Kraakman, meneer (Jaarboek 25 2002 pg 58-63)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 25, pagina 58

Wie was … meneer Kraakman

Meneer Kraakman was voor veel Bakkummers een mysterieuze en excentrieke persoonlijkheid, die in een grote auto door het dorp reed of, altijd in hetzelfde manchester pak, op de fiets voorbij kwam. Slechts weinigen hebben hem goed gekend, hoewel het een sociaal voelende en vriendelijke man was. Hij beheerde het erfgoed van zijn familie, bestaande uit vele landerijen en boerderijen, die zijn grootvader en zijn vader al hadden aangekocht. Hij resideerde in de afgelegen villa De Doornduyn, waarvan hijzelf de grondlegger was en waar hij tot zijn dood heeft gewoond. Overdag sliep hij en pas in de nachtelijk uren werd hij weer actief. Hij was heel betrokken bij het wel en wee van zijn pachters en heeft in Bakkum-Noord zijn sporen nagelaten. Zijn grote rijkdom stelde hem in staat zijn leven in te richten zoals hij dat zelf wilde.

Luchtfoto uit 1941 van De Doornduyn te midden van de beginnende aanplant.
Luchtfoto uit 1941 van De Doornduyn te midden van de beginnende aanplant.

Jacobus Petrus Maria (Jaap) Kraakman werd op 24 september 1897 in Alkmaar geboren als enig kind van Hendricus (Henri) Petrus Maria Kraakman en Catharina (Catho) Henrica Kortmann, Vader Kraakman was een begenadigd advocaat in Alkmaar en tevens een geldschieter met wie niet te marchanderen viel. Hij had zijn kantoor eerst in de Langestraat en later aan huis in de Nassaulaan. Zijn vrouw had hij tijdens zijn rechtenstudie in Leiden leren kennen. In de (negentien)twintiger jaren werkte hij samen met de advocaten Leesberg en Kusters.
Ook grootvader Jacobus Petrus, naar wie Jaap was vernoemd, was al advocaat in Alkmaar. Deze grootvader, die leefde van 1830 tot 1907, had ook nog veel andere functies. Zo was hij lid van Provinciale Staten, lid van de gemeenteraad, secretaris van de Kamer van Koophandel en Kapitein van de schutterij. In de families Kraakman en Kortmann kwamen veel juristen, doktoren, hoogleraren en bestuurders voor. Jaap Kraakman liet zich eens ontvallen dat op een gegeven moment bijna alle leden van de regering wel ergens verwant waren aan zijn familie.

Jaap volgde lager onderwijs in Alkmaar en heeft daarna zes jaar in Haarlem, Rosmalen en Nijmegen privé voortgezet onderwijs genoten op verschillende katholieke kostscholen. In 1917 keerde hij terug in het ouderlijk huis.
Wat nu? was de vraag, waarvoor zijn ouders zich geplaatst zagen. Dankzij de bemiddeling van zijn vader werd Jaap eerst volontair bij burgemeester Mooij op het gemeentehuis van Castricum. Iedere dag kwam hij met de stoomtram uit Alkmaar. In De Rustende Jager at hij tussen de middag zijn brood. Voor de koffie kreeg hij een kwartje van de gemeente, een kwartje dat hij volgens overlevering in zijn zak hield.

In aansluiting op zijn Castricumse periode, heeft hij nog een tijdje in Bergen op het gemeentehuis gewerkt en bij de Raad van Arbeid in Alkmaar. Toen het hem duidelijk werd dat hij niet persé hoefde te werken, vanwege de rijkdom van zijn vader, heeft hij daar direct een punt achter gezet. Jaap heeft daarna alleen nog als assistent en chauffeur van zijn vader gefungeerd, bijvoorbeeld wanneer deze in zijn functie van toegevoegd advocaat naar de marine moest in Den Helder.

Joh. Duijn, veehouder aan de Bleumerweg; “De grootvader van Kraakman heeft in de 19e eeuw veel grond gekocht, niet alleen in Bakkum, maar ook in andere delen van de provincie. Grond was heel weinig waard, niet meer dan een paar centen per m2, omdat miltvuur de veestapels had gedecimeerd. Zo is er veel land maar ook woonhuizen en ander onroerend goed goedkoop in zijn bezit gekomen. Mijn vader Reinier pachtte destijds de boerderij van de vader van Jaap. Mijn ouders hadden een goede band met die familie. We mochten een enkele keer mee in de grote auto. De enorme snelheid van wel 100 km per uur, die de auto op de Zeeweg haalde, maakte grote indruk. Jaap Kraakman herinner ik mij als een bijzondere persoonlijkheid maar zeker ook als een gezellige, aanspreekbare man.”

