de weg rechtgetrokken. Naast de boerderij nog percelen bouwland en grasland die door de familie Twisk werden gepacht.
Schets van de ligging van de boerderij met hooiberg en schuurtje en de aan de overzijde van de weg gelegen jachtopzienerswoning. De Johanna’s weg maakte toen nog een knik. Voorafgaande aan de bouw van het theehuis is de weg rechtgetrokken. Naast de boerderij nog percelen bouwland en grasland die door de familie Twisk werden gepacht.

Vele plannen voor een horeca bestemming

Toch gaat het niet zoals GS het voor ogen heeft. Er blijken geen gegadigden te zijn voor erfpacht. Nu – februari 1928 – wordt de tijd te kort om voor het begin van de kampeertijd een definitief gebouw op Johanna’s Hof te hebben en omdat het zeer gewenst is, dat er toch iets verkrijgbaar is, wordt het terrein verpacht aan Gerrit Zonneveld, die allerlei waren gaat verkopen in de houten jachtopzienerswoning, genaamd ‘Cock Cock’, die staat naast de gesloopte boerderij.

De jachtopzienerswoning 'Cock Cock'.
De jachtopzienerswoning ‘Cock Cock’.

In de tussentijd gaat het plannen maken door. De rentmeester stelt voor om op kosten van de Provincie een theehuis te laten bouwen met een huursom die voor de Provincie geen schade oplevert en waarvoor wél huurders te vinden zijn. Eerst doet GS nog een poging om onder gunstiger erfpachtvoorwaarden iemand te vinden. Als dit opnieuw mislukt, geeft GS opdracht aan de Provinciale Waterstaat om een eenvoudig plan op te maken voor het bouwen van een ‘ververschingsgebouwtje’ ter hoogte van het voormalige Johanna’s


Jaarboek 27, pagina 10

Hof. GS wil alleen tot de bouw besluiten als de zekerheid bestaat dat het verversingshuis voor een aantal jaren op voor de Provincie bevredigende voorwaarden kan worden verhuurd.
Eind oktober 1928 worden drie verschillende plannen besproken, waarvoor bouwkosten worden genoemd van 9.500,-, 17.000,- en 22.000,- gulden. Omdat het aanbieden van logeergelegenheid door GS niet gewenst wordt geacht, komt alleen het goedkoopste plan in aanmerking. Ook voor het exploiteren vaneen ‘verversingschgebouw zonder logeergelegenheid’ blijken er geen gegadigden te vinden. GS maakt nu niet langer bezwaar tegen een nieuw te bouwen Johanna’s Hof met logeergelegenheid.
Voor het zomerseizoen 1929 wordt net als in 1928 het terrein verhuurd voor een bescheiden ‘theehuis – winkeltje’ bestaande uit een uitneembare houten tent. Verder wil GS voor 1.000,- gulden per jaar het bij de voormalige boerderij horende bouwland en grasland ter grootte van 6 hectare verhuren voor een periode van 10 jaar.
Inmiddels zijn er gegadigden voor de huur van een door de Provincie te bouwen Johanna’s Hof, uit onze gemeente met name Hendrik Twisk, Jan Brasser, Nicolaas Peijs en Willem Borst. De heer J.W. Kockx van de NV Noordzeebad uit Egmond aan Zee wil wel Johanna’s Hof huren met minimaal twaalf 2-persoonskamers op voorwaarde dat ook een door de Provincie te bouwen hotel nabij het strand voor een periode van 15 jaar kan worden gehuurd. Hiertoe is de Provincie niet bereid.

Locatie van het te houwen theehuis met de te bouwen schuur.
Locatie van het te houwen theehuis met de te bouwen schuur.

