Middeleeuwse bewoningssporen aan de W. de Rijkelaan (Jaarboek 06 1983 pg 15-22)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 6, pagina 15

 

Middeleeuwse bewoningssporen aan de W. de Rijkelaan

Archeologische waarnemingen in 1971 gedaan bij aanleg van Soomerwegh, ten zuiden van de aansluiting met de Oranjelaan.

 

Inleiding

De omgeving van Castricum is vooral door Dr. H.C. de Roo in zijn geschrift „De bodemgesteldheid van Noord-Kennemerland” van de Stichting voor bodemkartering (Stiboka) te Wageningen beschreven als een binnendelta-landschap. Deze deltaformatie, die zich zuidoostelijk ook helemaal uitstrekt naar Uitgeest en Heemskerk zou veroorzaakt zijn door zeedoorbraken in de duinenrij. Tot dit gebied behoort de lagere Castricummerpolder, maar ook het complex van wat hogere gronden die Castricum als het ware als „stoepen” omringen tussen die lagere gronden en de duinvoet. Dr. de Roo heeft deze „stoepgronden” de stroomwalgronden van het binnendelta- landschap genoemd. Ze bestonden, nu grotendeels ingenomen door woningbouw, uit landen met lage ruggen en wallen en ronde akkers, afgescheiden door diep liggende greppels. Op een stuk van laatst bedoelde terreinen dat een hoogte had overeenkomend met het Nieuw Amsterdams Peil, juist ten oosten van de Willem de Rijkelaan, werd in 1971 een plantsoen en vijverpartij aangelegd (afb.1).

De situering van de vijverpartij.
afb. 1. De situering van de vijverpartij.

Het was te danken aan de speurzin van wijlen de heer N. C. Steeman dat hierbij een belangrijke archeologische vind- plaats werd ontdekt. Wijlen de heer D. van Deelen heeft reeds in zijn artikel „Speurend in het verleden van Castricum” in hoofdzaken een en ander verteld over de vondsten die ons thans opnieuw bezighouden. Met gebruikmaking van alle beschikbare opgravingsgegevens, hebben we er naar gestreefd, alles wat er van bovengenoemd onderzoekgebied bekend is, thans zo goed mogelijk in een afgerond verslag vast te leggen.

De soorten van het gevonden aardewerk zijn ingedeeld in de volgende hoofdtypen:

Badorf-aardewerk, afkomstig uit de Rijnstreek, rond Keulen. Dit aardewerk werd gemaakt van fijn gemagerde klei, was wit, geel of rosé bakkend en werd op de draaischijf vervaardigd.
Badorf-aardewerk met reliëfband. Dit type aardewerk laat zich herkennen door de aangebrachte kleistrippen op de potwand. Deze kleistrippen zijn veelal versierd met reeksen in klei gedrukte vierkantjes, aangebracht d.m.v. waarschijnlijk een ronddraaiend getand wieltje. Deze versiering wordt ook wel „radstempel-versiering” genoemd.
Pseudo-Badorf-aardewerk, ook weer import-aardewerk afkomstig uit het Rijngebied nabij Keulen. Het gaat hierbij om kleinere kookpotten van klinkend hard paars/bruin tot grijs/zwart gebakken waar.
Kogelpot-aardewerk, is een inheems produkt kenmerkend door z’n ronde vorm en lipvormige rand en in tegenstelling tot de geïmporteerde typen van veel grover baksel.
Deze soorten dateren uit de 8e- en 9e eeuw.

 

De aanleiding tot dit onderzoek

Maandagmiddag 13 september 1971 ging de heer Steeman er op uit om een kijkje te nemen bij de graafwerkzaamheden die inmiddels begonnen waren. Ofschoon zijn verwachtingen niet hoog waren, werd hij toch gedreven door zijn belangstelling voor de archeologie.
Van dit voormalig weiland had de dragline reeds de teelaarde tot een diepte van ongeveer 30 cm uit het middenterrein verwijderd.
In dit geval verrichtte de dragline voor archeologische verkenning uitstekend werk. De ongetande bak schaafde mooie vlakken, zodat de grond goed “leesbaar” werd. Wie schetst zijn verbazing toen de eerste archeologische voorwerpen aan het licht kwamen.

Situatiekaartje met de vondstlokaties.
afb. 2 Situatiekaartje met de vondstlokaties.

