Noord-End bewoningssporen 13e eeuw (Jaarboek 03 1980 pg 19-23)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 3, pagina 19

 

13e Eeuwse bewoningssporen in plan Noord-End

Opgraving april-mei in de uitgraving van de vijverpartij aan de Walstro

 

Inleiding

Door de werkgroep “Oud Castricum” is in 1972 een onderzoek ingesteld naar middeleeuwse bewoningssporen (13e eeuws) in plan Noord-end. Dit gebied, weilanden met enkele boerderijen als enige bebouwing, werd toen bouwrijp gemaakt voor woningbouw.
De direkte aanleiding tot dit onderzoek vormde het uitgraven van een vijverpartij die nu omsloten wordt door de straten die de volgende namen dragen: Walstro, Kemphaan, Wielewaal en Kievit. Dit verslag houdt zich uitsluitend bezig met deze vijverpartij en wel in het bijzonder het gedeelte hoek Walstro-Kemphaan (zie afb. 1).

Plaats van de meeste bewoningssporen.
afb. 1 Plaats van de meeste bewoningssporen.

Reeds in januari 1972 werden door enkele leden van de werkgroep naspeuringen gedaan, waarbij verspreid voorkomend middeleeuws aardewerk werd gevonden. De concentratie van middeleeuws aardewerk, alsmede de bodem – en wandprofielen in de uitgraving op de hoek “Walstro-Kemphaan” leidde in april-mei van dat jaar tot een nauwkeuriger onderzoek. Ook de afdeling Noordholland-Noord van de A.W.N. (Archeologische Werkgemeenschap Nederland) werd van dit onderzoek op de hoogte gesteld. Van die zijde werd o.a. daadwerkelijke hulp verkregen van de heer E.H.P. Cordfunke.

De leden van de werkgroep “Oud Castricum” hielden zich tijdens de opgraving bezig met het grondverzet, het afschaven van de grondvlakken en het verzamelen van het vondstenmateriaal.
De heer Cordfunke belastte zichzelf met het verrichten van opmetingen en het in tekening brengen van de opgravingsresultaten. Dit verslag zal echter onvolledig moeten zijn, omdat de heer Cordfunke de gegevens door het meet- en tekenwerk verkregen, ondanks herhaald verzoek, niet aan de werkgroep heeft overgedragen. Vooral met betrekking tot de maatvoering is het te betreuren niet over dit belangrijke documentatiemateriaal te beschikken. In dit verslag zal dan ook volstaan moeten worden met een beschrijving aan de hand van beschikbaar fotomateriaal.

De inhoud kan verdeeld worden in de volgende onderwerpen: a beschrijving huisplattegrond
b beschrijving gevonden aardewerk e.d.
c overige vondsten.

a Beschrijving van de huisplattegrond

De huisplattegrond werd gevonden tegenover de “duiker” die onder de Kemphaan ligt (zie afb. 4) en de betreffende vijverpartij zal gaan verbinden met de toen reeds bestaande vijverpartij aan de Wederik. Op afbeelding 2 is deze duiker links-boven, rechts van de kruiwagen te zien. De lengterichting van het huis lag NW-ZO.
Het patroon van de huisplattegrond tekende zich af als donkere banen in het lichtere zand. Duidelijke sporen van paalgaten tekenden zich niet af; ze zijn althans niet op de foto te zien. Wel is bij de opgraving een restant van een paal gevonden (midden, links op afb. 2), die mogelijk deel heeft uitgemaakt van de houtkonstruktie van de woning.
De kontouren van het NW-gedeelte van deze huisplattegrond zijn duidelijk vast te stellen (vóór op afb. 2). De kontouren van het ZO-gedeelte waren minder gemakkelijk te volgen, omdat deze uiteindelijk “opgelost” werden in een totale verkleuring van de bodem. Deze bodemverkleuring (in de omgeving van de duiker) bestond uit zeer humusrijke grond, enigszins vet aanvoelend. Er was duidelijk sprake van een “pakket”.
Op deze plek in de humeuze grond werd het meeste aardewerk, weliswaar zeer fragmentarisch, alsmede slachtafval (beenderen) aangetroffen.
De vondsten waren het meest talrijk links van de duiker. De humeuze plek strekte zich daar namelijk uit tot en met 8 m. Men zou hier het erf kunnen veronderstellen.

