Krist, Broeder (Jaarboek 32 2009 pg 12-13)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Duin en Bosch in Bakkum:
Duin en Bosch – begraafplaats – evacuatie – patiëntenzorg – trammetje
Extra: Jacobi – Jacobi gezin en grafmonument – Broeder Krist vertelt …

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 32, pagina 12

Broeder Krist vertelt …

Meine Krist
Meine Krist

“Ik ben geboren op 20 december 1915 in Gorredijk. Na de lagere school volgde ik daar de mulo. Vervolgens ging ik naar een baas, een grossier in kruidenierswaren. Die zei na de eerste week: “Ik heb over je salaris nagedacht en ik denk niet dat we van die grote sprongen moeten maken. We beginnen maar met een gulden.” Ik kreeg een gulden en een potlood met reclame van de zaak en een sigaar voor mijn vader. Die was zo lek als een mandje. Het was met een week afgelopen.

Daarna ben ik nog een poosje loopjongen geweest in een drankenhandel. Ik heb zelfs nog allerhande likeuren leren maken. Toen kwam ik een dorpsgenoot tegen: Jaap Glastra. Die vroeg: “Waarom kom je niet bij ons.” Ik zeg, wat doe je. “Ik zit in de verpleging.” Het sprak me niet erg aan. Ik dacht er over na en heb het toch gedaan. Rond 1937 vertrok ik uit Gorredijk. Het ziekenhuis was in Medemblik en daar woonde ik intern en kreeg een driejarige opleiding.

Het zat in een heel langgerekt gebouw. Je had een hoofdverpleger voor oost en een hoofdverpleger voor west. Het was wel mijn werk, maar niet mijn hobby. Je paste je aan en probeerde goed voor de patiënten te zijn. Als je na drie jaar je diploma kreeg, dan mocht je ook uitwonend worden. Toen ik daar zo’n beetje aan toe was, besloten Provinciale Staten van Noord-Holland van die drie jaar maar zes jaar te maken. Het was in de bezettingstijd en je kon geen kant uit. Dat betekende dat ik nog drie jaar moest wonen in een kamertje van een paar vierkante meter. Ik was toen verloofd. Ik ben zeker een jaar of acht verloofd geweest. Dat meisje kon het op den duur ook niet volhouden en die is weer vertrokken naar Friesland. Je kon wel zeggen ik stop ermee, maar er was niets anders in die tijd. Er was veel werkeloosheid. Dan hing ook nog de tewerkstelling in Duitsland boven je hoofd.

Ik ben daar nog eens knock-out geslagen. Er was een hele grote neger, Garcia heette die. Hij zat in een isoleercel. Ik moest hem eten brengen in zo’n geëmailleerdbord met een mok koffie. Hij stond boksbewegingen temaken. Ik zei tegen de hoofdverpleger zullen we maar niet wachten tot hij gekalmeerd is. De hoofdverpleger – je was altijd met z’n tweeën – vond van niet en duwde me min of meer naar binnen. Hij sloeg en ik werd wakker, liggend in de gang.

Ik ging als verpleger naar Duin en Bosch nog voor de opheffing van het ziekenhuis in Medemblik. De feestelijke slotbijeenkomst, waar mevrouw Kloosterman het woord voerde, heb ik daar nog wel meegemaakt. Ik werd broeder genoemd. Eerst woonde ik intern in het ziekenhuis. We gingen uiteindelijk na mijn trouwen in de Dr. Ramaerlaan wonen, in de ‘broederwijk’, waar mijn kinderen geboren zijn.

Ik kwam bij Duin en Bosch op de therapieafdeling. Timmeren en schilderen met patiënten. Er werd speelgoed gemaakt. Voordat ik kon beginnen, moest ik de ruimte daarvoor tussen de bedrijven door in mijn eentje zelf schoonmaken. Op die manier heeft het een paar maanden geduurd. Het was een gebouw geweest voor opname van mensen met besmettelijke ziekten. Het had verschillende zaaltjes; erg hokkerig.
Een oudere zuster was kwaad op me. Ze zei dat die functie haar vroeger was beloofd. Ik heb het maar naast me neergelegd: ik had mezelf niet op die plaats neergezet.

De mensen die er kwamen, waren nogal verschillend en er lagen vlijmscherpe beitels. Je moest sommige patiënten goed in de gaten houden. Ik heb daar aparte figuren meegemaakt. Er was een oude man die wagenmaker was geweest. Vlak bij de ingang bij het hek lagen bomen in het water. De man stelde voor die bomen op te halen. Ik heb het nog nooit gezien, maar die man zaagde er allemaal dikke planken uit. Daar zaagde hij de armen uit voor een kruiwagen. Hij had allemaal mallen gemaakt. Het wiel was heel ingewikkeld. Schitterend werk.
We hebben ook wel eens een heel bekende kunstschilder uit Haarlem in de groep gehad en twee meubelmakers. Die maakten doodkisten van allerlei resten hout. De kisten werden dan zwart geschilderd. Het was geen echte verf, want het bleef afgeven.
Er was ook een mattenmakerij. Die is uiteindelijk stopgezet, omdat het geen niveau had. Ik vond het jammer, want je kon iedereen dat vlechtwerk laten doen en er kwam een aanvaardbaar product tevoorschijn.

Je ging vroeger veel afstandelijker met de patiënten om. Tegenwoordig gaat het wat makkelijker. Vroeger hadden de mannelijke patiënten een grijs-grauw pak aan en de vrouwelijke patiënten een jurk en capes. Het is pas in de jaren (negentien)vijftig geleidelijk veranderd. Het ene paviljoen was het andere niet; de mensen werden zo’n beetje in rangen


Jaarboek 32, pagina 13

verdeeld, afhankelijk van de personen dus. Het ging niet van de ene dag op de andere.

Heel vroeger had je nog geen therapie en dan liepen ze maar heen en weer in de leeuwenkooi, zoals die dagzaal ook wel werd genoemd. Je kon die mensen geen boek geven, want dat vond je later verscheurd terug. Ze liepen de hele dag te draaien. Een man maakte steeds hoeken van 90 graden. Er was ook iemand die de hele dag een soort dwangkleding aan moest, anders sloeg hij alles stuk. Hij bewoog zich huppelend voort en had op ‘t laatst ‘spitsvoeten’. In de dagzaal kwamen ze zondags en na werktijd voor degenen die werken konden.

Mensen verbleven vroeger veel langer in het ziekenhuis. Sommigen hun hele leven. De behandeling is nu veel meer op het individu afgestemd dan vroeger. Nu heb je veel meer medicijnen dan vroeger. Ik weet nog wel dat de eerste medicijnen kwamen. Je kon wel zien wat ze kregen. Als ze in de zon kwamen kregen ze een dikke, rooie kop. De therapie afdeling lag me wel, maar je moest er toch ook altijd een beetje op je hoede zijn. Helemaal op mijn plaats was ik er niet. Ik heb er toch zowat 40 jaar gewerkt.

Ik ben een paar jaar voor mijn vijfenzestigste gestopt enprofiteer dus wel van mijn pensioen.

Niek Kaan

Print Friendly, PDF & Email