Schoolstraat, geschiedenis (Jaarboek 39 2016 pg 68-73)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Schoolstraat: geschiedenispand Resrond 1950ruiterspoor


Jaarboek 39, pagina 68

De geschiedenis van de Schoolstraat

In dit artikel wordt een beeld geschetst van de Schoolstraat, zoals die er omstreeks 1830 heeft uitgezien. Dit beeld omvat dan vooral de huizen met hun bewoners. De percelen zijn in die periode voor het eerst voor het Kadaster nauwkeurig opgemeten en geregistreerd. Ook is er in datzelfde jaar een volkstelling gehouden. Met behulp van deze gegevens en die van het Kadaster zijn de bewoners van de negen huizen aan de Schoolstraat terug te vinden.

Op het kaartje zijn de perceelnummers vermeld; de huizen aan de Schoolstraat zijn in rood aangegeven. Rechtsboven nog zichtbaar het raadhuis van Castricum. Daaronder een groot, driehoekig terrein dat de dingstal werd genoemd en in vroeger eeuwen diende om een buurspraak te houden. Dit was een volksraadpleging in opdracht of met toestemming van schout en schepenen. Op deze centrale plaats in het dorp kwamen de inwoners (toen ook buren geheten) bij elkaar.
Op het kaartje zijn de perceelnummers vermeld; de huizen aan de Schoolstraat zijn in rood aangegeven. Rechtsboven nog zichtbaar het raadhuis van Castricum. Daaronder een groot, driehoekig terrein dat de dingstal werd genoemd en in vroeger eeuwen diende om een buurspraak te houden. Dit was een volksraadpleging in opdracht of met toestemming van schout en schepenen. Op deze centrale plaats in het dorp kwamen de inwoners (toen ook buren geheten) bij elkaar.

Het dorpscentrum heette in die periode Kerkbuurt en de huizen hadden binnen de hele gemeente een doorlopend volgnummer; de huizen aan wat later de Schoolstraat is gaan heten, waren in dat jaar genummerd 87 tot en met 95. Het betreft volgens het Kadaster de percelen in de sectie B de nummers 405 tot en met 417. In het onderstaande kaartje zijn deze perceelnummers aangegeven. De huizen worden onderstaand behandeld in deze volgorde. Daarbij wordt de straat gemakshalve Schoolstraat genoemd, ook al bestond deze naam toen nog niet.

Huizen en bewoners in 1830

Het woonhuis en bedrijfspand van Jacobus Res (1868-1952) omstreeks 1920. De man met de zwarte pet is de eigenaar.
Het woonhuis en bedrijfspand van Jacobus Res (1868-1952) omstreeks 1920. De man met de zwarte pet is de eigenaar.

405 en 406: het timmerbedrijf van Hendrik Beugeling

De 55-jarige meester-timmerman Hendrik Beugeling woont hier met zijn vrouw Naatje Bakker, de 4-jarige kleindochter Naatje van Twuijver (van de inmiddels overleden dochter Eva Beugeling, gehuwd met Pieter van Twuijver) en de 13-jarige werkbode Aaltje Bergering uit Velsen.
Hendrik Beugeling (1774-1831) heeft de aan elkaar grenzende huizen 405 en 406 in bezit. Het eerste is ingericht als timmermanswinkel.

Hendrik heeft deze huizen geërfd van zijn vader Hermanus Beugeling (1750-1823), timmerman en wagenmaker, geboren in Beverwijk, die in 1766 als 16-jarige met zijn ouders in Castricum is komen wonen. Deze Hermanus koopt in 1812 voor afbraak de korenmolen en het naastliggende huis aan de Alkmaarderstraatweg (toen Soomerwegh), hoek Boogaertsdijk, ook Molendijk genoemd. Zoon Hendrik Beugeling verkoopt beide panden aan de Schoolstraat op 24-12-1829 aan Klaas de Vries, timmerman uit Zaandijk, die het timmerbedrijf op deze locatie voortzet; hier worden zijn vijf kinderen geboren. Klaas verkoopt het bedrijf in 1842 aan Hendrik Handgraaf, die op dat moment timmerman is in Santpoort. Na diens overlijden verkoopt zijn echtgenote in 1865 het timmerbedrijf aan Johannes Res. In 1870 vinden er gedeeltelijke sloop en verbouwing plaats met als gevolg dat er een groot huis met erf (844 m2) en een afzonderlijk huisje zonder erf


Jaarboek 39, pagina 69

(36 vierkangte meter) voor in de plaats komen. Het laatste huisje wordt verhuurd, achtereenvolgens aan schoenmaker Johannes Schaap, timmerman Petrus Gijzen en scheepstimmerman Aris de Groot.
Het timmerbedrijf zal door de familie Res op deze plaats nog tot 1982 worden voortgezet (zie verder hierover het 28e Jaarboek).

