Rendorp, Jacob (Jaarboek 10 1987 pg 19-25)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 10, pagina 1

Wie was … Jacob Rendorp

In de serie “Wie was . . . ” is dit jaar gekozen voor een Castricumse burgemeester. Jacob Rendorp van Marquette volgt in 1852 Jan de Quack op als burgemeester en wordt na het neerleggen van zijn ambt per 1 januari 1868 opgevolgd door Hermanus Zaalberg.
Zijn De Quack en Zaalberg opmerkelijke figuren, zoals ik uitvoerig heb beschreven in voorgaande jaarboekjes, Jacob Rendorp komt in de gemeentelijke politiek niet zo nadrukkelijk naar voren. Dit is dan ook de oorzaak, dat in dit artikel het accent ligt op 16 jaar Castricumse geschiedenis gedurende de ambtsperiode van Jacob Rendorp.

Jonkheer en cavalerie – officier

Jacob wordt op 3 november 1795 te Amsterdam geboren en aldaar in de Amstelkerk gedoopt. Zijn ouders zijn Mr Willem Rendorp, heer van kasteel Marquette en Paulina Adriana Boreel. Willem Rendorp heeft in de hoofdstad vele functies, zoals die van wethouder en commissaris. Hij wordt in 1815 bij koninklijk besluit verheven in de Nederlandse adelstand, waarna zoon Jacob zich jonkheer mag noemen.

Familiewapen.
afb. 1 Familiewapen.

Jacob Rendorp neemt in 1815 als luitenant van het regiment huzaren deel aan het gevecht bij Quatre Bras, wordt daarbij gewond en daarna benoemd tot ridder in de 4e klasse der militaire Willemsorde. Hij neemt ook deel aan de Tiendaagse veldtocht in augustus 1831, die gericht is tegen de Belgische afscheiding. Na eervol uit de militaire dienst te zijn ontslagen wordt hij luitenant-kolonel der dienstdoende schutterij te Amsterdam.
In 1824 trouwt hij met jonkvrouwe Agneta Margaretha Catharina Deutz van Assendelft eigenares van kasteel Assumburg te Heemskerk. Met dit huwelijk wordt het bezit van de kastelen Assumburg en Marquette verenigd. Na het overlijden van zijn vader in 1827 kan Jacob zich ook noemen ambachtsheer van Heemskerk en van Wijk aan Zee en Duin.

Familiewapen

De officiële beschrijving van zijn familiewapen luidt: “gevierendeeld met in de kwartieren 1 en 4 in rood een gevleugeld zilveren arendsbeen en in de kwartieren 2 en 3 in blauw een rood getongde en genagelde gouden leeuw.
De 1e helm is gekroond en de 2e helm met roodzilveren wrong, beide met zilver-rode dekkleden.
Helmtekens: 1e een uitkomende en omgewende zwarte adelaar met gouden bek en rode tong; 2e de klimmende leeuw uit het 2e kwartier. Wapenspreuk: Virtute duce (onder de hoede der deugd).”

Het kasteel Marquette te Heemskerk.
afb. 2 Het kasteel Marquette te Heemskerk.

Bewoner van kasteel Marquette

Na het overlijden van zijn vader in 1827 woont Jacob te Amsterdam en is kasteel Marquette een tiental jaren onbewoond. Wel Iaat hij het in 1834 en 1835 belangrijk herstellen, waarmee het zijn huidige uiterlijk verkrijgt; de linkervleugel met een gedeelte van het front, namelijk het poorthuis met de daarbij behorende fraaie hangtorentjes laat hij helaas afbreken.
Na zijn pensionering als cavalerie-officier gaat Jacob Rendorp definitief op kasteel Marquette wonen. Zijn verblijf aldaar strekt zich overigens niet over het gehele jaar uit; de wintermaanden brengt hij met zijn familie veelal te ‘s-Gravenhage door. Na het


Jaarboek 10, pagina 20

overlijden van zijn vrouw neemt hij afscheid van Marquette en vestigt zich op 3 november 1869 voorgoed in ‘s Gravenhage. Het kasteel blijft dan vele jaren onbewoond, totdat het in 1888 betrokken wordt door zijn kleinzoon Jhr mr. Hugo Gevers geboren uit het huwelijk van zijn dochter Paulina Johanna Rendorp en Jhr. Jan Hugo Gevers.

Genealogie

Volledigheidshalve geef ik hierbij nog enkele familiegegevens rond Jacob Rendorp en zijn gezin.
Jacob Rendorp, geb. te Amsterdam op 3 nov. 1795, overl. te ‘s-Gravenhage op 30 juli 1879, zoon van Mr Willem Rendorp en Paulina Adriana Boreel. Hij trouwt te Amsterdam op 12 mei 1824 met jonkvrouwe Agneta Margaretha Catharina Deutz van Assendelft, geb. te Amsterdam op 10 sept. 1799, overl. te ‘s-Gravenhage op 25 febr 1869, dochter van Andries Adolf Deutz van Assendelft en Jacoba Margaretha Maria Boreel.

