Quack, Jan de (Jaarboek 04 1981 pg 12-17)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 4, pagina 12

Wie was … Jan de Quack

Jan de Quack was van 1837 tot 1852 burgemeester van Castricum. Hij aanvaardde dit ambt pas op 67-jarige leeftijd. Daarvoor had hij reeds een zeer bewogen leven achter zich als klerk, magazijnmeester, ambtenaar bij een ministerie, commissaris van politie, vrederechter en al als burgemeester. Bovendien was hij in zijn tijd zeer bekend als dichter en romanschrijver.
Zijn ambtsperiode in Castricum tekende zich af als een stabiele periode; hij wist de gemeente goed te besturen, dit in sterke tegenstelling met zijn voorganger Pieter Kieft, die als burgemeester van Castricum in 1836 was veroordeeld tot vijf jaar tuchthuisstraf en een geldboete wegens het onwettig heffen en verduisteren van belastinggelden (hierover in een volgend jaarboekje meer).
Vanaf 1828 was Jan de Quack reeds burgemeester van Beverwijk en op 28 januari 1837 werd hij daarbij ook benoemd tot burgemeester van Castricum. Hij had het in zijn vermogen om het ernstig geschokte vertrouwen in het gemeentebestuur bij de bevolking te herstellen en het financieel beheer weer gezond te maken. Na de invoering van een nieuwe gemeentewet in 1851 was hij als burgemeester genoodzaakt ontslag te nemen met het gevolg dat op 13 mei 1852 op 82-jarige leeftijd door Zijne Majesteit eervol ontslag werd verleend. Nog geen twee maanden later op 4 juli 1852 is hij te Beverwijk in zijn huis op de Breestraat nr. 195 overleden.

In dit artikel vertel ik iets over de levensgeschiedenis van Jan de Quack en over zijn Castricumse ambtsperiode. De gegevens voor zijn levensgeschiedenis zijn grotendeels van het onder- zoek, welke de Heer Kortenhorst uit ‘s Gravenhage heeft uitgevoerd; zijn Castricumse ambtsperiode is voornamelijk ontleend aan de gemeenteraadsnotulen.

Rotterdammers van geboorte

Jan de Quack werd op 16 augustus 1769 buiten de Goudse Poort te Rotterdam geboren, als zoon van de koopman Jan de Quack en van Hester Esbeek. Op 21-jarige leeftijd in 1790 zou hij in de firma van zijn vader zijn opgenomen. Lang heeft dit echter niet geduurd; zijn vader overlijdt in 1792 en kort daarna kwam Jan de Quack in dienst van de Republiek. Met deze overgang zal hij niet veel moeite gehad hebben. Veel toekomst in de handel was er niet en door de patriottische gezindheid van de familie de Quack kwam hij via de patriottische Volkssociëteiten in de ambtelijke wereld van de Republiek terecht. In datzelfde jaar 1792 trouwt hij te Rotterdam met de 19-jarige Petronella Johanna van Sluijs en ruim een jaar later in 1793 wordt hun eerste kind te Rotterdam geboren; kort daarop is hij met vrouw en kind naar ‘s-Gravenhage verhuisd.

Ambtenaar in Den Haag

Zijn eerste jaren woont Jan de Quack op de Lutherse Burgwal. Hij is na de omwenteling op 19 januari 1795 klerk bij het “Comitée van Administratie der Fransche Troups” voor een maandloon van 75 gulden.
Een jaar later wordt hij aangesteld als klerk aan het bureau tot de soldijen van het Commissariaat voor de Franse Troepen en woont aan de Brouwersgracht.
Kort daarna (inmiddels schrijver van enkele toneelstukken) is hij betrokken bij de oprichting van het toneelbeoefenende genootschap “Natuur en kunst” en doet als lid mee met het bloeiende amateur-toneelleven van Den Haag.
Tijdens de veldtocht in Noord-Holland in 1799 is hij magazijnmeester bij het Franse leger. Misschien heeft hij in deze hoedanigheid Castricum voor het eerst aanschouwd. Deze veldtocht eindigt in het beslissende gevecht, welke hier op 6 oktober 1799 woedt en als de “Slag bij Castricum” de geschiedenis zal ingaan.
In 1800 werkt hij als ambtenaar aan het Ministerie van Marine en Koloniën en woont achtereenvolgens nog op de Prinsegracht (1803) en op de Stille Veerkade (1804). In 1808 gaat Jan de Quack werken in Amsterdam op een bureau van hetzelfde ministerie. Met zijn gezin dat dan bestaat uit 3 zoons en 4 dochters gaat hij in Amsterdam wonen.
Hier wordt hij op 19 december 1809 aangenomen als leerling-vrijmetselaar, daarna bevorderd tot gezel in de Amsterdamse loge La Charité en op 3 november 1811 verheven tot meester-vrijmetselaar.