407: metselaar Cornelis de Groot met zijn gezin

Naast Hendrik Beugeling woont de 42-jarige Cornelis de Groot (1787-1847), metselaarsknecht, met zijn vrouw Maartje Schavemaker en hun zeven kinderen, dan in leeftijd variërend tussen 1 en 17 jaar: Cornelis, Neeltje, Jan, Aaltje, Neeltje, Maartje en Lourens. De oudste zoon Cornelis staat in 1830 ook al vermeld met het beroep metselaarsknecht. De familie De Groot zal vele metselaars voortbrengen (zie ook het 29e Jaarboek, De Castricumse familie De Groot). Cornelis de Groot is in 1810 getrouwd met Maartje Schavemaker en woont in het huis van zijn ouders, die beiden reeds zijn overleden. Het huis en erf worden door de erfgenamen, de vier broers De Groot, pas verdeeld in 1819. Cornelis neemt dan het deel van zijn drie broers over. Hij kan dan ook nog een stukje grond kopen van zijn buurman en zwager Pieter Schavemaker, waarmee hij zijn perceel tot 260 vierkante meter vergroot.
Cornelis overlijdt in 1847; zijn vrouw Maartje is al in 1833 overleden. De kinderen en erfgenamen verkopen het huis in 1851 aan zwager Adrianus Dekker, gehuwd met hun zus Aaltje de Groot. Dit echtpaar zal in dit huis al vanaf hun huwelijk in 1847 hebben gewoond.

Kees, meester Dirk, zijn vrouw Maartje en Adriaan.
Dirk Dekker was onderwijzer aan de openbare lagere school van 1879 tot 1921. V.l.n.r. Kees, meester Dirk, zijn vrouw Maartje en Adriaan.

Adrianus Dekker (1815-1899) is een veelzijdig figuur. Hij is achtereenvolgens broodbakkersknecht, bloemkweker, klerk, gemeenteontvanger en makelaar. Hij was ooit de enige ambtenaar op het ‘om de hoek’ gelegen gemeentehuis. Adriaan en Aaltje krijgen negen kinderen, waarvan er drie zeer jong overlijden. Hun kinderen Kees, Dirk en Maartje blijven ongehuwd en in het huis aan de Schoolstraat wonen. Genoemde zoon Dirk geeft als meester Dekker les op de Openbare Lagere School, die in 1854 was gebouwd naast het gemeentehuis (over meester Dekker een uitvoerig artikel in het 27e Jaarboek).

408: broodbakker Pieter Schavemaker

Dit perceel grenst deels aan de Schoolstraat en deels aan de Overtoom; het is ten opzichte van de overige percelen heel groot en omvat volgens de kadastrale beschrijving in 1832 een huis met erf en stal met een oppervlakte van 900 vierkante meter. De eigenaar is Pieter Schavemaker (1774-1831), broodbakker van beroep.
Pieter koopt in 1797 het huis van zijn ouders Jan Schavemaker en Maartje Schermer. In 1830 is Pieter 56 jaar; hij is in 1796 gehuwd met Grietje Castricum en woont in dit huis met drie kinderen: Catharina (23 jaar), Elisabeth (21 jaar), Dirk (13 jaar) en de boerenknecht Jan Kooij uit Oudesluis. Het grote huis, een stal en de boerenknecht wijzen erop dat naast de broodbakkerij ook vee wordt gehouden, een combinatie die vroeger vaker voorkwam.
Pieter en Grietje krijgen in totaal elf kinderen, waarvan er zes als kind overlijden. Pieter overlijdt in 1831 en Grietje in 1832. Het bedrijf wordt geërfd door de oudste zoon Jan Schavemaker, die in 1826 trouwt met Aaltje van Wienen uit Schoten (nu gemeente Haarlem).

