Nieuwe Weg uit 1820 (Jaarboek 16 1993 pg 26-29)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 16, pagina 26

 

De ‘Nieuwe Weg’ aangelegd in 1820

 

In het jaar 1820 worden voorbereidingen getroffen voor de aanleg van de straatweg nr. 1 tussen Alkmaar en Beverwijk. Deze weg volgde voor een deel het tracé van de bestaande weg, die daarvoor aanzienlijk werd verbreed. Daar waar de bestaande route veel bochten vertoonde, werd een nieuwe weg aangelegd. In Castricum liep de oorspronkelijk weg richting Heemskerk vanuit de dorpskom over de Dorpsstraat, zich bij de aansluiting met de Kramersweg (nu Burg. Mooijstraat) sterk buigend en zich voortzettend over wat nu wordt genoemd het Rusthof (achter snackbaar Veronica), de Oude weg, de Oude Haarlemmerweg en de Hollaan. Dit weggedeelte werd vervangen door een nieuwe weg, lopende van de eerder genoemde bocht in de Dorpsstraat, dwars door de weilanden en aansluitend op het oude tracé vlak voor het buurtschap Noorddorp onder Heemskerk (zie schets op pagina 27).

De aanleg van Rijkswegen

In Nederland bestonden in het begin van de 19e eeuw reeds vele verharde wegen. De kwaliteit van de wegen was veelal slecht en er was geen sprake van een samenhangend stelsel van wegen. Het onderhoud van de meeste wegen liet te wensen over, waardoor vooral ‘s winters de wegen onberijdbaar waren. Over veel trajecten waren de reistijden lang, terwijl de reis zelf zeer oncomfortabel was. Hierdoor bestond een sterke voorkeur voor vervoer over water. In de 17e en 18e eeuw gingen er van overheidswege nauwelijks initiatieven uit om te komen tot een stelsel van bestrate wegen. De weinige wegen, die waren bestraat, bestonden rond 1800 uit individuele wegstukken, die veelal steden met omringende plaatsen verbonden.

Eerst onder Lodewijk Napoleon werden op nationaal niveau aanzetten gegeven om te komen tot de aanleg van bestrate wegen. Dit resulteerde in de totstandkoming van enkele langere trajecten, zoals die tussen Den Haag en Haarlem. Met de inlijving bij het Franse Keizerrijk trad ten aanzien van de wegen en hun administratie een ingrijpende verandering in. Bij Keizerlijk Decreet werden enkele wegen tot keizerlijke wegen verheven; deze wegen moesten de integratie van het pas ingelijfde gebied met het keizerrijk tot stand brengen. De betreffende wegen werden daartoe verbeterd en de kosten hiervan kwamen ten laste van het Keizerrijk.

Ook na beëindiging van de Bataafse Republiek in 1813 was er meer eenheid in de regeringspolitiek daar waar dit het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden betrof. Er werden nu plannen gemaakt om uiteindelijk te komen tot een heel netwerk van hoofdwegen. Een heel groot project vormde de aanleg van ‘s Rijks Groote Weg nummer 1, die liep van Leer in Noord Duitsland via o.a. Alkmaar en Haarlem naar Duinkerken aan de kust in Noord Frankrijk. De kosten van de aanleg en van de aan te kopen gronden werden door het Rijk betaald. Hiertoe werden door het Rijk leningen aangegaan, waarvan de renten en aflossingen betaald dienden te worden uit de opbrengsten van de langs de Rijksweg opgerichte tollen. De tol opbrengsten dienden verder voor het onderhoud van de wegen.

Het tracé van de Nieuwe Weg

De ‘Groote of Nieuwe Weg’ volgde waar mogelijk het tracé van de bestaande weg, die dan wel aanzienlijk moest worden verbreed. Toch werden op veel plaatsen nieuwe weggedeelten aangelegd om het aantal bochten te verminderen. Zo zien we dat in Castricum een gehele nieuwe weg naar Heemskerk wordt aangelegd vanaf de scherpe bocht in de Dorpsstraat bij de Burgemeester Mooijstraat. Op dit punt kruisten vroeger de doorgaande verbindingsweg van Alkmaar naar Haarlem en de lokale weg, die de Duinderbuurt verbond met de Oosterbuurt en Uitgeest via de Kramersweg, Overtoom en de Breedeweg. De Duinderbuurt was een kleine buurtschap met in 1820 ca. vijf huizen aan de binnenduinrand.

