Klok van de Hervormde Kerk (Jaarboek 26 2003 (pg 17-20)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum:
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 26, pagina 17

Een klok op stap

Het verhaal van een geredde historische luidklok

Het is stil in het dorp op die vroege zondagmorgen van het jaar 1943. Geen klok luidt om de kerkgangers uit te nodigen voor de dienst. Voor het eerst in eeuwen blijft het doodstil, alleen de roep van een vogel, het geratel van de wielen van een sjees en de hoeven van een paard verbreken de stilte. Op de plaats waar de klokken in de torens moeten hangen is het akelig leeg. De klokken zijn op bevel van de Duitse bezetter uit de torens weggehaald om in Duitsland omgesmolten te worden tot oorlogstuig. De Castricumse klokken verdwijnen zo voorgoed.
Op één na, de monumentale klok die nu weer in de toren van de oude Pancratiuskerk hangt.
En daarover gaat deze geschiedenis.

De oude Pancratiuskerk in Castricum.
De oude Pancratiuskerk in Castricum.

Castricums oudste luidklok

Toen de oude dorpskerk nog geen toren had (die werd in de tweede helft van de 15e eeuw gebouwd), werden de parochianen waarschijnlijk met gebruik van handbellen naar de kerk geroepen. Na het gereed- komen van de toren was daar al spoedig een luidklok aanwezig. Die was in 1238 door een onbekende klokkengieter gegoten en dus van elders afkomstig. Volgens de Enkhuizer organist Spruyt, die omstreeks 1750 de Noord-Hollandse luidklokken inventariseerde, was het opschrift:
‘Nota Catharina Sanctus Anthonius 1238’. Na zes eeuwen trouwe dienst werd die klok in 1842 stuk geluid. In de uitgestrekte gemeente werd toch al geklaagd dat de klok niet overal goed te horen was. Daarom besloten de vroede vaderen van de gemeente (de kerktoren is eigendom van de gemeente Castricum) om een grotere klok aan te schaffen. Waarschijnlijk ging de prijs van een nieuwe klok de financiële draagkracht van de gemeente te boven. Van de firma S.A. Raap en Zoonen te Amsterdam werd een tweedehands klok van vierhonderd Nederlandsche pond (400 kg) aangekocht voor 560,- gulden. Voor de oude gebarsten klok kreeg men 80,- gulden terug. De nieuwe klok was in 1604 door Gert Powel in Emden gegoten en draagt als opschrift: ‘ANNO 1604 FRI DOE COT GERT POWELS MI TO EMDEN’. Deze klokkengieter leverde vooral klokken in Oost-Friesland, maar ook in Groningen. In Wetsinge, dat met Sauwert één kerkelijke gemeente vormde, hing deze klok tot 1840 in de toren. De dorpen hadden ieder een eigen kerk, die beide gesloopt werden. Er werd één nieuwe gemeenschappelijke kerk gebouwd. In de nieuwe kerk kwam de klok van Sauwert te hangen en die van Wetsinge werd aan de firma Raap in Amsterdam verkocht. Die verkocht de klok aan Castricum, waar deze sinds 1842 met een onderbreking in de oorlogsjaren in de fraaie toren van de oude Pancratiuskerk hangt. Daar wordt deze tot op de huidige dag zowel voor de burgerlijke als de kerkelijke gemeente geluid.

De 'M'-klok waarover deze geschiedenis gaat.
De ‘M’-klok waarover deze geschiedenis gaat.

De klokkenroof

Midden in de oorlogstijd, juli 1942, verschijnt een verordening van Rijkscommissaris Seys-Inquart, waarin vermeld wordt dat voorwerpen van diverse metalen, waaronder koper, aangemeld moeten worden voor verwerking in de oorlogsindustrie. In de herfst van datzelfde jaar begint de grote klokkenroof. Zo’n vijfenzestighonderd klokken verdwijnen zo uit de Nederlandse kerktorens en carillons. Een onwezenlijke stilte valt zo over stad en land. Met het weghalen van die klokken heeft zich een Nederlander belast, P.J. Meulenberg, sindsdien ‘Klokken-Peter’ genoemd. Met zo’n driehonderd arbeiders gaat hij aan de slag. Men voorziet incidenten en die blijven dan ook niet uit. Hij besluit daarom de werkzaamheden in het donker uit te voeren, maar dat blijkt toch onuitvoerbaar. En zo worden de klokken vaak onder de woedende blikken van toeschouwers naar beneden getakeld. In zijn levenswerk ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ schrijft dr. L. de Jong in deel 7:
“Het weghalen van kerkklokken werd immers niet ervaren als het in beslag nemen van willekeurige metalen voorwerpen; veeleer waren de kerkklokken een wezenlijk deel van het leefmilieu. Sterker nog: hun luiden, hun gebeier (dat men opeens niet meer hoorde – vreemd deed deze stilte aan) had, zou men kunnen zeggen ‘eeuwigheids-


Jaarboek 26, pagina 18

waarde’. Het was geassocieerd met het vooroorlogse Nederland en met het kerkelijk verzet, het preludeerde op de bevrijdingsdag. Dan zouden de klokken eerst recht geluid worden”.