Jan en Aaltje wonen in 1830 met hun nog twee zeer jonge kinderen op hetzelfde perceel. Uiteindelijk krijgen zij negen kinderen. Ook dit gezin wordt niet gespaard. Hoewel er ‘maar’ één kind jong overlijdt, wordt Aaltje in 1842 al weduwe met acht nog jonge kinderen. Aaltje zet het broodbakkersbedrijf voort en hertrouwt anderhalf jaar later met de 14 jaar jongere 28-jarige broodbakker Jacob van Voorst uit Egmond-Binnen. Jacob was waarschijnlijk al als broodbakkersknecht bij haar werkzaam. Aaltje van Wienen overlijdt drie jaar later in 1847. Haar jonge kinderen worden bij verschillende gezinnen in Castricum ondergebracht.

Het perceel 408 met de opstallen worden in een openbare verkoping op 21 maart 1848 verkocht aan Dirk van der Velde, zonder beroep, dan wonende te Uitgeest.
Het perceel wordt dan omschreven als: ‘Een huizinge, waarin broodbakkerij en winkelnering wordt uitgeoefend, met deszelfs stallingen, erf, werf en tuin, staande en gelegen te Castricum in de Kerkbuurt, kadastraal bekend in sectie B, nummer 408, ter grootte van negen roeden.’Dirk van der Velde (1820-1893) trouwt anderhalve maand later met Neeltje van der Park, die geboren was in Assendelft en in 1835 met haar ouders Jan van der Park en Petronella Brakenhoff verhuisde naar Castricum. Haar moeder had in dat jaar een boerderij aan de Oosterbuurt(weg) geërfd van haar vader Jan Franszoon Brakenhoff.

Dirk van der Velde zet als broodbakker het bedrijf voort, daarnaast wordt hij ook landbouwer en landman genoemd. Dit gecombineerde bedrijf blijkt ook in 1873, als hij het geheel in het openbaar verkoopt dat wordt omschreven als: ‘Een huis, waarin de broodbakkerij wordt uitgeoefend met annexe boerderij en stalling, hooiberg, dorsch en verdere getimmerten, benevens erf, werf en tuin te Castricum in de Kerkbuurt, Kadaster Sectie B, nummer 910, groot negen aren.’


Jaarboek 39, pagina 70

Koper wordt de 37-jarige Bazilius Zonjee (1835-1924). Bas is geboren in Uitgeest als zoon van Hermanus Zonjee, toen uitbater van herberg De Ooievaar. Hij trouwt in 1870 met Cornelia Kuijt, dochter van de dorpssmid Pieter Kuijt, ook wonende in de Schoolstraat. Bas is bij zijn huwelijk al broodbakker en woont in Castricum. In 1873 staat hij als bloemkweker te boek en verkoopt een maand later na de koop van de broodbakkerij zijn bloembollenbedrijf in de Oosterbuurt; hij is dan verder vooral broodbakker, hoewel hij in de loop der jaren enkele hectaren weiland koopt. Bas Zonjee gaat als weduwnaar in 1904 terug naar Uitgeest.

De nieuwe bewoner van het pand wordt in 1904 Pieter Schotvanger (1881-1957). Pieter is dan broodbakker en woont er met zijn vrouw Anna Bisschop. Hier worden zijn oudste drie kinderen geboren. Het gezin Schotvanger blijft niet lang, maar vertrekt drie jaar later in juni 1907 naar Heiloo en vestigt zich vijf maanden later weer in Castricum. Pieter wordt dan uitbater van café De Harmonie in de Burgemeester Mooijstraat en vanaf 1924 is hij ook strandexploitant.

Als bewoner en broodbakker wordt Pieter Schotvanger in 1907 opgevolgd door Willebrordus Punt (1871-1917), geboren in Heiloo, die al vanaf 1905 in Castricum woont en als broodbakkersknecht werkzaam is; hij trouwt in 1908 met Johanna Clazina Schotvanger, een nichtje van Pieter. Het echtpaar Punt verhuist in december 1909 naar Alkmaar. In dat jaar zijn plannen door de gemeente ontwikkeld om de boerderij, annex bakkerij te kopen voor afbraak met het aangrenzende oude armenhuis om de bouw van een veel groter armenhuis mogelijk te maken. In 1911 wordt met de bouw daarvan begonnen en op 16 mei 1912 is het nieuwe armenhuis in gebruik genomen. In dit gebouw, nabij de hoek Schoolstraat-Verlegde Overtoom, zijn nu appartementen gevestigd.

Het armenhuis werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd.
Het armenhuis werd in 1911 gesloopt. In de boerderij op de achtergrond en het naastgelegen schuurtje was een bakkersbedrijf gevestigd.