De kontouren binnen de huisplattegrond (rechtsonder op afb. 2) doen vermoeden dat er sprake is geweest van ruimteverdeling d.m.v. wanden. De plaats van het haardvuur kon niet worden vastgesteld. Op zichzelf hoeft dit niet zo opmerkelijk te zijn, daar we tijdens de opgraving toch al het vermoeden hadden, dat we onder het toenmalig loopvlak aan het werk waren. Een haardvuur bevindt zich gewoonlijk op het loopvlak. Ook van eventueel hutteleem is nauwelijks iets teruggevonden.
Voorts doet een vrij brede baan humusrijke grond, die halverwege de lange zijden, dwars over de breedte van de huisplattegrond loopt, vermoeden dat hier twee tegenover elkaar liggende ingangen zich hebben bevonden. Dit “pad” zet zich buiten de huisplattegrond voort, hetgeen een ondersteuning van bovengenoemde hypothese betekent.
Afbeelding 3 geeft een vertikaal grondprofiel, waarop een breedte-doorsnede van dit pad is te zien. Het toenmalig maaiveld blijkt aan beide zijden van het pad hoger te liggen dan het pad zelf. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat door veelvuldig gebruik het pad verdiept is komen te liggen. Dit profiel tekende zich af in het toen nog weg te graven middengedeelte van de vijver. Dezelfde afbeelding laat ons tevens zien dat we met ons opgravingsniveau inderdaad belangrijk lager zaten dan het toenmalig loopvlak.
Helaas kan de onvolledigheid van dit verslag niet verhuld blijven door het ongenoemd laten van enige afmetingen. De afmetingen van middeleeuwse huisplattegronden, die in Alkmaar zijn opgegraven zouden kunnen dienen als vergelijkings-


Jaarboek 3, pagina 20

materiaal. Deze huisplattegronden hadden een breedte van ca. 6 meter en waren 10 tot 20 meter lang.

Situatieschets.
afb. 4 Situatieschets.

b Beschrijving van het gevonden aardewerk e.d.

De vondsten binnen de huisplattegrond waren gering in getal en kwamen voornamelijk uit het humeuze gedeelte. Ook hieruit kan afgeleid worden, dat we ons tijdens de opgraving onder het voormalig loopvlak hebben bevonden. Bovendien zouden onnutte zaken toen ook wel buitenshuis gedeponeerd zijn. De belangrijkste vondst is wel een half strijkglas.

Zoals reeds vermeld, was het middengedeelte van de vijver nog niet weggegraven (zie links op afb. 2 en de situatieschets van afb. 4). In dit nog te ontgraven middenstuk werd tegenover de Kemphaan-zijde een afvalkuil gevonden (zie afb. 4 nr. 2) met middeleeuws aardewerk van een zeer goede kwaliteit. Helaas was een gedeelte van deze afvalkuil al verloren gegaan door graafwerkzaamheden, die ten behoeve van het aanbrengen van de beschoeiing reeds hadden plaatsgevonden.
Het materiaal, dat we in deze afvalkuil aantroffen zouden we kunnen beschouwen als 13e eeuws.
We vonden hoofzakelijk donker- en lichtgrijs kogelpot-aardewerk en Rijnland-steengoed.

Talrijker waren de vondsten links van de duiker, zowel in de opstaande kant als de uitgraving (zie afb. nr.3).
Ook hier konstateerde de vondsten zich in een zwart/bruine humuslaag welke zich over een gebied van ongeveer 8 m links van de duiker uitstrekte. De vondsten waren zeer fragmentarisch, mede als gevolg van de machinale graafwerkzaamheden waardoor voor ons slechts de “zool” van het opgravingsvlak restte.
Het merendeel van het gevonden aardewerk bestond uit grijsachtig kogelpot-aardewerk met o.a. bezemstreekversiering, vingerstreepversiering, met en zonder dekselgeul alsook met en zonder standringen (zie afb. 5). Dit aardewerk zou gedateerd kunnen worden in de 13e / 14e eeuw. Daarnaast zijn er ook verschillende fragmenten gevonden van Paffrath

De kontouren van een "huisplattegrond".
afb. 2 De kontouren van een “huisplattegrond”.

Jaarboek 3, pagina 21

Grondprofiel met breedte-doorsnede van het pand.
afb. 3 Grondprofiel met breedte-doorsnede van het pand.

aardewerk, waarvan aangenomen wordt dat de produktie in de 12e eeuw op gang gekomen is. Naast dit kogelpot-aardewerk is ook Andennewaar gevonden, dat te dateren valt in de 12e / 13e eeuw. Ook het Pingsdorf aardewerk is temidden van de overige vondsten vertegenwoordigd. Hiervan zijn zowel lichtgele als grijsachtige fragmenten gevonden. De aanvangsperiode van het Pingsdorf aardewerk wordt gedacht in de 10e eeuw en loopt door tot in de 13e eeuw. Ook het vroege, 13e eeuwse steengoed liet zich onderscheiden.

