Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot (Jaarboek 30 2007 pg 29-30)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over WO1: eerste Wereldoorlog
Verschenen artikelen over WO2Castricum in oorlogstijd – Dagboek kapelaans – De dood van Arie Hageman – Duin en Bosch, evacuatie – Duinkant, een verdwenen dorpje – Oorlogsherinneringen Nardus Bos – Oorlogsverhaal Tiny van Vlaanderen-Boot – verzetsstrijders – Leenaers, dokter – tante Sientje

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 30, pagina 29

Het oorlogsverhaal van koerierster Tiny van Vlaanderen – Boot

Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.
Er werden in de oorlog nogal wat mannen verliefd op Tiny. Daardoor kreeg ze veel voor elkaar tot groot voordeel van de verzetsbeweging.

Evertina Hendrika Boot (roepnaam Tiny) werd geboren op 5 februari 1925 in Castricum. Haar ouders waren Iman Boot en Alberdina Gebke Urban, die beiden als verpleegkundige werkzaam waren op Duin en Bosch. Tiny begon op 18-jarige leeftijd te werken op het gemeentehuis van Castricum. Tijdens de oorlog was zij zeer actief in het verzetswerk en kende geen angst. Tiny vertelt haar spannende belevenissen uit die tijd in onderstaand verhaal. Zij schreef dit in Zuid-Afrika, waar zij alweer 59 jaar woont met haar echtgenoot Rinus van Vlaanderen.

“Ik begon te werken voor de gemeente Castricum in 1943 als hulp voor Piet van der Goes. Dit was maar tijdelijk bedoeld, maar er kwam steeds meer werk voor me te doen als typiste voor verschillende ambtenaren.
Zo werkte ik onder andere voor gemeentesecretaris Van Lunen. In 1944 ging ik over naar de distributiedienst, die door de staat was ingesteld om in crisistijd de verdeling van levensbehoeften te regelen. Daarnaast bleef ik echter ook werk doen voor de gemeente als dat nodig was. Ik werkte meestal voor Henk Nielen en Piet Gomes op de distributiedienst. We waren toen gehuisvest aan de overkant van het gemeentehuis. Het pand brandde in 1944 af om het verdwijnen van bonnen te camoufleren. Ik vermoedde dat er iets van dien aard zou gebeuren, want Piet van der Goes kwam mij, wetende dat ik alleen zou zijn, tussen de middag opzoeken en verkende het hele gebouw. Piet was mijn verzetshoofd, die ik veel geholpen heb. Ik stelde hem nooit vragen, maar hij liet mij na de brand weten dat hij daarvoor mede verantwoordelijk was. De administratie van de distributiedienst werd toen ondergebracht in het gemeentehuis en zodoende deelde ik mijn lessenaar met Piet Gomes. Deze hielp veel in de kluis om de distributiebonnen in en uit te boeken en te controleren aan de loketten.
Ik was een grote flirtster en zodoende werden er nogal wat mannen op me verliefd. Tot groot voordeel van de verzetsbeweging kon ik van alles en nog wat doen. Zo wond ik de NSB-ers en als het te pas kwam ook de Duitsers om mijn vinger.

Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.
Beeld van de Dorpsstraat in oorlogstijd (1942). Achrer het publiek rondom de ijscoman is het distributiekantoor zichtbaar.

Collega’s bij de gemeente waren onder anderen Jan Krom (ook een verzetswerker in Uitgeest), Admiraal, Tervoort en Koelman. Andere namen zijn me ontschoten.
Distributiecollega’s waren directeur Nielen, Verhoeven, Van Aalst, Iepenga, Ewald, Kemmink, Denneman, De Smalen, De Vries, De Boer en twee NSB-ers, waarvan ik de namen vergeten ben.
Piet Gomes, Verhoeven en Iepenga zorgden voor de bonkaarten voor de onderduikers. Toen we naar de Zaan geëvacueerd werden, nam ik deze kaarten vaak mee in de trein en bezorgde ze dan bij Verhoeven thuis. Hij zat zelf in de trein, maar het was te gevaarlijk voor een man om ze bij zich te hebben. In geval de Duitsers de trein kwamen doorzoeken, was het makkelijker voor een jong meisje om er doorheen te komen. Gelukkig is er nooit iets gebeurd.
Omdat het kantoor van Piet Gomes naast de kamer van burgemeester Masdorp was, wisten we meestal wanneer deze buiten de deur was. Dan kon ik gauw een stempel met zijn handtekening of een belangrijk document wegnemen en weer terugplaatsen. De burgemeester, die NSB-er was en in mijn ogen een oude vent, werd ook verliefd op me. Ik moest hem niet, maar kon hem niet afpoeieren, omdat ik regelmatig in zijn kamer moest zijn om het nodige te stelen.
Zoals gewoonlijk vroeg ik nooit waarom iets nodig was, hoe minder te weten hoe beter. Dat gold ook voor mijn koerierswerk. Ik wist niet wat de inhoud van enveloppen of pakjes was. Het gebruikelijke herkenningsteken was altijd de klop van Beethovens 5e symfonie.
Krosschell was een heel belangrijk persoon in de verzetsbeweging, maar ik weet niet of hij het hoofd was. Hij was altijd hulpvaardig en een goed mens. Ik kende hem alleen door de bulletins van radio Oranje, die ik bij hem thuis uittikte en op stencil afdraaide. (red: Een stencil is een sjabloon gemaakt van een materiaal dat inkt doorlaat en waarmee afdrukken kunnen worden gemaakt.) Dan vouwde ik de stencils op, stopte ze onder mijn jas en bracht ze rond naar de verschillende adressen. Ik was nooit bang, want iedereen dacht dat ik maar de gek speelde.


