Koninklijk Landgoed Bakkum deel 1 (Jaarboek 38 2015 pg 25-32

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Bakkum:
Bakkum, de Heerlijkheid en zijn ambachtsheren – Bakkum, einde gemeenteBakkum in de 18e eeuwBakkum omstreeks 1830Bakkum na 1930, de huizen en hun bewonersBakkum, vijftig jaar kerkBewoningsgeschiedenis Bakkum NoordBoenstraatje te BakkumCafés en kasteleins in BakkumKampeerterrein BakkumKermis in BakkumKlompenbuurt in BakkumKoninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 2)Ongevallen in Bakkum


Jaarboek 38, pagina 25

Koninklijk Landgoed Bakkum (deel 1)

Het duingebied, zoals wij dat nu kennen, is het resultaat van natuurlijke processen en van de invloed die de mens er eeuwenlang op heeft gehad. Er werd gejaagd, geplant, vee geweid en zand afgegraven, voor zover de duineigenaar dit toestond. Eigenaren waren veelal adellijke families. Het duingebied achter Bakkum was zelfs drie generaties lang koninklijk bezit. Vooral in die periode zijn de ingrepen in het duinmilieu groot geweest.

Koninklijk bezit

Koning Willem I kocht in 1829 het Bakkumse duingebied uit de nalatenschap van Abraham Barnaart, grootgrondbezitter. Ook het aan de zuidzijde grenzende terrein van jhr. Lucas Boreel werd aangekocht. Verschillende namen verwijzen naar het vroegere koninklijk bezit. Een stuk duingebied wordt Koningsduin genoemd. De waterloop langs de Zeeweg, tussen het fietspad en de rijweg, draagt de naam Koningskanaal. Een noordelijker gelegen stuk bebost duinterrein heet Koningsbosch, waarnaar de vroegere jeugdherberg Koningsbosch werd vernoemd. Een van de bospaden in het duingebied achter Bakkum draagt de naam Van Wiedlaan, zo genoemd naar prinses Von Wied die ook eigenaresse van de Bakkumse duinen is geweest en een kleindochter was van koning Willem I.

Koning Willem I, voorstudie van het portret voor het Amsterdamse stadhuis (1816) van Charles Hodges (Rijksmuseum). Koning Willem I, geboren in 1772 in Den Haag als prins Willem Frederik, werd na de Franse tijd in 1813 koning der Nederlanden (Nederland en België).
Koning Willem I, voorstudie van het portret voor het Amsterdamse stadhuis (1816) van Charles Hodges (Rijksmuseum). Koning Willem I, geboren in 1772 in Den Haag als prins Willem Frederik, werd na de Franse tijd in 1813 koning der Nederlanden (Nederland en België).

Koning Willem I (1772-1843)

Nadat keizer Napoleon in 1813 bij Leipzig was verslagen, werd erfprins Willem Frederik gevraagd vanuit Engeland naar Nederland terug te keren. Op 2 december van dat jaar werd hij uitgeroepen tot soeverein vorst: koning Willem I. In 1815 werden de voormalige Oostenrijkse Nederlanden (het huidige België) met het grondgebied van de Oude Republiek verenigd om te dienen als buffer tegen het verslagen Frankrijk. Zo ontstond het Verenigd Koninkrijk. De combinatie van industrieland België en handelsland Nederland vond koning Willem I erg belangrijk. De energieke Willem, met als bijnaam ‘koning-koopman’, probeerde in zijn koninkrijk de economie te stimuleren. Hij liet kanalen graven en wegen aanleggen en had veel belangstelling voor ondernemingen op allerlei gebied, waarmee ook de werkgelegenheid verbeterd kon worden. Hij schroomde niet om met eigen financiële middelen aan projecten deel te nemen. Op het gebied van beheer en exploitatie van ontginningsprojecten had hij een leerschool doorlopen. Na in 1795 uit Den Haag te zijn vertrokken, kocht hij in 1797 en 1798 in het westen van Polen omvangrijke goederen. Hier werden vele experimenten op het gebied van ontginning, kolonisatie en schapenhouderij ondernomen. Later verwierf hij nog bezittingen in Silezië, ook in Polen. Tijdens zijn koningschap kocht Willem ook in Nederland gronden aan. Zelf trad hij ook op als investeerder, zoals met de aankoop van landgoed Bakkum zal blijken.

Ondanks zijn zakelijke en commerciële activiteiten viel de koning bij de Belgen niet in de smaak. In 1830 brak er een opstand uit. Willem stuurde er een leger op af, maar dat mocht niet baten; België werd onafhankelijk. Pas in 1839 erkende Willem I de Belgische onafhankelijkheid. Een jaar later deed hij diep teleurgesteld afstand van de troon en vestigde hij zich in Berlijn. Hij werd opgevolgd door zijn oudste zoon koning Willem II.

