R.K. Pancratiuskerk, vorige (Jaarboek 32 2009 pg 15-22)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Pancratiuskerk in Castricum:
Pancratiuskerk tot reformatie  – Pancratiuskerk: restauratie in 1953 – Pancratiuskerk: restauratie in 1992 – Klok van de Hervormde kerkGroeten uit Wetsinge
Verschenen artikelen over de katholieke Pancratiuskerk in Castricum: 
R.K. Pancratiusparochie – R.K. Pancratiuskerk, vorige
Verschenen artikel over begraven in Castricum
Verschenen artikel over de Gereformeerde kerk in Castricum: De Gereformeerde Kerk van Castricum (1931-2005)
Verschenen artikel over de Nederlands Hervormde Gemeente in Castricum: Nederlands Hervormde Gemeente
Verschenen artikel over 50 jaar kerk in Bakkum


Jaarboek 32, pagina 15

De vorige Sint-Pancratiuskerk te Castricum

Een zeer uitvoerig geannoteerde versie van dit artikel is gedeponeerd in het Streekarchief in Alkmaar.

De dorpskern van Castricum wordt gedomineerd door twee torens: die van de gotische hervormde kerk uit de vijftiende eeuw en die van de neogotische katholieke kerk uit de aanvang van de twintigste eeuw. De kerken liggen ruim 300 meter van elkaar aan de oude straatweg van Haarlem naar Alkmaar, de hervormde in het hart van het dorp, de katholieke een stukje meer naar het oosten. De huidige St.-Pancratiuskerk, in 1910-1911 naar ontwerp van de bekende architect Jan Stuyt gebouwd, is de opvolger van een veel kleiner bedehuis, dat maar een halve eeuw heeft bestaan. Dit kerkje, gebouwd in 1858 in een ‘Rundbogenstil’achtige neoromaanse trant, bezat geen volwaardige kerktoren, maar moest het met slechts een bescheiden dakruiter (torentje) boven de voorgevel doen. Het ontwerp was van de hand van de vrijwel geheel in vergetelheid geraakte katholieke Amsterdamse bouwmeester Robertus van Zoelen.

Deze kerk bleek na de dood van bouwpastoor Henricus J. Meuwsen in 1876 door vergaande verwaarlozing al weer zo bouwvallig, dat zijn opvolger, Hermanus Ruscheblatt, vrijwel direct de Amsterdamse architect A.C. Bleijs in de arm nam voor een grondige opknapbeurt. Naar diens ontwerp werd het bestaande bedehuis al in 1877 ingrijpend verbouwd. Na afbraak van het koor werd het schip verlengd, verhoogd en van spitsboogvensters voorzien. Ook werd aan de voorzijde in plaats van de vierkante dakruiter alsnog een kloeke toren neergezet. In 1883 was de vergroting gereed, maar het gebouw bleef in zo’n slechte staat, dat het een kwart eeuw later ten behoeve van Stuyts nieuwbouw werd gesloopt.
Over de bouw van Van Zoelens verdwenen kerk gaat het onderstaande artikel.

Ligging van de Schuilkerk aan de Breedeweg omstreeks 1830. In blauw de Schuilkerk met direct daaraan grenzend de pastorie.
Ligging van de Schuilkerk aan de Breedeweg omstreeks 1830. In blauw de Schuilkerk met direct daaraan grenzend de pastorie.
De Schuilkerk aan de Breedeweg naar een aquarel van Sijf Portegies.
De Schuilkerk aan de Breedeweg naar een aquarel van Sijf Portegies.

De Schuilkerk aan de Breedeweg

Ondanks het verlies van de oude dorpskerk aan de protestanten bij de Reformatie omstreeks 1567 was de Castricumse bevolking in overgrote meerderheid rooms gebleven. De katholieken gingen daarna een lange periode op zondag in het geheim ter kerke in boerenwoningen in Uitgeest, dan wel in de huiskapellen van de onder Heemskerk gelegen kastelen Assumburg en Marquette.
De huidige parochie Castricum gaat terug op een statie (red: standplaats) die in 1663 werd gesticht. In dat jaar werd buiten de dorpskern aan de noordzijde van de Breedeweg in de Oosterbuurt in een boerderij een schuilkerk ingericht; deze stond pal tegenover de monding van een veldweg die de Breedeweg met de Doodweg verbond.
In 1728 werd de schuilkerk aanzienlijk verbeterd en bij die gelegenheid zelfs van ‘kerkelijke’ rondboogramen voorzien. Over het uiterlijk van dit uiterst primitieve onderkomen, dat aan ongeveer 150 kerkgangers plaats bood, is weinig bekend. Volgens een summiere beschrijving uit 1826 was de houten vloer met zand bedekt.
Evenmin veel inzicht bieden twee visitatieverslagen (red: verslag van een bezoek) uit de eerste helft van de negentiende eeuw, afkomstig van twee