Kinderen uit hun huwelijk:

  • Jacoba Margaretha Maria Rendorp, geboren te Amsterdam op 4 april 1826, volgde haar vader op als vrouwe van Wijk aan Zee en Duin, gehuwd te ‘s Gravenhage op 5 juni 1879 met Mr Willem Jan, baron d’Ablaing van Giessenburg, o.a. referendaris van de Raad van State, kamerheer van zijne majesteit.
  • Mr Willem Theodorus Rendorp, geboren te Amsterdam op 8 mei 1828, ongehuwd overleden als Oost-Indisch ambtenaar te Batavia op 31 aug. 1857.
  • Paulina Johanna Rendorp, geboren te Amsterdam op 15 juli 1829, volgde haar vader op als vrouwe van Marquette en Heemskerk, gehuwd te Heemskerk op kasteel Marquette op 7 juni 1855 met jonkheer Jan Hugo Gevers; zij woonden op huize Leeuwenhorst te Noordwijk.
  • Wilhelmina Jacoba Rendorp, geboren te Amsterdam op 7 juli 1832, gehuwd te Heemskerk op 5 april 1854 met Mr Jan Jacobus Henricus van Reenen, ambachtsheer van Bergen (NH).
  • Joachim Adolf Nicolaas Rendorp, geboren te Amsterdam op 1 sept. 1837, ongehuwd overleden te ‘s-Gravenhage op 23 juni 1875.

Grootgrondbezitter

Als eigenaar van de kastelen Assumburg en Marquette en van een uitgestrekt grondgebied wordt hij voor meerdere functies gevraagd. Zo is hij onder andere van 1832 tot 1867 dijkgraaf van de polder Wijkerbroek. In 1829 wordt hij door de Koning met de heren Gevers en van Lennep benoemd in een driemanschap tot het beheer van het duinterrein ter grootte van ca. 1800 hectare, dat door Koning Willem I in 1829 is aangekocht. Het doel van dit project is het duingebied tot ontginning te brengen en voor de landbouw geschikt te maken. In de leiding van dit ontginningsproject speelt hij een belangrijke rol.
Aanvankelijk kan Jacob Rendorp als ambachtsheer nog enige invloed uitoefenen op het gemeentebestuur van Heemskerk. Deze invloed is na de ingrijpende grondswetherziening van 1848 betreffende het plattelandsbestuur volledig verdwenen. Dit kan mogelijk de belangstelling verklaren die Jacob Rendorp in die tijd voor het gemeentebestuur aan de dag legt wat uiteindelijk leidt tot zijn benoeming op 18 jan. 1850 tot burgemeester van Heemskerk.

Burgemeester van Heemskerk

Op 1 febr. 1850 wordt Jacob Rendorp als zodanig geïnstalleerd. Hij ondersteunt in 1851 de stichting van een zelfstandige Hervormde gemeente voor Heemskerk door voor te stellen de predikant een toelage van 400 gulden uit ‘s Rijkskas toe te kennen.
Tot dan toe werden gedurende meerdere eeuwen de Hervormde gemeenten van Heemskerk en Castricum door één predikant bediend.
Op 5 nov. 1863 wordt door hem het monument onthuld op het huidtoneel, dat is opgericht door Jhr D.T. Gevers van Endegeest en zijn vrouw M.J. Deutz van Assendelft. Jacob is eigenaar van deze voor Kennemerland zo bijzondere plaats. Het huidtoneel was de plaats waar de graven van Holland in de middeleeuwen werden ingehuldigd. Zijn naam staat vermeld in de voeting van dit monument.
Evenals in Castricum eindigt zijn ambtsperiode als burgemeester in Heemskerk per 1 jan. 1868. Wel blijft hij hier nog lid van de gemeenteraad tot zijn aftreden in 1869.

Het huidtoneel aan de Rijksstraatweg onder Heemskerk.
afb. 3 Het huidtoneel aan de Rijksstraatweg onder Heemskerk.

Burgemeester van Castricum

Op 13 mei 1852 heeft Jan de Quack eervol ontslag gekregen als burgemeester van Castricum. Bij kon. besluit van dezelfde datum wordt Jacob Rendorp als zijn opvolger benoemd. Dit strookt met de wens van de regering om waar zoiets enigszins mogelijk is, gemeenten beneden de duizend zielen toe te voegen aan het beheer van een burgemeester uit een aangrenzende gemeente.
Als secretaris wordt Jan de Quack opgevolgd door Cornelis Karshoff, die op 5 juli 1852 beëdigd en reeds secretaris is van de gemeente Heemskerk.

Het gemeentebestuur

Naast de burgemeester bestaat het gemeentebestuur uit 2 wethouders en 5 raadsleden. Elke 2 jaar worden gemeenteraadsverkiezingen gehouden, waarbij telkens een derde gedeelte van de raad wordt gekozen en waardoor de raadsperiode van een gekozen lid 6 jaar duurt. De raadsleden kunnen zich herkiesbaar stellen.
De volgende personen zijn gedurende de ambtsperiode van Jacob Rendorp wethouder c.q. raadslid:

  • Pieter Schotvanger, wethouder 1852-1858
  • Klaas Stet, wethouder 1852-1860
  • Cornelis Schermer (vanaf 1858 wethouder) 1852-1868
  • Albert Asjes 1852-1861
  • Jan Louter 1852-1866
  • Johannes Rommel 1852-1857, 1859-1868
  • Jacob Brakenhoff 1852-1860
  • Jan Jacobsz. Kuijs (vanaf 1860 wethouder) 1857-1862
  • Hendrik Handgraaf 1860-1863
  • Gerrit Brakenhoff 1860-1861
  • Teunis Slooten 1861-1868

Jaarboek 10, pagina 21

  • Jan Schotvanger (vanaf 1862 wethouder) 1861-1868
  • Jan Pietersz. Kuijs 1862-1868
  • Jan Cornelisz. Kuijs 1863-1868
  • Frans Glorie 1866-1868