Toneelschrijver en dichter

Jan de Quack begon in Den Haag zijn letterkundige loopbaan, welke zou omvatten een aantal zelf geschreven toneelwerken, gedichten en romans, alsmede een lange reeks vertalingen van toneel- en zangstukken, van romans, verhalen, reisbeschrijvingen e.d.
Zijn eerste werken verschenen anoniem in 1794 getiteld “Elize van Wallenthorst” en “De verlossing der Slaaven door de Franschen”. Vanwege de politieke boodschap werd het laatste door de overheid verboden; echter na de omwenteling van 1795 werd het toneelstuk met veel succes in Den Haag opgevoerd. Door hem werden 5 toneelstukken geschreven, die ook in druk zijn verschenen en die succesvol in de grote steden werden opgevoerd. Daarnaast heeft hij 18 toneelstukken in de periode 1799-1834 vertaald en bewerkt. Bovendien heeft hij ook nog met zijn vriend B.A. Falleé in de periode 1804-1813 één toneel-zangstuk geschreven en 12 stukken vertaald.
Zijn hele leven heeft hij (gelegenheids)gedichten gemaakt. Een klein aantal is in druk verschenen, een veel groter aantal heeft hij in enkele grote aantekenboeken vastgelegd en zijn nog in het bezit van zijn nakomelingen.

De Maatschappij V.W.

In de zogeheten Maatschappij V.W. heeft Jan de Quack vooral in de beginjaren een leidende rol vervuld. Dit genootschap was opgericht op 29 september 1806 te Amsterdam met de naam “Kunstkweekend Collegie onder de zinspreuk V.W.” met als doel de beoefening van de taal- en dichtkunde, de tekenkunde en de toonkunde in daarvoor speciaal ingestelde departementen te bevorderen. Elk departement had een eigen bestuur met meerdere direkteuren.
Naast de moedermaatschappij, die zetelde in Amsterdam en die bijna honderd jaar heeft bestaan, werden er afdelingen opgericht in Alkmaar (1821), ‘s-Gravenhage (1822) en Middel- burg (1818).
De betekenis van de letters V.W. was het strenge geheim van


Jaarboek 4, pagina 13

het genootschap. Elk nieuw voorgedragen lid onderging een ballotage en na goedkeuring van de afgelegde proeven moest deze de belofte tot geheimhouding afleggen en werd dan als frater van het genootschap geïnstalleerd. De geheime betekenis van de letters zou elk jaar veranderen; enkele motto’s zijn achterhaald: “Verstand volmaakt onze Wetenschappen, Vriendschap geleidt onze Werkzaamheid, Verlichting doet ons Werken, Vragen doet Weten”.
Jan de Quack werd evenals zijn vriend B.A. Falleé kort na de oprichting op 18 november 1808 als lid voorgesteld en op 9 december 1808 geïnstalleerd. Een jaar later op 8 december 1809 werd hij met grote meerderheid tot vice-president gekozen, op 9 februari 1810 was hij president. Een president was overigens maar kort in functie; elke maand droeg deze zijn functie over aan de vice-president en pas na 3 maanden mocht dezelfde weer het ambt van president bekleden. Op 15 februari 1811 is hij voor de 2e maal president. In 1822 is hij medeoprichter van de afdeling ‘s-Gravenhage en op 8 mei 1823 krijgt hij de medaille van verdienste.
Door zijn functie als plaatsvervangend vrederechter in het kanton Beverwijk in 1824 wordt hij lid van de afdeling Alkmaar.
In de notulen van de vergadering van de afdeling Alkmaar gehouden op 14 oktober 1824 kunnen we lezen dat de voorzitter de frater de Quack als lid feliciteert en door alle leden “in eene daartoe expresselijk vervaardigde dichtregelen met zang verwelkomt, hetgeen door de frater de Quack in gepaste bewoordingen dankbaar is aangenomen. De frater de Quack vergaste daarop de vergadering op een door hem vervaardigd dichtstuk ten onderwerp hebbende Het Graf”.

Jan de Quack.
afb. 1: Jan de Quack.

In de afdeling Alkmaar was Jan de Quack een actief lid. Hij trad vele malen op als president en was ook direkteur van het departement Taal- en dichtkunde. Ter bevordering van het maken van eigen werk werd door de moedermaatschappij prijsvragen uitgeschreven. De winnaars ontvingen medailles in diverse categorieën. Zo wist Jan de Quack als een van de weinigen, een groot aantal keren met zijn werken in de departementen Taal- en dichtkunde, Tekenkunde en Toonkunde, een hoge waardering te oogsten; hij verwierf de daarbij horende medailles en werd ook met goud bekroond. Een aantal van zijn dichtstukken zijn opgenomen in de jaarboekjes van de maatschappij V.W.; het laatste in 1852 getiteld “Raad aan mijne medevisschers” na zijn dood opgenomen als hulde aan zijn verdiensten voor deze Maatschappij.
Op het gemeentearchief Alkmaar is nog een prachtig gekalligrafeerde ledenlijst van zijn hand aanwezig. Op deze lijst zien we ook enkele Castricumse leden, met name Jacob Nuhout van der Veen, zoon van de welbekende schout, in 1779 in Castricum geboren en hier tot 1811 notaris. Jacob was vele malen president van de afdeling Alkmaar en had ook enkele medailles verworden. Verder is Bartholomeus Nicolaas Rommel, eigenaar van de herberg “de Rustende Jager” en grootgrondbezitter te Castricum in 1824 lid geworden voor het vak tekenkunde; Cornelis Schut, de schoolmeester, wordt in 1825 lid.