Jaarboek 32, pagina 16

aartspriesters van Holland en Zeeland, die tot het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 over dit deel van de Hollandse Missie de kerkelijke supervisie hadden.
De eerste, H.F. ten Hulscher, noteerde in het zijne in 1807 slechts: “De kerk deser plaats is oud, en heeft vertimmering noodig, dog de gemeente is […] zoo verarmt, dat zij de kosten daartoe noodig, nog niet heeft kunnen dragen.”
De tweede, B. Gerving, beperkte zich in 1842 tot de opmerking dat de dienstdoende pastoor het godshuis inwendig optimaal had verfraaid, maar de pastorie een oud bouwsel gebleven was.
In 1820 was het kerkje inderdaad grondig vernieuwd en vergroot.

Het perceel weiland waarop de Schuilkerk heeft gestaan (situatie in 2009).
Het perceel weiland waarop de Schuilkerk heeft gestaan (situatie in 2009).

Plannen voor een nieuwe kerk

Desondanks voldeed het kerkgebouw, dat uitwendig nauwelijks als zodanig herkenbaar was, gaandeweg niet meer. Na het aantreden van kapelaan Meuwsen als pastoor in 1844 en de oprichting van het bisdom Haarlem negen jaar later, wordt al snel het initiatief genomen om het bestaande bedehuis te vervangen. De nieuwe bisschop van Haarlem, Jacobus Fr. van Vree, laat al in de nazomer van 1855 aan Gedeputeerde Staten weten dat er spoedig om die reden een aanvraag om provinciale subsidie te verwachten valt. De kerk, zo heet het in een statistisch overzicht bij het bisdom dat jaar, “verkeerd in zeer bouwvallige toestand, zoodat er dringend een nieuwe wordt vereischt”. Ook zal het bedehuis, gezien het aantal gelovigen, inmiddels voor alle kerkgangers onvoldoende plaats hebben geboden.

Toch duurt het dan nog een klein halfjaar, voordat de overheid – in dit geval eerst Den Haag – officieel iets vanuit Castricum te horen krijgt. Pas op 11 januari 1856 stuurt het kerkbestuur onder leiding van pastoor Meuwsen een rekest (red: verzoekschrift) aan koning Willem III, waarin men verzoekt om toestemming voor de bouw van een nieuwe kerk en pastorie volgens het meegestuurde bouwplan en begroting van de reeds genoemde Amsterdamse bouwmeester Robertus van Zoelen. Hoe de pastoor bij hem terecht is gekomen, is onbekend. Zijn eigen priesterloopbaan heeft zich altijd ruim benoorden het IJ afgespeeld en dat van de bouwmeester steeds ten zuiden daarvan.


Robertus van Zoelen (1812-1869)

De in 1857 in Castricum gebouwde kerk was zijn laatste kerk en vermoedelijk ook een van zijn laatste bouwwerken als zodanig. In deze jaren in Amsterdam hoofdzakelijk als makelaar actief, verhuisde hij een paar jaar later naar Vught, waar hij al spoedig zou komen te overlijden. Van zijn toch al beperkte oeuvre is voor zover bekend niets bewaard gebleven. In de nadagen van Napoleon (red: 1800-1820) als timmermanszoon in Amsterdam geboren, was hij in de jaren (achttien)dertig als zovele andere timmermanszonen in de hoofdstad opgeleid aan de Koninklijke Academie van Beeldende Kunsten, waar hij bij diverse interne architectuurprijsvragen als winnaar uit de bus kwam. Nadat hij vergeefs in 1835 had gesolliciteerd naar de post van bouwmeester van het nieuwe Gerechtshof in Arnhem, in 1837 naar de ‘Grand Prix de Rome’, en in 1836 respectievelijk 1838 naar het stadsbouwmeesterschap van Harderwijk en Utrecht, vestigde hij zich als architect in Amsterdam. In die hoedanigheid bouwde hij in 1840 de nieuwe, uiterst simpele St.-Urbanuskerk in Duivendrecht, voorzag in 1845 bij een grootscheepse verbouwing de St.-Dominicuskerk in de Spuistraat (red: Amsterdam) van een nieuwe classicistische voorgevel en verving in 1851 de kleine huiskerkvan St.-Thomas van Aquino aan het Singel (red: Amsterdam) door een bedehuis in rondboogstijl. Ook deze drie kerken bestaan niet meer.