Op afbeelding 2 zijn de vindplaatsen genummerd.
In genoemde volgorde zullen de vondsten worden besproken.


Jaarboek 6, pagina 16

Enkele aardewerkschijfjes en brokken hutteleem waren de eerste resultaten. Vanaf dat moment kreeg dit gebied de speciale aandacht van de werkgroep „Oud Castricum”. Kontakt werd opgenomen met Dr. W.A. van Es, direkteur van het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort. Hij adviseerde de werkgroep zoveel mogelijk waarnemingen te doen en het beste ervan te maken. Het ROB zag geen mogelijkheden om een officieel onderzoek te doen.
Hoewel het gemis aan voldoende mankracht op de werkdagen meer dan eens ervaren werd -ieder had z’n dagelijks werk- hebben verschillende leden van de werkgroep, alsook aktieve belangstellenden goed werk verricht. Voor het verstrekken van gegevens en tekeningen gaf de technische dienst van gemeentewerken prettige medewerking.
Ook met de uitvoerder van het werk kon de volgorde van werken soms geplooid worden, wat het onderzoek zeer ten goede kwam.

Uitgraving langs de Soomerwegh

De vondsten die op 13 september de belangstelling van de heer Steeman wekten, werden gedaan in een strook die parallel aan de Soomerwegh werd gegraven t . b . v . de aanleg van een wandelpad, (lok. 1)
De vondsten bestonden uit dierlijke botten, hutteleem en resten aardewerk. Enkele stukjes bot waren verbrand en sommige stukken hutteleem door de hitte gesinterd.
Er werden diverse typen aardewerk aangetroffen: crèmekleurig Badorf o.a. een stukje met reliëfbandversiering alsmede pseudo-Badorf en kogelpotgoed met o.a. opvallende randfragmenten met versiering door een verticaal geplaatste dubbele rij vierkantjes (afb. 3) en radstempels. (afb. 4)

Opmerkelijk was de vondst van een glijbeen. De gewrichtseinden zijn duidelijk bekapt, het glijvlak afgesleten, (afb. 3) Gelijke vondsten uit dezelfde periode zijn ook gedaan bij opgravingen te Dorestad (Wijk bij Duurstede), dijbenen werden vervaardigd van middenhand- en middenvoetsbeenderen van rund zowel paard als ook van het spaakbeen van het paard. In een artikel over voorwerpen uit been en gewei maakt A.T. Clason melding over het bestaan van historische bronnen uit de vorige en het begin van deze eeuw, over het gebruik van glijbenen. De beenderen werden niet onder de voeten gebonden, men ging erop staan en duwde zich met een prikstok

Kogelpotscherf met een patroontje van een dubbel rijtje kantjes. Bewerkt en afgesloten glijbeen.
afb. 3 Kogelpotscherf met een patroontje van een dubbel rijtje kantjes. Bewerkt en afgesloten glijbeen.
Kogelpotrand met twee "rad"-stempelindrukken.
afb. 4 Kogelpotrand met twee “rad”-stempelindrukken.

over het ijs voort. Het ontbreken van inboringen in het glijbeen lijkt deze gebruikswijze te bevestigen. Wat de vondsten binnen deze lokatie betreft eindigen we met een stukje basaltlava met twee ingeslepen sleufjes en een uit klei gebakken halve verzwaringssteen.

 

Onderzoek middenterrein

Het speurderswerk op 17 september resulteerde in een behoorlijke hoeveelheid dierlijke botten, waaronder verbrande stukjes, alsmede hutteleem uit het middenterrein, (lok 2) Dit materiaal werd aangetroffen in een langwerpige afvalsleuf. Ook werd een stuk basaltlava gevonden dat nog redelijk van kwaliteit is en vermoedelijk afkomstig van een maalsteen. De dikte van dit brokstuk is 6 cm en de steen is aan de bovenzijde afgesleten.

Aardewerkvondsten waren in deze sleuf schaars. De vondsten bestonden uit een kogelpotfragment, een lensvormig bodemstuk van een pseudo-Badorf pot, enkele Badorf-scherfjes alsmede twee stukken van verschillende verzwaringsstenen. Elders in het middenveld werd eveneens botmateriaal, waar- onder hoornpitten en hutteleem gevonden als ook een ijzerslak, diverse stukjes basaltlava en een okergele Badorf-scherf van waarschijnlijk een eivormige pot.

