Pottenstapel als waterput in plan Molendijk (Jaarboek 02 1979 pg 16-19)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 2, pagina 16

 

Pottenstapel als waterput in plan Molendijk

Opgraving op 25 juli 1972 van een pottenstapel uit het begin van de jaartelling door de werkgroep Oud-Castricum

 

Inleiding

De heer N.C. Steeman, lid van de werkgroep Oud-Castricum, ontdekte op 25 juli 1972 de eerste sporen die de aanleiding vormden tot een belangrijke archeologische vondst op Castricums grondgebied. Het is aan zijn nimmer aflatende oplettendheid t.a.v. grondwerkzaamheden te danken dat er een opgraving heeft kunnen plaatsvinden. Evenals vele andere vondsten uit de eerste eeuwen na Christus werd ook deze vondst gedaan aan de Cieweg.
Reeds op 20 september 1969 werd naast de school De Hoeksteen, gelegen op de hoek van Het Strengh en de Cieweg een belangrijke concentratie scherven gevonden.
De opgraving die nu beschreven gaat worden werd verricht op een terrein dat vrijwel grenst aan het opgravingsterrein van september 1969. (zie afb. 1).

Plaats van de pottenstapel in plan Molendijk.
afb. 1 Plaats van de pottenstapel in plan Molendijk.

Tijdens graafwerkzaamheden die daar plaats hadden, in verband met de aanleg van een kinderspeelplaats, kwam wederom een belangrijke schervenconcentratie aan het licht. De heer P.J. Woltering, provinciale archeoloog van de rijksdienst voor oudheidkundig bodemonderzoek te Amersfoort werd van deze vondst op de hoogte gebracht en is ter plekke komen kijken.
Onder de belangstellenden, tijdens het uitgraven van de potten, bevond zich ook de toenmalige burgemeester de heer van Boxtel. Alle medewerking werd van de gemeente ondervonden om de opgraving tot een goed einde te kunnen brengen. Door toedoen van de burgemeester werd de aanleg van de speelplaats uitgesteld hetgeen niet zoveel problemen opleverde, omdat deze werkzaamheden door gemeentewerken werden uitgevoerd. Tevens werden we hierdoor in staat gesteld ook de naaste omgeving van de pottenstapel te onderzoeken. Dit resulteerde in de ontdekking van een “huis plattegrond”.

Vondstsituatie

Evenals de meeste voorgaande vondsten kondigden ook deze bewoningsresten zich aan op een diepte van 50 – 75 cm onder het maaiveld. Al spoedig bleek dat we te maken hadden met twee schervenconcentraties, die op ongeveer 1.50 m van elkaar verwijderd lagen.
Allereerst werd die schervenconcentratie aan een onderzoek onderworpen, die het kleinst van omvang leek (zie afb. 2).

Vondstsituatie.
afb. 2 Vondstsituatie.

Nadat de grond rond deze schervenconcentratie uitgegraven was, bleek dat we te doen hadden met een potbodem. Deze potbodem bleek gevuld te zijn met scherven die ingebed lagen in sterk verontreinigd zand. De grond rond de potbodem was echter geel/grijs van kleur met roestplekken en schelpgruis. Voorafgaande aan de restauratie bleek het bijzonder moeilijk te zijn de scherven uit deze potbodem te kunnen verwijderen. Het verontreinigde zand was door het drogen erg hard geworden en het aardewerk van de potbodem zeer broos. De scherven die er uit kwamen waren hoofdzakelijk randscherven, okerkleurig en goed van kwaliteit. Al deze scherven tesamen vormde een nagenoeg komplete potrand met een lichte knik op de schouder. Verder bevonden zich in de potbodem enkele samen te voegen scherfjes van een klein grijs/zwart potje alsmede kleine vuurstenen afslag, (zie afb. 3). Merkwaardig was dat helemaal onderin de potbodem een laagje zand werd aangetroffen dat gelijk was van kleur als het zand uit de omgeving. Hieruit zou opgemaakt kunnen worden dat het “schone” zand door het gat in de potbodem naar binnen was gedrongen.

Randscherven uit de potbodem.
afb. 3 Randscherven uit de potbodem.

Jaarboek 2, pagina 17

De pottenstapel

Tot op het moment waarop we de potbodem hadden uitgegraven wisten we nog niet dat de ongeveer 1.50 m daarvan verwijderde schervenconcentratie een pottenstapel zou zijn. Wie had dat ook kunnen vermoeden? Er was nauwelijks sprake van een grondverkleuring dat op een ingraving had kunnen wijzen.
Nadat het horizontale vlak rond de schervenconcentratie nog wat werd verdiept stuitte men op de rand van een daaronder zittende pot. Dit was de aanleiding om de horizontale graverij te staken. Besloten werd om de potten vertikaal voor de helft uit te graven en de andere helft in een zandkolom te laten zitten. Nadat deze werkwijze was gevolgd kwamen we tot de ontdekking dat we ogenschijnlijk te maken hadden met een pottenstapel van vijf op elkaar geplaatste potten. Het verkregen vertikale profiel gaf de gelegenheid de totale vondst in situ te kunnen overzien. Daarbij bleek dat de twee onderste potten nog het beste intakt waren. De bovenste drie potten waren echter gebroken en in en over elkaar geschoven. Het profiel van de grondlaagjes leert ons dat er slechts sprake geweest kan zijn van een zeer krappe insteek waar de potten ingelaten zijn. Het profiel van de grondlaagjes zette zich n.l. voort tot dicht aan de potten. Wanneer er sprake geweest zou zijn van een grote ingraving zou dit profiel een verstoring moeten laten zien. (zie afb. 4).