Jaarboek 30, pagina 30

Met Piet van der Goes, die een heel voorname rol in de verzetsbeweging speelde, had ik het meeste contact. Wij waren heel goede vrienden. Gedurende zijn onderduiktijd zagen we elkaar niet zoveel, ofschoon ik wist waar hij zat; dat was in een huis aan het eind van de Geelvinckstraat.
Piet liet me een fiets gebruiken van de burgemeestersvrouw, die nooit haar fiets hoefde in te leveren. Hij nam me ook mee achter op de motorfiets naar de bunkers in de duinen om de Engelse troepen te ontmoeten, die zich daar hadden gevestigd.

Ik kwam ook in contact met vele marechaussees, want die moesten ons bewaken bij het vervoer van bonkaarten naar Limmen of Uitgeest. Het vervoer vond plaats in een auto van Dijkhuizen, die een apparaat bevatte dat met hout werd gestookt om kracht te maken voor de motor. Dit ging met horten en stoten en soms begon het apparaat te koken, waardoor de chauffeur met al zijn kracht aan het stuur moest hangen. Dikwijls vlogen we de kant in en zaten we in spanning. Soms was burgemeester Masdorp er ook bij, want die was eveneens burgemeester van Uitgeest.
In het begin van mijn verzetswerk wist mijn familie (moeder en twee broers) daar niets van, totdat ik door Piet van der Goes gewaarschuwd werd voor een razzia. Ik moest alles verbranden wat er in huis was aan blaadjes enz. Toen moest ik wel met het geheim voor de dag komen en ik zal maar niet de boze woorden herhalen, die ik toen te horen kreeg. Niemand sliep die nacht, want er was een razzia bij de buurman die opgepikt werd. We woonden toen in Koog aan de Zaan.

In het verzetsleger kende ik verscheidene namen, maar ik weet er nu nog maar een paar. Namen als Niek Bakker, Tiemstra en Koelewijn heb ik onthouden. Ik had foto’s van het verzetsleger, maar heb die helaas al jaren geleden weggedaan, denkende dat die tijd voorbij is en niemand daarin meer is geïnteresseerd, vooral niet in Zuid-Afrika. De mannen droegen blauwe overalls en hadden geweren over de schouder. De foto’s waren gemaakt door fotograaf De Smalen.
De gaarkeuken was tegenover het station naast de bakkerij op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat. De kok was Jacobs, die in dezelfde straat woonde. Het voedsel was gewoonlijk kool, biet en raap.
Lekker was het niet, maar het was eten, ook al vonden we er soms spinnen of andere insecten in.

Direct na de bevrijding haalden de mannen van het verzetsleger de NSB-ers met hun vrouwen en grote kinderen uit hun huizen en zij werden op Duin en Bosch in een paviljoen achter tralies opgesloten. Daar gingen Van der Goes en ik dan naar toe om ze te registreren. Ik denk wel dat ik een grote grijns op m’n gezicht had. Er waren ook meiden bij die altijd lagen te vrijen met de Duitsers. Ze waren doodsbenauwd dat hun hoofden kaalgeschoren zouden worden, wat veel gebeurde in die tijd.

De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter hel kantoor. V.l.n.r.: slaand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.
De medewerkers van de distributiedienst in 1946 in de tuin achter hel kantoor. V.l.n.r.: slaand: Mar Quatfass, Tiny Gorter; Riek de Groot en Mien Schermer; zittend: Kemming, Janny Roemer; De Nooy, Trees de Nooy, Hein Zonjee, Tiny Boot en Van Zweden.

Ik wil ook nog een gebeurtenis vertellen, die niets te maken heeft met het verzet.
Het was zaterdag en een prachtige zomerdag. Alle distributiecollega’s gingen per trein naar huis, want we waren geëvacueerd. We waren allemaal vrolijk gestemd en zaten bij elkaar in de eerste wagon te lachen en te praten. Opeens doken er twee Engelse vliegtuigen uit de lucht en begonnen de trein te beschieten. De bestuurder wist de trein te stoppen net voordat hij stierf. Het zusje van collega De Vries, dat tegenover mij zat, viel dood neer. Collega Ewald kreeg een kogel in zijn been en overleed hieraan een paar maanden later. Ik had alleen maar scherven in mijn billen, die er wel uitgehaald moesten worden door een dokter. Het was een afschuwelijke gewaarwording, temeer omdat het Engelse vliegtuigen waren. Er werd toen wel op ze gevloekt, want ze zagen duidelijk dat het een passagierstrein was, vooral toen we er verwilderd uitsprongen. Desondanks bleven ze schieten.

De grootste herinnering aan die periode is tot slot de dag na de 5e mei, toen het Castricumse verzetslegertje marcheerde voor het gemeentehuis en ik naast de gauw gekozen ‘burgemeester’ Nielen (het hoofd van de distributiedienst) stond. Dat was voor mij een hele eer, ofschoon het eigenlijk niets betekende. Ik zag mij namelijk nooit als heldin en deed alleen maar wat nodig was. Er zijn veel grotere daden verricht, ik was maar een kleine schakel.”

Tiny van Vlaanderen – Boot

Print Friendly, PDF & Email