De Doornduyn

Vader Kraakman overleed in 1936. Enkele jaren later besloten Jaap en zijn moeder op een perceel weiland van 2 ha aan de Duinweg in Bakkum-Noord, genaamd ‘Doornduin’, een landhuis te laten bouwen. Deze grond, voorheen in het bezit van Cor Twisk, was in 1882 door zijn grootvader op een publieke veiling gekocht. In 1903 werd nog een strook grond langs de Duinweg van de gemeente overgenomen.
Aan architect Majella Cijffers uit Bergen werd de opdracht verleend voor het ontwerpen van een landhuis. Als architect en stedenbouwkundige van die gemeente van 1929 tot 1943 heeft hij het gezicht van Bergen meebepaald. Cijffers had een voorkeur voor kubistische gebouwen met platte daken in de stijl van het Nieuw Bouwen, een bouwstijl die nogal eens op weerstand stuitte. Hij heeft die voorkeur niet gevolgd of kunnen volgen bij het ontwerp van het landhuis van de familie Kraakman, dat een romantische uitstraling kreeg en een rieten dak met Anton Pieck-achtige dakkapellen.

In juli 1939 werd op naam van mevrouw Kraakman – Kortmann een bouwvergunning afgegeven voor een grote villa. De Tweede Wereldoorlog gooide roet in het eten. Het omvangrijke bouwplan met 4 slaapkamers, een woon- en een eetkamer en een personeelsverblijf, werd nog in hetzelfde jaar vervangen door een wat kleinere versie.


Jaarboek 25, pagina 59

In het ontwerp was nu wel een bomvrije schuilkelder opgenomen met een nooduitgang naar de tuin. Kraakman moet een vooruitziende blik hebben gehad, want het zou nog enige tijd duren voordat de Duitse troepen zich meldden.

Nog in 1939 begon de bouw van de ‘halve villa’ met schuilkelder door aannemer Anton (Toon) Borst. In een rapportage in het Noordhollands Dagblad zestig jaar later schreef de journalist Jurriaan Geldermans: “Weinig landhuizen in Nederland zullen zo’n onverbrekelijke eenheid vormen met de directe omgeving als ‘De Doornduyn’ in Castricum. Met recht een buiten, waarvan de glooiende rieten kap letterlijk naadloos overgaat in het stekelige duingras. Waar de vijver in de ruim twee hectaren grote tuin wordt gevoed door de sloten van omringende weilanden. Waar de tientallen volwassen bomen volledig in harmonie zijn met de bosschages in het aangrenzende duingebied.”

Toen moeder en zoon in 1940 in het nieuwe huis trokken, stond het nog niet zo mooi in het geboomte en was de omgeving nog kaal. Mevr. Kraakman – Kortmann voelde zich er erg verlaten en smeekte haar zoon om mee terug te gaan naar hun woning aan de Alkmaarse Nassaulaan. Jaap peinsde er niet over en zijn moeder keerde alleen terug naar Alkmaar. Hij bloeide op in de nabijheid van het duingebied en probeerde de flora op zijn eigen terrein zoveel mogelijk bij de echte natuur te laten aansluiten. Hij ontwierp de tuin en samen met een groep jonge kerels groef hij de vijvers en wierp heuvels op.

Kraakman en Cor Huysmans bezig met metingen in verband met de watertoevoer naar een vijver.
Kraakman en Cor Huysmans bezig met metingen in verband met de watertoevoer naar een vijver.