Jaarboek 32, pagina 17

Bijna tweehonderd jaar, zo stelt men in dat rekest, heeft de gemeente inmiddels dienst gedaan: “In een gebouw het welk ongetwijfeld onder het getal der kerken geen plaats verdient, trouwens hetzelve van ouds als ook de Pastorie van een boerenwoonhuis tot dat einde ingerigt, nu zeer bouwvallig en veel te klein is, om het groot getal der kerkpligtigen op eene geregelde wijze te kunnen bevatten. Het kerkbestuur, de noodzakelykheid van nieuwenbouw voorziende, heeft dan ook sinds jaren met kracht zich toegelegd, om door bezuinigingen en bijdragen uit de Gemeente, een fonds tot stand te brengen, waaruit de te maken kosten grootendeels kunnen bestreden worden.

Het zo bijeengegaarde bedrag beloopt inmiddels de aanzienlijke som van 28.000,- gulden, waarvan 16.000,- gulden in kas en12.000,- gulden via lening. “Op meer hulpmiddelen kan dezer zijds niet gerekend worden, te meer daar sedert onheugelijke jaren collecten voor de armen in de kerk geschieden, welke niet welvoegelijk voor kerkelijke behoefte nadeelig kunnen gemaakt worden, aangezien dit te veel drukken zoude op de behoeftige volksklasse.” Voor het resterende tekort wordt dan ook tevens om een rijkssubsidie verzocht. Uit de bijgevoegde uitvoerige begroting van Van Zoelen, die op dat moment zo’n 35.850,- gulden beloopt, blijkt dat dit tekort relatief bescheiden is: nog geen kwart van de totale bouwsom, namelijk 7.850,- gulden.

Vooraanzicht en plattegrond uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Vooraanzicht en plattegrond uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Lengte doorsnede en zij-aanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Lengte doorsnede en zij-aanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Diverse dwarsdoorsneden en achteraanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.
Diverse dwarsdoorsneden en achteraanzicht uit de bouwtekeningen van kerk en pastorie, zoals gepubliceerd in 1860 in de periodiek ‘Bouwkundige Bijdragen’.

Het ontwerp van de kerk

De bij het rekest bewaarde tekeningen beslaan vijf bladen, te weten: een plattegrond van de kerk; een plattegrond van de pastorie over twee verdiepingen; een voorgevel van de kerk en aanpalende pastorie; een zijaanzicht van de kerk; een lengtedoorsnede van de kerk. Zij verschillen slechts weinig met het uiteindelijke ontwerp, zoals dat kort na de voltooiing in 1860 met bouwtekening en al in de ‘Bouwkundige Bijdragen’ is gepubliceerd, de onregelmatig verschijnende periodiek van de ‘Maatschappij tot Bevordering der Bouwkunst’. Het voornaamste onderscheid: de kerk is een beetje rijziger geworden. Ook is de indeling van de pastorie licht gewijzigd. Een en ander blijkt enkele maanden later te hebben geleid tot een verhoging van de kosten, die uiteindelijk op 42.694,- gulden zullen worden begroot.

Van Zoelens ontwerp toont ons een uiterst simpel kerkje in een soort neoromaanse trant. Op een éénbeukig schip van drie door gestucte kruisgewelven overdekte traveeën onder zadeldak volgt een veel smallere halfronde absis, die net tot de dakgoot reikt en tussen twee veel lagere vierkante nevenruimtes is geplaatst: de biechtkamer en de sacristie. Het schip heeft een lengte van 29,3 meter en een breedte van 11,9 meter; de zijmuurhoogte is 12,9 meter.


Jaarboek 32, pagina 18

Aansluitend aan de sacristie volgt de rechthoekige pastorie van twee bouwlagen onder schilddak, met de lengte-as parallel aan de kerk, maar veel verder naar achteren geplaatst, zodat daarvoor een pleintje vrij blijft. De sacristie ligt op dezelfde hoogte als het spreekvertrek en een woonkamer aan de voorzijde van de pastorie.
De zijwanden van de kerk tellen drie door simpele steunberen gescheiden rondboogvensters; onder de middelste is in beide zijgevels een klein en laag rondboogportaal aangebracht.
De voorgevel aan de straatzijde bevat het met driehoekig timpaan afgesloten hoofdportaal en daarboven een drie- licht van gekoppelde rondboogvensters, waarvan het middelste iets hoger is. De voorgevel is bovendien uitgerust met een vierkante houten dakruiter: een torentje dat over de nok van het dak is gebouwd.

