De Middeleeuwen (Jaarboek 06 1983 pg 13-14:)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 6, pagina 13

 

De middeleeuwen

een inleiding bij het verslag over archeologische vondsten aan de Willem de Rijkelaan –

 

De Middeleeuwen in Europa

In Europa worden de Middeleeuwen – globaal gezien de periode tussen de 5e en 15e eeuw – door geschiedschrijvers over het algemeen beschouwd als een tussenperiode tussen de val van het Romeinse Rijk en de ontdekking door Columbus van Amerika. De naam is afkomstig van de Italiaanse Humanisten der 15e eeuw, die de afgelopen duizend jaar zagen als een barbaarse periode tussen de antieke cultuur en de door hen zelf bewerkstelligde herleving daarvan. In een latere periode wordt met wat meer waardering over de Middeleeuwen gesproken.

In de vroege Middeleeuwen (5e – 10e eeuw) is de economie gegrondvest op hoofdzakelijk de landbouw en veeteelt. Het gezag behoort aan diegenen, die het land bezitten. Er bestaat nog weinig centraal gezag, tegen bedreigingen van andere volken (Noormannen) en natuurelementen (overstromingen) is nauwelijks enig verweer.

In de hoge Middeleeuwen (11e – 13e eeuw) begint er een centraal gezag te ontstaan (kloosters, graven) en stedelijke beschaving (Dorestad, Utrecht enz.). Door de bouw van monumentale bouwwerken komen kloosters, kerken, kastelen en complete steden tot stand. Een grote aanwas van de bevolking doet de behoefte aan betere landbouwmethoden ontstaan.
Door dijkaanleg wordt de kracht van het water getemd, nijverheid en handel bloeien op.

In de late Middeleeuwen (13e – 15e eeuw) zijn de beschikbare gronden te klein voor de te grote bevolkingsaanwas. Hongers- noden komen voor en de verzwakte bevolking krijgt te maken met uitgebreide pestepidemieën.
Door de technische vooruitgang (betere schepen, buskruit, kompas, boekdrukkunst) wordt door zeevarenden de tot dan onbekende wereld ontdekt (kusten van Afrika en Amerika). Zo wordt vanuit een achteruitgang van de oude cultuur de basis gelegd voor de moderne maatschappij.

Kennemerland in de Middeleeuwen

De landschapsontwikkeling in de kuststreken wordt geken- merkt door een voortdurende verandering van de posities van de strandwallen, zeegaten, waddengebieden, rivieren en veen- gebieden. Stuwende kracht achter deze steeds wisselende wijzigingen is de stijging van de zeespiegel na de laatste ijstijd 10.000 jaar geleden. Door de wisseling van de zeespiegel over verschillende perioden komt de kustlijn steeds westelijker te liggen, doordat de strandwallen zich in die richting gaan uitbreiden.

Omstreeks 1200 v. Chr. bevindt zich een zeegat rond Beverwijk, welke door de uitmonding van allerlei rivieren (o.a. een zijtak van de Rijn, de Vecht) tot een estuarium is gevormd. Het gebied rond Castricum ligt nog onder directe invloed van de zee. De uitmonding verplaatst zich rond 100 v. Chr. geleidelijk naar het gebied rond Castricum en wordt omstreeks 400 V. Chr. teruggedrongen naar de omgeving van Egmond. Geleidelijk verlanden de mondingsgebieden en uiteindelijk voeren nog slechts enkele geulen water naar de zee af (zie bijgevoegde kaart).

Vanaf de late ijzertijd ca. 200 v. Chr. worden de drooggevallen gronden in het estuarium door de mens in gebruik genomen. Vondsten uit deze tijd zijn aangetroffen in het zuidelijke gedeelte van Castricum aan de Heemstederweg (,,de Goud- duinen”) en bij pompstation H. in het duingebied op de grens met Heemskerk.

De eerste kolonisten zijn de Friezen oorspronkelijk afkomstig uit Noord-Duitsland, die zich via de oostelijke hoge zandgronden (Drente) in de 5e eeuw v. Chr. langzaam over de kustgebieden hebben verspreid.
Zij beheersen het spinnen en weven, waarvoor het wol van de schapen en het zelf verbouwde vlas wordt gebruikt. Zij maken hun eigen aardewerk, het gebruik van metalen als lood, brons en ijzer is bekend. De huizen zijn eenvoudig opgetrokken uit materialen uit de direkte omgeving, die in ruime mate voorhanden zijn. De constructie bestaat uit een rechthoek van stevige palen, de wanden van twijgen zijn met klei bestreken, de daken met riet of plaggen afgedekt. Het hoofdmiddel van bestaan is het kleine boerenbedrijf, de veestapel bestaat voornamelijk uit runderen, schapen en varkens. Ook het paard is bekend. De streek is rijk aan wild en vis. Door de uitgestrekte bossen is er voldoende hout.