Castricums klokken verdwijnen

Wanneer de Castricumse klokken precies zijn weggehaald en of dat tot protesten van de bevolking heeft geleid, weten we niet. Er is slechts één aantekening bekend; die komt uit het dagboek dat drie Castricumse kapelaans van de R.K. Pancratiusparochie hebben bijgehouden.
Op 31 maart 1943 staat daarin: “De kerkklok luidt voor het laatst. Hij wordt weggehaald”.
En enige dagen later: “De klepel is niet meegegeven en wordt als relikwie bewaard”. Hoogstwaarschijnlijk gaat deze mededeling over de klok van de R.K. kerk. Van de klok van de gemeentetoren van de oude Nederlands Hervormde kerk is geen aantekening bekend. Maar aangenomen mag worden dat alle klokken in één keer uit Castricum zijn meegenomen. Daaronder bevindt zich ook de monumentale klok uit de toren van de N.H. kerk, die een ‘M’-status heeft gekregen.

‘M’-klokken

Al voor het uitbreken van de oorlog is een lijst opgesteld van monumentale klokken met het doel deze voor vernietiging te behoeden. De Castricumse klok bevindt zich ook op die lijst. Als herkenningsteken heeft deze klok, net als alle monumentale klokken, een ‘M’- teken gekregen. Meulenberg, die opdracht heeft gekregen om alle klokken uit de torens te verwijderen, heeft echter, tegen de gemaakte afspraken in, ook deze klokken meegenomen. Dit ondanks een mededeling die bij die klokken hing: “De Nederlandse Regering heeft een zeer beperkt aantal klokken als historische gedenkstukken van de grootste betekenis van vordering vrijgesteld en richt zich tot de bevelhebbers der militaire macht van andere mogendheden met het dringende verzoek deze met een M gemerkte klokken te sparen.” Deze mededeling was behalve in het Nederlands ook in het Frans, Duits en Engels gesteld. Sommige klokken bleven gespaard, maar ‘onze’ klok verdween.

Leerdam

De Nederlandse instanties hebben in ieder geval nog kunnen bereiken dat deze monumentale klokken niet direct naar Duitsland worden weggevoerd, maar apart worden opgeslagen.
Dat gebeurt in twee opslagplaatsen, één in Giethoorn en één in Leerdam. En voorlopig worden ze met rust gelaten. In september 1944, enkele maanden na de invasie in Normandië, achten de in het nauw gedreven Duitsers het moment aangebroken om de klokken toch maar af te voeren. In Hamburg staan twee fabrieken waar de klokken worden omgesmolten. Beide fabrieken zijn al eens gebombardeerd. Op 23 oktober 1944 wordt het klipperschip ‘Hoop op Zegen’ van schipper J. van Dijk uit Dordrecht gevorderd om de M-klokken van Leerdam naar Hamburg te vervoeren. Maar Van Dijk is niet bereid om dit onvaderlandse werk uit te voeren en verlaat zijn schip. Er wordt een gelegenheidsschipper aangezocht, de onervaren Marten Homma. Op vrijdag 3 november is het schip geladen. Een week later ongeveer vertrekt het schip naar Emden. Waarschijnlijk is nog geprobeerd om het schip tot zinken te brengen. Enige dagen na het vertrek is namelijk een geallieerd vliegtuig boven Leerdam verschenen: “(…) dat rondcirkelde alsof het iets zocht”, aldus getuigenverklaringen. Maar het klipperscheepje ‘Hoop op Zegen’ is al onderweg.

Konvooi

Het weer in de novembermaand van 1944 wordt gekenmerkt door een krachtige depressie-activiteit. Gedurende de hele maand blijven storingen over ons land trekken. De ‘Hoop op Zegen’ maakt deel uit van een konvooi dat gesleept wordt door een Duitse sleepboot de ‘BS-14’. Traag ploegt de sleep zich tijdens de inktzwarte novembernacht een weg door het IJsselmeer. De vuurtorens langs de kust zijn gedoofd. In de buurt van de ‘Vormt’, een beruchte zandbank ter hoogte van Urk, raken drie schepen los van de sleep. Eén schip is geladen met touw, één met een onbekende lading en het derde schip met de kostbare klokken. Als schipper Homma merkt dat zijn schip is losgeraakt van de sleep, stuurt hij op Urk aan, waar het schip op de ‘Vormt’ strandt en lek slaat.

