Middeleeuws akkerland onder de duinen (JB22 1999 pg 23-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 22, pagina 23

 

Middeleeuws akkerland onder de duinen

en de zorg om het bodemarchief

 

Inleiding

‘Merovingische bewoning gevonden in de Kennemerduinen’, staat er boven een niet gepubliceerd artikel van D. van Deelen. ‘Middeleeuws akkerland onder de Castricumse duinen’, is de titel die Van Deelen en Schermer in 1963 hebben verbonden aan een publicatie in Westerheem, een periodiek van de Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN). Beide artikelen gaan over dezelfde archeologische locatie in de Castricumse duinen. In het gepubliceerde artikel worden de waarnemingen nauwkeurig beschreven. Hierin is de hand van Schermer duidelijk te herkennen. Hij was een bedachtzaam en nauwgezet man, die zijn woorden zorgvuldig koos.
In het niet gepubliceerde artikel van Van Deelen is het alsof we er zelf bij betrokken waren en staat hij zichzelf ruimte toe voor eigen interpretaties. Graag stel ik u in de gelegenheid om de amateur-archeoloog Van Deelen in zijn beschrijving te volgen.

Twee kaartjes waarop de vondstlocatie is aangegeven (tekening A. Schermer).
Twee kaartjes waarop de vondstlocatie is aangegeven (tekening A. Schermer).

Het verslag

“Ten oosten van de Oldenborghweg, de klinkerweg van Wijk aan Zee naar Egmond, en ongeveer 300 meter ten westen van de oude boerenwoning De Brabantse Landbouw, werd in de jaren 1961/1962 ten behoeve van de drinkwatervoorziening een grote vijver gegraven. Daar we in de buurt van het graafwerk reeds in 1950 veel sporen van bewoning, afkomstig van een oude nederzetting, daterend van vóór onze jaartelling, hadden gevonden, waren onze verwachtingen hoog gespannen. De vijver zou een oppervlakte krijgen van 4 ha. en ongeveer 5 meter diep worden. Een klein rekensommetje en we weten dat hiermede zo’n 200.000 m3 grond verzet zou worden. Een prachtig speurobject voor de amateur-archeoloog. Niet iedere dag maar wel enkele keren per week werd het graafwerk op sporen van vroegere bewoning onderzocht. Doorgaans waren twee of drie draglines aan het graven en meer dan vijftien vrachtwagens ingeschakeld.

Als de sporen van bewoning alleen vastgesteld zouden worden aan de hand van het gevonden scherven-materiaal, zou ons succes niet zo bijzonder groot genoemd kunnen worden.
Dat er niet zo erg veel scherven gevonden zijn, ligt voor de hand omdat het zand met grote happen op de zandauto’s werd geladen en er ongetwijfeld massa’s scherven met het zand zijn afgevoerd. We mogen dankbaar zijn dat het graafwerk in twee etappes werd uitgevoerd. Zo was het mogelijk om de tussenliggende laag op ongeveer 2,5 meter diepte grondig te onderzoeken. Wat niet wegneemt dat het spijtig is dat de daarboven liggende laagjes niet onderzocht konden worden. Verhalen achteraf van chauffeurs die oud, gebroken, aardewerk op de wagens hadden zien liggen, zijn misschien verzonnen, maar konden ook waar zijn.

Toch is het na intensief speuren mogen gelukken nog voldoende scherven-materiaal bij elkaar te zoeken, om hierdoor vrij nauwkeurig te kunnen vaststellen, hoe het landschap van ongeveer het jaar 650 tot het midden van de 10e eeuw er heeft uitgezien en wat voor mensen op het terrein of in de onmiddellijke nabijheid gewoond hebben.
Op de vaste, stevige veenlaag, die op een diepte variërend van 1,90 tot 2,90 meter bijna over het gehele terrein voorkwam, moeten één of meerdere landbouwende families gewoond hebben. In deze laag werden dan ook de wat povere resten van aardewerk gevonden. Het waren scherven die gewoonlijk in een woonlaag achterblijven. Enkele van die scherven, die naar de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek te Amersfoort werden opgestuurd en door Drs. H . Halbertsma gedetermineerd werden, bleken uit de 7e eeuw te zijn. Van ongeveer het jaar 650 tot 950, driehonderd jaar lang dus, moet daar of in de onmiddellijke nabijheid een permanente bewoning geweest zijn. Scherven van diverse potten en kannen die gedeeltelijk in het Merovingische en verder in het Karolingische en Ottoonse tijdperk (red: circa de jaren 800-1000) gemaakt en gebruikt zijn, vormen het bewijsmateriaal. Verder kwamen uit deze donkere veenlaag botten, tanden en kiezen, over wegend afkomstig van rund en varken. Bijzonder is wel een runderbot dat met een scherp voorwerp wat puntig gemaakt is en zeker gebruikt zal zijn als steek- of slagwapen.