Juffrouw Kelderman en Cor Huysmans

Vooral in de beginjaren had Jaap verschillende personen in dienst voor de aanleg en onderhoud van zijn landgoed, maar zijn meest trouwe krachten zijn geweest Josephina (Fien) Kelderman en de op negentienjarige leeftijd bij hem in dienst getreden huisknecht-tuinman Cornelis (Cor) Josephus Huysmans.
Juffrouw Fientje woonde ruim 34 jaar in ‘De Doornduyn’. Zij regelde het huishouden en verzorgde ook de moeder van Jaap Kraakman, die in de oorlogsjaren weer bij haar zoon was komen wonen, tot haar overlijden in 1953. Fien was afkomstig uit Deventer en werd vanwege de oorlogsomstandigheden in Limmen ondergebracht bij de familie Metzelaar; mevrouw Metzelaar was een halfzuster van haar. De familie had het pension Weltevreden aan de Rijksstraatweg en Jaap Kraakman en zijn moeder vonden daar in de oorlogsjaren ook tijdelijk onderdak. Zo leerde hij Fien Kelderman kennen en haalde haar over om bij hem in dienst te treden. Hoewel ze een HBS-opleiding had afgerond en een kantoorbaan had, is ze toch op dat verzoek ingegaan. Haar vader bezat in Deventer een machinefabriek en een smederij. Ze had zo haar opvattingen, waaruit bleek uit welk milieu zij afkomstig was. Een gewone huishoudster was ze niet en wilde ze niet zijn. Haar functie was meer die van gezelschapsdame. Als ze eens een keer door personen die de situatie minder goed kenden mevrouw Kraakman werd genoemd vond ze dat niet erg, maar een huwelijk met mijnheer Kraakman is nooit aan de orde geweest. Zij assisteerde in latere jaren ook bij zakelijke beslommeringen, waar Kraakman zelf steeds minder aandacht voor had. Toen het autorijden hem minder goed afging, was het juffrouw Kelderman die haar rijbewijs ging halen.

Cor Huysmans was met Kraakman in contact gekomen, omdat ook zijn vader al voor hem had gewerkt. Huysmans: “Ik ben in 1940 op mijn negentiende jaar bij Kraakman in dienst gekomen. Ik was nog geen week bij hem toen hij me vertelde dat hij een huisje in Limmen had gekocht dat, als het leeg zou komen, voor mij bestemd was. Ik durfde toen nog niet eens aan een meisje te denken. Het huis en de grond grensde aan het perceel dat mijn vader van Kraakman huurde. Uiteindelijk is het mij bij testament geschonken en nu woon ik er vanaf mijn trouwen al 51 jaar. Vanuit mijn raam kan ik De Doornduyn nog net zien. Ik zorgde voor de tuin en haalde ook de boodschappen, juffrouw Kelderman regelde de huishouding.”

Huysmans werkte er altijd met veel genoegen en had een heel goede band met zijn baas. Hij kon zijn tijd grotendeels zelf indelen. Hij was vanaf het begin betrokken bij de inrichting en het onderhoud van het terrein. Rondom het huis werden letterlijk wagonladingen berken en beuken geplant, al leken het in het begin eerder kleine struikjes. Elke dag moest Huysmans de jonge aanplant een emmer water geven. Een tuinder waarschuwde dat die bomen zo zou worden ‘doodgegoten’ en diens voorspelling kwam inderdaad uit.
Daarop liet Kraakman een tweede wagonlading jonge boompjes aanvoeren. Nu werden op advies van de deskundige tuinder bij elke boom als voeding vier natte Limmerturven gelegd. Dat bleek de juiste aanpak te zijn, want de beplanting sloeg toen wel goed aan.

Het was de wonderlijke gewoonte van Kraakman om overdag te slapen en ‘s nachts te leven. In de ochtenduren trok hij zich terug in zijn slaap-/werkkamer en pas in de loop van de middag verscheen hij weer.
Cor Huysmans: “Al voordat het huis helemaal klaar was gingen wij er slapen om het huis te bewaken.
Mevrouw Kraakman wilde ook liever niet dat haar zoon daar alleen was en beloofde me 3 kwartjes voor iedere nacht die ik er door zou brengen. De stretchers waar we op sliepen heb ik nog. Om 7.00 uur ging de wekker. Meneer Kraakman zorgde voor het eten en maakte zo nodig afspraken over het werk. Vervolgens ging hij dan slapen tot een uur of drie, vier. In de winter zag je hem helemaal niet. Zijn grootvader had dezelfde gewoonte, ook die sliep overdag en werkte zoveel mogelijk ‘s nachts.”

Buurtbewoner Siem Mooij: “Ik heb ook ervaren dat mijnheer Kraakman vooral ‘s nachts in de weer was. In mijn jeugd bracht je als je ergens te dansen was geweest, soms een meisje naar huis en dan kwam je hartstikke laat thuis. Op een nacht ging ik via de Noorderstraat richting huis, de boerderij Zeeveld, toen ik langs de weg in het pikkedonker een auto zag staan. Geschrokken deed ik het licht uit van mijn fiets en kwam dichterbij.