Behandeling van het rekest aan koning Willem III

Als gangbaar belandt het rekest met bijlagen via minister J.A. Mutsaers van R.-K. Eredienst en de commissaris des konings, jhr. mr. Willem Boreel, op het bureau van Etienne de Kruijff, sinds 1842 hoofdingenieur van Rijkswaterstaat in Noord-Holland te Haarlem. Deze stelt de stukken voor een onderzoek ‘voor zoo veel het technische gedeelte betreft’ in handen van zijn ondergeschikte Philip J.H. Haijward, die van 1849 tot 1859 arrondissementsingenieur is te Alkmaar. Haijward rapporteert op 2 februari 1856 onder terugzending van de stukken dat hij, afgezien van een paar foutjes, onduidelijkheden en enige iets te laag gestelde begrotingsposten, geen bezwaren tegen het bouwplan zou weten en dus goedkeuring ervan adviseert.
Zowel de hoofdingenieur als de commissaris des konings neemt diens rapport letterlijk over. Laatstgenoemde heeft ook de bisschop van Haarlem, Van Vree, geraadpleegd, die het verzoek van het kerkbestuur van harte aanbeveelt, “aangezien de groote behoefte, die voor gemelde gemeente bestaat aan eene nieuwe kerk en pastorij”.

Het gemeentebestuur wordt vervolgens verzocht om de beoogde bouwlocatie te toetsen aan een in 1853 uitgevaardigde wet, die een minimum afstand van 200 meter ten opzichte van al bestaande kerken voorschrijft. Wethouder P. Schotvanger bericht daarop dat het gemeentebestuur niet alleen “ten volle overtuigd […][is] van de noodzakelijkheid dat de R.C. Gemeente alhier eindelijk eens van een voegzamer kerkgebouw en pastorie, kunne worden voorzien”, maar ook dat wat de plaatsing aangaat, de kerk “in geenen deele aan een ander Kerkgenootschap hinderlyk kan zijn”, er althans van uitgaande dat deze in de Oosterbuurt pal naast het bestaande bedehuis zal worden gebouwd, waarvan echter noch in het rekest, noch in de bouwkundige stukken enige melding wordt gemaakt. De aanvraag voor een rijkssubsidie ondersteunt men van harte.

Geen provinciale of landelijke subsidie beschikbaar

Voor Boreel bestaat er zodoende alle reden om op 22 februari 1856 toestemming voor de bouw te verlenen op voorwaarde dat aan het commentaar van Rijkswaterstaat tegemoet gekomen wordt en daarvoor tevens een rijkssubsidie toe te kennen: “Tot dit laatste vind ik mij te meer gedrongen, dewijl er geen vooruitzigt bestaat om, aan die Gemeente, wanneer zij zich daartoe aan Heeren Gedeputeerde Staten mogt adresseren, eene tegemoetkoming uit Provinciale fondsen toe te kennen […] aangezien de toekenning van de volle 3000,- gulden aan andere Gemeenten op de begrooting van 1856 toegestaan, niets meer beschikbaar is.”

Alvorens daartoe over te gaan, wil de minister echter eerst van het kerkbestuur zekerheid hebben over de bouwlocatie, in de vorm van een stellige verklaring met vermelding van de grootte en waarde van het perceel, “en of het aan de Gemeente reeds in eigendom behoort, of nog verkregen moet worden, en in dat geval, tegen welken prijs,” omdat dan ook machtiging voor aankoop moet worden verstrekt. Met het bouwplan gaat hij akkoord, mits het bij de uitvoering conform het commentaar van Rijkswaterstaat wordt aangepast.
Maar een hoofdprobleem, zo laat hij de belanghebbenden meteen weten, blijft wel de betaalbaarheid. Afgaande op hun rekest zou immers op een totaal van 35.850,- gulden (de begroting was op dat moment immers nog niet bijgesteld) een tekort van 7.850,- gulden bestaan. “Hoe gaarne ik, om de erkende behoefte aan een nieuwe kerk en pastory, den bouw daarvan zou wenschen te bevorderen, kan daartoe echter van Rijkswege geen Rijkssubsidie, ten bedrage van voorschreven te kort, worden verleend, omdat de op het zevende hoofdstuk voor dat onderwerp beschikbare fondsen, in verband met de vele behoeften van andere gemeenten, daartoe in geenen deele toereikend zijn.” “Wil men derhalve,” zo vervolgt de minister, “den voorgenomen bouw tot stand zien komen, dan behooren geene pogingen on- beproefd te worden gelaten, om dat te kort tot een lager bedrag te doen afdalen.
Als mogelijkheid wordt genoemd om de waarde van verkoop of afbraak van de oude kerk en pastorie, waarvoor in de begroting niets uitgetrokken was, te verdisconteren. Ook een provinciale subsidie zou aangevraagd kunnen worden; weliswaar zijn de fondsen voor dit jaar al vergeven, maar voor de toekomst bestaan misschien mogelijkheden.