Iets dat dagen lang, over een vrij grote oppervlakte, op prachtige wijze te zien was en wel op een diepte van 2,5 meter onder het maaiveld, waren ploegsporen uit de 7e of 8e eeuw.


Jaarboek 22, pagina 24

Aardewerk- en beenvondsten.
Aardewerk- en beenvondsten. “Een bijzonderheid was een grof kunstmatig aangepunt runderbot, dat ‘goed in de hand’ bleek te liggen en dat ons deed denken aan één of ander slagwerktuig”; aldus Van Deelen en Schermer (tekening A. Schermer).

Dat we die konden waarnemen kwam door een zeer toevallige omstandigheid. De dragline had de donkere laag ter plaatse juist tot in het midden van de bouwvoor afgeschraapt. Zodoende kwamen de rechtlijnige ploegsporen bloot te liggen en toen een felle westenwind wat van het losse zand uit het midden van de sporen in lengterichting deed wegstuiven en weer opvulde met wit duinzand, waren de ploegsporen bijzonder duidelijk te zien. Toen we dat voor het eerst zagen was het of de landbouwer van 1200 of 1300 jaar geleden zijn akker zojuist had verlaten. Foto’s hiervan gemaakt laten dit duidelijk zien (red: zie pagina 25).

Meer naar de diepte werden geen sporen van bewoning aangetroffen. Toch kwamen uit het diepste gedeelte van de werkput zeer interessante vondsten voor de dag. Zo troffen we bijna in het midden van het afgegraven gedeelte weer een, min of meer, venige laag aan met over een oppervlakte van meer dan 100 meter veel resten van hout. Dit zou een laagte geweest kunnen zijn, waar bij een eventuele overstroming alles naar toe gespoeld is. Gezien de vele stukken hout zal het terrein vaker overspoeld zijn en alles in de grote kuil terecht gekomen zijn. Er waren stukken hout bij, die door het heen en weer spoelen geheel rond afgesleten waren.

Onder de vele houtresten waren twee stukken die, vanwege hun vorm, nader bekeken moesten worden. Het ene stuk hout was plat, 17,5 cm lang, 12,3 cm breed en gemiddeld 1,3 cm dik. Het kwam erg overeen met het steekgedeelte van een houten schop. Het andere stuk was rond met gebogen punten en vertoonde veel overeenkomst met een boemerang. De heer H J .Calkoen, die ik de stukken het eerst liet zien, was hoopvol gestemd en raadde mij aan de stukken hout te laten onderzoeken. Ik zond beide stukken naar de ROB te Amersfoort. Drs. H. Halbertsma was zo vriendelijk zich met het onderzoek te belasten en berichtte ons dat ons vermoeden wel eens juist kon zijn, alhoewel hij betwijfelde of een boemerang in het winderige kustgebied ooit bruikbaar is geweest. Op zijn advies ging ‘de schop’ voor nader onderzoek naar Dr. G.M.J. van der Poel, directeur van het Landbouwmuseum der Landbouwhogeschool te Wageningen. Dr. van der Poel antwoordde: “Het lijkt mij niet onwaarschijnlijk dat het voorwerp het blad van een schop is geweest”.
Het onderzoek van de boemerang ging minder vlot. Dit stuk ging, eveneens op advies van Drs. Halbertsma, in november 1962 eerst naar het Museum voor Volkenkunde en vandaar naar het Museum van Oudheden, beide te Leiden. Aldaar zou Prof. Dr. H. Brunsting zo vriendelijk zijn zich met dat onderzoek bezig te houden. Dit onderzoek is nog niet afgelopen zodat we u daar nog geen uitslag over kunnen geven.”