De jaartallen geven de zittingsperiode van elk raadslid aan, al- leen gedurende de ambtsperiode van Jacob Rendorp. In de meeste gevallen maakt het overlijden een einde aan de raadsperiode. In zo’n geval wordt binnen 2 maanden een nieuw raadslid gekozen. De gemeenteraad komt in de maanden februari, april, juni, augustus, oktober en december bijeen en vervolgens zo vaak als dit door B. en W. noodzakelijk wordt geacht. De burgemeester houdt op elke woensdag “zitdag”.
De gemeenteontvanger Arie de Bie Woutersz. krijgt wegens verregaand plichtsverzuim en nalatigheid op 30 juni 1852 ontslag. Zijn functie wordt tijdelijk waargenomen door wethouder Pieter Schotvanger. Op 6 okt. van dat jaar wordt Adrianus Dekker in deze functie benoemd.
Door het overlijden van oud-burgemeester Jan de Quack is eind 1852 de betrekking van Heemraad in het St. Aagtendijksbestuur voor Bakkum vacant geworden. Wethouder Klaas Stet wordt voor deze functie verkozen. De gemeentesecretaris Cornelis Karshoff overlijdt in 1867; hij wordt opgevolgd door Adrianus Dekker.

Belastingen

De belastingheffing is vooral een plaatselijke aangelegenheid. Naast de hoofdelijke omslag (nu inkomstenbelasting) kent men de personele belasting, grondbelasting en vanaf 1850 in Castricum ook de hondenbelasting.
Bovendien is ook belasting verschuldigd ten behoeve van de Hondsbosch, de Uitwaterende Sluizen en de St. Aagtendijk. Deze belasting wordt alleen geheven op de gronden, die onder de bemaling van de molen liggen. In Castricum wordt 921 bunder en in Bakkum 373 bunder omgeslagen. In 1858 moet per bunder voor de Hondsbosch, de Uitwaterende Sluizen en de St. Aagtendijk bedragen van resp. 110, 12,5 en 15 cent worden betaald.

Voor de bemaling van de Castricummerpolder wordt een afzonderlijke belasting geheven; uit de inkomsten worden het loon van de watermolenaar en de onkosten aan de molen bekostigd. De verschuldigde belasting wordt jaarlijks vastgesteld en hangt samen met de noodzakelijke reparaties aan de molen. Zo komen we in de verschillende jaren bedragen tegen van 75, 100 of 150 cent per bunder per jaar.
De administratie van deze belasting wordt gevoerd door het polderbestuur, dat gevormd wordt door 2 poldermeesters ook wel molenmeesters geheten. Zij worden voor een periode van 4 jaar benoemd; elke 2 jaar treedt een poldermeester af, die dan weer herkiesbaar is. Als voorkeur geldt bij de verkiezingen dat één poldermeester uit de Oosterbuurt of de Kerkbuurt komt en één van het Noordend. Naast de verkiezing van een poldermeester worden tegelijkertijd 2 hooistekers aangesteld tegen een traktement van 20 gulden per jaar.

Aan de hoofdelijke omslag is een maximum gesteld van 1.800 gulden per jaar, dat door de Castricumse gemeenschap moet worden opgebracht. In bijzondere omstandigheden kan dit maximum worden verhoogd. Hiervoor is echter toestemming van de Koning vereist. In 1854 wordt in verband met de bouw van een nieuwe school een buitengewone omslag geheven.
De belastingplichtigen worden in een bepaalde belastingklasse ingedeeld op grond van de uiterlijke staat die de belastingplichtige voert, hun vertering, hun zuivere inkomsten, het vermoedelijke vermogen en het aantal te verzorgen kinderen. De mogelijkheid bestaat om allereerst bij het gemeentebestuur en in tweede instantie bij G.S. hiertegen te protesteren. Van deze mogelijkheid wordt ook jaarlijks door meerdere gemeentenaren gebruik gemaakt. Zo gaat bijvoorbeeld mevrouw Von Dentzsch in 1854 tegen aan aanslag van 32 gulden in beroep bij G.S. Zij bewoont aan de Dorpsstraat huize Zorgvlied (later Hermana State geheten).
De gemeenteraadsnotulen over deze zaak laat ik hier letterlijk volgen om de sfeer te laten proeven rond de indeling in belastingklassen: “De gemeenteraad wijst haar beschuldigingen van willekeur en partijdigheid van de hand en stelt aan G.S. dat het voorts zeer te betwijfelen valt dat adressante geene andere bezittingen of inkomsten zoude hebben dan het aangegeven pensioen van 150 gulden en het buitenplaatsje door haar bewoond, het eenigste en dus ook het voornaamste perceel in de geheele gemeente dat met oostersche weelde is gemeubileerd en men alzoo om eene en andere redenen bij den aanslag in de 9e klasse ad f 32,- blijft persisteren”.

In mei 1855 besluit de gemeenteraad om de hondenbelasting af te schaffen, omdat deze weinig oplevert en omdat de invordering met veel moeite en onaangenaamheden gepaard gaat. De afschaffing wordt echter door G.S. en de Minister van Binnenlandse zaken niet raadzaam geacht, omdat er een niet gewenste vermeerdering van het aantal honden zal ontstaan en omdat de moeilijkheden met de invordering niet blijvend zullen zijn. Het raadsbesluit der afschaffing wordt vervolgens herroepen. De belasting bedraagt f 1,50 per hond per jaar; voor waakhonden of trekhonden behoeft slechts 50 cent te worden betaald.