Grondaankopen

Bij Koninklijk Besluit van 18 augustus 1829 machtigde koning Willem I de Amsterdamse makelaar Jan Twisk Cornelisz om op de openbare verkoping van 22 augustus te Beverwijk duinpercelen te Bakkum aan te kopen van de erfgenamen van Abraham Barnaart. Laatstgenoemde werd op 15 augustus 1754 te Haarlem geboren, was woonachtig in Amsterdam en overleed op 23 mei 1829 te Lisse.

Boerderij Zeeveld rond 1930. Toen koning Willem I in 1829 eigenaar werd van de duin gronden achter Bakkum, bestond de boerderij al. De schuur met varkensstal en hooiberging werd in 1928 bijgebouwd met afbraakmateriaal van de ontginningsboerderij Johanna’s Hof.
Boerderij Zeeveld rond 1930. Toen koning Willem I in 1829 eigenaar werd van de duin gronden achter Bakkum, bestond de boerderij al. De schuur met varkensstal en hooiberging werd in 1928 bijgebouwd met afbraakmateriaal van de ontginningsboerderij Johanna’s Hof.

De aankoop betrof de volgende drie duinpercelen:

  1. Een huis met stalling, schuur enz., een perceel duinen en annex wei-, teel-, en bosland genaamd het Zeeveld, staande en gelegen te Bakkum in de gemeente Castricum, samen groot ruim 490 hectare;
  2. Een huis met stalling, schuur enz., een perceel duinen en annex wei- en duinland genaamd het Zeeduin, staande en gelegen in de gemeente Castricum, samen groot ruim 183 hectare;
  3. Een stuk bosland, genaamd Jan Blommenkroft, liggende aan de Baccummerweg in de gemeente Castricum, groot bijna 1,5 hectare.

Ook het aan de zuidzijde grenzende bezit van jhr. Lucas Boreel (1780-1854) werd aangekocht. Hierop stond een boerenwoning, die nu (in 2015) nog te zien is als Oude Huys op landgoed Duin en Bosch. Lucas Boreel was houtvester en lid van de Provinciale Staten van Noord-Holland en woonde te Beverwijk. Boreel had bij de verkoop van zijn


Jaarboek 38, pagina 26

bezit bedongen dat hij zijn leven lang het recht op de jacht zou behouden. Het jachtrecht op de aangekochte gronden van Barnaart werd aan Boreel verhuurd. Eigenlijk werd daarmee het jachtrecht gecontinueerd, want ook voor die tijd was het jachtrecht in dit duingedeelte aan Boreel en de heer Deutz van Assendelft verhuurd. Uit de bovengenoemde aankopen ontstond het 1000 ha grote landgoed Bakkum. De totale aankoopsom, inclusief de kosten van overdracht en dergelijke, bedroeg 22.671,80 gulden. Notaris Jan de la Chambre Karshoff was met de verkoop van alle bovengenoemde landgoederen belast.
Blijkbaar waren de aankopen en de ontginningsplannen al lang van te voren voorbereid, want de in 1829 door de koning benoemde beheercommissie kwam op 25 september, nog geen twee weken na haar instelling, met een werkplan en een kostenraming tot april 1830. Op 3 oktober verleende de koning goedkeuring aan het voorstel en kon met de werkzaamheden worden begonnen.

De aanloop tot de duinontginning

In de tweede helft van de 18e eeuw ontstond in ons land een groeiende belangstelling voor het agrarische bedrijf, waarbij ook de gedachte uitging naar ontginning van woeste gronden. Jan Kops, een Leids doopsgezind predikant en landbouwdeskundige, was een uitgesproken voorstander van het in cultuur brengen van de duinen. Tegen het einde van 18e eeuw werd een onderzoekscommissie ingesteld, de ‘Commissie Superintendentie over het onderzoek der duinen’, met Kops als secretaris. Het rapport uit 1798 van deze commissie bevat een analyse van de bestaande situatie van het duingebied van Vlieland tot Hoek van Holland. In 1799 verscheen het tweede deel met de aanbevelingen tot vruchtbaarmaking van de duinen. Het kwam echter niet tot uitvoering van de ontginningsplannen. De economische nood was groot, het land politiek afhankelijk en in financiële moeilijkheden. Bovendien ging de aandacht meer uit naar ontginning van de woeste gronden in het oosten van het land.

Jonkheer Gevers van Endegeest (1793-1877).
Jonkheer Gevers van Endegeest (1793-1877).