Castricum in 1807; de hoofdweg naar het noorden was blijkens deze aquarel van J.A . Cresent nog een mulle zandweg; de aquarel is gemaakt vanaf een punt nabij het beging van de Oude Haarlemmerweg.
Castricum in 1807; de hoofdweg naar het noorden was blijkens deze aquarel van J.A . Cresent nog een mulle zandweg; de aquarel is gemaakt vanaf een punt nabij het beging van de Oude Haarlemmerweg.

Jaarboek 16, pagina 27

 Het tracé van de Nieuwe Weg uit 1819 met de hoogteprofielen.
Het tracé van de Nieuwe Weg uit 1819 met de hoogteprofielen.

De nieuwe weg sloot vanuit het zuiden vanaf de buurtschap Noorddorp in een nagenoeg recht verloop aan op het eerder genoemd kruispunt; er werd daarbij geen gebruik gemaakt van het tracé van de oude weg. De nieuwe weg passeerde een paar hoge duinen, die voor de aanleg deels moesten worden afgegraven. De eerste duintop was gelegen bij de gemeentegrens (banpaal) met Heemskerk en de volgende ter hoogte van ca. 250 m ten noorden van het jachthuis.

Het eerste ontwerp van het tracé dateert uit 1817 en is niet uitgevoerd. Dit ontwerp had tussen Beverwijk en Castricum niet zoveel afwijkingen met het huidige tracé van de Rijksstraatweg (alleen ging de weg niet door het buurtje Noorddorp, maar er ten oosten langs). Het grote verschil was dat de weg komende vanaf Heemskerk, bij de aansluiting van de Burg. Mooijstraat recht werd doorgetrokken in noordelijke richting en ongeveer parallel zou lopen aan de later aangelegde spoorlijn naar Heiloo en vanaf de aansluiting met de Zevenhuizerlaan het huidige tracé van de Rijksstraatweg vervolgde naar Alkmaar. In dit ontwerp liep de weg dus ver westelijk van Limmen.

De aanleg van het gedeelte Alkmaar – Castricum

De uitvoering van de aanleg was in een aantal weggedeelten opgesplitst; elk weggedeelte werd apart uitbesteed en uitgevoerd. Castricum lag juist op de overgang van 2 weggedeelten: het gedeelte Alkmaar – Castricum en het gedeelte Castricum – Beverwijk.

Op woensdag 16 febr. 1820 wordt in het lokaal van het Gouvernement te Haarlem aanbesteed: “Het maken van een aardenbaan tot den aanleg van het gedeelte des wegs no. 1 tussen Alkmaar en Castricum.” Volgens het bestek volgt de weg het oude tracé en heeft een totale lengte van 11.070 m, een breedte van 10 m met aan weerszijden waar nodig een sloot met een breedte van 2 m en een diepte van 1 m. Dit werk wordt aanbesteed voor 8.800 gulden aan Lammert Nijman wonende te Uitgeest; als zijn borgen treden op Lammert Nijman uit Beverwijk en Jan Nijman uit Castricum.

Na de aanbesteding van de aanleg van de aardenbaan (het grondwerk) worden voor de vaststelling van de schadeloosstelling der af te stane gronden twee taxateurs benoemd, één door de betreffende eigenaren en één door het Rijk; de door het Rijk benoemde is Gerrit Brasser woonachtig te Castricum.

Op 8 maart 1820 heeft Pieter Kieft, de schout van Castricum, de taxatie naar de Commissaris van de Koning gestuurd van alle percelen, die voor de aanleg benodigd zijn met de opstallen, die moeten worden gesloopt. Alle eigenaren gaan akkoord met de taxatie met uitzondering van Mr. Joachim Nuhout van der Veen, eerder schout van Castricum en op dat moment president van de rechtbank in Alkmaar; Nuhout van der Veen heeft nog vele huizen en landerijen in Castricum in zijn bezit.