De gemeenteraad besluit in 1860 een extra belasting in te voeren op het verbruik van gedistilleerde drank en likeuren. In 1861 wordt in navolging van omliggende gemeenten besloten om ook wijn extra te belasten.

Onderwijs

Al vele jaren was het met de kwaliteit van het onderwijs in Castricum droevig gesteld. Meer dan 100 kinderen werden alleen door meester Schut onderwezen, die totaal geen orde kan houden. Door de slecht gevulde gemeentekas kan men de aanstelling van een ondermeester niet bekostigen. Na veel aandrang uitgeoefend te hebben op meester Schut gaat deze ermee akkoord dat het jaarsalaris van een ondermeester, groot f 300,- voor de helft door hem en voor de andere helft uit de gemeentekas zal worden betaald.
Op de vacature reageren in december 1852 in totaal 13 sollicitanten. Franciscus Ludewig wordt verkozen en als ondermeester aangesteld.

Het onderwijs wordt nog steeds gegeven in een afgeschut gedeelte van de oude Pancratiuskerk (nu de Hervormde kerk); er bestaan plannen voor de bouw van een apart schoollokaal. In februari 1853 biedt mevrouw Von Dentzsch haar huis Zorgvlied te koop aan en wijst er op dat haar huis als nieuw raadhuis zou kunnen dienen. De gemeentesecretaris meent dat dit gebouw mogelijk na kleine veranderingen geschikt gemaakt kan worden voor zowel raadhuis als school en hij stelt dat de aankoop en verbouw mogelijk minder zou behoeven te kosten dan de bouw van een geheel nieuwe school. Er wordt een onderzoek ingesteld naar zowel de geschiktheid van dit gebouw voor beide doeleinden met een begroting van de kosten als naar de kosten van de bouw van een gehele nieuwe school op de zogeheten Dingstal – een open plein naast het bestaande raadhuis. De bouw van een nieuwe school blijkt beduidend goedkoper te zijn. Bovendien ziet de meerderheid van de gemeenteraad niet de noodzaak om van raadhuis te veranderen en vindt dat het bestaande raadhuis met een kleine verandering en aanleg van een bergplaats voor het archief nog voldoende ruimte biedt voor het houden van de vergaderingen.


Jaarboek 10, pagina 22

De nieuwe school wordt begroot op f 3.470,- en is gebaseerd op 200 schoolkinderen. Op 24 mei 1853 valt het besluit om te bouwen; de bouw wordt uiteindelijk voor f 3.944,- gegund aan timmerman Handgraaf. Verder zal nog f 100,- worden uitgegeven aan wat verbeteringen aan het raadhuis, waarin ook de onderwijzerswoning is ondergebracht.

De openbare school uit 1854 naast het raadhuis.
afb. 4 De openbare school uit 1854 naast het raadhuis.

De gemeente wil een geldlening aangaan van ƒ 2.250,-. Het resterende bedrag wordt naar men hoopt door subsidies van rijk en provincie gedekt. Op 5 januari 1854 zal de nieuwe school worden geopend; in verband met sneeuwjacht vindt de opening op 11 januari plaats.

Ondermeester Ludewig en hoofdmeester Schut kunnen het niet altijd even best met elkaar vinden. Ludewig heeft in zijn enthousiasme het plan opgevat om gedurende het winterseizoen 1853/1854 ‘s avonds wat herhalingsonderwijs te geven en vraagt aan de gemeente hieraan de nodige bekendheid te geven. Meester Schut heeft zich hierover beklaagd bij de schoolopziener; Schut wenst als hoofd der school ook als hoofd bij de avondlessen te gelden. Beide onderwijzers worden staande de raadsvergadering van 26 oktober 1853 opgeroepen om deze onenigheid tot een oplossing te brengen. Ludewig krijgt tenslotte f 10,- per maand beloning voor het houden van avondonderwijs. Ook is er in januari 1854 onenigheid tussen beide onderwijzers over de orde handhaving in de school.

In 1856 vertrekt meester Ludewig en moet er een nieuwe ondermeester worden benoemd. Meester Schut klaagt bij het gemeentebestuur over het feit dat de veldwachter de gemeente is rond gegaan om een petitie te laten tekenen, dat er weer een rooms-katholieke ondermeester zal worden benoemd, hetgeen in strijd is met de bestaande verordening. Schut staat er bovendien op dat ook hij een stem heeft in de uiteindelijke keuze, omdat hij tenslotte f 150,- bijdraagt in het traktement van de ondermeester. B.W.A. Waanders uit Oldenzaal wordt ingaande 1 september 1856 benoemd tot de nieuwe ondermeester. Hij neemt het bijbaantje van klokkenist en van het klok opwinden over van meester Schut; het bijbaantje van doodgraver blijft laatstgenoemde uitoefenen.

De nieuwe ondermeester verzoekt de gemeenteraad al in februari 1857 voor een afscheidingsschot in de school, omdat het moeilijk is de verschillende klassen tegelijk in hetzelfde lokaal les te geven. Door voortdurend gebrek aan financiën duurt het tot 1866 eer het schot tussen de hoogste en de laagste klas wordt geplaatst.