Commissaris van politie, commies en vrederechter

Jan de Quack is in 1811 commissaris van politie in Zaandam; hij bekleedt dezelfde functie vanaf 12 december 1812 te Hoorn en opnieuw vanaf 10 april 1813 te Zaandam, waar de toenmalige burgemeester H. Gobel hem de verdediging opdroeg van de beschuldigden van het oproer in dat jaar. Deze verdediging werd hem echter niet toegelaten door generaal Molitor, die de opstandelingen liet doodschieten.
Op 27 november 1814 wordt hij benoemd tot 2e commies bij de afdeling Militaire Zaken van het Departement van Koophandel en Koloniën; na enkele maanden wordt hij op eigen verzoek ontslagen. Hij woont op de Kalvermarkt in Den Haag.
In datzelfde jaar 1815 aanvaardt hij op 16 november een functie bij Binnenlandse Zaken, maar nu als 1e commies. Deze functie zal hij 8 jaar bekleden tot zijn pensioen op 31 december 1823; hij is dan 54 jaar.
AI kort na zijn pensionering komt Jan de Quack – en nu voor de rest van zijn leven – naar Noord-Holland; hij gaat in Beverwijk wonen. Een zeer actief leven zal hem nog resten. Op 19 september 1824 wordt hij benoemd tot plaatsvervangend vrederechter van het kanton Beverwijk. Dit kanton omvatte de gemeenten: Assendelft, Beverwijk, Castricum, Heemskerk, Krommenie, Uitgeest, Velsen, Wijk aan Zee en Duin.
Ruim 3 jaar later op 23 januari 1828 wordt hij benoemd tot burgemeester van Beverwijk en op 10 maart daaraanvolgend geïnstalleerd. Beverwijk telde in die tijd ongeveer 2200 inwoners.

Burgemeester van Castricum

Op 20 januari 1837 wordt Jan de Quack tot burgemeester en secretaris van Castricum benoemd. Aan deze benoeming was een zwarte periode in de geschiedenis van Castricum voorafgegaan. In het begin van 1836 was Pieter Kieft, hier burgemeester en ontvanger van diverse belastingen door enkele inwoners van Castricum bij de Officier van Justitie aangeklaagd voor het onrechtmatig heffen van extra belastinggelden en het verduisteren hiervan. In de loop van 1836 volgen de verschillende gebeurtenissen in deze zaak zich op: huiszoeking bij Pieter Kieft – arrestatie – ondervraging van een aantal Castricummers – veroordeling tot 5 jaar tuchthuisstraf en openbare geseling op het schavot – hoger beroep – veroordeling tot 5 jaar tuchthuisstraf en een geldboete van honderd gulden.
Al kort na de arrestatie worden er door particulieren verzoeken gericht aan het Provinciaal bestuur om in de post van burgemeester en secretaris te worden benoemd. Ook wordt eind januari 1836 door de gemeenteraad en inwoners van Castricum


Jaarboek 4, pagina 14

en Bakkum een verzoek gestuurd aan de Minister van Binnenlandse Zaken om Pieter Kieft als burgemeester en secretaris te ontslaan en om toestemming te krijgen een voordracht voor zijn vervanging te mogen doen. De minister vraagt om advies aan het Provinciaal bestuur, dat op haar beurt op 12 februari 1836 aan de minister rapport uitbrengt. Het provinciaal bestuur is verbolgen over het verzoek van de Castricummers “dit verzoek is gewis noch van onbescheidenheid noch van onkieschheid vrij te pleiten, maar levert ook tevens het bewijs op, waartoe hevige animositeit niet al vervoeren kan. Het is waar, dat de Burgemeester Kieft zich in dit oogenblik in handen van de crimineele Justitie bevindt, dat Hij is worden beschuldigd van ambtsmisdaad en dat tegen Hem wordt geïnstrueerd, maar het is even waar, dat de uitspraak over schuld en onschuld nog is in den mond van den Regter en dat daar op voor uit te lopen eene zaak is, die billijke afkeuring verdient”.
In een brief aan de gemeenteraad van Castricum dd. 5 maart 1836 wordt het verzoek door de minister van de hand gewezen. Op 2 augustus 1836 wordt Pieter Kieft in hoger beroep gevonnist; het zal echter tot begin 1837 duren, alvorens Castricum een nieuwe burgemeester heeft. Op 20 januari 1837 wordt bij Zijner Majesteits besluit Jan de Quack benoemd tot burgemeester en secretaris van Castricum. Op 3 februari 1837 legt hij de eed af in handen van de Staatsraad Gouverneur (nu geheten commissaris van de koningin) van de provincie Noord-Holland. Op 6 februari daarop heeft hij in de eerste vergadering van de gemeenteraad bezit genomen van zijn ambt als burgemeester en secretaris en werd daarmee door de leden van het gemeentebestuur geluk gewenst.

Jan de Quack wordt in het eerste jaar van zijn ambtsperiode al gelijk geconfronteerd met enkele lastige zaken – dat waren een grote geldvordering van de toenmalige ambachtsheer van Castricum en onenigheid met het kerkbestuur van de Hervormde kerk.