Vertikale profiel van de pottenstapel.
afb. 4 Vertikale profiel van de pottenstapel.

De berging

Het was duidelijk dat de bovenste potten het meeste te lijden hebben gehad van evt. grondbewerkingen en de vorst in de loop der eeuwen. Dit gedeelte presenteerde zich dan ook als het meest verstoord en onoverzichtelijk. Spoedig bleek dat we in deze bergingsfase niet te maken hadden met één pot die tot scherven was geraakt, maar met meerdere potdelen.

Men zou kunnen zeggen dat de wanden op sommige plaatsen drie-dubbeldik waren. De buitenste wanden bestonden uit scherven die, naar later bleek, niet tot één en dezelfde pot behoorden. Heel bizonder was dat binnen deze twee wanden een krans van rechtop staande randfragmenten werd aangetroffen, alsof het hele zaakje in elkaar was gezakt. De tweede pot was weliswaar gebroken maar gaf toch een duidelijk beeld van zijn oorspronkelijke positie. Voor een groot gedeelte was deze over de derde pot geschoven. De derde pot was eveneens gebroken waarbij de potdelen in verschillende posities waren geraakt. Een gedeelte was over de rand van de vierde pot geschoven, een ander gedeelte was gesitueerd aan de binnen- kant van de rand van de vierde pot. We kunnen bijna zeker aannemen dat dit de oorspronkelijke positie was. Pot vier had slechts één scheur over de breedte en vertoonde een prachtige gave kartelrand. Deze pot paste geheel over de vijfde en laatste pot. Vermeldenswaardig is dat in de vierde pot een spinsteentje werd aangetroffen. De vijfde pot was nog geheel intakt en kon in z’n geheel geborgen worden. Deze pot bezat een gladde rand. Een bijzonderheid was dat onder de rand alsook op de buik van de pot resten touw aangetroffen werden. Deze touwresten konden gelukkig op de oorspronkelijke plaatsen gekonserveerd worden. Alle potten, inklusief de onderste, hadden geen bodem. De bodems waren er ruwweg afgeslagen hetgeen afgeleid kan worden aan het onregelmatige verloop van de breukranden. Behalve het spinsteentje werden in en om de pottenstapel geen vondsten gedaan, ook geen afgeslagen potbodems. Juist omdat de onderste pot geen bodem had, is dat voor velen het bewijs dat we hier te maken hebben met een waterput. Het water welde vanonder de pot binnen en filterde ook door de kieren tussen de potten naar binnen en het water steeg zo hoog als het grondwaterpeil. Later bleek dat deze vondst niet op zichzelf stond, zoals uit het vervolg van dit verslag zal blijken.

Restauratie en her-opstelling

Bij de restauratie bleek de eerste pot niet meer te zijn dan een smalle ring van aardewerk. De bovenkant is waarschijnlijk verloren gegaan door latere grondbewerking waardoor slechts deze “ring” is overgebleven. De “krans” van rechtop staande randfragmenten, die eveneens in het bovenste gedeelte werd aangetroffen, bleek tot één geheel samengevoegd te kunnen worden, maar niet te behoren tot de bovengenoemde “ring”. Dit zou best de werkelijke eerste pot kunnen zijn die aan de binnenkant van de pottenstapel naar beneden is gezakt. Deze veronderstelling brengt met zich mee dat we niet te maken hebben met vijf op elkaar gestapelde potten, maar met een stapel van 6 potten, (zie afb. 5). De pottenstapel staat nu opgesteld in de tentoonstellingsruimte van de werkgroep Oud-Castricum. De ontdekking van de Castricumse pottensta-

Opstelling in het museumgebouwtje.
afb. 5 Opstelling in het museumgebouwtje.

Jaarboek 2, pagina 18

pel is niet de eerste in deze omgeving. Op het Hoogoventerrein werden eerder vier van dergelijke pottenstapels gevonden. De eerste bestond uit drie wat kleinere potten. De andere drie uit vier potten. Ook daarbij was sprake van een zeer “nauwe insteek”.