Nuhout van der Veen heeft geweigerd het betreffende proces-verbaal te tekenen, omdat hij nog geen reactie heeft ontvangen op een door hem aan Z.M. de Koning ingediend verzoek. Dit verzoek gaat over de vergoeding voor de afbraak van een schuur, die zijn eigendom is. Op zijn voorstel om wederzijds deskundige personen te benoemen, die de schadeloosstelling moeten taxeren, wordt door Z.M. goedkeurend beschikt. Namens het Rijk wordt Willem de Bie, metselaar uit Limmen en namens Nuhout van der Veen wordt Krijn van der Kraaij, aannemer uit Alkmaar benoemd. De te slopen schuur blijkt de doorrijstal te zijn bij de herberg ‘de Rustende Jager’, die eigendom is van Nuhout van der Veen. Deze acht het beslist noodzakelijk om die stal te herbouwen om zo een uitspanning bij de herberg te behouden. De totale kosten worden getaxeerd op 2.475 gulden en hiermee gaan beide partijen akkoord.

Op zaterdag 27 mei 1820 wordt in het logement ‘de Toelast’ in Alkmaar aanbesteed:
“Het bestraten van een gedeelte des Grooten Wegs no. 1, begrepen tusschen een te stellen baak bezuiden Castricum en de brug over de stadsgracht te Alkmaar, mitsgaders het bestraten met klinker-moppen van den weg door de Beverwijk.”


Jaarboek 16, pagina 28

De Rijkstollen

Nu een begin is gemaakt met de bestrating van de weg tussen Alkmaar en Velsen, worden ook plannen gemaakt om langs de nieuwe weg vier tollen te plaatsen. Bij Koninklijk Besluit van 8 juli 1820 zullen de volgende tollen worden geplaatst: de eerste tol op 1852 muit het centrum van Alkmaar bij de hofstede Pikbergen tegenover de Regulierslaan. De tweede tol staat 4718 m verder en wel 270 m benoorden de banpaal tussen Heiloo en Limmen. Op dezelfde plaats heeft vele jaren het ‘Café Tolhuis’ gestaan, het als café verbouwde en ingerichte oorspronkelijke Tolhuis, waar nu het Motel Heiloo is gevestigd. De derde tol staat 5040 m verder ongeveer een tiental meters ten zuiden van snackbar Veronica wat toen het einde van het dorp Castricum werd genoemd. De vierde tol staat 5000 m verder halverwege tussen het buurtje Noorddorp onder Heemskerk en Beverwijk.

De plaats van de tollen is zo gekozen, dat de mensen die slechts van een gering gedeelte van de weg gebruik maken geen tol hoeven te betalen en ook zo dat er geen misbruik van bijwegen kan worden gemaakt om langs de tol heen te kunnen komen; in een enkel geval zal daartoe zelfs een bijweg moeten worden afgesloten.
Op 19 juli 1820 vindt de openbare aanbesteding plaats van de 5 tolhuizen tussen Alkmaar en Velsen. Aannemer Jan van der Meer uit Zaandijk krijgt voor 8.300 gulden de opdracht.

De verpachting van de tollen

In een openbare bijeenkomst werden de tollen gelegen in de gemeenten Heiloo, Limmen, Castricum en Heemskerk bij opbod en afslag verpacht. Zo vinden we een notariële akte dat op 29 september 1829 van de verpachting van de tol in Castricum de heer W.P.M. van Odijk wonende te Utrecht voor een bedrag van 1.585,- gulden de hoogste bieder geworden.

Aan elke verpachting was een groot aantal voorwaarden verbonden, die bij Koninklijk Besluit waren vastgesteld. Zo moest de pachter een borgsom storten of als onderpand onroerende goederen inbrengen ter waarde van drie maanden pacht. Voor de 10e van elke maand moest hij de maandelijkse pacht betalen vermeerderd met het bedrag van de door hem bij overtredingen geïnde boeten.
De verpachting gold voor een periode van drie jaar, terwijl zowel de regering als de pachter het recht had na elk jaar de pacht op te zeggen.