De minister dringt erop aan om hem het resultaat van zo’n poging te laten weten. Mocht die succesvol zijn, al dan niet vermeerderd met de gelden door verhoging van de eigen bijdrage, dan wel met de extra opbrengsten van de voorgenomen geldlening, dan is de minister bereid om een bijdrage in overweging te nemen van maximaal duizend gulden per jaar voor een periode van drie jaar, onder voorbehoud dat de Staatsbegroting dat mogelijk maakt.
Als het kerkbestuur vervolgens bij commissaris Boreel aanklopt voor een provinciale subsidie van 3000,- gulden, “zoo niet in het loopend dan toch in de twee volgende dienstjaren”, laten Gedeputeerde Staten van hun kant 13 maart het kerkbestuur weten dat op de provinciale fondsen voor het lopend jaar helemaal geen geld meer voor katholieke kerken en pastorieën beschikbaar is. Het staat echter het kerkbestuur vrij om zich, als het daarvoor in komende jaren alsnog in aanmerking wil komen, te zijner tijd opnieuw op het provinciehuis te vervoegen.


Jaarboek 32, pagina 19

Herziening van het bouwplan

Pastoor Meuwsen gaat vervolgens begin april met Van Zoelen bij De Kruijff langs, wat kennelijk tot een herziening van het bouwplan leidt. Althans, het kerkbestuur schrijft 13 april de minister “met leedwezen [te] verklaren, dat het aan hetzelve bij nadere inzage is gebleken, dat het primitieve plan der nieuw te bouwen kerk, voor de behoefte dezer Gemeente onvoldoende is, en als te bekrompen, eene noodzakelijke wijziging heeft gevordert”, een gewij- zigd plan voor een grotere kerk dat nu met voorkennis en instemming van zowel de hoofdingenieur als de bisschop aan het departement ter goedkeuring wordt aangeboden. Meuwsen schijnt er voor naar Den Haag te zijn gereisd, om het de bewindsman in persoon aan te bieden.

Bidprentje pastoor Meuwsen (1802-1876).
Bidprentje pastoor Meuwsen (1802-1876).

Succesvol is het kerkbestuur in die drie maanden ook met de financiering geweest. Voor de 42.694,- gulden die het nieuwe plan zal vergen, heeft men inmiddels 19.200,- gulden in kas en zal men 16.000,- gulden lenen, terwijl men het vooruitzicht bezit op een rijkssubsidie van 3.000,- gulden en – wat een wel heel vrije interpretatie van de mededeling van Gedeputeerde Staten is! – een dito provinciale subsidie, waarvoor men (de onzkerheid van die bijdrage erkennende) om de welwillende interventie van het ministerie verzoekt, zodat ook die benodigde 3.000,- gulden uit de provinciekas er inderdaad komt. Waar de afbraak van de oude kerk 1.500,- gulden zal opbrengen, heeft men zo op papier 42.700,- gulden bijeen en dus de zaak rond. De beoogde bouwlocatie, het al in 1828 voor 300,- gulden aangekochte perceel in de Oosterbuurt, bijna 3500 vierkante meter groot, grenst aan dat van de bestaande kerk, zodat de nieuwe daarmee op meer dan tweehonderd meter van de protestantse kerk verwijderd zal blijven.

Omdat de minister geheel zeker wil weten dat het nieuweplan daadwerkelijk het fiat van hoofdingenieur en bisschop heeft, treedt nog enige vertraging op, maar als beide heren dit beamen, doet de minister op 25 april 1856 aan de koning verslag en adviseert hem de gevraagde toestem- ming en subsidie te verlenen:

De kerk en pastory der R.K.Gemeente te Castricum, zijn in zoodanigen bouwvalligen toestand, dat zij eene vernieuwing ten allerdringendste vereischen. Alvorens daartoe over te gaan, heeft men, sedert vele jaren, middelen bijeengespaard en eerst toen het bedrag tot eene belangrijke hoogte was geklommen, heeft men een plan voor den bouw eener nieuwe Kerk en pastory doen ontwerpen, hetwelk bij het nevens vermelde rekest is overgelegd. Dat plan, hetwelk volgens het daarop ingewonnen berigt van den Hoofdingenieur van den Waterstaat, tot geene belangrijke bouwkundige aanmerkingen aanleiding gaf, is echter later gebleken, op eene te bekrompene schaal ontworpen en voor de behoefte onvoldoende te zijn en daarom gewijzigd moeten worden. Tegen de uitvoering daarvan bestaan thans geene verdere bedenkingen, terwijl ook de standplaats dier nieuwe gebouwen, in den zin der wet van den 10 September 1853 naar het gevoelen van het Gemeentebestuur, tot geen bezwaar aanleiding geeft.