409: schoenmaker Jan Raman

Op nummer 409 woont in 1830 de 36-jarige Guurtje Molenaar, weduwe van Jan Raman, met haar twee kinderen Paulus en Arie van respectievelijk 6 en 5 jaar. Jan Raman heeft dit huis in 1826 gekocht met het erf, groot 135 vierkante meter; hij overlijdt in oktober 1829 op 41-jarige leeftijd. Hier woont in 1830 ook Cornelis Langemuur, 31 jaar, die uit Katwijk aan Zee komt en schoenmaker is. Het heeft er alle schijn van dat hij kostganger is en de schoenmakerij van Jan Raman voortzet. Het huis wordt in oktober 1832 onderhands verkocht aan Aldert Zonderzorg, landman in Bergen. Aldert zal dit mogelijk als geldbelegging hebben gekocht. Hij gaat er namelijk niet wonen, maar verkoopt het in april 1834 aan Klaas Zoontjes.

Klaas Zoontjes (1798-1834) woonde aan de Hoogeweg in Noord-Bakkum. Een half jaar nadat hij het huis aan de Schoolstraat heeft gekocht, overlijdt hij en in datzelfde jaar overlijden twee van zijn jonge kinderen, zodat zijn vrouw Antje Bakkum overblijft met alleen haar driejarige dochter Leentje. Deze Leentje Zoontjes zal in 1859 trouwen met Josephus Sprenkeling; zij zijn de voorouders van alle Sprenkelingen in onze regio.
Het woonhuis met het erf wordt op 28 april 1849 door Antje Bakkum verkocht aan de Algemene Armen van Castricum, de gemeentelijke organisatie die de armenzorg behartigt.

Het huis met dubbele puntdak is in 1862 in gebruik genomen en heeft in 1912 plaats moeten maken voor nieuwbouw. De boerderij links was in gebruik als bakkerij en is waarschijnlijk in 1911 afgebrand.
Het huis met dubbele puntdak is in 1862 in gebruik genomen en heeft in 1912 plaats moeten maken voor nieuwbouw. De boerderij links was in gebruik als bakkerij en is waarschijnlijk in 1911 afgebrand.

Het oude armenhuis is in 1862 in gebruik genomen. De eerste weesmoeder is Hendrika Wijlaards en de eerste bewoner Cornelis Duijn. Het Armenhuis bestond uit twee woningen: de woning van Hendrika Wijlaards, weduwe van Barend Dubbeling, en een woning van gelijke afmetingen die daar later tegenaan is gebouwd.


Jaarboek 39, pagina 71

De bewoners van de Schoolstraat in het begin van de vorige eeuw; er waren veel kinderrijke gezinnen.
De bewoners van de Schoolstraat in het begin van de vorige eeuw; er waren veel kinderrijke gezinnen.

410: timmerman en barbier Hendrik Zweeren (nu Schoolstraat 32)

Op de hoek van de Schoolstraat en Breedeweg staat het huis van Hendrik Zweeren op een grondoppervlakte van 240 vierkante meter. Hendrik Zweeren (1777-1844) is geboren in Amsterdam, woont in 1811 al in Castricum en is dan baardscheerder, ook chirurgijn. In 1818 koopt hij het huis van timmerman Gerrit van Aken. Daarna komen we Hendrik als timmerman tegen; later in 1842 en bij zijn overlijden in 1844 wordt als beroep barbier vermeld. Hendrik woont hier in 1830 met zijn derde vrouw, Anna Schram uit Beverwijk, met wie hij in 1824 is getrouwd en ook met zijn twee kinderen uit zijn tweede huwelijk: Wandert en Kaatje Zweeren, respectievelijk 11 en 10 jaar oud.

Hendrik Zweeren verkoopt zijn huis in 1824 aan Cornelis Buijs, een koopman uit Westzaan, maar blijft verder als huurder in het huis wonen. Cornelis Buijs blijft eigenaar tot in 1841, want in dat jaar verkoopt hij het pand aan de in Castricum woonachtige kleermaker Georgius Josephus van der Heijden.
Laatstgenoemde verkoopt het een maand later aan Jacob Koelemeij, schilder en glazenmaker en wonende in Castricum. In 1877 wordt de volgende eigenaar kleermaker Jacobus Wedepoel, die er ook in dat jaar een deel van het naastgelegen perceel 411 van Klaas van de Kamer heeft bijgekocht. Na het overlijden van Wedepoel in 1887 kunnen de erfgenamen de kosten van de geldleningen niet meer voldoen en worden de bezittingen in 1888 verkocht.