Er is groot verschil tussen het jaarsalaris van de hoofdonderwijzer en dat van de hulponderwijzer. De hoofdonderwijzer ontvangt naast de schoolgelden (ca. f 135,-) ook de winst op de schoolbehoeften (ca. f 190,-), verder een vaste jaarwedde uit de gemeentekas van f 400,- en een toelage uit het armenfonds voor de schoolbehoeften aan arme kinderen (ca. f 40,-), waardoor zijn jaarinkomsten ca. f 765,- bedraagt. Bovendien heeft hij het genot van een vrije woning en tuin. In 1860 is de jaarwedde vastgesteld op f 700,-, waarbij de hoofdonderwijzer geen inkomsten meer verkrijgt uit schoolgelden en winst op schoolbehoeften. De hulponderwijzer ontvangt f 350,- per jaar. Het schoolgeld, dat door de ouders per kwartaal moet worden betaald bedraagt f 1,- voor één kind tot ƒ 2,60 voor 4 of meer kinderen uit een gezin.

De hoofdonderwijzer mag slechts vier maal per jaar vakantie geven en wel met Kerstmis, Pasen, Pinksteren en de kermis telkens voor één volle week. De schooltijden zijn ‘s morgens van negen uur tot half twaalf en ‘s middags van half twee tot vier uur gedurende vijf werkdagen.

Per 15 maart 1859 neemt B.W.A. Waanders ontslag als ondermeester vanwege een slechte gezondheid. Veldwachter Bakker wordt voorlopig klokkenist en na de gebruikelijke sollicitatie wordt H.C. van Oers uit Ravenstein per half april benoemd tot de nieuwe hulponderwijzer. Al spoedig komen er klachten van meester Schut over de eigendunkelijke en willekeurige gedragingen van de nieuwe ondermeester. Deze heeft namelijk tegen de gewoonte in op zaterdag school gehouden. De gemeenteraad vindt het na uitvoerige beraadslaging nuttig dat er op zaterdag les wordt gegeven; hiertoe is echter alleen de ondermeester bereid.
Op eigen verzoek krijgt hoofdonderwijzer Schut per 1 oktober 1859 eervol ontslag. Ondanks alles wordt hij door het gemeentebestuur bedankt voor de vele aan de gemeente bewezen diensten in een betrekking, die hij gedurende 34 jaar met de meeste ijver heeft vervuld. Ondermeester Van Oers krijgt op zijn verzoek, nu hij alleen het beheer over de school heeft, verhoging van zijn traktement tot het bedrag dat de hoofdonderwijzer verdiende en het recht van de neveninkomsten.

Voor de vervulling van de vacature van hoofdonderwijzer wordt de gebruikelijke procedure toegepast. Op de advertenties in de Haarlemsche Courant en de Tijd komen een aantal sollicitaties binnen. Onder de sollicitanten bevindt zich ook Franciscus Ludewig, die enkele jaren eerder als ondermeester in Castricum had gewerkt. Uit het totaal aan sollicitaties worden de 5 beste kandidaten, waaronder Ludewig, uitgenodigd voor het afleggen van een test. Van de 5 kandidaten komt Franciscus helaas als vierde uit de test tevoorschijn. De wet eist een keuze te maken uit de hoogste drie. De gemeenteraad wil graag Ludewig hebben en besluit met 4 stemmen vóór en 2 tegen, dat een vrije keuze gemaakt mag worden uit de 5 kandidaten. De burgemeester gaat dit voorleggen aan het hogere bestuur. Gedeputeerde Staten stellen, dat het raadsbesluit tegen de wet is op het lager onderwijs en wil het ter vernietiging bij de Koning voordragen.

De gemeenteraad blijft echter bij zijn besluit; de wethouders die nu volgens de wet uit het eerdergenoemde drietal een hoofdonderwijzer moeten benoemen, verklaren zich met het gevallen raadsbesluit te moeten blijven verenigen en zich van de verdere medewerking tot de benoeming te moeten houden.
Het betreffende raadsbesluit wordt bij koninklijk besluit van 12 januari 1860 vernietigd. Inmiddels trekt de 2e kandidaat op de voordracht J.G.R. van den Berg zich terug, vanwege zijn benoeming tot hoofdonderwijzer te Hoogmade. Hierdoor is een nieuwe voordracht voor een keuze noodzakelijk geworden, waarbij de 3e plaats nu door F. Ludewig wordt ingenomen. De keuze valt nu uiteraard op Ludewig, die zijn betrekking per 1 april 1860 kan aanvaarden.


Jaarboek 10, pagina 23

Raadslid Rommel stelt in de raadsvergadering van 8 februari 1860 voor, dat nu de hoofdonderwijzer rooms is er bij vervangingen van de hulponderwijzer iemand wordt benoemd die niet rooms is, opdat er in geval van R.K. feestdagen de andersdenkende kinderen toch onderwijs kunnen genieten. Dit voorstel wordt aangenomen. In oktober van datzelfde jaar komen er klachten binnen dat de school op R.K. feestdagen is gesloten. Door de raad wordt na overleg met de hoofdonderwijzer goed gevonden om in de weken dat er een dergelijke feestdag is„ ook op zaterdag school te houden. Het college van G.S. keurt deze verordening niet goed en stelt dat de school niet op R.K. feestdagen gesloten mag zijn. De speciale R.K. feestdagen zijn: Drie Koningen op 6 januari, Maria Boodschap op 25 maart, Sacramentsdag 10 dagen na Pinksteren, Petrus en Paulus op 29 juni, Maria Hemelvaart op 15 augustus en Allerheiligen op 1 november.
De gemeenteraad probeert nog onder de verplichting uit te komen op genoemde feestdagen les te geven, omdat het aantal protestantse kinderen zeer gering is.
Zij treedt in overleg met de schoolopziener, doch die is ook van mening dat voor de protestantse kinderen school moet worden gehouden, echter beide onderwijzers zijn rooms. De raad besluit de zaak aan het oordeel van de Koning te onderwerpen, teneinde eventuele dispensatie te verkrijgen. Zover zal het echter niet komen, de beide onderwijzers hebben onderling besloten op R.K.-feestdagen school te houden voor de protestantse kinderen.