Eisen van de ambachtsheer van Castricum

Al in zijn eerste “echte” raadsvergadering op 20 februari 1837 komt een brief ter tafel van de advocaat Wiardi Beekman, die namens de Heer Schuijt, ambachtsheer van Castricum, reclameert over de betaling van heerlijke rechten, welke na 1818 niet meer aan hem waren uitgekeerd. Deze achterstallige betaling was inmiddels voor die tijd tot een enorm bedrag opgelopen. De heerlijke rechten van de ambachtsheer bestonden jaarlijks uit een aantal heffingen als de zogeheten herfstbede, vroonschulden, voederpenningen en smaltienden, te samen ter waarde van bijna 12 gulden. Daar kwam jaarlijks aan korentienden bij, de levering van 96 zakken gerst, waarvan de waarde werd geschat op 2,60 per zak. Bovendien moest nog om de drie jaar een bedrag van 5,59 worden betaald aan beddingen.
Het gemeentebestuur meent in deze delicate kwestie zeer zorgvuldig te werk te moeten gaan. Formeel waren de heerlijke rechten na afschaffing tij flens de Franse overheersing, weer in 1814 gedeeltelijk hersteld. Besloten wordt om alvorens op deze brief in te gaan, de gevoelens te vragen van de Staatsraad Gouverneur van deze provincie, waarbij de reclame van de Heer Schuijt, alsook de bedenkingen van het gemeentebestuur worden geuit.
De Gedeputeerde Staten antwoorden op 16 juni 1837 dat de reclame van de eigenaar der Heerlijkheid geldig is en dat het raadzaam zou zijn om met de Heer Schuijt een schikking te treffen, desnoods wil G.S. haar medewerking wel verlenen. Langdurig wordt door het gemeentebestuur beraadslaagd. Ze vindt in het belang van de gemeente en van haar inwoners het strikt noodzakelijk, dat niet zomaar lijdzaam wordt ingestemd en dat het beter is om een voorstel tot een schikking van de andere partij af te wachten en ze besluit daarom voorlopig nog maar niets te doen.

Opnieuw wordt op 25 augustus 1837 door de advocaat Wiardi Beekman in een schrijven aangedrongen op onmiddellijke betaling van de achterstallige heerlijke rechten. Het gemeente- bestuur besluit in haar vertragingstaktiek hierop te antwoorden, dat niemand van de op dat moment fungerende raadsleden, zich iets van die aanspraak kan herinneren en dat er uit de archieven van de gemeente ook niet anders blijkt, dan dat de door de ambachtsheer gevorderde bedragen niet ten laste komt van de gemeente als geheel, maar van de individuele grond- eigenaren. Het bestuur stelt in haar brief verder, dat het eigenlijk maar het beste zou zijn, als de Heer Schuijt de legger van deze zogenaamde heerlijke rechten opvroeg bij de zoon van de voormalige schout van deze gemeente, Nuhout van der Veen, en dan iemand zou aanstellen voor de ontvangst van de achterstallige gelden, alsook van de toekomstige gelden.
Na dit schrijven wordt niets meer van de ambachtsheer vernomen. De opzet is geslaagd. Toen 4 jaar later in 1841 voor de benoeming van twee nieuwe raadsleden, kandidaten werden voorgedragen bij de Staatsraad Gouverneur, schrijft deze dat de voordracht van kandidaat-raadsleden wettelijk moet geschieden door de ambachtsheer of door zijn zaakgelastigde de heer Wiardi Beekman, advocaat te Amsterdam.
Aldus werd de burgemeester gedwongen op deze wijze opnieuw contact op te nemen met Beekman. Laatstgenoemde schrijft de gemeente dat hij niets meer te maken heeft met de ambachtsheer en dat hij zich niet verder zal bemoeien met de zaken van de gemeente Castricum. Deze brief wordt doorgestuurd naar de Gouverneur met het verzoek om toch maar een keuze te doen uit de voorgedragen kandidaten, omdat men ook niet weet waar de ambachtsheer zich bevindt. Bij de grondwetsherziening van 1848 werden tenslotte de heerlijke rechten ten aanzien van de voordracht van personen in openbare ambten afgeschaft, alsook ten aanzien van de financiële aanspraken.