Zijn advies is geheel conform wat hij al eerder aan het kerkbestuur berichtte: “Deze, door alle geraadpleegde autoriteiten erkende behoefte, even als de inderdaad onbekrompene medewerking dezer niet zeer vermogende ge- meente” brengen hem tot het voorstel om nu 1.000,- gulden te verlenen, en de gemeente vrij te laten om, als er de beide volgende jaren weer fondsen voor subsidie op de rijksbegroting worden geplaatst, zich in ieder van die jaren voor een gelijke som van 1.000,- gulden tot de koning te wenden. Samen met een nog te verlenen provinciale subsidie, waartoe Gedeputeerde Staten voor volgend jaar niet ongenegen zijn, moet dan in de behoeften kunnen worden voorzien.

Willem III beslist vervolgens in een door de minister opgesteld Koninklijk Besluit van 28 april 1856, nummer 58 geheel in deze geest, onder de geijkte bepaling dat de werken in het openbaar aanbesteed en uitgevoerd zullen worden onder toezicht van een door de commissaris aan te wijzen beambte van Rijkswaterstaat, terwijl de subsidie zal worden betaald wanneer de bouwwerkzaamheden begonnen zijn en het kerkbestuur zich schriftelijk verbonden heeft om in eventuele naderhand bijkomende kosten geheel buiten bezwaar van het rijk te voorzien.

Commissaris Boreel, hoofdingenieur De Kruijff, bisschop Van Vree het kerkbestuur worden op de hoogte gesteld. Dat laatste krijgt te horen dat het zich voor het verkrijgen van toestemming voor het aangaan van een lening tot Gedeputeerde Staten moet wenden, tevens in de verwachting dat dit college “op het eventueel nader verzoek des kerkbestuurs, om onderstand uit de provinciale fondsen, eene gunstige beschikking zal gelieven te nemen”. Inzake die lening onderneemt het kerkbestuur meteen actie. Na raadpleging van de burgemeester van Castricum, Jacob Rendorp van Marquette, geeft Boreel op 29 mei toestemming voor het gevraagde bedrag van 16.000,- gulden over 32 aandelen van 500,- gulden elk uit te splitsen. Voor het door het kerkbestuur daarbij herhaalde verzoek om een provinciale subsidie van 3.000,- gulden wordt verwezen naar het al door GS op 13 maart meegedeelde. Daarop kan tot aanbesteding worden overgegaan. Boreel bepaalt de datum op 26 juni 1856 en laat op 12 en 13 juni daartoe een advertentie in de Haarlemsche Courant


Jaarboek 32, pagina 20

Aankondiging van de aanbesteding in de Haarlemsche Courant van 13 september 1856.
Aankondiging van de aanbesteding in de Haarlemsche Courant van 13 september 1856.

plaatsen. Een uitleg op de toekomstige bouwlocatie door bouwmeester Van Zoelen ten behoeve van potentiële gegadigden vindt op 21 juni plaats. Het bestek bepaalt de opleveringsdatum op 30 september 1857. De aanbesteding ten kantore van de commissaris des konings wordt echter twee dagen nadat aannemer Hendrik Handgraaf uit Castricum voor een bedrag van 47.412,- gulden de gelukkige was geworden op verzoek van het kerkbestuur door Boreel afgekeurd, omdat die som de begroting verre te boven gaat.

Bouwlocatie van de Breedeweg naar de Rijksstraatweg

Er zit daarmee niets anders op dan enige bezuinigingen op het ontwerp door te voeren, waarvoor Van Zoelen twee weken later zorgt. In totaal weet hij – ‘zonder de hechtheid des gebouws te benadeelen’ – op materialen een bedrag van 4.761,- gulden te besparen, waarvan meer dan de helft door voor een goedkoper soort bakstenen voor de buitenmuren te kiezen. Tegelijk met de indiening van dit nieuwe plan bij het ministerie deelt het kerkbestuur tevens mee de kerk op een nieuwe locatie te willen gaan bouwen, namelijk op een zich reeds in zijn bezit bevindend perceel dat bekend staat als ‘Jan Evertsven’ (kadaster sectie C, nummer 7), omdat die plek voor de parochianen handiger zal zijn en de aanvoer van de bouwmaterialen nu gemakkelijker zal kunnen geschieden. Daarmee heeft men zeker geen ongelijk, want de nieuwe locatie bevindt zich veel dichter bij de dorpskern en wel ten noorden daarvan aan de doorgaande weg naar Alkmaar. Bovendien is ook deze plek op voldoende afstand, dat wil zeggen meer dan 200 meter, van de hervormde kerk gelegen.