De nieuwe eigenaar wordt Johannes Koopman, wagenmaker en kastelein van De Rustende Jager, die in 1896 het perceel verkoopt aan kapelaan Stanislaus Meeus. Als bewoner staat in 1898 Cornelis Duijn te boek. Cornelis is hier kruidenier, getrouwd met Neeltje Brakenhoff en heeft drie kinderen. Hij overlijdt in 1911; een jaar later koopt de weduwe Duijn, winkelierster, het huis, erf en pakhuis van de kapelaan, inmiddels pastoor Meeus en wonende te Schoten. Neeltje DuijBrakenhoff verkoopt het pand in 1920 als huis, erf en schuur aan tuinder Herman de Graaf. Zij was toen al gestopt als winkelierster.


Jaarboek 39, pagina 72

Links de winkel van Anton Liefting. De woning daarachter werd bewoond door Maartje Jannes. Links vooraan is nog het ijzeren hek zichtbaar van het Armenhuis met op de hoek nog een oude gaslantaarn.
Links de winkel van Anton Liefting. De woning daarachter werd bewoond door Maartje Jannes. Links vooraan is nog het ijzeren hek zichtbaar van het Armenhuis met op de hoek nog een oude gaslantaarn.

Herman de Graaf richt het pand als winkel in en wordt winkelier. Zijn nieuwe beroep was kennelijk niet voor hem weggelegd. Hij verkoopt huis en winkel bij een openbare verkoping in café De Vriendschap al op 4 mei 1921 aan tuinder Anthonius Liefting. Deze trouwt later in datzelfde jaar met Elisabeth Eijking, wordt kruidenier en verkoopt in dit pand kruideniers- en grutterswaren; later is het ook een ijs- en snoepwinkeltje. Het echtpaar krijgt negen kinderen.

413: dagloner Arie de Groot

In 1830 woont hier de 50-jarige Arie de Groot, dagloner, met zijn echtgenote Jannetje Eefsink en hun twee kinderen Geertje (13 jaar) en Willemijntje (10 jaar); dan woont hier nog de ongehuwde Marijtje Eefsink, een twee jaar oudere zuster van Jannetje, met haar twee kinderen, een tweeling van 8 jaar en verder de eveneens ongehuwde Petronel Heertjes, oud 39 jaar met haar driejarig zoontje.

Dit huis en de naastliggende tuin langs de Schoolstraat, die doorloopt tot het huis van Hendrik Zweeren (410), zijn eigendom van mr. Joachim Nuhout van der Veen, vroeger schout van Castricum en vanaf 1811 president van de rechtbank in Alkmaar. Na zijn overlijden worden zijn vele Castricumse bezittingen in 1833 in het openbaar verkocht. Cornelis Kieft, koopman en woonachtig in Limmen, wordt de koper van het huis en de twee percelen tuin. Het geheel heeft een oppervlak van 1490 vierkante meter. In de koopakte wordt nog melding gemaakt dat op de grensscheiding van het huis van Zweeren een rij iepen en abelen staat, die gemeenschappelijk eigendom zijn. Cornelis Kieft blijft in Limmen wonen, zal het geheel verhuurd hebben en verkoopt het in 1849 aan Klaas van de Kamer, winkelier en wonende in Castricum. Klaas wordt ook de bewoner van het huis en laat in 1853 een pakhuis bouwen op 411; omstreeks 1859 wordt dit pand schilderswerkplaats genoemd en waarschijnlijk in gebruik genomen door buurman Jacob Koelemeij. Klaas trouwt in 1855 op 45-jarige leeftijd met inmiddels zijn derde vrouw Antje Admiraal; de eerdere echtgenoten zijn jong overleden.
In 1877 verkoopt Klaas een stukje grond van 300 vierkante meter, een deel van nummer 411 aan kleermaker Jacobus Wedepoel. Als Klaas in 1889 overlijdt, gaat het bezit over op Antje Admiraal en na haar overlijden in 1902 op Engeltje van de Kamer, enig kind van Klaas en dochter uit zijn tweede huwelijk. Antje blijft er tot haar dood wonen en Engeltje, ongehuwd, verhuist in 1906 op 52-jarige leeftijd naar Naaldwijk.