Gemeentebestuur tegen kerkbestuur

Een tweede zaak die in het eerste ambtsjaar om een oplossing vroeg, was een conflict met het kerkbestuur van de Hervormde Kerk. In een brief van 3 september 1837 vordert de kerkeraad een bedrag van 50 gulden per jaar voor het gebruik van het schoollokaal (afgeschot gedeelte in de Herv. Kerk) en van het algemene kerkhof.
De gemeenteraad antwoordt dat het de raad bevreemdt, dat de huur van het schoollokaal wordt vermeerderd, terwijl niemand anders van dit lokaal gebruik kan maken. Verder schrijft ze dat het kerkhof eigendom is van de gemeente en niet van de kerk en verzocht daarom de kerkeraad de zaak nog maar eens in nadere overweging te nemen.
Op 24 september herhaalt de kerkeraad haar verzoek om de betaling van 50 gulden. De gemeenteraad besluit om de correspondentie over te dragen aan Gedeputeerde Staten met de bezwaren van de gemeente Castricum tegen deze betaling mede omdat de gemeentelijke financiën zich een dergelijke uitgaaf niet kon permitteren.
Een maand later komt er een nieuw twistpunt bij. De kerkeraad had een advertentie in de Haarlemmer Courant laten plaatsen, betreffende de verkoop van de bomen op het kerkhof, terwijl die bomen het eigendom van de gemeente zijn. Een protestbrief ging naar de kerkeraad en naar G.S. om deze verkoop te beletten.
Op 9 december 1837 komt er een reactie van het provinciaal bestuur; de gouverneur nodigt een commissie uit de gemeenteraad uit om op maandag 11 december samen met een commissie uit G.S. en uit het Provinciaal College van toezicht op de kerkelijke administratie van de Ned. Hervormden te confereren over de aanhangige kwestie. Als afgevaardigde van de gemeente worden de burgemeester Jan de Quack en raadslid Klaas Stet benoemd. Van het kerkbestuur zijn in Haarlem aanwezig de heer Canne, predikant, de heren Klaas de Vries en


Jaarboek 4, pagina 15

Pieter Muijs (merkwaardig genoeg is laatstgenoemde ook wethouder).
De partijen komen overeen dat het deel van de kerk wat als schoollokaal wordt gebruikt en ook het kerkhof voor de tijd van tien jaren door het kerkbestuur aan de gemeente zal worden afgestaan tegen betaling van een jaarlijkse huurprijs van 35 gulden. Dat de voordelen van hout en grasgewas van het kerkhof het eigendom van de Hervormde kerk zal blijven en dat het onderhoud der paden en sloten en van het schoollokaal voor rekening van de gemeente zal komen. Eind december ontstaat na opstelling van het concept-contract opnieuw geharrewar, waarbij een ultimatieve brief van het kerkbestuur door de burgemeester wordt doorgezonden naar de gouverneur; na enige correspondentie wordt de zaak opnieuw gladgestreken.

Romanschrijver

Ondanks zijn diverse taken als burgemeester van Beverwijk en Castricum heeft Jan de Quack zijn letterkundige activiteiten niet gestaakt, integendeel hij presteert het nog om op 69-jarige leeftijd in 1838 zijn eerste roman getiteld: “De lotgevallen van de familie Walstruik of Nederland gedurende eene halve eeuw” te schrijven. Hiermee behoort hij tot een van de eerste Nederlandse romanschrijvers. Zijn eerste roman omvatte 2 delen van samen meer dan 650 pagina’s. Zijn tweede en laatste roman verschijn in 1846 en is getiteld “Maria de l’Orineau, of de huwelijksaanvrage”. Beide romans zijn qua opzet voor die tijd bijzonder origineel.

Gemeentelijke financiën

In de ambtsperiode van Jan de Quack spelen bij een groot aantal zaken de krappe gemeentelijke financiën een alles overheersende rol. Allereerst wordt hij opgezadeld met een grote schuld van zijn voorganger (ƒ1000,-). Deze schuld en alle overige uitgaven moeten door de eigen inwoners worden opgebracht.
De belastingheffing is in deze tijd bijna geheel een plaatselijke aangelegenheid. Jaarlijks wordt voor elke hoofdbewoner de personele aanslag bepaald door enkele leden van het gemeente- bestuur. Na publicatie wat een ieder moet betalen, komen diverse verzoeken uit de burgerij om vermindering van de aanslag.

In tegenstelling met zijn voorganger, zorgt Jan de Quack er voor dat de verantwoording van de financiële administratie geschiedt in het bijzijn van de gemeenteraad, uitgebreid met de drie hoogstaangeslagen burgers. Zo moet jaarlijks Wouter de Bie, gemeenteontvanger, verslag van zijn gevoerde administratie doen; dit gebeurt ook door armenmeesters, door de ontvanger van de polderlasten (gelden voor de Hondsbossche en de St. Aagtendijk) en door de molenmeesters, waarbij in het laatste geval de drie meest betalende hoofdingelanden werden uitgenodigd.

Heersende armoede

De totale personele belastingheffing bedraagt voor Castricum in deze tijd maximaal 1800 gulden, wat naar draagkracht over de burgers zo eerlijk mogelijk wordt verdeeld. Het is in deze jaren uiterst moeilijk om het hoofd boven water te houden; er heerst armoede – Castricum telt vele armen en ondersteuning behoevende personen. Elke lastenverzwaring voor de burgers wordt tot het uiterste gemeden. Dat blijkt ook uit de edelmoedige houding, die burgemeester Jan de Quack aanneemt, toen einde 1837 Pieter Schotvanger een verzoek heeft gericht aan Gedeputeerde Staten om een jaarlijkse beloning van 175 gulden te mogen ontvangen uit de gemeentelijke kas. Pieter Schotvanger is naast wethouder ook ontvanger van de polderlasten. Hij verricht voor de gemeente een aantal extra werkzaamheden, mede omdat de burgemeester niet in Castricum woont.
Bij de behandeling van dit verzoek in de gemeenteraad stelt de burgemeester: “dat de gemeentelijke kas ontoereikende is om de door hem gevraagde beloning te lijden en dat hij, de burgemeester aan de andere kant gevoelt, dat de werkzaamheden welke door hem assessor (wethouder) Schotvanger verrigt worden, eene billijke belooning vorderen, deze aldus met hem assessor Schotvanger eene schikking heeft gemaakt door hem een gedeelte van zijn traktement als burgemeester en secretaris af te staan, met welke schikking hij assessor Schotvanger genoegen heeft genomen”. Het traktement van de burgemeester-secretaris bedroeg per jaar 350 gulden.