Zo is er nieuw werk aan de winkel voor Rijkswaterstaat, en ook bisschop Van Vree wordt weer geraadpleegd. Noch de een noch de ander ziet bewaren tegen bouwplan of bouwlocatie, en ook het gemeentebestuur, als eerste om een oordeel gevraagd, beveelt bij monde van burgemeester Rendorp die laatste aan: “Als zijnde gelegen aan het einde der Kom van het dorp, en uitgang hebbende aan den grooten Straatweg, en circa 350 ellen van het kerkgebouw der Hervormde Gemeente verwijderd, welker bestuur daarenboven mede door ons van het voornemen der R.C. Gemeente is mededeeling gedaan en verklaart heeft daartegen geenerlei bezwaren te hebben.”
Dit was een gevoelig punt, want juist het risico van iterkerkelijke conflicten die een mogelijke te grote nabijheid van twee bedehuizen van verschillende denominaties als gevolg van wederzijdse hinder voor, tijdens en na de dienst zou kunnen veroorzaken, was indertijd de reden geweest voor de genoemde wet uit 1853, die de bewuste minimumafstand van 200 meter voorschreef.

Ingenieur Haijward had de nieuwe hoofdingenieur Johan G. van Gendt, opvolger van De Kruijff, weliswaar meegedeeld dat Van Zoelen als architect zijn bezuinigingen wat al te gunstig had ingeschat, en overigens ook nog een paar aanmerkingen op het werk had gemaakt, maar zijn chef oordeelde die kennelijk van te weinig belang om de zaak om die reden nog langer op te houden, temeer daar met de vordering van het bouwseizoen een zekere haast langzamerhand wel geboden was. Noch voor commissaris Boreel, noch voor de nieuwe minister J.W. van Romunde, die Mutsaers was opgevolgd, is er dan reden om hun fiat aan het bijgewerkte ontwerp en de verhuizing te onthouden. Na machtiging door de Koning beslist de minister op 3 september 1856 in deze zin.
Ditmaal loopt de aanbesteding, die door Boreel op 25 september 1856 is bepaald en in de Haalemsche Courant van 13 en 15 september is aangekondigd, op rolletjes.

Het gedrukte bestek wordt op het kantoor van de commissaris voor 46.500,- gulden bij Johannes C. van Berkum uit Utrecht aanbesteed. Dit bedrag lag dus maar weinig onder de vorige aanbesteding. De algehele voltooiing van het werk was nu op medio juli 1858 vastgelegd; de vertraging met de aanbesteding van drie maanden bracht door het verloren zomerseizoen zo een uiteindelijke vertraging van negen maanden van de bouw met zich mee. Desondanks wordt een paar dagen later een en ander ditmaal wel goedgekeurd in het vertrouwen dat GS de gevraagde 3.000,- gulden in 1857 of 1858 zullen geven. Voor het tekort wordt door het kerkbestuur de beoogde lening verhoogd van 16.000,- tot 20.000,- gulden, waarvoor Boreel na raadpleging van het gemeentebestuur zonder mankeren op 30 oktober toestemming verleent.


Jaarboek 32, pagina 21

Voorwaarden en bestek van de te bouwen kerk te Castricum.
Voorwaarden en bestek van de te bouwen kerk te Castricum.

De bouw van de kerk

De bouw zelf, die van start mag zodra het kerkbestuur zich schriftelijk verbonden heeft alle eventuele extra kosten voor eigen rekening te zullen nemen, verloopt daarop voorspoedig. Al op 21 november kan ingenieur Haijward verklaren dat het werk begonnen is, zodat de bij Koninklijk Besluit verleende subsidie ook daadwerkelijk beschikbaar kan worden gesteld. In elk van de twee volgende jaren wordt ook moeiteloos na het desbetreffende rekest van het kerkbestuur de daarbij reeds in het vooruitzicht gestelde extra subsidie van 1.000,- gulden toegekend en uitbetaald. Minder succesvol is het kerkbestuur bij de provincie. In Haarlem krijgt het slechts de helft van het verlangde bedrag, namelijk 1.000,- in 1857 en 500,- gulden in 1858. Het lijkt erop dat dit enigszins aan de nalatigheid van de parochie zelf te wijten is. In 1857 moeten Gedeputeerde Staten, omdat zij maar niets vanuit Castricum horen, bij de bisschop informeren of er ginds nog steeds behoefte aan subsidie bestaat, wat de aangeschrevene dan bevestigt. In 1858 is de helft van de jaarlijks beschikbare 3.000,- gulden al toegekend, als voor de resterende 1.500,- gulden zich liefst drie plattelandsparochies melden: Castricum, Schoten en Zwaag. Deze drie mogen nog dat jaar op voorspraak van Van Vree dat restant gelijkelijk verdelen.

Een ramp blijkt dit tegenvallen van de provinciale bijdrage voor Castricum overigens niet; de opbrengst van de afbraak van de schuilkerk en de verkoop op 17 november 1858 van het bijbehorende erf, bosje, boomgaard en tuin (kadaster sectie B, nummers 427 t/m 430) is uiteindelijk namelijk boven verwachting groot; zij bedraagt in plaats van de geraamde 1.500,- liefst 3.050,- gulden en daarmee is de lagere provinciale subsidie weer gecompenseerd. Wel moet het benodigde bedrag van de lening tenslotte nog eens met 6.000,- tot 26.000,- gulden worden opgehoogd, waarbij uiteindelijk de katholieke wijnhandelaar Hendrik P. Ibink Melenbrink uit Alkmaar voor liefst 20.000,- gulden als geldschieter optreedt.