Jaarboek 25, pagina 60

Toen herkende ik de aparte auto van meneer Kraakman en zag ik ook dat hij er zelf onder lag. Ik zei maar iets in de geest van: “Zo meneer Kraakman, u bent ook nog laat hier. Heeft u pech of zo?” Hij kwam onder de auto vandaan en zei: “Het was van dat mooie weer en ik dacht kom laat ik eens een stukje gaan rijden. Nu heb ik iets aan die auto gehoord wat ik niet thuis kan brengen en ben ik bezig om uit te zoeken wat het is.”

Verre reizen

Kraakman had een brede interesse in veel onderwerpen, vooral op natuur en historisch gebied. De Werkgroep Oud-Castricum ontving van hem scherven uit de Romeinse tijd die hij op zijn terrein had gevonden en andere voorwerpen. Hij had een grote bibliotheek en hij verzamelde alle Nederlandse bankbiljetten, brillen, munten, Delftsblauwe tegels (die hij zelf uit oude boerderijen had gehaald) en postzegels. De waarde van zijn postzegelverzameling was destijds getaxeerd op 45.000,- gulden. Kunstenaars in Bergen die panden van zijn vader en later van hem huurden, betaalden soms met schilderijen. Zo bezat hij, volgens Cor Huysmans, zelfs werken van Matthieu Wiegman en Charley Toorop. Zijn werk-/slaapkamer, lag vol met boeken en papieren en de werkster mocht er niet komen. Alleen als hij op vakantie was, mocht er door Huysmans schoongemaakt worden, maar alles moest wel exact op dezelfde plaats terug gelegd worden, iedere afwijking viel hem onmiddellijk op.

Houtsnijwerk: Jaap Kraakman geportretteerd achter zijn bijzondere schaakstukken.
Houtsnijwerk: Jaap Kraakman geportretteerd achter zijn bijzondere schaakstukken.

Kraakman was een veelzijdig mens. Hij had zeker een talenknobbel, want hij had zichzelf Italiaans geleerd en kon Russisch lezen. Hij was een trouw belijder van het rooms-katholieke geloof en bezocht iedere zondag de abdijkerk in Egmond. Kraakman had gevoel voor kunst en was heel bedreven in houtsnijden. Zo maakte hij bijvoorbeeld een complete kerststal. Cor Huysmans heeft enkele werkstukken van hem gekregen, waaronder een houten paneeltje met een daarin uitgesneden reiger. Kraakman hield ook van klassieke muziek al speelde hij zelf niet. Een grote vleugel in de huiskamer werd door zijn moeder en door Fien Kelderman bespeeld. Filmen en fotograferen was een andere hobby en daarvoor beschikte hij over een uitgebreide film- en fotouitrusting. Hij heeft vooral op zijn buitenlandse reizen heel wat meters film verschoten en prachtige foto’s gemaakt.

Mijnheer Kraakman en juffrouw Kelderman in Venetië op vakantie.
Mijnheer Kraakman en juffrouw Kelderman in Venetië op vakantie.

Jaarlijks ondernam Kraakman lange reizen naar Italië, Spanje, Griekenland en Frankrijk. Er werd in hotels gelogeerd, maar vooral op latere leeftijd ging hij het liefst kamperen.
Cor Huysmans: “Hij bleef soms maanden weg en werd vergezeld door juffrouw Kelderman. Achterneefjes of achternichtjes, die bij het kamperen een handje hielpen, gingen mee of trokken een paar weken met ze op. Hij bezat een grote zware tent van negen meter lang met drie compartimenten van drie meter, waarvan één voor hem, één voor zijn reisgenoten en een eetgedeelte. Achterin zijn grote auto stond een grote kist waar een soort keuken in zat, voor het gebruik op de kampeerplaats.”

Zijn achternicht Melitta Dorbeck: “In hun jeugd trokken mijn vader en Oom Jaap vaak met elkaar op en maakten ze lange fietstochten. Ik ben zelf in de jaren zestig mee geweest op vakantie naar Sicilië en heb het een heel bijzondere belevenis gevonden. Voor Oom Jaap was opstaan rond een uur of twaalf al vrij vroeg en tegen de tijd dat we ergens naar toe konden waren veel bezienswaardigheden alweer gesloten. Hij bestudeerde reisgidsen en wist veel van de streek die we bezochten. Ik herinner me dat Oom Jaap eens een uitgebreid verhaal vertelde over de beroemde weg waar we op dat moment overheen reden. Jammer was alleen dat we er weinig van zagen, omdat het al weer donker was geworden. Hij was een heel goede chauffeur en kon uren achterelkaar doorrijden en was dan doof voor de aandrang van tante Fientje om toch eindelijk eens te pauzeren. In mijn tijd had Oom Jaap een Peugeot waarop een grote kist voor de tent en de andere bagage was geschroefd. Tijdens de lange vakantie werd op een gegeven moment die kist eens leeg gehaald en toen bleek dat een van zijn manchesterpakken met knickerbocker door vochtinwerking helemaal was vergaan.”