De bouw van het theehuis in 1933

Op 28 december is er goedkeuring van GS voor de bouw van het theehuis met schuur. De aanbesteding is gesteld op 19 januari 1933. De bouw wordt gegund aan de firma Henselmans uit Noord-Scharwoude voor een bedrag van 15.978,- gulden. De bouwtekeningen laten een fraai ontwerp zien van een gebouw met een grondoppervlak van 10 x 20 meter met op de begane grond o.a. een entree, theekamer, eetkamer, keuken en buffet en op de eerste verdieping 7 slaapkamers, waarvan zes 2-persoons. Bij het theehuis hoort ook een garage/schuur van ca. 6 x 9,5 meter.

Cornelis Willem Heck

Op 20 september 1933 wordt een huurcontract ‘met betrekking tot hotel-café-restaurant-gebouw Johanna’s Hof’ opgesteld met de nieuwe pachter Cornelis Willem Heck. De huur wordt vastgesteld op een bedrag van 1.600 gulden per jaar en is gebaseerd op 7,5 procent van de totale bouwkosten. Cornelis Willem Heck komt van Zandvoort, was daar vleeshouwer en gehuwd met Johanna Margaretha van Tetterode. Hun enige kind, dochter Cateau, is in 1924 in Haarlem geboren.
Heck heeft grote plannen. Al kort na de opening richt hij een verzoek aan de Provincie om 1 of 2 tennisbanen aan te laten leggen tegen een extra huur van 7,5 procent van de aanlegkosten. De Provincie heeft hiertoe niet besloten. De grote plannen heeft Heck toch snel moeten laten varen, zo blijkt uit zijn verzoek eind 1935 aan GS om een vermindering van de huur met 25 procent, dit vanwege de slechte bedrijfsresultaten door de crisistijd. Dit verzoek wordt ingewilligd. Het theehuis is bekend om zijn voortreffelijke keuken; in 1936 heeft men er al voor 3,50 gulden volledig pension met stromend water op alle kamers en is het pension het gehele jaar geopend.

De oorlogsjaren

In de oorlogsjaren komt Johanna’s Hof in handen van de bezetter en wordt geheel gecamoufleerd. In het hotel verblijven hoge Duitse officieren. Enkele maanden voor de bevrijding brandt op 31 jan. 1945 het gebouw tot de grond toe af; er werd verteld om de administratie


Jaarboek 27, pagina 11

te vernietigen. Nooit is bewezen dat de Duitsers dit met opzet hebben gedaan. Alleen de garage bleef bij de brand gespaard.
In de oorlogsjaren moeten Cor Heck, zijn vrouw en dochter Cateau evacueren en komen terecht in de Friese gemeente Tietjerksteradeel. In deze gemeente woont ook de familie De Hoop. Vader De Hoop heeft een flink boerenbedrijf annex veehandel. Het duurt niet lang of zoon Theun krijgt meer dan gewone belangstelling voor Cateau Heck. Als dan ook de familie Heck direct na de oorlog weer terugkeert naar Bakkum, volgt Theun na enkele maanden en trouwt in 1946 met Cateau.

Theehuis Johanna's Hof met nog juist zichtbaar achter twee rijen bomen de schuur annex garage.
Theehuis Johanna’s Hof met nog juist zichtbaar achter twee rijen bomen de schuur annex garage.
Het prachtige theehuis Johanna's Hof.
Het prachtige theehuis Johanna’s Hof.
Een blik in het interieur van het theehuis.
Een blik in het interieur van het theehuis.
Restanten van het theehuis na de brand in 1945.
Restanten van het theehuis na de brand in 1945.
Voortzetting van het theehuis na de oorlog in de schuur; het grote terras compenseerde het ruimtegebrek binnen.
Voortzetting van het theehuis na de oorlog in de schuur; het grote terras compenseerde het ruimtegebrek binnen.