Ook met de armenkas is het zeer slecht gesteld. In januari 1839 vraagt het gemeentebestuur aan de gouverneur ten behoeve van het armenbestuur een extra subsidie van 300 gulden uit de provinciale kas. Door de gouverneur wordt dit verzoek in eerste instantie afgewezen. Echter de nood der armen is zo hoog gestegen, dat opnieuw aan de gouverneur wordt gevraagd het verzoek in heroverweging te nemen in ieder geval voor 1839 en 1840 “daar toch met het einde van 1840 de opgenomen gelden van 1000 gulden ter dekking van de schuld door den voormaligen burgemeester gemaakt, alsdan geheel zal zijn afbetaald”.
Uiteindelijk zal de gouverneur toestemmen.
Door een groot aantal gestorven ouders, is er veel ondersteuning nodig aan de achtergebleven kinderen. In september 1839 vraagt het gemeentebestuur aan G.S. om naast de subsidie van 300 gulden, ook nog de personele aanslag van max. 1800 gulden met 20 percent te mogen verhogen voor de armenkas. In november 1839 wordt door Zijne Majesteit toestemming verleend voor deze buitengewone omslag ter aanvulling van de armenkas.
In 1841 is de toestand der armen nog steeds zeer slecht. Er wordt besloten om een lening van 500 gulden te sluiten. De jaren die volgen geven enige verlichting zo zelfs dat in 1845 kan worden besloten de personele aanslag van 1800 gulden te brengen op 1600 gulden onder voorwaarde, dat deze lastenvermindering uitsluitend ten goede van de lagere klasse moet komen.

Het slechte onderwijs

De heersende armoede en daarmee gepaard gaande een slecht gevulde gemeentekas hebben ook gevolgen voor het onderwijs in het dorp. Regelmatig worden klachten geuit tegen de enige onderwijzer van Castricum, meester Schut.
In 1850 bundelen 24 ouders hun grieven en sturen een brief naar het gemeentebestuur over het slechte onderwijs wat door de meester wordt gegeven: “hij voorziet de kinderen van arme ouders niet van de nodige leermiddelen, terwijl hij er toch 40 gulden per jaar voor ontvangt, bovendien houdt hij er ‘s middags veel te vroeg mee op en er zijn veel te veel leerlingen”.
De wet van 1806 stelt dat bij meer dan 70 leerlingen er een ondermeester moest komen, terwijl er in Castricum meer dan 100 kinderen alleen door meester Schut worden onderwezen, die totaal geen orde kan houden. De ouders verzoeken om eervol ontslag van laatstgenoemde. Ook het gemeentebestuur is hier op uit; de burgemeester treedt in overleg met de Heer schoolopziener van het 3e district van Noord-Holland, doch die ziet geen mogelijkheid om meester Schut te ontslaan. Er wordt dan toch maar gedacht aan de aanstelling van een onderwijzer van de 3e rang voor 150 gulden per jaar, die het onderwijspeil moet opvijzelen en zelfs de leiding moet kunnen overnemen van Schut. Het probleem hierbij was echter de noodzakelijke


Jaarboek 4, pagina 16

verhoging van de personele belasting. Meester Schut moet maar voor eigen rekening inwoning en voeding aan de ondermeester verlenen. Hier ging genoemde echter niet mee akkoord. Het zal pas tot begin 1853 duren voordat Franciscus Ludewig als ondermeester wordt aangesteld.

Plaatselijke verordeningen

In zijn ambtsperiode brengt Jan de Quack een groot aantal plaatselijke verordeningen en reglementen tot stand. Elke verordening bestaat uit een groot aantal artikelen, richtlijnen en bepalingen. Om enkele verordeningen te noemen:
– het reglement van het hooipeilen – 1838 (i.v.m. brandgevaar door hooibroei)
– het reglement voor het jaarlijks schouwen van vaarten, sloten en wegen binnen de polder van de gemeente Castricum – 1841
– een verordening op de verkoop van brood – 1843
– de invoering van een plaatselijke hondenbelasting – 1850
– een verordening op de invordering van de plaatselijke belasting – 1851

Handtekening van burgemeester Jan de Quack.
afb. 2 Handtekening van burgemeester Jan de Quack.

Het aantal inwoners van Castricum is niet groot. In 1840 telt het dorp 972 inwoners en 151 huizen. In 1850 is het aantal inwoners gestegen tot 1102 personen.