In 1896 is het oude huis nummer 413 gesloopt en zijn er twee nieuwe huizen gebouwd; hier wonen weduwe Antje Admiraal en Barend Strooker, veldwachter en jachtopziener. In 1900 hebben Antje Admiraal en haar dochter hun grond ter grootte van 1230 vierkante meter verkocht aan Jacobus Res, die hier al eerder de twee huizen had gebouwd.

414: dagloner Gerrit Esseling (nu Schoolstraat 8)

De bewoners in 1830 zijn Gerrit Esseling, zijn vrouw Jannetje Mors met toen al hun vier kinderen. Gerrit is dan 42 jaar, geboren in Castricum en van beroep dagloner (arbeider). Hij staat bij het kadaster als schulpenvisser te boek en eigenaar van het huisje en de achterliggende tuin (nummer 414 en nummer 417) met een grootte van respectievelijk 124 en 290 vierkante meter. Het huisje valt in de op één na laagste (belasting)klasse. Gerrit zal dit bezit geërfd hebben van zijn ouders. Zijn vader Hermanus Esseling, de dorpssmid, had in 1787 het huis en de smederij gekocht met het ernaast gelegen huisje, genaamd ‘de Stalling’. Deze naam is in verband gebracht met de ertegenover liggende oude dorpskerk en de boeren die op zondag met paard en wagen naar de kerk kwamen.

Gerrit Esseling trouwt in 1810, wordt meestal dagloner genoemd; alleen in het jaar 1815 staat hij bekend als agent van politie. Volgens het bevolkingsregister van 1850 woont het echtpaar in hetzelfde huis aan de Schoolstraat met dan hun vijf zoons, allen dagloner, en een dochter Petronella. Gerrit Esseling en Jannetje Mors overlijden beiden in het jaar 1862, de dochter is dan al overleden. De drie zoons Wulbert, Jacob en Jan blijven ongehuwd en in het huis wonen. Zij overlijden respecctievelijk in 1870, 1873 en 1875. Alleen de zoons Hermanus (1815-1861) en Pieter Esseling (1822- 1900) treden in het huwelijk en krijgen kinderen.

Op 30 juni 1875 wordt het huis verkocht door de erfgenamen, zijnde zoon Pieter Esseling en de twee minderjarige kinderen van de overleden Hermanus Esseling. Koper is Pieter de Graaf Jacobszoon, koopman, wonende in Castricum en een zwager van Pieter Esseling, die met Aaltje de Graaf is gehuwd.

Pieter de Graaf is geboren in 1832 in Castricum, is winkelier in manufacturen en overlijdt in 1887. In 1868 trouwt hij met Geertje Breetveld. Uit dit huwelijk worden 10 kinderen geboren in de periode 1868 tot in 1881.
Pieter leent in 1884 duizend gulden van Hendrik Zonjee uit Uitgeest met als onderpand ‘Een huis, tuin en erf, staande en gelegen te Castricum in het dorp aan de Kerkbuurt, nummer 417, tuin, groot 290vierkante meter en nummer 1400 huis en erf, groot 124 vierkante meter, zijnde nummer 1400 afkomstig van nummer 414.’
Omdat het huis een nieuw kadasternummer heeft gekregen, zal de lening gebruikt zijn voor nieuwbouw of een aanzienlijke verbouwing van het huis; de perceelgrootte is hetzelfde gebleven. Geertje Breedveld (1845-1927) hertrouwt in 1889 met landbouwer Simon Theodorus Mors (1850-1911). Simon is bij Geertje dan nog met haar acht kinderen komen inwonen.

Op 4 september 1898 verkoopt Geertje samen met haar kinderen het bezit aan de Schoolstraat voor 1.000 gulden aan timmerman Jacobus Res. Bij de verkoop wordt het omschreven als ‘een huis, erf en tuintje te Castricum,’ nummer 1691, groot 414 vierkante meter (de percelen 417 en 1400 zijn samengevoegd tot 1691).
Simon Mors wordt in 1890 ingeschreven in het bevolkingsregister met het beroep ‘koopman in manufacturen’. Hij heeft dus het werk van de eerste echtgenoot van zijn vrouw overgenomen; zij blijven in hetzelfde huis wonen en zullen het dus huren van Jacobus Res.
Simon Mors verhuist omstreeks 1904, dan weer als landbouwer, samen met zijn vrouw Geertje Breetveld naar de Duinderbuurt; in dat jaar krijgt het huis namelijk een nieuwe eigenaar-bewoner.