Direct na de oorlog is Cor Heck in de garage weer begonnen om het bedrijf op te bouwen. De Provincie heeft wel in de jaren na de oorlog overwogen om tot herbouw over te gaan, maar concludeert dat vanwege de zeer hoge bouwkosten dit voorlopig onverantwoord zou zijn. In principe heeft de Provincie geen bezwaar tegen de plannen van Heck om zelf een nieuw pand te laten bouwen en wil daartoe ook het terrein voor een lange periode aan Heck in erfpacht gegeven. Ook Heck moet vanwege de hoge kosten afhaken en huurt de garage en de rijwielstalling die bij de brand gespaard zijn gebleven. De garage wordt ingericht als theehuis. Bij de beperkte welvaart van toen en de geringe verplaatsingsmogelijkheden, voldeed het de eerste jaren goed aan de toenmalige behoefte van het relatief nog gering aantal bezoekers aan duin of strand.


Jaarboek 27, pagina 12

Theun de Hoop

Cor Heck heeft er op een gegeven moment genoeg van en gaat een theehuis exploiteren aan het Uddelermeer. Hij meent dat zijn schoonzoon Theun de Hoop als boerenzoon minder geschikt is voor de horeca. Theun echter heeft ondernemersgeest en voelt er best voor om dit werk te gaan doen en het bedrijf uit te bouwen. Hij solliciteert en het lukt hem de nieuwe pachter te worden. Daarbij heeft het meegeholpen dat zijn vrouw meegegroeid is met de horeca-activiteiten op Johanna’s Hof. Theun sluit in 1949 met de Provincie een contract voor een bedrag van 1.650,- gulden per jaar voor de pacht van “de overkapping van de rijwielbergplaats, de waranda, de keuken en de garage met het bijbehorende terrein van de vroegere uitspanning ‘Johanna’s Hof’ aan de Zeeweg te Bakkum”. Verder vermeldt het contract nog dat de pachter het gepachte zelf moet gebruiken voor het uitoefenen van het café-restaurantbedrijf, het houden van de fietsenstalling en het verkopen van provinciale wandelkaarten.

Theun de Hoop vertelt: “In de garage (de vroegere paardenstal) ben ik met mijn bedrijf begonnen. Alles was voor mij bijzonder vreemd, maar als je van dit werk houdt, zakelijk bent aangelegd en het wil allemaal een beetje lukken … och, dan krijg je er heus wel aardigheid in. Een deel van de garage werd ook als woonkamer gebruikt. Ik ben in 1946 met 100 stoelen begonnen en langzamerhand zijn dit er 300 geworden. Tot en met 1950 was het hier niet zo erg druk. Door de week deed ik alles zelf, terwijl in de weekenden een paar kelners kwamen helpen. Ik moest het wel alleen doen, want de omzet was toen nog niet zo groot. ‘s Nachts kwamen er wel eens jachtopzieners koffie drinken.”

Advertentie op een plattegrond van Castricum en Bakkum. Uitgave VVV van omstreeks 1950.
Advertentie op een plattegrond van Castricum en Bakkum. Uitgave VVV van omstreeks 1950.

Verbouwing in 1952

Het uitoefenen van het café-restaurantbedrijf zoals het pachtcontract dit vermeldt, is nog heel kleinschalig en vindt nog steeds plaats in de voormalige garage van het vroegere, luxe theehuis. Wel was er inmiddels achter dit gebouwtje een kleine keuken aangebouwd. Theun de Hoop heeft plannen voor een flinke uitbreiding en wil er een zijvleugel aan bouwen. Hierbij speelde ook dat zijn vergunning tot de verkoop van sterke drank na 1 juli 1952 niet meer zou worden verlengd, omdat zijn ‘lokaliteit niet aan de eisen voldeed’. Theun wil graag machtiging van GS voor de verbouwing van Johanna’s Hof. Hij krijgt daarbij steun van de Gemeente Castricum en van het PWN. Het gemeentebestuur schrijft aan GS: “Er bestaat een zeer grote behoefte aan een inrichting waar sterke drank wordt verkocht, niet alleen met het oog op het drukke bezoek van het terrein bij Bakkum door badgasten en vakantiegangers, maar ook ten behoeve van hen die in het jachtseizoen de jacht beoefenen en als regel dan enige tijd in Johanna’s Hof vertoeven. Een andere gelegenheid daartoe is ter plaatse niet aanwezig.” Op 12 maart 1952 komt er een machtiging van GS om over te gaan tot de verbouwing die wordt uitgevoerd door P. Buis uit Oudorp. De totale kosten bedragen 17.500,- gulden  waardoor de huur wordt verhoogd van 1.650,- naar 2.350,- gulden. Op 20 december 1952 wordt het theehuis officieel heropend.