Volgens dezelfde akte moest de pachter de volgende tarieven hanteren:

Dieren:
– elk los paard of muilezel: 5 cent
– elk rund of ezel: 1,5 cent
– elk kalf, schaap of varkens: 1 cent
– een kudden schapen of varkens meer dan 50: 50 cent

Rij- en voertuigen:
– rijtuigen of voertuigen met twee wielen en sleden voor elk aangespannen paard, muilezel, ezel of os: 7,5 cent
– rij- of voertuigen met vier wielen voor als boven: 10 cent
– diligences en postwagen, ingericht voor niet meer dan zes personen voor elk paars: 10 cent
– idem voor zes t/m twaalf personen: 12,5 cent
– idem voor dertien t/m achttien personen: 15 cent
– idem voor meer dan achttien personen: 17,5 cent

Niet iedereen hoefde tol te betalen: vrijgesteld werd het transport met paarden en rijtuigen, die werden gebruikt voor of door het Koninklijk Huis, door bisschoppen, voor de brievenposterij, voor het onderhoud of het toezicht van de weg, voor militair transport en door landbouwers voor het binnenhalen van de oogst en het vervoeren van mest.

Een pachter moest over enig kapitaal beschikken om de borgsom te kunnen betalen. We zien dat de pachter veelal meerdere tollen pacht, elders woont en voor het innen van het tolgeld een tolgaarder aanstelt.

De tolgaarders

De tolgaarder woont in het tolhuis; in vroeger tijd werd de tol of het tolhuis ook wel de Gabel genoemd. De tollen langs de ‘Nieuwe Weg’ waren genummerd; het tolhuis te Castricum had nummer 4 en stond bij het begin van de Oude Weg, ongeveer een tiental meters ten zuiden van snackbar Veronica staat. Schuin tegenover het tolhuis op de hoek van de Dorpsstraat – Kramersweg stond omstreeks 1830 de herberg van Cornelis Steeman.

De situatie omstreeks 1830 bij de oprichting van het kadaster. Op de kaart is de plaats van het tolhuis aangegeven, gelegen tussen de oude en de nieuwe weg. Duidelijk is ook te zien hoe de 'Nieuwe Weg' verschillende percelen weiland heeft doorsneden.
De situatie omstreeks 1830 bij de oprichting van het kadaster. Op de kaart is de plaats van het tolhuis aangegeven, gelegen tussen de oude en de nieuwe weg. Duidelijk is ook te zien hoe de ‘Nieuwe Weg’ verschillende percelen weiland heeft doorsneden.

Jaarboek 16, pagina 29

De allereerste tolgaarder te Castricum is Carel Paulussen; hij wordt in 1820 benoemd en komt met zijn Engelse vrouw, zijn pasgeboren zoon en zijn moeder in Castricum wonen. De familie verhuist in 1829 naar Schoorl, toen Carel Paulussen brugwachter was geworden op de vlotbrug over het Noord-Hollands Kanaal. Bij de eerste volkstelling in 1830 woonde in het tolhuis de 26 jarige Antonie Cornelis Josephus van den Braak uit Pijnakker met echtgenote, hun driejarige in Gouda geboren dochtertje laantje en de 23 jarige dienstbode Maria van der Poll uit Kerkdriel.

De tolgaarders kwamen meestal niet uit onze regio en bleven gemiddeld slechts enkele jaren op hun post; vermoedelijk had dit te maken met de lage verdiensten en mogelijk ook met het feit dat een tolgaarder zich vanwege zijn functie niet bepaald geliefd maakte bij zijn dorpsgenoten.

Op 21 april 1846 is er een conflict met de tolgaarder. De wegwerker Steeman mocht van zijn baas Van Vuuren wat puin van ‘den Grooten Weg’ zonder betaling en vrij van tol aan de burgemeester van Castricum geven ter verbetering van de dorpsachterwegen (verharde doch onbestrate wegen). Steeman zou zelfs het puin helpen opladen. De tolgaarder stond onder de ‘Directie van de Grooten Weg’ en wilde zijn tolgeld innen. De waarnemend burgemeester Pieter Schotvanger wil de beslissing aan de ‘Directie van de Groote Weg’ overlaten.