Jaarboek 39, pagina 73

Jacobus Res, timmerman met zijn bedrijf in de Schoolstraat, verkoopt dit pand onderhands op 4 mei 1904 voor 1.400 gulden aan Cornelis Steeman Janszoon, vrachtrijder alhier. Hij heeft de koper al kort daarvoor toestemming gegeven op zijn grond een schuur te bouwen. Het geheel krijgt het kadasternummer B1993.

Cornelis Steeman is vanaf 1890 vrachtrijder, hij gaat wonen in de Schoolstraat. Over zijn expeditiebedrijf vertelt hij uitvoerig in een artikel in het Nieuwsblad van Castricum in 1940, dat is gepubliceerd in het 32e Jaarboek. In dit jaarboek is ook een foto gepubliceerd van hem met zijn vrouw en kinderen omstreeks 1914 bij hun huis in de Schoolstraat.
Cornelis Steeman overlijdt in 1944 in zijn woning aan de Schoolstraat 8 en zijn vrouw Francisca Kuiper overlijdt al eerder in 1938.

415: smidsbaas Pieter Smit (nu Schoolstraat 6)

Dit laatste huis, gerekend vanaf de Breedeweg aan de oostzijde van de Schoolstraat, heeft als dorpssmederij een lange geschiedenis. Het perceel bestaat uit het huis dat is ingericht als smederij (415, groot 192 vierkante meter) en een tuin (416, groot 350 vierkante meter).
Hermanus Esseling uit de Zijpe heeft in 1787 het huis met de smederij gekocht met het ernaast gelegen huisje, waar later zijn zoon Gerrit is gaan wonen (nummer 414). Enkele jaren na het overlijden van Hemanus Esseling verkoopt zijn echtgenote in 1806 het huis met de smederij aan Klaas Mens, een smid uit Alkmaar. Na twintig jaar zijn beroep hier te hebben uitgeoefend, verkoopt de 69-jarige Klaas Mens de smederij in 1826 aan de van Velsen komende 28-jarige Pieter Smit. Deze Pieter vinden we als smid en bewoner in het register van 1830, samen met zijn vrouw Antje Spanjaard, hun twee nog zeer jonge kinderen en smidsknecht Jan Stokkers. Pieter blijft hier niet lang. In 1831 verkoopt hij de smederij aan zijn schoonvader Wouter Spanjaard, die van beroep tapper en later tolgaarder is en die de smederij verhuurt aan Pieter Kuijt. Deze Pieter is heel lang de dorpssmid van Castricum. Hij is in 1805 geboren in Houtrijk en Polanen, woont na zijn huwelijk in 1829 in Spaarndam en vanaf 1831 in Castricum. Twee dochters van Pieter trouwen met de Castricumse broers Dirk en Klaas Steeman. Pieter koopt de smederij van Wouter Spanjaard in 1837. Pas op 76-jarige leeftijd wordt bij de boedelscheiding na het overlijden van zijn vrouw het bedrijf in 1881 toegewezen aan zijn zoon Jacob Kuijt. Al twee jaar later verkoopt deze Jacob tijdens een openbare verkoping in 1883 de smederij aan de smid Jan de Groot, die vanaf 1909 een vennootschap aangaat met Dorus de Groot, die vanaf 1918 het bedrijf eerst alleen voortzet en later wordt opgevolgd door zijn zoons Kees en Piet de Groot.

De familie De Groot voor hun smederij aan de Schoolstraat in 1913.
De familie De Groot voor hun smederij aan de Schoolstraat in 1913. V.l.n.r. Gré, moeder Anna Castricum, Nel op haar arm, Ans en Rie, vader Dorus, Greet Beentjes, Klaas Wezel en Nelis Castricum.

Tussen de smederij en de Dorpsstraat ligt in 1830 een boomgaard die hoort bij het aan de overzijde van de Dorpsstraat gelegen landgoed Zorgvlied, in de vorige eeuw Hermana State geheten, dat in 1968 is gesloopt.

Simon Zuurbier

Bronnen:

  • Kadaster: Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels, Minuutplans en hypothecaire registers;
  • Archief Gemeente Castricum aanwezig op het Streek- archief te Alkmaar;
  • Notariële archieven te Alkmaar en Haarlem;
  • Bevolkingsregisters en Burgerlijke Stand.


Print Friendly, PDF & Email