Hoog bezoek op Johanna's Hof aan het einde van de jacht. Onder andere prins Bernhard kwam hier vele jaren minstens twee keer per jaar.
Hoog bezoek op Johanna’s Hof aan het einde van de jacht. Onder andere prins Bernhard kwam hier vele jaren minstens twee keer per jaar.
Johanna's Hof speelde een belangrijke rol bij de jachtheren. Hier werd na afloop van de jacht het wild verzameld en op een tableau uitgestald en werd de inwendige mens niet vergeten.
Johanna’s Hof speelde een belangrijke rol bij de jachtheren. Hier werd na afloop van de jacht het wild verzameld en op een tableau uitgestald en werd de inwendige mens niet vergeten.

Johanna’s Hof speelde een belangrijke rol bij de jachtheren. Hier werd na afloop van de jacht het wild verzameld en op een tableau uitgestald en werd de inwendige mens niet vergeten.
Onder andere prins Bernhard kwam hier vele jaren minstens twee


Jaarboek 27, pagina 13

keer per jaar. Theun de Hoop: “Dan gebeurde het wel dat Prins Bernard geen trek had in de traditionele erwtensoep maar bij hem in de keuken zelf een lekker maaltijd met een biefstukje uitzocht.”

In 1952 werd aan de zuidzijde een zijvleugel aan Johanna 's Hof' gebouwd.
In 1952 werd aan de zuidzijde een zijvleugel aan Johanna ‘s Hof’ gebouwd.
Het interieur van de nieuwe zijvleugel.
Het interieur van de nieuwe zijvleugel.

Pannenkoeken

In de (negentien)zestiger jaren neemt het aantal bezoekers van Johanna’s Hof enorm toe. Op zomerse dagen is er sprake van een ware invasie van dagjesmensen, strandbezoekers, kampeerders, ruiters en plaatselijke inwoners. Op die dagen heerst er een ongekende drukte in de keuken, want door toedoen van de Nederlandse Spoorwegen zijn de pannenkoeken van Johanna’s Hof een begrip geworden. Theun de Hoop: “In 1960 zijn de Nederlandse Spoorwegen begonnen met dagtochten. Hoe men toen bij Johanna’s Hof gekomen is? De directie van het PWN en de NS kwamen bij me dineren. Men bestelde o.a. erwtensoep en pannenkoeken. Een paar maanden later werd ik door het PWN opgebeld of ik er iets voor voelde om mee te doen aan de dagtochten. Dat meedoen bestond uit het bakken van pannenkoeken. Ik heb geen nee gezegd. Kort daarna bezocht Bert Garthof me. Hij stelde een radiopraatje samen. Enkele dagen later werd dat programma ‘s morgens om half tien gebracht. Een uur later zaten hier de eerste pannenkoekeneters. ‘s Middags was het helemaal mis. Johanna ‘s Hof zat afgeladen vol met mensen, die pannenkoeken wilden hebben. En dan te bedenken dat we moesten bakken in een noodkeukentje. In 1961 bouwden we een nieuwe keuken.”

Het visitekaartje van Johanna's Hof: een groot terras in een prachtige omgeving.
Het visitekaartje van Johanna’s Hof: een groot terras in een prachtige omgeving.