De hulponderwijzer H.C. van Oers neemt per 1 augustus 1861 ontslag in verband met het aanvaarden van een betrekking elders. Op dat moment zijn er ongeveer 150 leerlingen op school. Per 1 september 1861 is H.L.W. Albers uit Amsterdam benoemd als hulponderwijzer Albers blijft tot januari 1864. De eerstvolgende jaren blijven de hulponderwijzers maar kort; achtereenvolgens worden aangesteld: A.T. Tikkel uit Deventer {12 jan. 1864), P.J. Schrijvemakers uit Oosterhout (16 nov. 1864), F.J. Bos uit Zwolle (19 april 1865) en B.H. Heeremans uit Roelofsarendsveen (23 jan. 1867).

Armenzorg

Het verlenen van ondersteuning aan de armen is een taak, die door het armenbestuur wordt behartigd. Alleen die mensen krijgen ondersteuning en verzorging van wie is gebleken, dat zij van kerkelijke of andere charitatieve instellingen geen ondersteuning ontvangen en dat enige ondersteuning volstrekt noodzakelijk is.
Het armenbestuur bestaat uit 3 leden, die telkens voor een periode van 6 jaar worden benoemd door de gemeenteraad, meerderjarig moeten zijn en zoveel mogelijk een afspiegeling moeten zijn van de verschillende godsdienstige gezindten in het dorp.

Castricum telt vele armen en weduwen. Ondanks de minimaal denkbare uitkering, is het totale bedrag dat jaarlijks aan de armen wordt uitgekeerd hoger dan de totale gemeentelijke begroting, inclusief het onderwijs.

Het armenbestuur heeft enkele huisjes, die door armlastige gezinnen of personen, worden bewoond. Een huisje aan het Schulpstet verkeert in 1853 in zeer bouwvallige staat en is nauwelijks meer te herstellen. Het armenbestuur komt met een voorstel om het voormalige raadhuis van Bakkum in te richten voor 3 woningen en te verhuren aan de armen. Op korte termijn is er ook geen andere vervangende woonruimte te vinden. 13e timmerman Handgraaf vindt echter dat de bestaande armenhuisjes goedkoper kunnen worden opgeknapt dan het oude raadhuis te verbouwen. Bovendien kunnen de betreffende bewoners beter op het Schulpstet blijven wonen, omdat zij daar hun brood moeten verdienen.

Het jaar 1854 is een slecht jaar. Voor de armenkas is het een ramp, dat er een huis is ingestort, dat wordt bewoond door twee gezinnen, die leven van de bedeling waarvoor geen ander huis voorhanden is, zodat onmiddellijk tot herstel van dat huis moet worden besloten. In ditzelfde jaar zorgt het armenbestuur voor 17 huisgezinnen en 20 bestedelingen, totaal 105 personen. Het totaal aantal inwoners bedraagt dan ca. 1150. De armenkas vertoont een groot tekort. Met forse sommen geld moet de gemeente bijspringen, maar ook de gemeentelijke financiën zijn zeer beperkt. Het armenbestuur verzoekt om tijdelijk 300 gulden te mogen lenen. Het raadslid Brakenhoff stelt voor om de helft van de verwachte belastingaanslag (personele belasting) van de raadsleden reeds in februari te storten in de gemeentekas. Het totale bedrag kan dan dienen als voorschot voor de armen. Dit voorstel wordt aangenomen.

Ook is in het jaar 1854 een nieuwe armenwet van kracht geworden. Hierin is vastgelegd dat armen, die door de kerk worden ondersteund ook uit het Algemene Armenfonds een aanvullende ondersteuning kunnen krijgen. De gemeenteraad roept voor de uitvoering van de wet een commissie in het leven met vertegenwoordigers van de gemeenteraad en van de kerkelijke armenbesturen.

Door een aanhoudend tekort in de armenkas wordt in 1856 besloten om wekelijks een der bedeelden met een collectebus het dorp rond te laten gaan en ditzelfde ééns per drie maanden te laten doen door een van de armenbestuurders en hieraan de nodige publiciteit te geven. Twee jaar later wordt de wekelijkse collecte afgeschaft, omdat de opbrengst nihil is; de collecte per kwartaal blijft.

Jacob Rendorp van Marquette op latere leeftijd.
afb. 5 Jacob Rendorp van Marquette op latere leeftijd.

Jaarboek 10, pagina 24

In datzelfde jaar 1858 stelt het armenbestuur voor om een van de huizen van de armen in te richten tot algemeen armenhuis. De kosten voor verbouw en inrichting worden geraamd op 1.600 gulden. Het gemeentebestuur besluit hiertoe over te gaan, omdat een dergelijk algemeen armenhuis uiteindelijk een flinke kostenbesparing oplevert.
Het gemeentebestuur zal een poging doen om subsidie bij provincie en rijk te krijgen. G.S. zullen noch subsidie verstrekken noch goedkeuring verlenen tot het aangaan van een lening, omdat zij het inrichten van een algemeen armenhuis in strijd achten met de bedoelingen van de armenwet. Het gemeentebestuur houdt voorlopig deze zaak in beraad. Pas in 1861 wordt door G.S. goedkeuring voor een geldlening van 1.000 gulden verleend. Hierbij werd bij het verzoek door het gemeentebestuur niet gesproken over de inrichting van een armenhuis maar ter camouflage over “een bouwvallig huis, waarin de armen wonen met enige uitbreiding te doen herstellen om door dat middel plaats te vinden om enige huisgezinnen te kunnen huisvesten, waarvoor thans huishuur moet worden betaald”.
Andere inkomsten worden in 1865 verkregen door de verkoop van diverse stukken land in eigendom van de “Algemene Armen” voor de aanleg van de spoorlijn.