Pas na de Franse overheersing kwam de ontginning van de duinen weer in de belangstelling. Van grote betekenis in dit verband is het plan geweest van jhr. mr. Daniël Theodore Gevers van Endegeest, commies van Staat bij de Raad van State.
Gevers werd in 1793 in Rotterdam geboren. In 1828 trouwde hij met jkvr. Margaretha Johanna Deutz van Assendelft (1807-1895). Het huwelijk bleef kinderloos. Gevers overleed in 1877 op zijn landgoed Endegeest te Oegstgeest. Met de familie Gevers van kasteel Marquette in Heemskerk was er een verre familieband.

Na zijn afstuderen in 1817 als jurist wil Gevers meteen in staatsdienst treden, maar koning Willem I adviseert hem eerst twee jaar ervaring op te doen. Daarna gaat Gevers anderhalf jaar op reis in Italië.In 1816 wordt door de ‘Maatschappij tot bevordering van den Landbouw’ een prijsvraag uitgeschreven voor het ontwerpen van een plan. Het moet de voor de landbouw geschikte duinvalleien ontsluiten door deze te voorzien van een goede afwatering en van toegangswegen. Gevers stuurt een omvangrijke rapport in dat in 1824 met goud wordt bekroond en met Koninklijke subsidie is uitgegeven onder de titel: ‘Verhandeling over het toegangbaar maken van de duinvalleien langs de kust van Holland’ (1826). Voor het hele duingebied van Scheveningen tot Bergen beschrijft hij zes afwateringsprojecten. Het graven van vaarten voor afwatering tot midden in de duinvalleien acht Gevers het aangewezen middel om de ontginning tot een succes te maken. Er hoeft volgens hem niet gevreesd te


Jaarboek 38, pagina 27

worden voor verzwakking van de duinen als zeewering door het graven van vaarten tot dicht bij zee, omdat overal langs de kust hoge duinen aanwezig zijn. Verdroging kan worden tegengegaan door de afstroom van het water te reguleren. Bovendien zakt al het regenwater dat op de duinen valt naar de duinvalleien en ontvangen deze ook nog water dat door regenval daar rechtstreeks op terecht komt. Wat de exploitatie voor de duinvalleien betreft, gaat zijn voorkeur eerder uit naar beweiding dan naar teelt van akkerbouwgewassen.

Twee projecten zijn uitgevoerd: het gebied van de ‘Waaldorpse afwatering’ ten noordwesten van Scheveningen en het gebied van de ‘Hoepbeekse afwatering’ in de duinen bij Castricum en Bakkum, met inbegrip van de omvangrijke duinontginningen. Wat de Castricumse en Bakkumse duinen betreft is de afwatering via de Schulpvaart op de Groot-Limmerpolder een belangrijk element in zijn voorstel.
Als lid van het in 1829 door de koning benoemde driemanschap mocht Gevers zelf meewerken aan de uitvoering van zijn ontginningsplan voor landgoed Bakkum. De andere twee leden van de commissie waren David Jacob van Lennep en Jacob Rendorp.

David Jacob van Lennep (1774-1853).
David Jacob van Lennep (1774-1853).

Van Lennep was behalve hoogleraar te Amsterdam ook een van de directeuren van de Maatschappij ter bevordring van den Landbouw. Van zijn vader erfde hij het Huis te Manpad bij Heemstede, waar hij de zomers doorbracht. Hij was zeer gehecht aan dit huis en het buitenleven. Als hoogleraar hield Van Lennep zich vooral bezig met les geven, maar als wetenschapper was hij minder actief. Hij stond bekend als een goed docent die vele studenten trok. Hij sprak uitstekend Latijn.

Jacob Rendorp van Marquette op latere leeftijd (1795-1879).
Jacob Rendorp van Marquette op latere leeftijd (1795-1879).

Rendorp nam als luitenant van het regiment Huzaren in augustus 1831 deel aan de Tiendaagse veldtocht, gericht tegen de Belgische afscheiding. Rendorp was grootgrondbezitter, bewoner van Marquette en ambachtsheer van Heemskerk en Wijk aan Zee en Duin, ook burgemeester van Heemskerk. Van 1852 tot 1868 was hij tevens burgemeester van Castricum.

Het duinontginningsproject Bakkum

Het plan van Gevers omvat de ontwikkeling van het duinterrein tot een compleet landgoed met een landhuis, wegen en vaarten, boerderijen met landbouwgronden en bospartijen voor houtkap. Maar ook aan jacht en recreatie is gedacht. Het landgoed moet een rendabele landbouw- onderneming worden en bovendien landschappelijk mooi zijn. Met landbouw wordt de ontwikkeling van de veeteelt bedoeld, waarbij de akkerbouw in dienst staat van de veeteelt. In het plan van Gevers tot ‘volbrenging der onderneming in 10 jaren’ komt de nadruk op veeteelt duidelijk naar voren. Na de goedkeuring van de koning wordt in oktober 1829 met de werkzaamheden begonnen.