De kosten voor de uitbreiding van de keuken- en toiletaccommodatie in 1961 worden gedragen door het PWN met een verhoging van de huur als gevolg. De uitbreiding is vooral noodzakelijk geworden door de steeds groeiende vraag naar warme maaltijden en pannenkoeken, ook in het kader van de NS-dagtocht ‘Duinwandeling Castricum’.
Het bedrijf blijft groeien. In de (negentien)zestiger jaren krijgt Theun de Hoop toestemming om achter het restaurant een houten bungalow te plaatsen, waardoor de woonruimte in de voormalige garage als onderkomen voor het personeel beschikbaar komt. Hier woont hij met zijn tweede echtgenote Grietje Kater, die eerder een hotel exploiteerde in Callantsoog.


Jaarboek 27, pagina 14

Abel en Trijn Oortgijzen hebben vele jaren gewerkt als ober en hulp in de keuken op Johanna’s Hof. Zij hadden geen kinderen en waren hier bijna altijd te vinden. Ook Cor Kolenbrander was nadien vele jaren de ober van Johanna’s Hof. Er zijn in de loop der jaren vele obers, koks en ander personeel op Johanna’s Hof werkzaam geweest.

Theun de Hoop met zijn liefhebberij: het fokken en houden van Shetland pony's.
Theun de Hoop met zijn liefhebberij: het fokken en houden van Shetland pony’s.

Het boerenbloed is Theun nooit kwijtgeraakt. Niet alleen had hij destijds stallen, waar ongeveer 12 paarden konden worden ondergebracht als de ruiters iets wilden consumeren, hij heeft zich ook intensief beziggehouden met het fokken, houden en verhandelen van Shetland pony’s. Meerdere keren behaalde hij bij landelijke evenementen van fokkers een eerste plaats.

In 1968 is er opnieuw provinciaal overleg over Johanna’s Hof. Van Marie, directeur van het PWN, is van mening dat een sanering van de gebouwen van Johanna’s Hof dringend noodzakelijk is, omdat deze niet meer aan de eisen van de tijd voldoen en voor de exploitant zeer oneconomisch zijn ingericht. Hij vindt uitbreiding van Johanna’s Hof echter onaanvaardbaar, omdat dit strijdig is met de belangen van waterwinning, natuurbehoud en de verkeerssituatie. Hij pleit voor een opvangcentrum annex dagcamping met restaurant op de gronden van de voormalige boerderij Diederik nabij de gemeentegrens met Egmond-Binnen om daarmee Johanna’s Hof te ontlasten. De beide restaurants zouden bij voorkeur door één exploitant moeten worden gedreven om ongewenste onderlinge concurrentie te voorkomen; voor deze functie bestaat tegen de persoon van de heer De Hoop geen enkel bezwaar De ideeën van Van Marie worden niet overgenomen. GS besluit niet meer zelf te investeren in het horecabedrijf, maar de opstallen te verkopen aan de heer De Hoop en het terrein van Johanna’s Hof ter grootte van 1360 m2 voor een periode van 50 jaar vanaf 31 december 1968 aan hem in erfpacht uit te geven.

De nieuwe uitbreiding.
De nieuwe uitbreiding.

Bouw van een nieuwe zaal in 1969

Johanna’s Hof mag zich inmiddels verheugen in een grote bekendheid en populariteit bij de steeds grotere groep bezoekers van duin en strand en bij de bewoners in de wijde omtrek. Daardoor wordt een uitbreiding van het theehuis-restaurant steeds urgenter. Uiteindelijk worden in 1969 de plannen gerealiseerd. Aan het bestaande restaurant wordt een nieuwe zaal van 9 bij 18,5 meter bijgebouwd, die ook voor bruiloften en partijen uitstekend geschikt is. Daartoe wordt de zaal in Oud-Hollandse stijl ingericht met eikenhouten balken, een schouw en een open haard. Johanna’s Hof krijgt verder een nieuwe ruime hal, een nieuwe keuken en personeelsruimte.