Graham Paige

Een auto die Kraakman heel lang heeft gehad, was een in Nederland zeldzame Amerikaanse auto van het merk Graham Paige uit 1928, die hij van zijn vader had overgenomen. Die had hem omstreeks 1930 gekocht van zijn buurman in de Nassaulaan in Alkmaar, de rechter Vaz Diaz, wiens benen te kort waren om goed bij de pedalen van deze enorme auto te kunnen komen.
Cor Huysmans: “Het benzineverbruik lag rond de 1 : 4 en bij bepaling van de etappes moest goed rekening gehouden worden met de aanwezigheid van benzinepompen. De auto woog 2244 kilogram schoon aan de haak. Het was het type limousine met drie zittingen achter elkaar en een raam achter de plaats van de chauffeur. Hij was zo groot dat Garage Pouwels een ander exemplaar nog eens heeft omgebouwd tot ambulance. De auto had twee reservebanden; een lekke band kwam vaak voor omdat er nog al eens spijkers op de weg lagen uit paardenhoeven. Het dak van de auto is ooit vervangen door een linnen kap die je open kon draaien. De kap was op een gegeven moment helemaal vergaan. Mijnheer Kraakman had naast zich in de auto een paraplu die hij opstak als het ging regenen. Uiteindelijk is de wagen voor de sloop verkocht aan Joop van der Steen. De krik en ander zwaar gereedschap van die auto heb ik nog altijd bewaard.”

Joop van der Steen: “Omstreeks 1948 heb ik de Graham Paige gesloopt. Nu heb ik er spijt van want hij zou zeker 200.000,- gulden waard geweest zijn. De spaakwielen zijn gebruikt voor boerenkarren; luchtbanden waren toen heel schaars.


Jaarboek 25, pagina 61

De eerste auto van Kraakman was een 8-cilinder Graham Paige; een uit Amerika geïmporteerde limousine.
De eerste auto van Kraakman was een 8-cilinder Graham Paige; een uit Amerika geïmporteerde limousine.

De carrosserie is als schuilhok op het tuintje van mijn vader gezet en ik heb er nog goeie herinneringen uit mijn verkeringstijd aan overgehouden. De tussenbank is nog jaren in gebruik geweest als tuinbank. De wielen, de koperen radiateur en de koperen koplampen hebben nog aardig wat opgebracht.”

Tweede wereldoorlog

In de loop van 1942 werden veel Duitse soldaten in Castricum en Bakkum gelegerd. De bouw van een verdedigingslinie langs de westkust met kustbatterijen, radarstations en tankversperringen begon. Velen werden gedwongen om hun huis te verlaten en de sloop van veel huizen en boerderijen nam een aanvang.
Cor Huysmans: “Meneer Kraakman zag wel aankomen dat de Duitsers bij hem zouden worden ingekwartierd. Hij gaf de timmerman opdracht van alle eiken deuren in het huis goedkope grenen kopieën te maken. De originele deuren hebben we ergens opgeslagen en na oorlog weer terug gehangen. Vlak voordat de Duitsers in 1943 binnenstapten, hebben we al het koperwerk ‘s nachts uit het huis gehaald en begraven in de tuin. Net als een kist met nikkelen munten. We schrokken erg toen ze juist op die plaats wilden gaan bouwen. Hals over kop hebben we alles weer opgegraven en naar een andere plaats gebracht. Totdat we werden verrast door een Duitser. Meneer Kraakman kon hem afleiden, waarop ik nog net met kruiwagen en al wist weg te komen.”

In de tuin werden twee bunkers gebouwd die aan twaalf soldaten plaats boden. In de grote woonkamer van het huis hielden zij hun dansavondjes. Later was Kraakman er trots op dat het ze nooit gelukt is om zijn grote kluis open te krijgen; er was zelfs op geschoten. In totaal zijn er in de driehoek Duinweg, Doornduyn en de jeugdherberg Koningsbosch 31 bunkers gebouwd, wat een enorme ingreep was in dat beperkte gebied. Ook de aanleg van een tankgracht, die dicht langs De Doornduyn liep, betekende nog al wat. Luttele meters van het terras lag een zes meter hoge bult grond, die bij het uitgraven van de gracht was opgeworpen.