Kaartdetail uit 1745 met de Hoepbeekse afwatering en de Schulpvaart. In de plannen van Ontwerpschets van het landhuis.Gevers zal de Hoepbeekse afwatering worden gekanaliseerd.
Kaartdetail uit 1745 met de Hoepbeekse afwatering en de Schulpvaart. In de plannen van Ontwerpschets van het landhuis.Gevers zal de Hoepbeekse afwatering worden gekanaliseerd.

De jaren 1829-1834 kunnen beschouwd worden als de proeftijd voor het project. Het eerste waarmee de commissarissen eind 1829 begonnen, zijn de waterstaatkundige werken. Dat betreft de aanleg van vaarten en afwateringssloten. De natuurlijke boogvormige Hoepbeekse afwatering wordt tot een duinvaart vergraven. Het zuidelijke deel van de Hoepbeek wordt Zuidvaart genoemd en het gedeelte naar het oosten de Hoofdvaart (het huidige Koningskanaal langs de Zeeweg). Het westelijke beginpunt van het Koningskanaal krijgt een zijtak naar het noorden voor de ontwatering van de daar aanwezige duinvalleien: het Halve Galgenveld en Groot Vogelwater. Deze watering krijgt de naam Geversvaart. In het verlengde van het Koningskanaal aan de oostzijde wordt een verbindingsvaart gegraven om een goede afwatering op de Schulpvaart te verkrijgen. Aan het eind van deze verbindingsvaart wordt een duiker met schuif aangebracht


Jaarboek 38, pagina 28

Het geplande landhuis omringd door een Engelse landschapstuin.
Het geplande landhuis omringd door een Engelse landschapstuin.

om de afwatering te kunnen reguleren. Ook wordt er een sloot gegraven voor het lozen van het water rondom de woning van de jachtopziener van de vroegere eigenaar Boreel. Aan het begin van de Hoofdvaart, vlakbij de zeeduinen, zou een nieuwe stortplaats voor schelpen worden aangelegd. Een scheepssluis zou de Hoofdvaart met het achterland moeten verbinden. Zowel de stortplaats als de scheepssluis zijn er nooit gekomen. Ten slotte worden er sloten gegraven rondom de gronden die het eerst als weilanden in gebruik genomen zullen worden. Tal van andere werkzaamheden volgen, waaronder de aanleg van windsingels voor bescherming van de te verkavelen valleien tegen wind en verstuiving. In een schrijven op 30 september 1830 aan Rendorp noemt Van Lennep het belang van windsingels een “conditio sine qua non”; met andere woorden: zonder singels geen ontginning. Wegen worden aangelegd, gronden geëgaliseerd, gebouwen neergezet en bospartijen aangeplant. Ook moet er een kwekerij komen om voor de komende jaren verschillende houtgewassen te kunnen kweken. Aan het streven naar een groot bosoppervlak liggen zowel commerciële als landschappelijke overwegingen ten grondslag. Dat men zich heeft laten inspireren door de Engelse tuinarchitectuur blijkt niet alleen uit de aanplant van heesters en sierstruiken, maar ook uit het wegenplan en de plannen om een landhuis met een belvédère (en een manege) te bouwen. Twee schetsen van

Ontwerpschets van het landhuis.
Ontwerpschets van het landhuis.

Jaarboek 38, pagina 29

tuinontwerpen met een huis liggen in het Noord-Holland Archief, de een ingekleurd, de ander met een schets en wat aantekeningen over het huis. Plannen die nooit gerealiseerd zijn.

Van de geplande werkzaamheden is op 1 april 1830 een flink deel uitgevoerd. Het toegestane budget is overschreden, onder andere door het aan het werk houden van mensen die in de winter geen werk hebben. Er zijn reparaties verricht aan de al bestaande agrarische bebouwing zoals de Kwekerij, het Zeeduin en het Zeeveld. Er is geld besteed aan helmbeplanting en ook de aangestelde ‘Ingenieur der Werken’, de heer Jan Kros, wonende in Spaarndam, die Gevers ook behulpzaam is geweest bij zijn werk voor de prijsvraag, moet betaald worden. Gedurende de rest van dat jaar wordt het werk met voortvarendheid uitgevoerd. In het verslag over dat jaar berichten de commissarissen dat de duinvaart zonder moeite grotendeels kan worden bevaren en dat in de sloten voldoende water staat. In 1830 kan in de verkavelde weilanden het eerste vee (schapen en runderen) worden geweid. Het afbranden van ruigte, het egaliseren en scheuren van de grond, het spitten en/of ploegen, het inzaaien van klaver, gras en gewassen en ook bemesting moeten zorgen voor goede weidegrond. Ondertussen vindt ook duinbegrazing plaats. De hooiopbrengst wordt goed genoemd, maar uit voorzorg wordt er ook hooi aangekocht. Het Vogelwater is een zeer nat gebied. In 1831 schrijft Van Lennep daarover:
“nietegenstaande de droogte zagen wij nog groote plassen, ja halve meren in het Vogelwater.”