 

De grote kuil

Zo werd de omvangrijke maar niet zo diepe afvalkuil genoemd die zaterdag 18 september gevonden en aan een nader onderzoek onderworpen werd. Deze afvalkuil lag in de hoek Oranjelaan – Soomerwegh (lok 3) en tekende zich door de humusrijke zwart/grijze grond duidelijk af in het lichtere zand. Behalve veel aardewerkscherven bevatte de kuil eveneens hutteleem en botmateriaal. De kleinere, lichte en holle botjes duiden op gevogelte, de hoornpitten en kaakfragmenten zijn afkomstig van runderen.
Tevens werd een stuk grijsachtig basaltlava gevonden, vermoedelijk een maalsteenrestant. De kwaliteit van dit poreusachtig stollingsgesteente is thans erg bros. Sommige stukken hutteleem vertonen duidelijk takindrukken die erop wijzen dat ze oorspronkelijk vlechtwanden hebben bekleed. Er werden enkele stukken gevonden die door de hitte gesinterd zijn. Behalve dit verschijnsel als gevolg van grote hitte werden ook stukjes houtskool en verbrand bot gevonden.


Jaarboek 6, pagina 17

Het schervenmateriaal bestaat hier uit vroege kogelpot- en Badorfaardewerk. Het merendeel van het kogelpotaardewerk is met schelp- of granietgruis gemagerd en is grof van structuur. Andere fragmenten vertonen roodachtige stipjes. Mogelijk dat hier voor magering gebruik gemaakt is van gemalen aardewerk. Dit aardewerk is ook fijner van kwaliteit. De hardheid van al dit kogelpotmateriaal is verschillend en de vormverscheidenheid van de randen nogal groot. Er werden geen kogelpotranden aangetroffen met de z.g.n. dekselgeul. Wel werden enkele potranden gevonden die onder de rand een vingerindruk vertonen. Fragmentarisch zijn hier de vondsten van het Badorf-aardewerk. Sommige scherven bevatten de bekende radstempelversiering.

Tot de fraaie vondsten behoren een randfragment van een tuitpot en een bijna komplete potrand met een diameter van 11 cm.

 

Kogelpotvondst

In de laatste week van september werd een concentratie kogelpotscherven aangetroffen langs de W. de Rijkelaan, halverwege het gedeelte tussen de Juliana van Stolbergschool en de Hendrik Casimirstraat (lok. 4). Deze scherven concentratie bevond zich ongeveer 4 meter naast de weg. De scherven werden aan elkaar gelijmd, waarna de kogelpot bij de ROB verder is gekompleteerd (afb. 5). Het resultaat is een dunwandige kogelpot, rood/zwart van kleur en met een vingerindruk onder de rand. De totale hoogte bedraagt 20 cm.

De zorgvuldig gerestaureerde kogelpot.
afb. 5 De zorgvuldig gerestaureerde kogelpot.
De drie zuiltjes, bestaande uit hutteleem.
afb. 6 De drie zuiltjes, bestaande uit hutteleem.

 

De hutteleemconcentratie

Op woensdag 29 september werd op 80 cm onder het maaiveld wederom een donkergrijze grondverkleuring waargenomen, welke zich bevond op de begrenzing van de uitgraving van de vijverpartij aan de oostzijde welke gedeeltelijk schuil ging onder de opstaande kant. (lok 5)
De randen van deze rechthoekige donkergrijze verkleuring waren enigszins afgerond en het geheel tekende zich duidelijk af in het lichtere zand. Ook in de omgeving werden kleinere grondverkleuringen waargenomen. Bij het vlakschaven van het profiel stuitten we voortdurend op brokken hutteleem. Na het vlakken van het horizontale profiel gingen we er toe over om de grond rond de puinconcentratie te verwijderen. Ook in de uitgeworpen grond kwamen brokken hutteleem voor alsmede andere bewoningsresten. Na het verwijderen van de grond resteerden drie zuiltjes die uit brokken hutteleem bestonden, (afb. 6). De twee buitenste zuiltjes hadden een diameter van ± 50 cm.

Het is ons niet duidelijk geworden of deze zuiltjes met een voorop gesteld doel gekonstrueerd waren of dat we te maken hebben met gestort “puin”. Gezien de overige afvalvondsten die in dezelfde verkleuring werden aangetroffen zijn wij geneigd het laatste te veronderstellen. In ieder geval is het zeker dat deze brokstukken eerder een andere funktie gehad hebben.