De zorg om bet bodemarchief

Hoe het met de (veronderstelde) boemerang is afgelopen, weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat Van Deelen en Schermer toen al pleitten voor een betere samenwerking tussen de grondverstoorder en de onderzoeker van het bodemarchief. Het bodemarchief is immers maar één keer te raadplegen!
Graag stel ik u in de gelegenheid om kennis te nemen van het tekstgedeelte, van het in Westerheem gepubliceerde artikel, waarin zij deze wens onder woorden brengen:

“Tenslotte het voorgaande kort samenvattend kunnen we volstaan met op te merken dat een belangrijk graafwerk midden in een duingebied aan onze westkust de kans heeft geboden waarnemingen te doen, die zowel voor de duingeschiedenis als voor de archeologie van belang zijn. Bij één en ander is opnieuw duidelijk geworden hoezeer de wetenschappelijke waarden afhankelijk zijn van de omstandigheden en methoden waaronder een werk wordt uitgevoerd. In het beschreven geval zijn de resultaten min of meer begunstigd door het toeval.


Jaarboek 22, pagina 25

In de toekomst zullen we er echter nog meer naar moeten streven te komen tot voorafgaand overleg tussen belanghebbende partijen, waardoor het in bepaalde gevallen mogelijk moet zijn, wijzen van uitvoering te bereiken die zoveel mogelijk alle waarden tot hun recht doen komen, zonder de primaire belangen van het werk, waar voor het is opgezet, daaronder te laten lijden.”

Bloot gestoven geploegd middeleeuws akkerland in de duinen bij Castricum (foto A.Schermer).
Bloot gestoven geploegd middeleeuws akkerland in de duinen bij Castricum (foto A.Schermer).

Bescherming archeologisch en cultuurhistorisch erfgoed

Het is meer dan 30 jaar geleden dat Van Deelen en Schermer in bovenstaand tekstgedeelte hun wens tot een zorgvuldiger benadering van het archeologisch erfgoed bepleitten. Pas in de (red: negentien)negentiger jaren is het beleid geworden om in de planologie ook de archeologische en cultuurhistorische waarden te betrekken. Dat is hard nodig, want in 1993 berekende de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) dat in de laatste 50 jaar minstens één derde van het ‘bodemarchief’ verloren is gegaan. Dit proces voltrekt zich niet alleen in Nederland. Verschillende landen van EU werken aan de ratificering van het verdrag van Malta, dat streeft naar het behoud van het bodemarchief.

Tot voor kort waren archeologen uitsluitend gravers, die zich, vanwege het vele grondverzet, steeds meer genoodzaakt zagen tot bet verrichten van noodopgravingen. Nu stelt de ROB zich vooral ten doel om het bodemarchief te beschermen, zodat sporen van het verleden voor de toekomst in bet landschap bewaard of zichtbaar blijven.
Ook de provincies en sommige gemeenten nemen nu meer verantwoordelijkheid. Er worden provinciale-, stads- en gemeente-archeologen aangesteld, die nauw met de ROB samenwerken. Bovendien werken de provincies aan de samenstelling van een cultuurhistorische waardenkaart, waarin ook de archeologische waarden in opgenomen worden.
Als toch tot de aanleg van een snelweg, vliegveld, spoorlijn, woonwijk of een industrieterrein wordt besloten, moeten de kosten van archeologische inventarisatie, beschermende maatregelen of opgraving worden meegenomen in het project. Daarbij wordt het principe gehanteerd dat de verstoorder betaalt. Volgens deze uitgangspunten wordt nu de bodem onder het traject van de toekomstige Betuwe-spoorlijn archeologisch onderzocht.

Mensen lijken steeds meer geïnteresseerd te raken in wat er binnen hun dorps- of stadsgrenzen aan geschiedenis te vinden is en de belangstelling voor de regionale geschiedenis en archeologie neemt toe. Stichtingen en verenigingen die zich bezighouden met de plaatselijke of regionale geschiedenis zijn de laatste jaren fors in aantal toegenomen. Er lijkt weer een toekomst te bestaan voor het verleden.

Ernst Mooij

Bronnen:

  • Deelen, D. van: Merovingische bewoning gevonden in de Kennemerduinen (manuscript).
  • Deelen, D. van en Schermer A.: Middeleeuws akkerland onder de Castricummer duinen, Westerheem no.6, 1963.
  • Mesters, B.: De strijd om het verleden, De Volkskrant, 4 maart 1997.
  • Provincie maakt kaart van historisch cultuurgoed, De Kennemer, 1 april 1997.
  • Provincie Noord-Holland: Noord-Holland proeftuin op het gebied van archeologie, Infobulletin, december 1995.
Print Friendly, PDF & Email