De ligging van de vaarten, met de verlenging van het Koningskanaal, de boerderijen en de locatie (zie rode stip) van het niet gebouwde landhuis. Op het oorspronkelijke kaartje staat boerderij Zeeduin niet ingetekend. Op dit bewerkte kaartje is de plaats van de boerderij met een groene stip aangegeven( naar Jelles bewerkt).
De ligging van de vaarten, met de verlenging van het Koningskanaal, de boerderijen en de locatie (zie rode stip) van het niet gebouwde landhuis. Op het oorspronkelijke kaartje staat boerderij Zeeduin niet ingetekend. Op dit bewerkte kaartje is de plaats van de boerderij met een groene stip aangegeven( naar Jelles bewerkt).

Besloten wordt om de noordelijke zijtak van het Koningskanaal tot nabij de grens met Egmond door te trekken. Tevens wordt besloten om in oostelijke richting, tot aan boerderij Het Zeeveld, een bevaarbare aftakking te maken, de nu nog aanwezige Diepe Sloot. Oorspronkelijk was dit een meanderende beek, die het duinwater van het natte Vogelwater naar de polder afvoerde. De indruk bestaat dat men het waterpeil in het landgoed redelijk goed onder controle heeft gekregen.

Het Commissarishuis omstreeks 1910. Een tiental jaren later is de schuine kap van de achter het voorhuis gelegen boerderij verticaal gemetseld. Verschillende generaties van de familie Zonneveld hebben hier gewoond.
Het Commissarishuis omstreeks 1910. Een tiental jaren later is de schuine kap van de achter het voorhuis gelegen boerderij verticaal gemetseld. Verschillende generaties van de familie Zonneveld hebben hier gewoond.

Boerderijenbouw

Er worden vier barakken voor de 80 arbeiders geplaatst en spoedig daarna wordt overgegaan tot de bouw van een woning met schuren aan het Koningskanaal. In de woning was ook een kamer voor de commissarissen, vandaar de latere benaming Commissarishuis. Later volgden nog twee andere boerderijen: Van Lennepsoord en Johanna’s Hof. De laatste werd vernoemd naar Margaretha Johanna Deutz van Assendelft, de vrouw van Gevers. Haar roepnaam was Johanna. Bijzonder is dat voor de bouw van Johanna’s Hof, maar ook van verschillende andere ontginningsboerderijen, niet is gekozen voor de stolp, maar voor het hallehuistype met losstaande hooiberging. Opvallend zijn de overeenkomsten met de boerderijen in het Zuid-Hollandse kustgebied. De redenen waarom er voor het Zuid-Hollandse boerderijtype is gekozen, zijn niet bekend. Dit zou te maken kunnen hebben met de Zuid-Hollandse afkomst van Gevers.

Ontginningsboerderij Johanna’s Hof voor 1927. De lange boerderij lag evenwijdig langs het Koningskanaal, met de voorgevel naar het oosten. Opvallend is de overeenkomst met boerderijen in het Zuid-Hollandse kustgebied.
Ontginningsboerderij Johanna’s Hof voor 1927. De lange boerderij lag evenwijdig langs het Koningskanaal, met de voorgevel naar het oosten. Opvallend is de overeenkomst met boerderijen in het Zuid-Hollandse kustgebied.

Opzichter Gerrit Willems is al vanaf 1829 de assistent-in-het-veld van hoofdopzichter Kros en ook woonachtig in Spaarndam. In oktober 1832 betrekken Willems en zijn drie kinderen als eerste bewoners Johanna’s Hof. Kort voor de verhuizing had Willems zijn vrouw aan cholera verloren. Hij trouwt voor de tweede keer. Uit dit huwelijk worden drie dochters geboren. Willems blijft tot zijn overlijden op 5 juni 1858 op Johanna’s Hof wonen.


Jaarboek 38, pagina 30

Bij de Verlaten Kroften, later kortweg Kroften genoemd, werd in 1836 boerderij de Kroftwoning gebouwd, de enige ontginningsboerderij die wel als een Noord-Hollandse stolp werd gebouwd en werd bewoond door Piet Zonneveld en tenslotte door Willem de Ruijter met hun gezinnen.