Mijnheer Kraakman in zijn eeuwige manchester broek.
Mijnheer Kraakman in zijn eeuwige manchester broek.

Kraakman moest in januari 1943 evacueren en vond samen met zijn moeder onderdak in Limmen. Voor de opvang in Limmen was hij heel dankbaar en hij heeft dat tot uitdrukking gebracht door aan de gemeente een stukje grond aan de Hoogeweg te schenken, bestemd voor een boom, ter herinnering aan de kroning van koningin Juliana op 6 september 1948. Een voorwaarde was dat over deze grond geen fietspad mocht komen en het plantsoentje ligt er dan ook nu nog ongeschonden bij. De historische vereniging van Limmen profiteert nog van de films die Kraakman na de bevrijding in Limmen maakte en waarop onder andere de aftocht van de Duitsers is te zien.

Juffrouw Kelderman en Jaap Kraakman met op De Doornduyn kamperende familieleden.
Juffrouw Kelderman en Jaap Kraakman met op De Doornduyn kamperende familieleden.

Jaarboek 25, pagina 62

In augustus 1945 kon in De Doornduyn weer worden gewoond en de tuinaanleg werd opnieuw opgestart. De sporen van de Duitsers verdwenen met uitzondering van de twee bunkers aan de zijkant van het huis, die werden aangepast als kippenhok en om wat tuingereedschap en overwinterende planten kwijt te kunnen. Het terrein dat ooit weiland was geweest veranderde steeds meer in een prachtig natuurpark. Regelmatig ontving Kraakman er familieleden en dat waren samenkomsten waar hij en Fien Kelderman, die ook tot de familie werd gerekend, naar uitkeken. Vooral in de wintermaanden vond Fien het veel te stil op De Doornduyn.
Kraakman onderhield zijn gasten graag met lange monologen over diverse, vaak historische onderwerpen, waarvan hij een studie had gemaakt. Traditie was het jaarlijks kerstdiner dat vele uren duurde, onderbroken door speeches, discussies enz. Ook vonden er wel familiefeestjes plaats in Johanna’s Hof of in restaurant Komman. In de zomer werd er vaak door gezinnen van neven en nichten, zowel van Jaap als van Fien op het terrein gekampeerd. Ideaal natuurlijk omdat er ook gelegenheid was om te zwemmen in de grote vijver. Velen bewaren goede herinneringen aan de vakanties daar. Graag gingen de kinderen met oom Jaap op de tandem mee naar het dorp omdat ze dan bij veel winkels een kleine traktatie kregen; een stukje worst bij de slager of koek van de bakker.
Oom Jaap en tante Fientje, zoals ze door alle neefjes en nichtjes werden genoemd, vervulden een centrale rol in het familieleven.

Tankgracht

Kraakman was een goed zwemmer en hij kon het heel lang onder water uithouden. Verteld wordt dat hij in zijn jeugd de eerste was die van de spoorbrug het Noord-Hollands kanaal in dook. Ook werd hij in zijn puberjaren gesignaleerd, drijvend in een teil in de gracht in Alkmaar bij de molen van Piet met een boek in zijn hand. De grote vijver bij De Doornduyn is zeker ook aangelegd om te dienen als privé-zwembad. Kraakman dook er regelmatig in vanaf een soort duikplank. De vijver werd bevolkt door allerlei soorten grote karpers en hij vond het leuk om ze een stukje brood tussen zijn tenen te laten weghappen.
Later maakte Kraakman, net als veel Bakkummers, ook gebruik van een overblijvend deel van de tankgracht die op zijn land lag. Hij had na de oorlog bedongen dat dat stukje gracht niet gedempt zou worden ter wille van de jeugd van Bakkum.