De Romeinen hebben in het begin van onze jaartelling tussen 15 en 50 n. Chr. nabij de zeemonding bij Velsen een vlootbasis aangelegd. Inheemse bewoningssporen uit deze tijd zijn over een uitgestrekt gebied in Castricum aangetroffen (vanaf de kern van het dorp (Dorpsstraat), via de Cieweg en vandaar in zuid- oostelijke richting Heemstederweg en de oude buurtschap Heemstede). Na de Romeinse tijd trekt de bevolking in de 4e eeuw n. Chr. weg door de stijging van de zeespiegel, waardoor bewoning onmogelijk wordt. De grote veenmeren als IJ- en Wijkermeer komen tot stand.

Eerst in de 6e – 7e eeuw n. Chr. worden de omstandigheden weer geschikt voor de terugkeer van de bevolking. Zo zijn in het zuid- westelijke gebied van Castricum onder de jonge duinen sporen waargenomen van akkerbewerking met aarde- werk uit die periode. De naam Castricum doet een oorsprong uit deze periode vermoeden. Omstreeks 800 -900 n. Chr. raakt het zeegat bij Egmond dicht. De bewoning aan de Willem de Rijkelaan moeten we ons in deze periode voorstellen. In deze eeuwen vinden de plundertochten door de Noormannen plaats.

Door grote zandtransporten, door verstuiving wordt de basis gelegd voor de vorming van de ons nu bekende hoge duinen, waardoor een natuurlijke barrière tegen de zee-invloeden wordt gevormd. De uitgestrekte bossen worden gekapt en de ontginning van de enorme veenmoerassen in het achterland wordt aangepakt. De abdij van Egmond wordt rond 950 gesticht.
De eerste kerk van Castricum is vermoedelijk eveneens in deze eeuw gesticht. Gestimuleerd door de monniken van de abdij wordt een aanvang gemaakt met dijkaanleg – eerst in de vorm van lage kaden (Zanddijk).

Kennemerland is strategisch gezien een moeilijk te nemen


Jaarboek 6, pagina 14

hindernis met aan de landzijde grote meren en moeilijk Bronnen begaanbare moerassen en in het zuiden afgesloten door rivierarmen. Reeds vroeg in de Middeleeuwen zijn op strategische punten kastelen ontstaan (o.a. Brederode en Egmond). Het kasteel Kronenburg ten oosten van Castricum stamt vermoedelijk uit de 2e helft van de 13e eeuw. Door de toenemende wateroverlast tussen 1000 en 1400 n. Chr. zowel van de grote meren als van de zee is de Castricumse bevolking genoodzaakt zijn grondgebied door een aaneengesloten bedijking (Korendijk, Heemstederdijk, Kerkedijk en Boogaertsdijk) af te sluiten.

F. Baars

Paleogeografische kaart van het gebied rond het Oer IJ estuarium (ca. 400 voor Chr.)
afb. 1 Paleogeografische kaart van het gebied rond het Oer IJ estuarium (ca. 400 voor Chr.)

Legenda bij paleogeografische kaart van het Oer IJ estuarium

(naar P.C. Vos; gebaseerd op de kaarten van Jelgersma e.a. (1970), Zagwijn (1971), De Mulder en Bosch (1982), Hallewas (in voorbereiding).

1 Strandwallen, bedekt door duinen
2 idem, verondersteld
3 Droog gevallen zandige estuariem afzettingen, stranden en
zandige gronden tussen de strandwallen waar, in de lagere
delen, veen vorming kan plaatsvinden.
4 Klastische sedimentatie in het estuarium (geulen, zandplaten,
kielplaten, oeverwallen, kommen en lagunes). 5 Laagveen (,,rietveen”) vorming
6 Hoogveenvorming
7 Zeegat
8 Grote getijdegeulen
9 Veen afwaterings rivieren

Bronnen

– De relatie tussen de geologische ontwikkelingen en de bewoningsgeschiedenis in de Assendelver Polders vanaf 1000 V. Chr. door P.C. Vos, tijdschrift Westerheem XXXII – 2/3-1983.

– Atlas van de Nederlandse landschappen (blz. 18-19,210-219). 1979 Het Spectrum.

– Hart van Kennemerland door Drs. J. van Venetien (blz. 11-21), IJmuiden 1968.

– Verleden Land – archeologische opgravingen in Nederland (blz. 122-125), Amsterdam 1981.

– Bijdrage tot de historische geografie van Kennemerland in de Middeleeuwen op fysisch-geografische grondslag door J.K. de Cock (blz. 159-165), 1965.

– Historie van Castricum en Bakkum door D. van Deelen (blz. 12-23), Schoorl 1973.

Print Friendly, PDF & Email