De Verlaten Kroften was een verwaarloosd stuk duinland dat al voor de duinontginning in agrarisch gebruik was. De vroegere verkaveling (oude sloten) werd door Gevers gehandhaafd, toen deze velden in 1831 opnieuw voor agrarisch gebruik geschikt werden gemaakt. Het nu nog bestaande Kroft- of Krochtveld behoorde tot dat gebied. Uitgezonderd in het voorjaar van 1833 werd over echt watergebrek nauwelijks gesproken. Het voorjaar van 1833 was zo droog dat er te weinig gras voor het vee was. Als Gevers in mei het landgoed bezoekt, valt hem de hoeveelheid voer in Vogelwater nog wel mee, maar wat betreft het Zuidveld is hij minder positief. Ook de toestand van de beesten valt hem tegen. Gevers is zeer bezorgd over de aanhoudende droogte: “Welk een schroomelijke droogte! Wij zullen later als het zo doorgaat ons vee niet houden!”, verzucht hij. Ondanks het gebrek aan regen bestaat de indruk dat het grondwater in het landgoed nog redelijk op peil is. De Hoofdvaart blijft voortdurend goed bevaarbaar. In 1833 koopt men twee vletten: de een voor gebruik buiten het landgoed voor aanvoer van hooi en mest en de ander voor het gebruik binnen het landgoed.

Het Koningskanaal langs de Zeeweg, een restant van het duinontginningsproject.
Het Koningskanaal langs de Zeeweg, een restant van het duinontginningsproject.

De beweidingsplannen gaan onverminderd door. Vogelwater wordt als de beste plek voor een schaapskooi beschouwd. De schapen kunnen dan zowel in het Vogelwater als in de duinen worden geweid. Later kan er misschien nog een kooi bijkomen tegenover boerderij Van Lennepsoord, aan de westkant van de Zuidvaart.


Jaarboek 38, pagina 31

Bemesting

Mest en bemesting spelen een belangrijke rol op het landgoed, zowel voor de veeteelt als voor de akkerbouw. Kunstmest bestond toen nog niet. De bemesting gebeurt in de eerste plaats met mest van de eigen veestapel. Bij de beweiding buiten de velden moet mest worden verzameld. De eigen mestproductie is, zeker in de eerste jaren van de ontginning en waarschijnlijk ook in latere jaren, niet toereikend. Voortdurend wordt er mest aangekocht. Men probeert het met Alkmaars straatvuil (twee jaar oud, vet en vermengd met as), maar dat voldoet niet. Amsterdams straatvuil blijkt duurder dan koemest te zijn. Soms wordt de hand gelegd op bagger uit de polder of op enige haardas. Haardas, zo was de overtuiging, zou verzuring en mosgroei vooral op de lager gelegen stukken land tegengaan. Eind 1832 doet Gevers het voorstel bemesting met zeewier eens te proberen. Kros laat in maart daarop weten dat er dat jaar te weinig zeewier op het strand te vinden is om als mest te gebruiken.

Over de jaren na 1834 zijn er wat betreft de veeteelt regelmatig berichten in de verslagen van de commissarissen over verkoop van het vee en soms over de omvang van de veestapel. Toch is voor de voedselbehoefte van het vee het weiden in de duinen regelmatig noodzakelijk. De aardappelteelt neemt in de akkerbouw een belangrijke plaats in. De meeste pachters op het landgoed pachten grond voor met name de aardappelteelt, maar ook de onderneming zelf teelt aardappelen. Er vindt zelfs verkoop aan het hof plaats!

Verstuiving

Om verstuiving tegen te gaan werd ook helmbeplanting toegepast. De kosten bleven beperkt, omdat de provincie er jaarlijks geld voor beschikbaar stelde. Kros merkt op dat de verstuivingen in de zeeduinen aanzienlijk zijn. Tijdens het plantseizoen van 1830 beperkt men zich tot het vastleggen van de meest stuivende duinen in de duinenrij, grenzend aan de velden. De beplantingen krijgen echter zoveel zand uit de meer zeewaarts gelegen duinen, dat het gevaar bestaat dat deze onderstuiven. In juni 1833 richt een orkaan aanzienlijke schade aan onder bomen en gewassen. Volgens Kros moet het verschrikkelijk gestoven hebben. Gedurende dat jaar zijn er wat stuivende plekken aan de Paviljoensberg en op paden en wegen. Van helmbeplanting is dat jaar geen sprake. In vergelijking met de berichten in de beginfase van de ontginningen had men de jaren daarna weinig last van verstuivingen. De aanleg van windsingels, bospercelen en de afzetting van akkers met wilgentenen en doornstruiken hebben de problemen grotendeels opgelost.

Over de jaren die volgen zijn de commissarissen optimistisch. Ze zijn niet teleurgesteld dat de belangstelling voor het pachten van de verkavelde gronden niet groot is en de exploitatie gedeeltelijk in eigen hand genomen moet worden. Ook is men tevreden over de groei van de houtgewassen. Al in 1831 overweegt Gevers om een nieuwe kwekerij op te richten in het oostelijke deel van het elzenbos bij Zeeveld. Hij wil dat op een slingerende manier doen in de stijl van een Engelse tuin om zo het sierlijke met het nuttige te verenigen.
In 1833 wordt met de aanleg begonnen. Van het elzenbos moet een brede strook blijven staan als windsingel. De al bestaande kwekerij is zo’n groot succes dat men vanaf 1834 geen zaadgoed of jonge bomen meer hoeft te kopen. Met ingang van 1835 is het landgoed in staat jaarlijks hout te verkopen.