De vele tak- en rietstengelindrukken wijzen op afdichting van vlechtwanden.
Andere afvalvondsten uit de grondverkleuring rond de “zuiltjes” zijn:
– Faunaresten, waaronder kaakfragmenten, hoornpitten en zelfs een hondenschedel. Ook hier werden weer stukjes verbrand bot aangetroffen.
– Fragmentarisch kogelpotaardewerk dat gelijk is een het elders gevonden materiaal. Ook wat Badorf-fragmentjes dienden zich aan, waaronder één stukje reliëfband-keramiek.
– Maalsteenfragmenten van basaltlava.

In de omgeving van de “zuiltjes” werden twee paalpunten gevonden op 80 cm onder het recente maaiveld en in donkere


Jaarboek 6, pagina 18

grond. Ondanks de grondverkleuringen, de “zuiltjes” en de paalpunten, was het niet mogelijk deze vondsten in een bepaald verband te zien.
Wanneer we het gevonden aardewerk op deze plaats in ogenschouw nemen, zien we dat dit overwegend bestaat uit:
– vrij grof kogelpotgoed met lipvormige randen
– Badorf-aardewerk, waaronder reliëfbandkeramiek
In vergelijking met vondsten elders (Dorestad) is de konklusie dat we te maken hebben met bewoningssporen van omstreeks de 8e – 9e eeuw.

 

 

Put 1

Op vrijdag 1 oktober werd een waterput ontdekt. Achteraf bleek deze de eerste te zijn van in totaal vijf waterputten die we, verspreid liggend in ons onderzoekgebied, ontdekten.
Deze, eerste, waterput bestond uit een holle boomstam en bevond zich in het talud aan de westzijde van de vijveruitgraving (lok 6).
De uitholling had een ovale vorm waarvan de diameter varieerde van 52 tot 68 cm en de wanddikte ongeveer 8 cm bedroeg.
De kuil, waarin de holle boomstam was geplaatst, was zorgvuldig opgevuld met plaggen en/of zoden.
De put-inhoud bestond uit:
– 6 kogelpot-scherven, een stuk basaltlava en een benen priem. Deze priem is ruim 12.5 cm lang, prachtig glad gepolijst en goed van kwaliteit gebleven. (afb. 7).

Een benen priem.
afb. 7 Een benen priem.

 

Put 2

In de middag van dezelfde dag werd een tweede put eveneens een holle boomstam, gevonden, (lok 7)
De rand van de put werd aangetroffen op 1.14 meter beneden het recente maaiveld. De lengte van de boomstam was maximaal 1.35 meter, de wanddikte varieerde van 3.5 – 4 cm. De uitholling van deze put had een diameter van ongeveer 60 cm. Aan de buitenzijde van de boomstam was de bast nog aanwezig.
De boomstam was geplaatst in een taps gegraven kuil, wat te zien was aan de grondverstoring.
De kuil was niet opgevuld met gestapelde zoden. Een bijzonderheid bij deze waterput was de aanwezigheid van een houten raamwerk.
Behalve dat dit raamwerk zich naast de put bevond, was deze ook gedeeltelijk in de putwand opgenomen. (afb. 8)
De balken hadden een gemiddelde lengte van 1.40 meter, de dikte 5.5 cm en een breedte variërend van 11 tot 16.5 cm. Wat de bedoeling van dit bouwwerk was, laat zich slechts raden. Een mogelijke verklaring voor het bestaan van het raamwerk is als volgt:

De tweede waterput met het houten raamwerk.
afb. 8 De tweede waterput met het houten raamwerk.