Gezondheidszorg

Na het overlijden van Bernardus Res in 1845 zijn in diens plaats de nog jonge Anthonie Reijnders en Xaverius Diometrius Paulus Fornier als plattelandsheelmeesters gekomen. Beide geneesheren trouwen een Castricums meisje en dingen naar elkaars patiënten. Daarom wordt door het gemeentebestuur een regeling getroffen dat elke arts om de beurt gedurende een periode van 6 maanden de zieken, die worden onderhouden door het Algemene Armenfonds, mag behandelen. Af en toe komen bij het gemeentebestuur klachten binnen dat de betreffende arts meent dat zijn collega ten onrechte armlastige zieken behandelt.

Fornier overlijdt in 1855, waarna Anthonie Reijnders als enige arts overblijft; hij zal tot zijn overlijden in 1881 de gezondheidszorg in Castricum behartigen.
In het jaar 1866 heerst er een cholera epidemie, waardoor het gemeentebestuur besluit dat jaar geen kermis te houden. De kermis wordt elk jaar gehouden vanaf de eerste zondag in september en duurt drie dagen.

Veeschutten

Op 26 oktober 1853 is de veeschutter van Bakkum overleden. In zijn plaats wordt Jan Zonneveld benoemd. Van gemeentewege is zowel voor Bakkum als voor Castricum een veeschutter aangesteld. Deze functionarissen brengen het verdwaalde vee naar het schuthok en bewaken en verzorgen de beesten. De eigenaar van het vee is nadien verplicht tot betaling van het zogenaamde schutgeld en van de kosten van voeding en onderhoud. Hiervoor gelden bepaalde tarieven. Zo varieert het schutgeld van 15 cent voor een schaap tot f 1,- voor een stier, die ouder is dan één jaar. Deze tarieven worden verdubbeld wanneer het schutten tussen zonsondergang en zonsopgang plaats heeft. Voor de kosten van voeding en onderhoud wordt 50 cent gerekend voor paard, ezel of rund en 15 cent voor varken, schaap of geit.

In Noord Bakkum staat het schuthok op de kruising van wat nu de Hogeweg en de Duinweg heet. In Castricum staat het schuthok aan de Kramersweg (nu de Burg. Mooijstraat).

Gemeente-indeling

In 1862 wordt een nieuwe verordening vastgesteld betreffende de verdeling van de gemeente in buurten en de nummering van de huizen.
De gemeente wordt in de volgende wijken of buurten verdeeld:

  • de Kerkbuurt zijnde de kom van het dorp en verder de huizen tussen de Doodweg, het rijkstolhuis en het noordelijke gedeelte van de Kramersweg tot aan de watering.
  • de Oosterbuurt van de Doodweg af tot de Heemstederweg en de grensscheiding van Heemskerk beoosten de straatweg.
Detail van de kaart van het kanton Beverwijk uit 1844.
afb. 6 Detail van de kaart van het kanton Beverwijk uit 1844.

Jaarboek 10, pagina 25

  • de Duinderbuurt van de grensscheiding van Heemskerk bewesten de straatweg tot aan de duiker van de Duinontginning (bij de Zeeweg).
  • de Brabantsche Landbouw en Duinontginning bevattende de gebouwen die in de duinen zijn gelegen.
  • Noord en Zuid Bakkum strekkende vanaf de grensscheiding van Egmond Binnen beoosten de duinen tot benoorden de duiker van de Duinontginning (bij de Zeeweg).
  • Het Schulpstet en Noordeinde bevattende de huizen tussen de Schulpvaart en de watering.

Wegen, tolheffing

In 1852 wordt door tolgaarder Dekker ook tolgeld geëist van de belanghebbenden, die de afsluitboom op de Hollaan (nu Oud-Haarlemmerweg) passeren met eigen geteelde veldvruchten of hout, terwijl voor aanwonenden en belanghebbenden een vrij gebruik van de weg geldt. Deze vrijstelling wordt door het gemeentebestuur nog eens bevestigd. Voor de bulloper geldt deze vrijstelling ook, echter voor opkopers van veldvruchten e.d. weer niet.