Eind 1834 bestaat de veestapel uit 82 stuks jong en oud rundvee, 65 schapen en 18 paarden. De oppervlakte aan windsingels en bos (inclusief de kwekerijen) is eind 1834 flink toegenomen. Na 1834 vinden er haast geen ontginningen meer plaats, omdat de meeste gronden, die daarvoor geschikt worden geacht, inmiddels tot bouw- en weiland zijn omgewerkt. Het accent in het werk komt meer te liggen op onderhoud en op boomaanplant. In 1841 bestaat de oppervlakte aan bouw- en weiland uit 215 hectare. Hiervan wordt tweederde deel in eigen beheer geëxploiteerd. Het resterende deel wordt gedeeltelijk verpacht aan bestaande bedrijven, gedeeltelijk als los land aan diverse pachters. Dat gebeurt ook aan enkele arbeiders die de in 1833 gebouwde stenen huisjes bewonen en wat vee houden. Omdat minder arbeiders nodig zijn, kunnen die uit Bakkum en Castricum worden aangetrokken, dit in tegenstelling tot de voorgaande periode, waarin men op arbeiders van elders was aangewezen.

De Paviljoensberg staat ook nu nog bloot aan verstuiving.
De Paviljoensberg staat ook nu nog bloot aan verstuiving.

Tegenvallende resultaten

Blijven de verslagen aanvankelijk nog optimistisch van toon, geleidelijk aan komen er ook minder positieve berichten. In 1837 erkennen de commissarissen dat de ontginning tot dan toe was tegengevallen. Een vergelijking met bijvoorbeeld de Brabantse Landbouw (in de duinen tussen Castricum en Heemskerk) kon zij niet doorstaan. Zij schrijven de tegenvallende resultaten vooral toe aan de schadelijke invloed van de zeewind en aan ongunstige opeenvolgende jaren. Bovendien wordt de grond van de onderneming van minder goede kwaliteit gevonden dan in het aangrenzend Castricumse duinterrein.

Door vererving aan zijn echtgenote Margaretha Johanna Deutz van Assendelft is commissaris Gevers in 1833 zelf eigenaar van het Castricumse duingebied geworden. Ook hier was men overgegaan op omheining van de duinval-


Jaarboek 38, pagina 32

leien en had bewerking van de bovenlaag ter verbetering van de grond tot weiland en bouwland plaatsgehad. Nieuwe en bestaande wegen en wateringen werden aangesloten op die van het landgoed Bakkum. De koning had welwillend gereageerd op het verzoek van Gevers om van de zuidelijke duinvaart en het Koningskanaal gebruik te mogen maken voor af- en aanvoer van producten en materialen van en naar zijn duingronden. In hetzelfde jaar (1834) kregen de commissarissen vergunning om het smalle zuidelijke gedeelte van de duinvaart op volle breedte te brengen. Behalve voor het bedrijfsvervoer was dit ook van belang voor een betere ontwatering van het Geversduin.

Over de jacht zijn er opvallend weinig berichten. Dit is opmerkelijk, omdat de heren commissarissen en vooral Rendorp enthousiaste jagers waren. In december 1831 meldt Kros het schieten van een goed dozijn hazen; ze zijn:
“dik en vet door ons ongelukkig koolzaad en te lekker om in het duin kwaad te blijven doen!”
Over het jaar 1841 rapporteren de commissarissen dat de duinen een rijke jachtwarande is, maar vermelden zij niets over wildschade. Het lijkt erop dat men van konijnen veel minder last ondervond dan van hazen. In een verslag over 1838 staat dat er nagenoeg geen konijnen waren. Mogelijk is dit het gevolg van de toestemming die de dorpsbewoners hadden om op konijnen te mogen jagen. Het aantal hazen en patrijzen zou in die tijd wel zijn toegenomen. Het belang van de veeteelt en daarmee van grasland verklaart waarschijnlijk de grotere aantallen hazen. Hazen hebben een voorkeur voor grasland. Een bericht uit 1843 betreft een jachtpartij van Rendorp, waarbij op patrijzen en hazen wordt gejaagd.