Siem Mooij vertelt: “Mijn broer Piet en ik gingen ook graag zwemmen in het stuk tankgracht aan de Bleumerweg dat zou blijven bestaan. Voor het dichten van de rest waren rails gelegd waar lorries over konden rijden voor het vervoer van grond. Het weiland liep een beetje af naar de tankgracht. We vonden het leuk om zo’n lorrie te pakken en hem op gang te duwen om ons er zo naar toe te laten rollen om te gaan zwemmen. Meneer Kraakman had dat gezien en vroeg of hij mee kon rijden. Ik werd als jongste voorop gezet en meneer Kraakman en Piet duwden hem aan en sprongen er achterop. Door de ongelijke gewichtsverdeling ontspoorde de lorrie en kantelde om en alle drie doken we in het zand. Meneer Kraakman had een wondje op zijn gezicht en zijn pijp was in tweeën gebroken We dorsten thuis niets te zeggen, maar tot onze schrik kwam meneer Kraakman ons de volgende dag tijdens het melken opzoeken. Hij had verband om zijn hoofd. Hij wilde ons alleen even laten weten dat het toch eigenlijk allemaal goed afgelopen was.”

Het stuk land met de tankgracht heeft Kraakman na de oorlog willen schenken aan de initiatiefnemers voor een plaatselijk zwembad. Klaas Veldt en Gerrit Ronk sr. hadden hem voor dat comité gevraagd. Het aanbod werd afgeslagen. Men vond dat de tankgracht veel te ver van het dorp lag. Grootvader en vader Kraakman hadden in Bakkum-Noord overigens grondaankopen gedaan met een nog grootsere toekomstvisie. Zij meenden dat het gebied in het verlengde van de Bleumerweg de ideale plaats zou zijn voor de situering van een station, dat zowel voor Castricum als voor Limmen en Egmond zou kunnen dienen.

Pachtzaken

Veel boeren in Bakkum-Noord, maar ook in andere plaatsen in de provincie, pachtten grond van Kraakman. Pachtcontracten hanteerde hij lange tijd niet. Voor hem was het ‘een man een man, een woord een woord’. Pas in zijn laatste levensjaren heeft hij pachtzaken ook schriftelijk geregeld om te voorkomen dat er na zijn overlijden problemen zouden ontstaan. Zijn pachters respecteerden en waardeerden hem. Boeren kwamen vaak met paard en wagen langs om de (lage) pacht te betalen. De pachtsom bleef zo achter bij wat algemeen gebruikelijk was dat pachters zich er zelfs ongerust over maakten. Cor Huysmans: “Meneer Kraakman verhuurde voor 90,- gulden per ha, toen de gebruikelijke pachtprijs al 300,- gulden was. In mei en september moest worden betaald, maar een boer die pas was begonnen mocht in vier delen betalen of soms schold hij het hele bedrag kwijt. Kraakman wilde niet dat een boer bijvoorbeeld een koe moet verkopen om hem te kunnen betalen. “Jij kan het beter gebruiken als ik”, zei hij dan.

Cor Huysmans nog eens terug op De Doornduyn.
Cor Huysmans nog eens terug op De Doornduyn.

Op een gegeven moment begonnen pachters het geld via de bank over te maken. Daar vond Kraakman niets aan. Hij gaf de voorkeur aan persoonlijke contacten. De heer Pé Hes herinnert zich dat hij meneer Kraakman vroeg een stukje grond te mogen kopen om er een huis op te bouwen. Kraakman vond dat wel goed en vroeg hem wat hij er voor wilde betalen. Met het voorgestelde bedrag stemde hij meteen in. Jaren later was de transactie nog niet notarieel geregeld en opnieuw toog Hes naar meneer Kraakman. Die schreef toen op een papier dat hij het stuk grond aan Pé Hes had verkocht. Met dat bewijsstuk moest Hes vervolgens zelf de notaris maar vragen om de verkoop vast te leggen.

De waterhuishouding in Bakkum-Noord was een grote zorg. De waterwinning bracht grote veranderingen voor het duingebied met zich mee en had ook gevolgen voor de achterliggende graslanden.
Joh. Duijn: “Mij is verteld dat er eens zoveel water uit de richting Egmond kwam, in de buurt van duinboerderij Johanna’s Hof, dat de Zeeweg, toen nog een zandpad, helemaal wegspoelde. Toen het pompstation kwam, verdween de tuinbouw uit het duingebied. De tuinders brachten er wel een piepertje heen, maar er kwam soms niets meer terug. Het had ook gevolgen voor de landerijen in de polder.