Toen er behoefte bestond voor een nieuwe waterput voor mens en /of dier is men vanuit het vroeg middeleeuwse loopvak gaan graven, dat op ongeveer 0.40 cm -NAP gelegen moet hebben. Men is toen bij toeval gestoten op de resten van een boomstamput waarvan het bestaan blijkbaar was vergeten. We kunnen ons indenken dat de ontdekking van dit obstakel gebeurde toen het grondwater van die dagen, voor de nieuwe put, al voldoende diep was bereikt en men het te bezwaarlijk of onnodig vond om de boomstamput grondig te verwijderen. Zo is het aan te nemen dat dit raam hoger kwam te liggen dan bijvoorbeeld put 4. Voor deze gedachtengang pleit ook dat een gebruik van de boomstamput moeilijk kan worden voorgesteld als daar een lastige dwarsbalk van het raam doorheen gelopen zou hebben.
Uit één en ander moet de konklusie volgen dat het bestaan van de onderhavige vroeg-middeleeuwse woonplaats zich over een vrij lange periode heeft uitgestrekt. Daarbij valt op dat de waarschijnlijk eerdere putten technisch van een betere uitvoering waren dan de laatsten, gemaakt met ruwe ramen en onregelmatige zodenstapeling. Uit de putvulling kwam slechts één kogelpotscherf, met duimindruk en gemagerd met graniet-gruis. Uit de direkte omgeving van de put werden nog wat houtresten, boomschors alsmede een dierlijk kaakfragment gevonden.

 

Put 3

Op zaterdag 2 oktober was put 2 nog niet eens ontgraven of elders in het opgravingsterrein werd een derde waterput gevonden. (lok. 8)
Bestonden de vorige putten uit holle boomstammen, deze put was opgebouwd uit balken en dikke planken. De put bevond zich op 82 cm onder het recente maaiveld. De konstruktie was betrekkelijk eenvoudig en bestond uit vier staande balkjes welke met elkaar verbonden werden door vier liggende balkjes.

De putconstructie zoals we deze aantroffen, had een totale hoogte van ongeveer 65 cm, de putwanden aan de binnenkant waren ongeveer 100 cm breed. Aan de hand van een kogelpot-randfragment met vinger- of duimindruk kon de put gedateerd worden in de 8e-9e eeuw.


Jaarboek 6, pagina 19

Deze scherf werd op de putbodem op een schelplaag aangetroffen. De schelplaag moet bewust zijn aangebracht, vermoedelijk om het verzanden van de put tegen te gaan.

De insteek rondom de put was erg duidelijk en ongeveer 65 cm van de putwanden verwijderd. De insteek werd vooral duidelijk gemarkeerd door de zorvuldige opstapeling van “veenachtige” zoden rondom de put. De zoden lagen gekeerd, hetgeen te konkluderen viel uit de vegetatieranden. De onderzijde van de zode is het donkerst en wordt naar boven toe lichter van kleur en zandiger. Een scherpe aftekening wordt vervolgens verkregen door de volgende gekeerde zode. (afb. 9)
Enkele enthousiastelingen hebben nog een poging gedaan om de put in z’n totaliteit te bergen. Dit was geen gemakkelijk karwei om dat het houtwerk “boterzacht” was. Bij hun bergingspoging gingen zij geheel af op hun eigen vindingrijkheid. Rond de putkonstruktie werd een bekisting gemaakt welke volgegoten werd met gips, met de bedoeling de put na droging te ontmantelen. Middels gemeentelijk transport werd de put naar een opslagplaats gebracht.
Lange tijd daarna werd uiteindelijk met de ontmanteling begonnen, welke niet het gewenste resultaat heeft opgeleverd. Slechts enkele delen bleken de moeite van het bewaren waard. Hierbij is een stuk van ongeveer 40 cm lengte, 5.5 cm breed en 5 cm hoog met vier gaten van ongeveer 2 cm waarin nog de resten van houten nagels zitten. Dit stuk hout is dus eerder voor andere doeleinden gebruikt. (eg ?)

 

Put 4

Op 4 oktober werd de vierde put ontdekt. Deze put bevond zich in de vijveruitgraving, dicht bij de hutteleem concentratie en moest snel worden onderzocht. (lok. 9) De zandauto’s reden af en aan en de put lag in de route. De opzichter van het graafwerk gaf ons de gelegenheid een snelle verkenning te doen. De put bleek anders opgebouwd te zijn dan de vorige. Het was een waterput waarvan de putwand slechts bestond uit gestapelde zoden op een houten raamwerk.

De houten waterput met de zorgvuldige stapeling van gekeerde zoden.
afb. 9 De houten waterput met de zorgvuldige stapeling van gekeerde zoden.
Schedeldak en verzwaringssteen met een "T"-vormig merkteken.
afb. 10 Schedeldak en verzwaringssteen met een “T”-vormig merkteken.