Volgens een in 1842 voor het laatst verschenen jaarverslag werden op de akkergronden rogge, haver, gerst, aardappelen en koolzaad verbouwd en in mindere mate wortelen en paardenbonen. In de loop van de jaren waren de oogstopbrengsten nogal wisselvallig. Met het verpachten van gronden ging het steeds minder; in 1842 nog maar 22 ha. De veeteelt geschiedde bijna uitsluitend in eigen beheer. De noodzaak om hooi bij te kopen was voor de bedrijfsvoering een belangrijk nadeel. Het lijkt erop dat de commissarissen in de loop van de jaren hebben aanvaard dat, als de voersituatie dat vereist, teruggevallen moet worden op buiten de voor beweiding bedoelde velden. Eind 1842 bestond de veestapel uit 104 stuks rundvee, 299 schapen en 19 paarden. Op Johanna’s Hof vonden de jaarlijkse veeverkopingen plaats. De zuivelproducten werden op de markt in Alkmaar verkocht. Eind 1842 was de ontginning bijna voltooid en daarmee was het aantal werkkrachten tot 16 afgenomen. Landgoed Bakkum was minder bevolkt dan de bedoeling was. Sinds Jan Kros naar Leiden was vertrokken, heeft commissaris Rendorp de algemene leiding op zich genomen. Door de armoede in de zeedorpen werd schade ondervonden in de vorm van houtdiefstallen. Rendorp is daarom in 1836 overgegaan tot de aanstelling van twee veldwachters.

Koninklijk bezoek

De Alkmaarsche Courant meldde dat koning Willem I op 29 juli 1839 een bezoek aan Castricum heeft gebracht. Aan dit bezoek werd landelijke bekendheid gegeven, want het Dagblad van ‘s-Gravenhage en zelfs de Bredasche courant berichtten bijna in dezelfde bewoordingen daarover. Bovendien doet de verslaggeving denken aan wat we tegenwoordig een pr-activiteit noemen. Het doel van de koning was de bezichtiging van zijn duinontginning. Al om negen uur ’s morgens werd hij bij Johanna’s Hof opgewacht door burgemeester Jan de Quack en dominee Canne. Na de begroeting ging de koning, begeleid door twee van zijn adjudanten en de commissarissen van de ontginning, boerderij Johanna’s Hof binnen. Daar hadden de vrouwen van Rendorp en Gevers voor Zijne Majesteit een dejeuné (red: ontbijt dat het middagmaal moet vervangen, net zoiets als brunch) in gereedheid gebracht. Hierna werd de koning in zijn rijtuig in de duinontginning rondgereden. Het krantenbericht sluit af met:
“Na hierop nog eenige oogenblikken in Johanna’s Hof te hebben vertoefd, nam Zijne Majesteit de terugreis aan naar ‘s-Gravenhage, vergezeld en gevolgd door het luide hoezee en het leve de Koning! van allen, die getuigen waren geweest, hoe Nederlands Koning de vader is van al zijne onderdanen!”

Of hij toen ook Zeeveld heeft bezocht, vermeldt de krant niet. Q. de Ruijter vertelt uit overlevering vernomen te hebben dat koning Willem I eens tijdens een bezoek aan het duinterrein op Zeeveld vertoefde. Daar zou hij zijn bewondering hebben uitgesproken over een fraaie oude staartklok die in de huiskamer hing. Nog steeds is de plek te zien waar de klok heeft gehangen. Bij het witkalken van de muur bleef de klok aan de muur hangen. In de loop van de jaren is daar omheen een dikke laag witkalk ontstaan waardoor de contouren van de klok op de muur zichtbaar zijn geworden.

Ernst Mooij

Bronnen:

  • Belonje, mr. J., Het Zeeveld te Noord-Bakkum, 7e Jaar- boekje Oud-Castricum (1984);
  • De Canon van Nederland (Koning Willem 1);
  • Instituut voor Nederlandse Geschiedenis (Prins Frederik/Lucas Boreel);
  • Jelles, ir. J.G.G., Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat (1968);
  • Kistermann, drs. H., Aspekten van de gebruiksgeschiedenis van het duinterrein Bakkum. Een historische verkenning ten behoeve van het natuurbeheer (1989) Archief PWN, Velserbroek;
  • Koninklijke Bibliotheek, Bredasche courant 3 augustus 1839;
  • Koninklijke Bibliotheek, Dagblad van ’s-Gravenhage 2 augustus 1839;
  • Molhuysen, P.C., en Blok P.J., Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, deel 3 (1914), (Daniël Theodore Gevers van Endegeest);
  • Ruijter, Q. de, Over duinboerderijen en haar bewoners, 4e Jaarboekje Oud-Castricum (1981)
  • Stichting Historisch Boerderij-Onderzoek, Het boerderijenboek (2003)
  • Zuurbier, S., Wie was … Jacob Rendorp, 10e Jaarboekje Oud-Castricum (1987);
  • Zuurbier, S., De geschiedenis van Johanna’s Hof, 27e Jaarboek Oud-Castricum (2004);
  • Zuurbier, S., Beschikbaar gestelde kadastrale gegevens en aantekeningen uit Noord-Holland Archief.
Print Friendly, PDF & Email