Theun de Hoop en echtgenote Grietje Kater zijn vanaf 1970 directeuren van de te Bakkum gevestigde NV Café-restaurant Johanna’s Hof. De NV gaat eind 1972 over in een BV. Zij hebben het eigendom van het erfpachtrecht van de grond.
In 1978 besluit Theun de Hoop om te stoppen met zijn horecawerkzaamheden en het geheel te verhuren aan Antonius Gerhardus Boersema, restauranthouder in Reeuwijk, inclusief – met toestemming van het PWN – het erfpachtrecht. Theun woont inmiddels vanaf 1978 aan de Achterlaan.
Met de bedrijfsvoering door de heer Boersema ging het niet goed en toen een faillissement nabij was, werd in overleg met de bewindvoerder van de in surseance verkerende BV en met het PWN in 1981 besloten om de huur en exploitatie in handen te geven van het echtpaar Hiemstra – Kuiper, dat op dat moment Motel Hardegarijp exploiteerde.

Gerrit Dokter

In 1986 hebben huurder Dirk Hiemstra en echtgenote besloten om de exploitatie van Johanna’s Hof te beëindigen. Voor de bedrijfsleiding hadden zij al vanaf 1981 Gerrit Dokter aangesteld. Door eigenaar Theun de Hoop wordt nu Gerrit Dokter als de nieuwe exploitant aan het PWN voorgesteld. Het PWN heeft hiertegen geen bezwaar en GS geeft officieel op 3 februari 1987 schriftelijk toestemming voor de wijziging in exploitatie.
Gerrit Dokter is geboren op Ameland, woonde op het eiland tot zijn achttiende en ging toen in Friesland werken. Het is puur toeval dat er eerder op (boerderij) Johanna’s Hof een Docter woonde; van een familierelatie is geen sprake. Gerrit Dokter heeft op heel professionele wijze het café-restaurantbedrijf vanaf 1981 geëxploiteerd en verder uitgebouwd. Naast de horeca is voor hem de paardensport een grote passie. Hij zit zelf graag in het zadel en stapt regelmatig in het aangespannen rijtuig om de omgeving te verkennen. Hij is ook een van de mensen die van hét jaarlijkse evenement voor paarden in Noord- Holland, ‘de 4,5 km van Alkmaar’, een enorme publiekstrekker wist te maken door een grootscheepse sponsoring te organiseren.

De brand op 2 december 1999.
De brand op 2 december 1999.

De brand in 1999

Op 2 december 1999 brak ‘s nachts een felle brand uit in Johanna’s Hof, waarbij een flink deel van het bestaande gebouw in de as werd gelegd. Het betrof de gezellige jachtzaal, de keuken, het kantoor en de stallen. Gelukkig bleven de grote zaal met de prachtige tegelschouw, afkomstig uit een Noord-Hollandse stolpboerderij, en de wintertuin behouden. De brand was ontstaan door kortsluiting in de spoelkeuken. Binnen twee maanden ging de zaak met allerlei noodvoorzieningen al weer open en konden er bezoekers worden ontvangen.


Jaarboek 27, pagina 15

De restanten na de brand.
De restanten na de brand.