Einde aan zijn carrière

De ambtsperiode van raadsleden en burgemeester duurt 6 jaar. Voorafgaande aan zijn herbenoeming per 1 januari. In de jaren 1838, 1844 en 1850 wordt Jan de Quack door de gemeenteraad met algemene stemmen voorgedragen bij de gouverneur in de provincie Noord-Holland voor voortzetting van zijn ambtsvervulling. Naast zijn herbenoeming verkrijgt hij ook telkens de vrijstelling van de plicht om in Castricum te wonen, tenslotte woont hij in Beverwijk, waar hij eveneens het burgemeestersambt vervulde. Wel wordt hij verplicht om ook in Castricum de personele belasting te betalen.

Op 19 december 1847 wordt hij op 78-jarige leeftijd op eigen verzoek eervol ontslagen als burgemeester van Beverwijk. Zijn functie als burgemeester en secretaris van Castricum wil hij echter graag nog vele jaren voortzetten. Eind 1849 wordt hij nog op 80-jarige leeftijd voor een volgende ambtstermijn van 6 jaar benoemd, ingaande 2 januari 1850.
In 1851 gaat de samenstelling en bevoegdheden van het gemeentebestuur op de helling. Een nieuwe gemeentewet volgens het ontwerp van Thorbecke treedt op 29 juni 1851 in werking. Volgens deze wét moet de secretaris opnieuw worden benoemd. Ook worden in 1851 nieuwe gemeenteraadsverkiezingen gehouden. Daarbij worden Klaas van Bruijnswaard en Floris Twisk, resp. 72 en 75 jaar, niet meer herkozen. Na het sluiten van de gemeenteraadsvergadering van 10 september 1851 worden zij van hun posten eervol ontslagen bij welke gelegenheid de burgemeester “deze beide heeren hartelijk bedankt voor hunne trouwe diensten gedurende zoo eene menigte van jaren aan de gemeente bewezen, met bijvoeging dat zij als reeds hoogbejaard zijnde hunne overige levensdagen in rust en vrede zullen mogen doorbrengen, dat het hun in alle opzichten wel mogen gaan en dat zij tot in eenen hoogen ouderdom de genoegens des levens zullen mogen smaken en steeds vrienden zullen blijven van hunne voormalige ambtgenooten”.

Op 2 januari 1852 verzoekt de gemeenteraad aan de Commissaris des Konings dat: “de Heer J. de Quack, burgemeester dezer gemeente, tevens als secretaris, welk ambt hij van af zijne benoeming als burgemeester (in 1837) heeft bekleed als zoodanig worde gecontinueerd. Bij zijne benoeming is hem dispensatie van inwoning verleend, zoo lang hij zijne woon- plaats in de naburige gemeente Beverwijk blijft behouden, hetgeen volstrekt geene vertraging in de administratie en geen ongerief in de gemeente heeft veroorzaakt en wij solliciteren aldus uwe excellentie wel de noodige voordragt aan het hooge bestuur te willen doen, dat de gemelde burgemeester als secretaris dezer gemeente, met dispensatie van inwoning wordt gecontinueerd”.

Echter volledig tegen de zin van de gemeenteraad en van hem zelf, wordt Jan de Quack door besluit van zijne Majesteit op 13 mei 1852 eervol ontslag verleend. In het schrijven aan de gemeenteraad van Castricum van 24 mei 1852 zegt de Commissaris des Konings: “Ik heb de eer Uwen Raad hiervan bij deze mededeeling te doen en gaarne voeg ik daarbij de verzekering dat deze maatregel niets anders is, dan een uitvloeisel der nieuwe wetgeving in verband tot de daarop gegronde beginselen door de Regering aangenomen”.
Tot zijn opvolger wordt benoemd Jonkheer Jacob Rendorp van Marquette dan reeds burgemeester van Heemskerk. Mogelijk heeft Jan de Quack zijn ontslag niet goed kunnen verkroppen, want al enkele maanden later overlijdt hij op 4 juli 1852 in het huis aan de Breestraat nr. 195 te Beverwijk. Hij wordt 83 jaar. Bij zijn overlijden laat hij nauwelijks bezittingen achter. Zoals we de figuur Jan de Quack ook hebben leren kennen, hecht hij weinig waarde aan materiële zaken, maar veel meer aan geestelijke en culturele waarden. Bij zijn dood laat hij 6 kinderen na; hier volgen nog enkele familiegegevens.

Genealogie

Jan de Quack, geboren te Rotterdam op 16 augustus 1769, zoon van Jan de Quack en Hester Esbeek, godsdienst remonstrant, overleden te Beverwijk op 4 juli 1852. Hij trouwt te Rotterdam op 25 maart 1792 met Petronella Johanna van Sluijs, geboren te Rotterdam op 30 december 1772, dochter van Johanna van Sluijs en Catharina Brakel, overleden te Beverwijk op 25 december 1839.