Het verdere terreinonderzoek

De vondst van de pottenstapel was de aanleiding om ook de direkte omgeving aan een onderzoek te onderwerpen. Eerst werd het terrein op een diepte van ca. 50 cm gebracht waarna het “schaafwerk” kon beginnen. Tijdens deze opgravingen heeft Prof. Dr. E.H.P. Cordfunke (bekend van het archeologisch stadskernonderzoek te Alkmaar) het meet- en intekenwerk van de grondsporen verzorgd en later uitgewerkt tot een duidelijke situatietekening. Met gebruikmaking van deze tekening (afb. 7) zal de verdere inhoud van dit verslag konkreter voor te stellen zijn.

Al spoedig kwamen de eerste bewoningssporen tevoorschijn in de vorm van kringvormige zwart/bruinachtige verkleuringen in het lichtere zand. Dit waren de zgn. “paalgaten”. Sommige paalgaten waren zo duidelijk dat zowel het gat dat gegraven was om de paal erin te kunnen zetten, alsook de omtrek van het paalgat zelf, goed van elkaar te onderscheiden waren (zie afb. 6).

Aftekening paal en paalgat.
afb. 6 Aftekening paal en paalgat.

Zo volgden meerdere paalgaten elkaar min of meer op regelmatige afstanden op en wel in twee rijen, die evenwijdig aan elkaar waren.
Gezien de diameter van de paalgaten en de regelmatige afstanden onderling (± 2 m) en de evenwijdigheid van deze twee rijen zouden we kunnen aannemen dat deze paalgaten afkomstig zijn van de zgn. staanders, die in de behuizing stonden en de dakkonstruktie hebben gedragen. De afstand tussen de twee rijen staanders had een breedte van ± 4 m. Uit de richting van de paalgaten kon opgemaakt worden dat deze behuizing in de lengte naar het NO-ZW gericht was. Ook werden sporen teruggevonden van de buitenwanden, alhoewel deze grondverkleuringen minder duidelijk waren. De afstand tussen de wanden en de staanders bedroeg aan beide zijden ongeveer 1.25 m., zodat dit voor dit huis een totale breedte oplevert tussen de 6 en 6.50 m. We zouden uit de resultaten kunnen opmaken dat de wanden op de hoeken en aan de korte zijden rond naar elkaar toebogen. Aan één van de lange zijden waar de buitenwand zich moet hebben bevonden werden twee duidelijke paalgaten gevonden die mogelijk tesamen een zij-ingang hebben gevormd, (zie afb. 7, linksboven).
De deuropening moet ongeveer 0.75 breed geweest zijn. De plaats van de waterput lag binnen de huisplattegrond en wel rechts tegen de korte ZW-wand. Het geheel van bewoningssporen lag ingesloten tussen twee kreken welke in N-Z richting lagen. Dergelijke kreken kwamen we ook al tegen tijdens de opgraving van september 1969.

Situatieschets van de opgraving.
afb. 7 Situatieschets van de opgraving.

Toen werd het vermoeden uitgesproken dat deze kreken moesten dateren van voor deze bewoningstijd. Tot deze konklusie was men gekomen door de afwezigheid van aardewerkresten in de kreekvulling in een gebied dat overigens rijkelijk met aardewerk bezaaid lag. De nu gevonden kreken zijn niet op aardewerkresten gekontroleerd omdat buiten het gebied van de pottenstapel in het geheel geen aardewerk meer gevonden werd.
De situatietekening (afb. 7) suggereert echter dat de huisplattegrond door de kreken doorsneden wordt. Dan zouden deze kreken na de bewoningsperiodes moeten zijn ontstaan. Voorts werd een rechthoekige houtskoolplek aangetroffen, dat zou kunnen wijzen op een stookplaats, welke we buiten het “huis” zouden moeten situeren.

Resumerend zouden we kunnen konkluderen een gedeelte van een huisplattegrond opgegraven te hebben uit één van de eerste eeuwen van onze jaartelling. De gevonden afmetingen van dit drieschepig huistype stemmen overeen met opgegraven huisplattegronden elders, uit dezelfde periode (bv. Ezinge Gron. en Velsen). De lengte van dergelijke huizen kunnen variëren van 10 – 23 m (Ezinge) in Velsen zelfs tot 40 m.
De pottenstapel zou zich daarin rechts bij de korte zijde van de behuizing hebben bevonden. In de linkerwand zijn sporen van paalgaten gevonden die kunnen duiden op een zij-ingang. De rechthoekige houtskoolplek zou op een stookplaats buitenshuis kunnen wijzen. De genoemde kreken zijn gezien de ligging van de behuizing zeker niet uit dezelfde tijd als de bewoningssporen. Wanneer het huis in volle lengte opgegraven had kunnen worden zou deze vrijwel zeker over de kreek teruggevonden kunnen worden.

E. Mooij


Jaarboek 2, pagina 19

Leden van de werkgroep Oud-Castricum tijdens de opgraving. Duidelijk is de rechthoekige houtskoolplek te zien, alsook de donkere "baan" van één van de twee kreken.
afb. 8 Leden van de werkgroep Oud-Castricum tijdens de opgraving. Duidelijk is de rechthoekige houtskoolplek te zien, alsook de donkere “baan” van één van de twee kreken.
Print Friendly, PDF & Email