Als we de omloopperioden van al dit aardewerk nagaan komen we tot de konklusie dat er sprake is van een overlappingsperiode in de 13e eeuw en dat we derhalve te maken hebben met 13e eeuwse bewoningssporen.
Tijdens de opgraving zijn er geen aanwijzingen gevonden die de veronderstelling rechtvaardigen dat er sprake is geweest van elkaar opvolgende bewoningsperioden.

Gevonden kogelpot-aardewerk.
afb. 5 Gevonden kogelpot-aardewerk.

Naast de aardewerkvondsten in de omgeving van de huisplattegrond zijn ook vondsten gedaan van verstrooid aardewerk in het overige gedeelte van de vijveruitgraving, m.n. aan de noord-westkant van de toenmalige Alkmaarder-straatweg. Tot deze vondsten behoort ook jonger materiaal zoals Sieburg en Langerwehe steengoed uit de 14e – 15e eeuw.

c Overige vondsten

De inhoud van dit hoofdstuk beperkt zich uitsluitend tot een weergave van de oppervlakkige verkenningen die in het noordwestelijk gedeelte van de vijverpartij zijn gedaan.
Een oriëntatiepunt ter plekke is de boerderij van afbeelding 6, die nu ingeklemd staat tussen de Soomerwegh en de Kievit.

De gehandhaafde boerderij "Mariahoeve" tussen de Soomerwegh en de Kievit.
afb. 6 De gehandhaafde boerderij “Mariahoeve” tussen de Soomerwegh en de Kievit.

Jaarboek 3, pagina 22

Hiermede zijn we meteen aangekomen bij het punt dat dit gebied zo belangwekkend maakt. Onze verkenningen in dit vijvergedeelte resulteerde in de ontdekking van restanten van een aantal tonputten. Aan de hand van de foto’s kunnen we vaststellen dat er sprake is van een drietal tonputten. Hoe de situering is geweest is niet meer te rekonstrueren wegens gebrek aan bruikbare gegevens.
Waterputten zijn overigens veelvuldig op Castricums grondgebied aangetroffen en wel uit verschillende perioden en van verschillende konstrukties.
In dit vijvergedeelte is het gebruik van tonnen ais waterputten in Castricum voor het eerst waargenomen.
Het gebruik van tonnen als waterputten is niet zo heel bijzonder. Het gebruik hiervan is eigenlijk wel over het hele land bekend en werd al in de Romeinse tijd (Velsen) toegepast. Door de bodem en de deksel uit de ton te slaan verkreeg men een uitstekende putwand die slechts ingegraven diende te worden.

Zoals gezegd waren de verkenningen oppervlakkig en gegevens voor het samenstellen van dit verslag nauwelijks voorhanden. Het meest tastbare bewijs van deze aktiviteiten zijn een aantal foto’s, die de moeite waard zijn in dit verslag opgenomen te worden.
Wat de daarbij gegeven informatie betreft zal daarbij geput moeten worden uit de herinnering. Eerlijkheidshalve stel ik daarbij, dat ik niet méér zal trachten te herinneren dan ik me werkelijk herinner. Het vorige hoofdstuk werd besloten met de opmerking dat ook in dit gedeelte van de vijverpartij aardewerkvondsten werden gedaan.
Er is echter geen nadrukkelijk onderzoek naar gedaan, zodat niet zondermeer gesteld kan worden dat dit gebied minder intensief bewoond of bewerkt is geweest.
De grondverkleuringen hebben ons weliswaar geen nieuwe huisplattegronden opgeleverd, maar wel andere sporen van menselijke aktiviteiten in de middeleeuwen. De scherfvondsten en de hierna beschreven overige vondsten lijken mij voldoende belangwekkend.

Bij de grondverkleuringen troffen we verschillende malen donkergrijsachtige cirkelvormige verkleuringen aan in het lichtere zand. Het is vrijwel zeker dat deze verkleuringen zijn ontstaan door menselijke activiteiten b.v. gegraven kuilen.

Cirkelvormige grondverkleuring.
afb. 7 Cirkelvormige grondverkleuring.
Een Castricumse "tonput".
afb. 8 Een Castricumse “tonput”.

Het is echter niet zo eenvoudig om deze verkleuringen als afvalkuilen te beschouwen. Alhoewel er binnen deze verkleuringen aardewerkresten zijn aangetroffen, waren deze daarvoor niet talrijk genoeg.
Soms bleek het aardewerk zelfs geheel afwezig te zijn en leverde het ook geen andere tastbare zaken op, zoals slachtafval.
De verkleuring van afbeelding 7 beslaat een kleiner oppervlak, maar de kontouren zijn wat scherper. Bij verdere graven zouden we hier een “tonput” mogen verwachten.