De kerk, waarvoor op 7 april 1857 de eerste steen is gelegd, wordt dan ook zonder echte problemen en zonder veel vertraging opgeleverd; alleen komt er aan extra kosten uiteindelijk nog  4.224,- gulden bovenop de aannemingssom en moet ook nog 2.697,- gulden aan de architect betaald worden, wat de uitgaven voor de bouw op een bedrag brengt van niet minder dan 53.421,- gulden. Hoe dan ook, op het laatst van augustus 1858, dus maar weinig over tijd, kan ingenieur Alexander B. Mentz, die het toezicht van Haijward heeft overgenomen, zijn chef berichten dat het werk op enige details en kleine mankementen na compleet is voltooid.

De statie van St.-Pancratius heeft dan net  in zijn diocees de status van volwaardige parochie gekregen, een paar weken eerder, dankzij een besluit van bisschop Van Vree, als uitvloeisel van het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie vijf jaar tevoren, samen met veertig andere kerken, res- sorterend onder het dekenaat Beverwijk.
Daarop wordt de nieuwe kerk, die zeshonderd zitplaatsen telt, op 30 september (1858) door de bisschop ingewijd. Al een jaar eerder had men van het gemeentebestuur toestemming gekregen bij de kerk ook een eigen begraafplaats aan te leggen.

De kerk omstreeks 1900. Bij de grondige verbouwing van 1877-1883 was de vierkante dakruiter vervangen door een toren.
De kerk omstreeks 1900. Bij de grondige verbouwing van 1877-1883 was de vierkante dakruiter vervangen door een toren.

Thomas H. von der Dunk


Jaarboek 32, pagina 22

Bronnen:

Archieven:

  • Bisschoppelijk Archief, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.
  • Gemeentebestuur, in Regionaal Archief te Alkmaar.
  • Ministerie van R.K. Eredienst, in Nationaal Archief te DenHaag.
  • Parochie Archief, in Regionaal Archief te Alkmaar.
  • Provinciaal Bestuur van Noord-Holland, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.
  • Rijkswaterstaat, in Noord-Hollands Archief te Haarlem.

Publicaties:

  • Deelen, D. van, Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl 1973.
  • Baars, F. en E.A. Steeman – Borst, Historie van de R.K. Pancratiusparochie, 6e Jaarboekje Werkgroep Oud-Castricum, 1983, p. 3-12.
  • Dunk, T.H. von der, Zes katholieke kerken in Amsterdam uit de dageraad der emancipatie, Jaarboek Amstelodamum, XCI(2004), p. 43-76.
  • Dunk, T.H. von der, De vorige katholieke kerk van Duivendrecht, Maandblad Amstelodamum, XCIII (2006) no.5, p. 13-30.
  • Dunk, T.H. von der, De statie ‘Het Torentje’ aan het Singel, Maandblad Amstelodamum, XCV (2008) no. 2, p.13-25.
  • Kalf, J., De katholieke kerken van Nederland: dat is de tegenwoordige staat dier kerken met hunne meubeling en versiering beschreven en afgebeeld, Amsterdam 1906.
  • Loos, J.C. van der, Missieverslag van den Aartspriester Geving: 1842, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, XL (1921), p. 370-437.
  • Loos, J.C. van der, Een missieverslag van den Aartspriester Ten Hulscher in 1807, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom van Haarlem, XLI (1923), p. 256-309.
  • Rosenberg, H.P.T., De 19de-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland, ‘s-Gravenhage 1972.
  • Zoelen, R.van, De nieuwe Roomsch-Katholieke Kerk en Pastorie te Castricum, provincie Noord-Holland, Bouwkundige Bijdragen, XI (1860), kol. 237-242.

1567 R.-K. Pancratius kerk wordt protestantse kerk.

1663 Statie Castricum wordt gesticht; aan de Breedeweg wordt een schuilkerk ingericht.

1728 Schuilkerk wordt voorzien van rondboogramen.

1820 Schuilkerk wordt vernieuwd en vergroot.

1858 Bouw nieuwe kerk volgens ontwerp R. van Zoelen aan de Rijksstraatweg en sloop schuilkerk.

1883 Vergroting kerk en bouw toren volgens ontwerp A.C. Bleijs gereed.

1911 Bouw nieuwe kerk volgens ontwerp Jan Stuyt gereed en sloop kerk Van Zoelen/Bleijs.

Print Friendly, PDF & Email