Op de gemeenterekening vinden we de kosten van de grenspalen, die in 1855 zijn geplaatst o.a. op de gemeentegrens met Egmond Binnen.
Van de gemeente Bergen komt in april 1863 een brief, die melding maakt van een groots plan om de gemeenten van de Duinstreek door de aanleg van een straatweg te verbinden met de rijksstraatwegen. De rijksstraatwegen vormen de hoofdwegen. De nieuwe weg moet dan te Schoorldam en te Castricum aansluiten op de rijksstraatwegen en moet dan gaan lopen van Schoorldam over Schoorl, Bergen, Egmond aan de Hoef, Egmond Binnen, Bakkum en Castricum. De brief omvat verder het voorstel om de kosten van de aanleg evenredig over de gemeenten te verdelen.
De gemeenteraad van Castricum wil niet bijdragen in de kosten van de weg; “dat alhoewel men niet wil ontkennen dat de aanleg van zoodanige weg langs de niet onbevallige duinstreek wel aanleiding zoude kunnen geven tot eenig vertier, eigenlijk in de hoofdzaak de aanleg daarvan voor deze gemeente van weinig belang kan worden geacht, daar hier weinig connectien met de daarbij betrokken gemeenten langs de duinstreek bestaan en men voor de correspondentie met de stad Alkmaar voor het grootste deel der gemeente, dat daarbij belang kan hebben, in het onmiddellijk bezit is van den rijksstraatweg, die juist het meest bebouwde gedeelte der gemeente doorsnijdt”. Hiermee is echter de zaak niet afgedaan. Na ruim 2 maanden wil een van de raadsleden op dit besluit terugkomen, omdat men nu van plan leek te zijn de nieuwe weg in Limmen op de rijksstraatweg aan te sluiten en dat zou voor Castricum wel eens nadelig kunnen zijn in de poging een station te krijgen aan de in ontwerp zijnde spoorlijn (mogelijk zou dan in Limmen een station komen). De gemeenteraad besluit daarop in contact te treden met de commissie tot de aanleg van de “duinrand” weg om te worden geïnformeerd hoever de plannen zijn gevorderd met het oog op de richting, die aan de spoorlijn schijnt te zullen worden gegeven en Castricum zich niet van enige deelneming zou willen onttrekken”.

Bovendien gaat de gemeente zich wenden tot de spoorwegautoriteiten om een station te verkrijgen. Ze doet daarbij het aanbod om de benodigde weg daarheen te verharden. De kosten voor de aanleg van de “duinrand” weg voor de gemeente Castricum worden nog in 1864 geschat op 21.000 gulden, waarvan voor 2/3 deel nog gerekend kan worden op subsidie van rijk en provincie. Van de rest ter grootte van 7.000 gulden rekent de gemeente nog op een forse bijdrage van prins Frederik, die als eigenaar van de Duinontginning groot belang heeft bij de aanleg van de weg. Alles bij elkaar genomen lijkt de financiële last voor de gemeente dus nogal mee te vallen.

Toch zal opnieuw in het voorjaar van 1866 afwijzend worden beschikt als blijkt dat de gemeente niet 7.000,- maar 14.000,- moet bijdragen. Dit bedrag wordt een te groot offer voor de gemeente geacht, temeer daar er onzekerheid bestaat over de bijdrage van de Duinontginning. Wel is de gemeente bereid om het onderhoud van de weg, voor zover die binnen haar grenzen ligt voor haar rekening te nemen. Ondanks de bereidheid van prins Frederik tot enige bijdrage en het verzoek op het raadsbesluit terug te komen, blijft de raad bij haar besluit (inmiddels staat het wel vast, dat in Castricum een station zal komen).

Het terrein tussen raadhuis en school wordt in maart 1867 onttrokken aan de openbare rijweg in verband met het gevaar voor spelende kinderen.

In mei 1867 bereikt een verzoek van de Staatsspoorwegen de gemeente om een postbesteller aan te stellen tegen een bepaald tarief. Zo worden de volgende tarieven vastgesteld voor pakjes of andere voorwerpen tot en met een gewicht van 5 pond:

  • naar Kerkbuurt, Oosterbuurt of duinzijde 5 cent
  • naar Noordeinde 7,5 cent
  • naar Zuid Bakkum 10 cent
  • naar de duinontginning en Noord Bakkum 20 cent

Begraafplaats

Het bestuur van de Ned. Hervormde kerk eist van de gemeente voor de huur van de begraafplaats een bedrag van f 30,- per jaar Het gemeentebestuur blijft bij een huur van f 25,-, zoals het vroeger met bemiddeling van G.S. was overeengekomen. Opnieuw wordt de tussenkomst van G.S. ingeroepen. Dit college acht het huren op lange termijn niet wenselijk en stelt voor de begraafplaats te zijner tijd te kopen of een nieuwe begraafplaats aan te leggen. De gemeente heeft hiervoor echter geen financiële middelen en besluit dan toch maar het kerkhof voor een periode van 5 jaar voor het bedrag van f 30,- per jaar te huren.

Einde van de ambtsperiode

Jacob Rendorp vraagt in november 1867 zijn ontslag als burgemeester van Castricum en Heemskerk bij de commissaris van de koning, wetende dat hij voor een herbenoeming voor een volgende periode van 6 jaar vanwege zijn hoge leeftijd (72 jaar) niet meer in aanmerking komt.
Zijn verzoek om ontslag wordt per 1 januari 1868 ingewilligd en hij wordt in beide functies opgevolgd door Hermanus Zaalberg. In 1869 gaat Jacob Rendorp definitief in ‘s-Gravenhage wonen alwaar hij in 1879 overlijdt.

S.P.A. Zuurbier

Bronnen:

– Raadsnotulen, correspondentie gemeente Castricum periode 1852-1868, aanwezig in het streekarchief te Alkmaar.
– Genealogie van het geslacht Rendorp door Ch.J. Polvliet, ‘s-Gravenhage 1891.
– Handschrift van H. van Benthem betreffende Heemskerk.
– Heemskerk onderweg van verleden naar heden door mr. J.W. Groesbeek, Heemskerk 1978.
– Geschiedenis van beheer en gebruik van het Noordhollands Duinreservaat door Ir J.G.G. Jelles, Arnhem 1968.
– Gegevens van G.J. van Wijk te Heemskerk.

Noot:

De straatnaam, die in Castricum naar deze burgemeester is genoemd, luidt abusievelijk Jacob Rensdorpstraat.

Print Friendly, PDF & Email