Voor zover ik me kan herinneren is de tonput van afbeelding 8 de eerste die we aantroffen. Zoals te zien is, was deze tonput nog voor een behoorlijk deel aanwezig en bewaard gebleven door de konserverende werking van het grondwater. Zowel deze, alsook de andere tonputten bestonden uit één ton. De middeleeuwse tonputten die b.v. gevonden zijn in Huissen (Gld) en Balgzand nabij de Kooy (N-H) bestonden uit twee respektievelijk drie op elkaar geplaatste tonnen.
Voor de Castricumse tonputten betekent dit dat deze een geringe diepte hadden en dat het grondwater zo hoog moet hebben gestaan dat slechts met één ton kon worden volstaan.

Voorts bestonden alle putten uit tonnen van geringe afmetingen waarvan de tonput van afbeelding 8 wel de kleinste in diameter genoemd kan worden. Er werd geen aardewerk in aangetroffen.

Bij nadere beschouwing van de foto van afbeelding 8 kunnen we wel konstateren dat de tonput opgenomen is in een baan van een donkere grondverkleuring. Dit zou kunnen wijzen op de aanwezigheid van een greppel. Een tweede put was enigszins in elkaar gedrukt; van de opgravingssituatie kan ik me echter niets meer herinneren, mogelijk doordat er geen belangwekkende zaken uit voortgekomen zijn. Meer bijzonderheden leverde de derde tonput op. Deze put (zie afb. 9) bevatte de eerste Castricumse archeologische ledervondst, alweer dankzij de konserverende werking van het grondwater.
Allereerst de put; deze bestond uit ongeveer 15 duigen en had een diameter van ± 60 cm. De resterende hoogte varieerde van 10 tot 30 cm. Op afbeelding 9 is duidelijk te zien dat de duigen aan de buitenzijde in verband gehouden werden door banden van gespleten teenhout. Er is geen onderzoek gedaan naar de houtsoort van de duigen.

Bij archeologisch onderzoek leveren putten nogal eens interessante vondsten op. Bij deze put was dat zeker het geval. Bij het verwijderen van de putinhoud troffen we een goed bewaard gebleven en ogenschijnlijk komplete middeleeuwse schoen aan. Deze schoen, gemaakt van dun leder, was platgedrukt en het stiksel volkomen vergaan.

Behalve de emotionele waarde van een dergelijk vondst, alsof de middeleeuwse mens bijna tastbaar aanwezig was, heeft deze


Jaarboek 3, pagina 23

vondst voor Castricum ook historische waarde. Dergelijke vondsten zijn vrij zeldzaam en blijven slechts bewaard wanneer de omstandigheden daartoe gunstig zijn.
Eenmaal opgegraven moet voldaan kunnen worden aan de hoge eisen die een goede konservering met zich meebrengt. We verkozen dan ook om deze ledervondst niet aan een eigen onderzoek te onderwerpen, maar direkt in natte toestand in plastic luchtdicht te verpakken om uitdroging te voorkomen. De schoen werd vervolgens ter konservering aangeboden aan het Rijksinstituut voor Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) te Amersfoort.
Pas begin 1980 hebben we de beschikking gekregen over de lederresten van deze schoen, weliswaar gekonserveerd, maar niet gerestaureerd.
Restauratie van deze schoen is zeer zeker mogelijk. Hopenlijk kan te zijner tijd in een aanvullend verslag deze vondst nauwkeuriger beschreven worden.

E. Mooij

Tonput bevattende een middeleeuwse schoen.
afb. 9 Tonput bevattende een middeleeuwse schoen.

Literatuurlijst

A.W.N.-monografie no. 3 “Middeleeuwse ceramiek” door Dr. J.G.N. Renaud

Westerheem XXVI – 5 – 1977 blz. 224 e.v. “Een Romeinse waterput te Velsen” E.L. Schimmer

Westerheem XXVIII – 3 – 1979 blz. 109 e.v. “De Romeinse waterputten te Velsen” E.L. Schimmer

Westerheem XXI – 1 – 1972 blz. 13 e.v. “Middeleeuwse bewoningsresten op het Balgzand” P. Smit

Westerheem XXVII – 4/5 + 1978 blz. 195 e.v. “Aspekten van het stadskernonderzoek in Huissen” Th. H. Janssen

Spiegel Historial jrg. 13 april 1978 blz. 263 e.v. “De spaarzame of fantasieloze (?) schoenmaker” W. Groenman-van Waateringe

Westerheem XXVIII – 2 – 1979 blz. 70 e.v. “Een snipper is ook een schoen” Over archeologische ledervondsten en hun behandeling O. Goubitz

Print Friendly, PDF & Email