De klokken worden uit het ruim van de gezonken klipperschip 'Hoop op Zegen' geborgen.
De klokken worden uit het ruim van de gezonken klipperschip ‘Hoop op Zegen’ geborgen.

Berging

De machinefabriek Fa. A. Hoekman en Zonen te Urk krijgt van de Duitsers de opdracht om het schip met klokken vlot te trekken. Zij hadden geen betere keus kunnen doen. De Hoekmannen stonden op Urk bekend als zeer goede vaderlanders. Broer Pieter Hoekman was vanuit Engeland als geheim agent gedropt en in 1943 door verraad gesneuveld. Aangezien de bestemming van de klokken weinig te raden liet, waren de gebroeders tot de slotsom gekomen dat de berging van de klipper niet wenselijk was. Zij konden trouwens onweerlegbaar bewijzen, dat het schip niet te bergen was. De zijkant van het schip was over een lengte van acht meter opengescheurd en de bodem was zwaar beschadigd. Een getuige uit die tijd J. Krikke, kapitein op de Rijnvaart, vertelt over de berging het volgende: ”Tijdens de oorlogsjaren kreeg mijn vader opdracht samen met nog drie collega ‘s met hun gevorderde sleepboten (met de Kriegsmarine aan boord) een schip van de Vormt

De klokken in het ruim van het gezonken klipperschip 'Hoop op Zegen'.
De klokken in het ruim van het gezonken klipperschip ‘Hoop op Zegen’.

Jaarboek 26, pagina 19

te trekken. Tijdens een bespreking die de kapiteins onder elkaar hielden, werd een plan gesmeed om het schip niet te bergen. Het plan was om de sleepverbinding zodanig vast te maken, dat door de enorme kracht, die de sleepboten ontwikkelden, de bolders waarop de sleepverbinding was gemaakt, afgesneden zouden worden. Hetgeen ook gebeurde. Bovendien wisten zij te bewerkstelligen, om de Duitsers zogenaamd gerust te stellen, dat nog een laatste inspectie uitgevoerd zou worden. Toen zij het schip verlieten, vergaten ze opzettelijk de roeden, ijzeren stangen die voor de kleppen van de luiken langs werden gestoken, er weer voor te doen. Een zuidwester storm deed de rest”. De ‘Hoop op Zegen’ lag nu veilig met zijn kostbare lading klokken enkele honderden meters van Urk te wachten op betere tijden.

‘Eben Haëzer’

En zo gaat Nederland de laatste winter onder Duitse bezetting in, die voor het westen een hongerwinter zal worden. De geallieerde opmars is tot staan gebracht. Het zal tot mei 1945 duren voor ons land bevrijd is. En het schip met de klokken blijkt niet vergeten te zijn. Eind juli 1945 al is men begonnen met de berging van de lading. Uit dagboekaantekeningen van de Urker havenmeester kennen wij het verdere verloop van de geschiedenis van de klokken. Verdeeld over vijf werkdagen zijn in totaal 226 klokken en 145 klepels geborgen. Zij zijn in Urk aan land gebracht en tijdelijk opgeslagen in de hoek bij het strand op de Westhaven. Met het schip de Eben Haëzer met schipper Jan van Laar wordt de kostbare lading op donderdag 9 augustus 1945 naar Amsterdam gebracht. Vanuit de hoofdstad worden de klokken naar de eigenaren teruggebracht. In december 1945 is nog geprobeerd het wrak van het schip te lichten. Maar de werkzaamheden worden belemmerd door storm, ijs, mist en regen. De elementen hebben hun werk al gedaan, het schip is in tweeën gebroken. De bergploeg van Hijlkema / Meester staakt de werkzaamheden en keert op dinsdag 15 januari 1946 onverrichter zake huiswaarts. Werfbaas Meindert Hakvoort kan het schip niet vergeten, “In de winter van 1963-1964 zijn we met zijn drieën over het ijs naar het klokkenschip gegaan en hebben het met branders gesloopt. Het oud ijzer brachten we met een slee naar de werf en het kostte ons meerdere tochten om alles goed en wel naar Urk te brengen. Onze arbeid bleef niet onbeloond, we beurden 300 gulden. Een aardig bedrag voor die tijd”.