Op 1 april 1849 wordt Antonie Tabernal als tolgaarder aangesteld. Antonie Tabernal is verminkt in de Slag bij Hasselt op 7 aug. 1830, waarbij zijn linkerbeen door een kogel is getroffen en vervolgens is afgezet. Tabernal had de zorg van een groot huisgezin en dient een verzoek in bij de Koningin-weduwe om extra onderstand (red: inkomen ondersteuning).

Omstreeks november 1852 worden door de pachters en huurders van landerijen vele klachten geuit bij de wethouder over de tolgaarder Jacob Dekker, die een slagboom heeft geplaatst op de Notweg om doorgaande rijtuigen te beletten de Rijkstolboom mis te rijden. De notweg (red: Een notweg is een weg over andermans land) is eigendom van de gemeente en geeft een ieder het recht daarlangs te rijden.

Enkele jaren na de aanleg van de spoorlijn zijn er veel klachten over de slechte toestand van de toevoerweg naar het station (Burg. Mooijstraat). Naar aanleiding hiervan wordt het verzoek geuit om te worden vrijgesteld van de betaling van tol voor de rijtuigen, die passagiers van het station halen of brengen (via Dorpsstraat – Stationsweg). Als dit niet mogelijk is wil de gemeenteraad graag de tol verplaatsen naar de noordzijde van het dorp, ook al omdat de afstand tussen de tol van Heemskerk en die van Castricum te klein is. Verschillende keren wordt het verzoek tevergeefs bij de Minister herhaald.

Het einde van het tolhuis

Aan het einde van de vorige eeuw werd besloten om de tolheffing te beëindigen; bij Koninklijk Besluit van 22 juli 1899 worden de rechten voor het gebruik van tollen officieel afgeschaft, de tolheffing gaat nog even door tot het aflopen van het nog geldige pachtcontract. De tolhuizen moeten verdwijnen. Het duurt nog enkele jaren tot de overheid op 3 november 1903 het perceel grond ter grootte van zeven are met het tolhuis voor in totaal 926 gulden verkoopt aan Johannes Andrieszoon Hogenstijn, landbouwer alhier. Hierbij wordt de voorwaarde gesteld dat de koper binnen zes maanden op eigen kosten het tolhuis met de fundamenten moet afbreken en opruimen. Ook de bestrating tussen het tolhuis en de oostelijke rail van het tramspoor moet worden opgeruimd.

Het tolhuis wordt afgebroken en door Johannes Hogenstijn met paard en wagen vervoerd naar de duinkant, alwaar het tolhuis weer wordt opgebouwd op een plaats aan de noordkant van de Kramersweg nabij de driesprong met de Puikman. Hier gaan Johannes Hogenstijn en zijn echtgenote Marijtje Ineke wonen en groeit hun gezin op, dat bestaat uit de zes zoons Andries, Herman, Dirk, Dorus, Albert en Gerrit. De laatste bewoner van het tolhuis is de zoon Dirk Hogenstijn.

In de tweede wereldoorlog moeten op last van de bezetter alle huizen aan de duinkant worden ontruimd en gesloopt. Zo komt er na ruim een eeuw een einde aan het tolhuis.

S.P.A. Zuurbier

Bronnen:

Lennep, E. van, De tolheffing op de openbare wegen in Nederland (diss.), Amsterdam 1884.
Smal, H., ‘s Rijks groote wegen in de l9e eeuw: Historische geografie in meervoud, Utrecht 1984.
Rijksarchief Haarlem:
– Archief Provinciaal Bestuur: 1814-1850
– Archief Rijkswaterstaat inv. 269.
Regionaal Archief Alkmaar
– Archief Gemeente Castricum
– Bevolkingsregister 1830
Kadaster – Minuutplans + OAT
Inlichtingen van de familie Hogenstijn.

Het tolhuis verplaatst naar de Kramersweg; hier op de foto met de laatste bewoner: Dirk Hogenstijn.
Het tolhuis verplaatst naar de Kramersweg; hier op de foto met de laatste bewoner: Dirk Hogenstijn.
Print Friendly, PDF & Email