Nadat Gerrit Dokter de opstallen van Theun de Hoop in eigendom had verkregen, werden plannen voor herbouw en nieuwbouw ontwikkeld waarin allerlei wensen en ideeën konden worden meegenomen. Zo werd Johanna’s Hof flink groter en behield onder andere door de rieten daken dezelfde uitstraling en het landelijke en intieme karakter.
Op 29 juni 2001 gaven Gerrit en echtgenote Foekje Dokter een groot feest om de heropening van het restaurant te vieren. Hiermee werd een periode afgesloten waarin hard is gewerkt aan de realisatie van de plannen. Er is nu veel meer ruimte gekomen om de toenemende stroom bezoekers te kunnen ontvangen. De uitbreiding, die Johanna’s Hof tevens de functie van partycentrum geeft, bestaat uit een nieuwe vleugel met vijf zalen in Engelse jachtstijl, een binnenterras en een kleedruimte voor artiesten. In totaal is er binnen plaats voor 550 mensen. Daarnaast zijn de paardenstallen uitgebreid en is ook het buitenterras sterk vergroot met plaats voor nog eens 350 mensen. Om een snelle bediening op het buitenterras mogelijk te maken worden door de obers de bestellingen doorgeseind naar het buffet. Er werken zo’n 80 mensen, van wie 25 in vaste dienst en de overigen parttime.

Het nieuwe partycentrum (foto Kees Koot).
Het nieuwe partycentrum (foto Kees Koot).

Een begrip in de wijde omgeving

Johanna’s Hof is een begrip in de wijde omgeving. Dit getuigen ook de vele bezoekers die ‘s winters maar vooral zomers hier neerstrijken: fietsers, wandelaars, joggers en ruiters die hier graag even pauzeren, maar ook automobilisten, zakenlieden, bewoners uit de regio en vakantiegangers die hier komen om iets te gebruiken en van de sfeer te genieten. Gerrit Dokter: “Wij hebben een lage drempel. Je kunt hier zowel in trainingspak binnenkomen als in een chique outfit. De ligging midden in de natuur en de nabijheid van Bezoekerscentrum ‘De Hoep’ spelen natuurlijk een grote rol. Maar er is hier ook meerwaarde gecreëerd: de speeltuin voor de kleintjes, de mogelijkheid om paarden te stallen – waar vind je dat hier in de omgeving? – en de vijver met de sierwatervogels. Er lopen maar liefst tachtig verschillende soorten rond bij de vijver en in de tuin bij het terras.”

Gerrit Dokter met zijn vrouw Foekje; al vele jaren runnen zij samen Johanna's Hof (foto Kees Koot).
Gerrit Dokter met zijn vrouw Foekje; al vele jaren runnen zij samen Johanna’s Hof (foto Kees Koot).

Johanna’s Hof kent een lange en rijke historie, het staat bij velen bekend als een gezellig en gastvrij café-restaurant, als de plaats van bruiloften en partijen en het is op zomerse dagen heerlijk genieten op het grote terras met uitzicht op een prachtige omgeving van bos en duinen. Dat Johanna’s Hof in deze sfeer nog een lange toekomst mag hebben!

Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Archieven:
    – Koninklijk Huisarchief: archief koning Willem 1.
    – Nationaal Archief: archief Staatssecretarie 1813-1840, archief geslacht Gevers.
    – Regionaal Archief Alkmaar: archief gemeente Castricum en bevolkingsregisters en burgerlijke stand van Castricum.
    – Rijksarchief Haarlem: Archieven Provinciaal Bestuur Noord-Holland.
  • Belonje, mr. J.; Het Zeeveld te Noord-Bakkum, 7e Jaarboekje
    Werkgroep Oud-Castricum, 1984.
  • Jelles, J.G.G.: Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands duinreservaat, Instituut voor Toegepast Biologisch Onderzoek in de Natuur, mededeling nr. 87, Arnhem, 1968.
  • Kistermann, H.: Aspekten van de gebruiksgeschiedenis van het duinterrein Bakkum, Amsterdam, jan/maart 1989.
  • Roos, Rolf: Bewogen Kustlandschap; Duinen en polders van Noord- Kennemerland, 1995.
  • Ruijter, Q. de: Over duinboerderijen en haar bewoners, 4e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1981.
  • Ruijter W. Jzn., Q. de: Schippers van het Stet, 1974.

Met dank aan:

Th. de Hoop, G. Dokter, H.H. Posthuma (PWN) en W.J. Twisk (Biddinghuizen).

Print Friendly, PDF & Email