Kinderen uit hun huwelijk:
• Hester de Quack, geb. te Rotterdam op 9 augustus 1793, overleden te Alkmaar op 11 oktober 1879, gehuwd te Zaandam op 21 januari 1813 met Anthony Johannes Swaving, arts.
• Johannes van Sluijs de Quack. geb. te ‘s-Gravenhage op 10 juli 1796, overleden te Zaandam op 18 augustus 1811.
• Cornelia de Quack, geb. te ‘s-Gravenhage op 29 juli 1798, overleden te Amsterdam op 18 april 1810.
• Catharina de Quack, geb. te ‘s-Gravenhage op 15 maart 1800, overleden kort daarna.
• Pieter van Sluijs de Quack, geb. te ‘s-Gravenhage op 12 oktober 1801, verwierf in 1837 de toevoeging “van Sluijs” bij zijn achternaam, ambtenaar bij het ministerie van Binnenlandse Zaken, overleden te ‘s-Gravenhage op 27 oktober 1883, gehuwd in ‘s-Gravenhage op 30 mei 1838 met Elisabeth Geertruida Johanna Meerburg.
• Frans de Quack, geb. te ‘s-Gravenhage op 23 mei 1803, overleden te Rotterdam op 11 januari 1872. Hij was apotheker en trouwde op 8 augustus 1839 te Amsterdam met Maria Catharina Forsten. • Maria de Quack, geb. te ‘s-Gravenhage op 10 juli 1804, overle- den te Haringkarspel op 17 december 1840. Zij trouwde te Beverwijk op 19 februari 1835 met Leendert Boogaard, heel- en vroedmeester.
• Catharina Johanna Elisabeth de Quack, geb. te ‘s-Gravenhage op 8 december 1808. Zij bleef ongehuwd en woonde bij haar ouders; overleden te Beverwijk op 2 januari 1858.


Jaarboek 4, pagina 17

• Jacobus Cornelis de Quack, geb. te Zaandam op 8 mei 1811, hij was boekhandelaar te Vianen en overleed te Vianen op 11 mei 1880. Hij trouwde op 27 maart 1840 te Vianen met Petronella Christina de Nies.
• Cornelia Johanna de Quack, geb. te Zaandam op 23 december 1814, bleef ongehuwd en woonde bij haar ouders. Op 29 juni 1861 vertrok zij van Beverwijk naar Schiedam en overleed te Zutphen op 21 november 1869.

Het wapen "de Quack" (zie afbeelding) wordt gevormd door drie zilveren kwakken (= eenden) op een groen veld; de poten en de snavels zijn zwart, maar mogen ook rood zijn.
afb. 3 Het wapen “de Quack” (zie afbeelding) wordt gevormd door drie zilveren kwakken (= eenden) op een groen veld; de poten en de snavels zijn zwart, maar mogen ook rood zijn.

Slotwoord

Jan de Quack heeft als burgemeester van Castricum veel betekend; hij heeft niet alleen na het wangedrag van zijn voorganger, het vertrouwen van de bevolking in het gemeentebestuur hersteld, hij wist ook in deze economisch zeer slechte tijden de gemeentelijke uitgaven te beperken, om de lasten van de burgerij zo veel mogelijk te verlichten.
In zijn periode komen een groot aantal verordeningen en reglementen tot stand, dat het plaatselijke gebeuren in zo goed mogelijke banen tracht te leiden.
Ook als secretaris heeft hij zijn taken stipt in orde; de gevoerde correspondentie met hogere instanties, alsmede de raadsnotulen uit zijn periode springen eruit door volledigheid en netheid. Nooit is er een wanklank genoteerd tegen de veelzijdige figuur Jan de Quack. Integendeel na elke ambtstermijn wordt hij ondanks zijn hoge leeftijd, door de gemeenteraad met algemene stemmen voorgedragen bij de Gouverneur ter continuering van zijn ambt. Dat aan Jan de Quack op dit moment in Castricum nog geen straatnaam is gewijd, is een miskenning van zijn verdiensten voor onze plaats. Juist terwijl wel straatnamen zijn gewijd aan zijn voorganger en andere 19e eeuwse burgemeesters, die weinig of niets voor Castricum hebben betekend.

S.P.A. Zuurbier

Bronnen

– Raadsnotulen, correspondentie gemeente Castricum periode 1837-1852, aanwezig in het gemeentearchief Alkmaar.
– Gegevens uit het onderzoek van de heer Kortenhorst betreff. Jan de Quack.
– Correspondentie Provinciaal bestuur 1836, 1837 – Rijks- archief Haarlem.
– Hof van Assisses – zaak Pieter Kieft – dossier 2964 – Rijksarchief Haarlem.
– Gegevens van het stadsarchief Beverwijk.
– Maatschappij V.W. – afdeling Alkmaar – gemeentearchief Alkmaar.
– V.W. door S. Duparc in het 34e jaarboek van het Genootschap Amstelodamum (1937) blz. 140-209.
– Ons voorgeslacht – 1967 – blz. 160
– Nieuw Ned. Biografisch Woordenboek – deel IV – blz. 1107.
– Biographisch Woordenboek der N. en Z. Ned. Letterkunde – Frederiks en van der Branden – blz. 630.

Afbeeldingen

– Portret van J. de Quack, aanwezig bij mevr. Hartong-de Roode te Geertruidenberg, geschilderd door Chr. J.L. Portman (1799 – 1868).
– Wapentekening vervaardigd door M. Krist.

Print Friendly, PDF & Email