Jaarboek 25, pagina 63

Een aantal boeren o.a. Henk Twisk, Cor Twisk en ikzelf stak de koppen bij elkaar en er werd een plan gemaakt voor de watertoevoer uit de Schulpvaart. Het plan werd in 1947 uitgevoerd. Eerst werd er proef gedraaid met een tijdelijke pomp en later is een vijzelgemaal aangeschaft. De kosten werden op basis van eigendomsgrootte omgeslagen. Ik was de penningmeester van dat project. Het is een groot succes geworden, dankzij de medewerking van heel veel belanghebbenden. In die tijd waren er nog tientallen boeren in Bakkum-Noord. Kraakman was een voortrekker van het vervolg van het irrigatieproject richting landerijen rond de Zanddijk. Hij had zich verdiept in de materie en samen met Cor Huysmans uitgebreide hoogtemetingen verricht. Het water moest daar nog belangrijk hoger worden opgestuwd en een tweede vijzelgemaal was nodig. Het Lange Rond heeft het hele project, dat van levensbelang is voor de agrariërs, nu overgenomen.”

Epiloog

Op 23 oktober 1977, nog maar een maandje tachtig jaar, stierf Jaap Kraakman aan een hartinfarct. Hij was al jaren hartpatiënt en afhankelijk van medicijnen. Indrukwekkend was dat heel veel pachters hem de laatste eer bewezen en bij het afscheid aanwezig waren. Kraakman werd in Alkmaar begraven in het graf van zijn ouders en grootouders. De tekst op het bidprentje luidde: “Nu is Jaap dan heengegaan en heeft een bijzondere leegte achtergelaten bij allen, die hem van nabij mochten kennen. Het kleine paradijsje De Doornduyn, dat zijn schepping was, was vaak voor velen een rustpunt in deze woelige wereld. Hij is nu thuis gekomen in het hemelse Paradijs. Voor hen die achterbleven rest slechts een mooie onuitwisbare herinnering.”

De Doornduyn bleef nog bijna twee jaar onveranderd, omdat in het testament was opgenomen dat er niets mocht worden veranderd, zolang huishoudster juffrouw Kelderman er nog woonde. Ook Cor Huysmans bleef gewoon in dienst. De pachters van de landerijen hadden het eerste recht van koop en velen hebben die kans ook gegrepen. De erfenis werd verdeeld onder zo’n veertig verre familieleden en andere erfgenamen. Alleen al de successierechten van Kraakmans landerijen, huizen en overige bezittingen bedroegen 61 miljoen gulden. Tenslotte was het in 1979 dan toch gedaan met de oude staat van De Doornduyn. Mevrouw Kelderman vertrok naar een woning in Castricum. De nieuwe eigenares mevr. Kloes – Freitag moderniseerde het bestaande deel van de villa grondig en bouwde er bovendien een nieuw stuk aan, grotendeels overeenkomstig het eerste nooit helemaal uitgevoerde plan van architect Cijffers. Weinig later werd het landgoed doorverkocht aan de heer Singh. In 1993 brak er brand uit, waarbij de hele bovenverdieping afbrandde en de eigenaar zodanige brandwonden opliep dat hij in het ziekenhuis moest worden opgenomen. Nog in hetzelfde jaar heeft de familie Van der Velden het pand overgenomen. De wederopbouw van de uitgebrande villa nam bijna anderhalf jaar in beslag. De in latere jaren gerealiseerde aanbouw werd afgebroken en weer opgebouwd met speciaal in de juiste kleur vervaardigde Brabantse handbakstenen. Het deels verbrande parket werd aangevuld met gelijk gekleurd hout. Gaandeweg ontstonden de contouren van het huis dat architect Cijffers ooit voor ogen moet hebben gestaan. Een brede villa die half verzonken in de heuvels ligt, waarbij het geaccidenteerde landschap terugkomt in de met dakkapellen gesierde glooiingen van de rieten kap. Het natuurpark wordt zorgvuldig onderhouden, waarbij nog steeds dankbaar gebruik gemaakt wordt van planten die worden gekweekt door de nu 83-jarige Cor Huysmans.

De Doornduyn in de tegenwoordige staat.
De Doornduyn in de tegenwoordige staat (in 2002).

De schepping van Kraakman is voltooid in een vorm zoals hij zelf nooit heeft kunnen aanschouwen. Toch zal het voor velen altijd het huis van die bijzondere meneer Kraakman blijven.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Archief gemeente Castricum.
  • Rapportage over De Doornduyn van Jurriaan Geldermans in het Noordhollands Dagblad van 2 febr. 1999.
  • Mondelinge informatie van mevr. Melitta Dorbeck en mevr. Visschers en de heren Cor Huysmans, Siem Mooij, Joh. Duijn, Joop van der Steen en Th.L.G.M. Keesom.
Print Friendly, PDF & Email