De bovenzijde van de put lag op ± 1.15 meter -NAP, waarbij het niet onwaarschijnlijk is dat al een gedeelte door de graafwerkzaamheden verloren was gegaan. De zodenstapeling was nogal onzorgvuldig, zodat we de indruk kregen met een ruw bouwwerk te maken te hebben.
De putmond kan niet meer dan 40-50 cm zijn geweest. Het raamwerk was gemaakt van hout, dat duidelijk de sporen droeg van eerder gebruik voor andere doeleinden.
De breedte van de raamdelen variërend van 12-18 cm en de binnenmaten van de konstruktie waren 75 x 82 cm. De onderkant van het raamwerk lag op 1.70 meter -NAP. Een graafmachine had het raamwerk beschadigd waardoor dit niet meer kompleet was.

De inhoud van de put was rijker dan bij de vorige putten. Er werden verscheidene kogelpot-scherven gevonden als ook bouwpuin (hutteleem) en faunaresten w.o. een hondeschedel. Enkele stukjes bot vertoonden verbrandingssporen. Het meest opzienbare was wel het tevoorschijn komen van menselijke schedelfragmenten. Een andere vondst was een gave verzwaringssteen met een duidelijk merkteken. (afb. 10)

 

Put 5

Put 5 bleek een heel bijzondere konstruktie te zijn en kan een variant genoemd worden van de putten drie en vier. In het horizontale vlak was heel duidelijk de aftekening te zien van geroerde grond waarbinnen de vijfde waterput kon worden verwacht.

Deze put bevond zich in de opgaande kant van de vijveruitgraving (lok. 10) en was slechts 2 meter van put drie verwijderd. Na het afvlakken van één zijde kregen we een prachtige aanblik van de put en de plaggen- of zodenstruktuur. (afb. 11 en 12)

Na verder onderzoek bleek dat deze put toch gekompliceerder van opbouw was dan put drie. Om een indruk te verkrijgen van de grootte en de vondstomstandigheden is het noemen van enkele maten nodig. De basis van de put bestond uit een houten raamwerk.

Dit raamwerk bevond zich op een diepte van ongeveer 2.54 meter. Hierop waren tot een hoogte van 50 cm zoden gestapeld. Op de putbodem, binnen de zodenstapeling werd een 27 cm dikke schelplaag aangetroffen. Boven de zodenstapeling was weer een liggend raamwerk aangebracht.


Jaarboek 6, pagina 20

Wijlen de heer N. C. Steeman in actie bij put 5.
afb.11 Wijlen de heer N. C. Steeman in actie bij put 5.

Hierop was de houten put aangebracht (afb. 13), welke niet met de konstruktie van put drie verschilde. De hoogte van de put in z’n geheel varieerde van 1.60 meter tot 1.85 meter, waarvan de bovenzijde zich op 70-90 cm onder het maaiveld (NAP) bevond.
Het bovendeel was verteerd of vergraven. De schelplaag op de bodem van de put bleek ook hutteleem, kogelpotscherven en houtskoolresten te bevatten. Ook werden enkele faunaresten en een Badorf-scherf aangetroffen. Opmerkelijk waren echter de ijzervondsten, die zich onder in de putvulling bevonden, in dat gedeelte waar de putwanden slechts gevormd werden door op elkaar gestapelde zoden.

Deze ijzervondsten (afb. 14) bestonden uit:

  • een bijltje, op de snede 4.5 cm breed en met een totale lengte van 12.5 cm. Het steelgat van de bijl is een onregelmatig vierkant met als grootste maat 3 cm.
  •  een steelgat-gedeelte van eenzelfde bijltje.
  • Twee delen van vermoedelijk een slagmes. Het grootste deel heeft een lengte van 22.5 cm en de grootste breedte bedraagt 8.5 cm.

 

Samenvatting

Het is geen eenvoudige zaak om aan de hand van dit archeologisch onderzoek tot verklaringen te komen en eindkonklusies uit te spreken. We schieten immers tekort in kennis, mogelijkheden en middelen die beroepsarcheologen beschik- baar hebben of ter beschikking staan. Daarbij moet in aanmerking genomen worden dat de oppervlakte van de vijveruitgraving maar voor een deel de plaats van de oude bewoning beslaat. Toch zijn, naar aanleiding van de waarnemingen die gedaan zijn, enkele opmerkelijke zaken te noemen. Ten eerste lijkt de bewoningsperiode nogal duidelijk begrensd te kunnen worden. Door de samen gevonden soorten aarde- werk (vroege kogelpot- en Badorf-aardewerk) en de afwezigheid van vroegere en latere typen, moet gedacht worden aan bewoning uit ongeveer de 8e en 9e eeuw. Voorts lijkt het erop of het bewoningsafval gebruikt is om laagten in het land op te vullen.