Schipper Van Dijk

Wat is er geworden van schipper Van Dijk, de man die zo dapper geweigerd had om voor de Duitsers te werken? Van Dijk, toen 65 jaar, was niet alleen zijn woning en inboedel kwijt, maar ook de broodwinning van hemzelf en zijn zoon, die hem in zijn bedrijf zou opvolgen. Hij kreeg een uitkering van 14 gulden per week. De waarde van het verloren schip werd door deskundigen geschat op 15.000 gulden. De rijksinspecteur van de kunstbescherming stelde in juni 1945 voor om een fonds te vormen van maximaal 10.000 gulden om Van Dijk schadeloos te stellen. Om dit doel te bereiken werd aan de eigenaren van de geborgen klokken, gemeenten en kerken, een bijdrage van 75 gulden gevraagd. De gemeente Castricum betaalde 37,50 gulden. Maar de oproep bracht bij elkaar slechts 2.990,- gulden op en dat voor een man die zijn leven had gewaagd voor 226 Nederlandse klokken. Zijn naam zal echter blijven voortbestaan. Want wat staat te lezen op de gedenksteen bij de klok van de kerk in Spijkenisse?

In drie jaar klonk mijn stem niet meer
‘k Lag op de bodem van het IJsselmeer
Heldenmoed van schipper Van Dijk
Liet mij daar zakken in het slijk
Maar nu jubel ik het uit
Besef, o mens, wat mij beduidt
Geloof van mij, dat God gewis
In Nood en dood uw redder is

Sabotage of ongeluk?

Dat het niet bergen van de klokken uit de gezonken ‘Hoop op Zegen’ een daad van sabotage was, is overduidelijk, maar was de stranding van het schip dat ook? Daar heeft het alle schijn van. Het belang van de kostbare lading was tot in de hoogste kringen bekend. Nadat bekend werd dat de monumentale klokken, tegen alle afspraken in, alsnog naar Duitsland afgevoerd zouden worden, was er door de secretaris-generaal van Onderwijs en Wetenschappen en Cultuurbescherming krachtig geprotesteerd. Nadat die protesten afgewezen waren, beraamde men plannen om het transport te saboteren, zoals het onklaar maken van een brug of een sluis om de afvaart te verhinderen. Maar daarvan werd afgezien. De klokken konden dan alsnog op auto’s worden geladen om vervoerd te worden. Daarnaast was er het nog grotere risico van represailles door de Duitsers. Er werd een telegram naar Londen gestuurd met het verzoek om het schip nog vóór de afvaart tot zinken te brengen. Getuigen verklaarden dat er inderdaad een vliegtuig enige tijd boven Leerdam had gevlogen: “(…) alsof het iets zocht”, maar er was niets gebeurd. Een feit is wel dat schipper Van Dijk het werk niet wilde uitvoeren. Iets weigeren voor de Duitsers was gevaarlijk. Op openlijke weigering stond maar één straf en dat was standrecht, ‘de kogel’. Maar hij kon wel een goede reden opnoemen. De Royal Air Force was heer en meester boven het IJsselmeer en menig schip werd tot zinken gebracht. Van de man die het werk overnam, Marten Homma, is niets bekend. Werd hij gedwongen om de klus te klaren?

De geredde klokken op het strand van Urk.
De geredde klokken op het strand van Urk.

De klok is weer terug

Wanneer de klok weer in Castricum is teruggekeerd, is niet bekend. Maar uit een verslag van september 1946 van de adjunct-rijksinspecteur Kunstbescherming J.W. Janzen blijkt dat de klokken op 31 juli 1945 ter beschikking van de eigenaren zijn gesteld. En men is snel tot distributie overgegaan. We mogen aannemen dat de klok in de loop van dat jaar weer in de toren is gehangen. Een niet alledaagse klus die toch vele Castricummers niet zal zijn ontgaan. Sinds die dag hangt de klok na een avontuurlijke omzwerving weer vertrouwd in onze monumentale toren als een symbool van eeuwigheid. Het geratel van de paardenwagens op de keien is verstomd, maar de sonore galm van onze klok is gebleven.

Frans Baars


Jaarboek 26, pagina 20

Verantwoording:

Het verhaal van de klok is opgetekend uit het rapport ‘Klok op stap’, dat door de heer Fred van der Zande in het jaar 2000 is gemaakt. Enthousiast gemaakt door een artikel uit de zeventiger jaren van C.W. Tempelmans – Plat, indertijd lid van de Werkgroep Oud-Castricum, is hij op zoek gegaan naar de gebeurtenissen rond de roof en terugkeer van de klok. Via een oproep in het ‘Weekblad Schuttevaer’ is hij in contact gekomen met een man uit Urk, A. van Urk, die een deel van de historie al had uitgezocht. Delen van deze tekst zijn letterlijk van de heren Van der Zande en Van Urk overgenomen. Fred van der Zande is actief binnen de Nederlands Hervormde kerk en heeft zich vele jaren vooral bezig gehouden met de kerk als monument. Zonder zijn enthousiasme en inzet was dit artikel niet tot stand gekomen. Geïnteresseerden kunnen in ‘De Duynkant’ het complete rapport inzien.

Print Friendly, PDF & Email