De verspreid voorkomende kuilen hadden dezelfde vulling, bestaande uit; hutteleem, brokstukken basaltlava, faunaresten en schervenmateriaal. Dit geeft de indruk dat kalamiteiten niet aan de vroege middeleeuwers zijn voorbij gegaan en voor zover het materiaal met brandsporen betreft doet het daarbij denken aan afval van het verbranden van opstallen. Bij de beschreven hutteleemconcentratie (lok 5) kon zelfs vastgesteld worden dat de laagte in twee afzonderlijke etappen was gevuld. Sporen van huisplattegronden zijn niet gevonden. Ze kunnen de waarnemers ontgaan zijn, door graafwerkzaamheden verloren zijn gegaan of ze waren misschien juist buiten de oppervlakte van de ontgraving gelegen.
Gegeven de aanwezigheid van de vijf waterputten kan gezegd worden, dat de huizen dichtbij hebben gestaan. Hoeveel huizen hier hebben gestaan, is echter niet af te leiden uit het aantal gevonden putten.
Het zou kunnen zijn, dat de putten slechts voor korte tijd bruikbaar waren, waarna in de omgeving van de oude put een nieuwe moest worden gemaakt.

Ook in Dorestad werden vele van dergelijke waterputten uit dezelfde periode aangetroffen, individueel maar ook gegroepeerd. Dichter bij huis zijn dergelijke waterputten o.a. in Heemskerk (1952) en in Velsen (1955) gevonden. Overigens zijn er wel meer overeenkomsten met de vondsten in Dorestad. Op een paar plaatsen werden vastgetreden loopvlakken op 30-40 cm beneden NAP waargenomen, waarin puingruis voorkwam.

In de aanhef is er reeds op gewezen dat de vindplaats voorkwam op het stroomwallen gebied van het binnendelta landschap. Het lijkt goed thans ook enige beschrijving van de bodembouw ter plaatse te geven. Zoals De Roo reeds heeft beschreven is het duidelijk geworden dat de stroomwalgronden in twee perioden zijn gevormd.

De eerste periode, die gepaard ging met zeedoorbraken, is veruit de belangrijkste en zeer ingrijpend geweest. Onder Castricum komen daarvan opvallende marine-afzettingen van wadzanden met min of meer rijke schelplagen en ook wel sliblagen voor.

De houten bovenbouw van de vijfde waterput met de zorgvuldig gekeerde zoden.
afb. 12 De houten bovenbouw van de vijfde waterput met de zorgvuldig gekeerde zoden.

Jaarboek 6, pagina 21

De boven- en onderbouw van put 5.
afb. 13 De boven- en onderbouw van put 5.
De ijzervondsten.
afb. 14 De ijzervondsten.

Na die eerste periode is het landschap tot rust gekomen en werd hier reeds in de eeuwen rondom het begin van de jaartelling gewoond door een inheemse bevolking (Friezen), (denk o.m. aan de omgeving van de Cieweg). Hoe de ondergrond werd gevormd vlak bij de plaats die nu besproken wordt, toont een foto uit 1960 van een rioolsleuf in de toen voorgenomen aanleg van de Willem de Rijkelaan. (afb. 15) Duidelijk is daarop te zien dat er een afwisseling plaats had van sterk en rustige stromen waarbij óf schuin óf horizontale afzettingen met of zonder schelpen plaatsvonden. Vooral de onderste laag van 80 cm dikte vertelt van wilde stromen.

Dit beeld van sterke marine-invloeden is kenmerkend voor de direkte omgeving van Castricum en is de laatste tientallen jaren bekend geworden bij graafwerkzaamheden voor riolen, het zwembad en een bouwwerk in de Burg. Mooijstraat. In de hogere lagen van de afzetting van die eerste periode komt in de wadzand-afzettingen ook sedimentatie van min of meer gecompliceerde sliblaagjes voor, hetgeen wijst op rustiger wordende wateren met afnemende zeeinvloed. De gekonstateerde verschijnselen wijzen erop dat er tenslotte een nogal geaccidenteerd terrein achter bleef waarin ook ondiepe niet gevulde laagten en geulen voorkwamen. Dit beeld werd duidelijk bij de onderzoekingen in het plan Molendijk (Cieweg) en ook bij het werk waar deze publikatie overgaat. Het lijkt erop dat het gebied (Cieweg) eerst in de Romeinse tijd door een inheemse bevolking is bewoond, en pas later weer door mensen uit de vroege middeleeuwen. (Willem de Rijkelaan). Uit de beschrijving van lokatie 5 blijkt dat toen nog een laagte in het terrein bestond die door de vroege middeleeuwers met afval en puin werd gevuld. Een ander voorbeeld betreft een in die tijd nog openliggende geul waarin op de bodem overblijfselen van die vroege aktiviteiten werden gevonden.

Pas na de vroege middeleeuwen zullen de afzettingen van de tweede periode zijn ontstaan. Daarvan is ter dikte van 30-80 cm een grauwe vaste bovengrond van fijne zanden overgebleven, zonder opvallende zaken. Deze vormde de agrarische bouw – voor zoals deze tot voor kort, vóór de thans bestaande bebouwing, nog aanwezig was.
De donkere bovenste afzettingen waarbij laagten en restgeulen werden opgevuld kunnen het gevolg zijn van binnenlands opdringende wateroverlast met sedimentatie gepaard gaande, met stagnerende goede afwatering. Hierbij kan ook rekening

Schuin gerichte en horizontale afzettingen, veroorzaakt door sterke en rustige stromen.
afb. 15 Schuin gerichte en horizontale afzettingen, veroorzaakt door sterke en rustige stromen.

Jaarboek 6, pagina 22

worden gehouden met toenemende invloed vanuit het verre noorden van periodiek voorkomende inundaties (het Rekere-gebied). De indruk is dat de milieu-omstandigheden op deze plek zodanig verslechterden dat ze mede door de wateroverlast de oorzaak werden waardoor de vroege middeleeuwers het daar niet meer konden houden. Omdat geen stukken aardewerk later dan de 9e eeuw werden gevonden – bijvoorbeeld niet het Pingsdorf-type – kan worden verondersteld dat na die eeuw de bewoning was teniet gegaan. Zoals reeds hierboven vermeld, kan worden gezegd dat aan de hand van aardewerkvondsten ter plekke van de nu bestaande Willem de Rijkelaan een vroege middeleeuwse bewoning was van een paar honderd jaar lang.

September 1982

Samenstellers van het verslag
F. Baars
E. Mooij
A. Schermer

 

Geraadpleegde literatuur

Voor dit verslag is o.a. dankbaar gebruik gemaakt van het archeologisch dagboek van de heer N.C. Steeman. Daaruit het volgende citaat: “Toch zal in de komende tijd er naar gestreefd moeten worden de onderzoeken steeds wetenschappelijker verantwoord te laten verlopen. Speciaal de geologische omstandigheden zijn belangrijk en worden vaak niet onderkend. Een goede begeleiding van vakmensen op dit gebied lijkt mij noodzakelijk. Speciaal zullen wij overdag mensen nodig hebben die met kennis van zaken kunnen werken”.

Besteman, J.C., Carolingian Medemblik, in Berichten R.O.B. 1974.

Clason, A.T., Schaatsen of glijders, Voorwerpen uit been en gewei.
Spiegel Historiael 13e jaargang nr. 4, april 1978. Westerheem XXVII 1978 biz. 295.

V. Deelen, Speurend in het verleden van Castricum, Westerheem XXI-5-1972, blz. 190 e.v.

Diederik, F., Een vroeg-middeleeuwse nederzetting te Schagen, Westerheem XXXI-2-1982, blz. 53 e.v.

V. Es, W.A. en Verwers, W.J.H., De opgravingen: de grondsporen. Spiegel Historiael 13e jaargang nr. 4 april 1978, Westerheem XXVII 1978, blz. 232 e.v.

V. Es, W.A. en Verwers, W.J.H., De opgraving: de gevonden voorwerpen. Spiegel Historiael 13e jaargang nr. 4 april 1978, Westerheem XXVII 1978, blz. 241 e.v.

Schermer, A., Geestmerambacht, West-Frieslands Oud en Nieuw XXXV (1968), blz. 213 e.v.

Schermer, A., Geestmerambacht IV; West-Frieslands Oud en Nieuw (1973), 40e bundel, blz. 245 e.v.

Print Friendly, PDF & Email