Schotvanger, Dirk (Jaarboek 32 2009 pg 71-78)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over personen: Asjes, AlbertBakker, ThijsBoreel van Hogelanden, JacobDeelen, Derk vanDekker, DirkGevers, FritsGinhoven van, HuibertHageman, ArieHeeck, CorHeideman, HenkHeimans EliHoberg, JanHurk, Gesina van derJacobi, Jan Willem – Jacobs-Wentink, Gré – Kieft, Pieter – Kortenoever, EldertKraakman, JacobKramer, MatthijsKrist, MeineLeenaers, HenriLommen, PietMooij, CorMooij, Geertje ten WoldeNuhout van der Veen, JoachimPeperkamp, CorPortegies, SijfQuack, Jan deRendorp, JacobRommel, AlbertSchotvanger, DirkStuyt, JanToepoel, LeoTulp, LideTwisk, EngelVeldt, KlaasVlaanderen-Boot, Tiny vanWeenen, Wub vanZaalberg, Hermanus


Jaarboek 32, pagina 71

Dirk Schotvanger op weg naar de 100

‘’Bij een goed gesprek lust ik wel een biertje”

Dirk Schotvanger hoopt op 4 oktober 2009 honderd jaar te worden. Hij werd geboren in café De Harmonie, in het jaar dat Duin en Bosch werd geopend en twee jaar voordat het oude raadhuis werd gebouwd. Hij bleef ongetrouwd maar trok zijn leven lang op met zijn vriend Wim Kuijs. Beiden woonden samen met hun ongetrouwde zusters. Dirk woont nu alleen en kookt nog zijn eigen potje. Hij heeft geen televisie, maar leest de krant en leest en herleest zijn boeken over de luchtvaart en de scheepvaart: “Geen romannetjes hoor.” De watersport was zijn grote passie. Zestig jaar lang fietste hij bijna elke dag van Castricum naar het Uitgeestermeer. We kijken samen met hem terug in de tijd.

Dirk Schotvanger weer thuis na zijn dagelijkse fietstochtje in Castricum en omgeving (mei 2009).
Dirk Schotvanger weer thuis na zijn dagelijkse fietstochtje in Castricum en omgeving (mei 2009).

Levensloop Dirk Schotvanger

1909 De Harmonie gebouwd.
1909 4 oktober geboren in Castricum (Wim Kuijs werd op 4 maart van hetzelfde jaar geboren).
1915 1915-1923 openbare lagere school en korte tijd op de katholieke jongensschool.
1924  De Harmonie verkocht en vader Piet Schotvanger begint samen met Willem Borst een strandtent.
1925  Onder andere werkzaam bij Drukkerij Dante Alighieri, gevestigd aan de Korte Cieweg.
1927 Scheepsjongen en lichtmatroos op het stoomschip ‘Blitar’.
1929 Aan het werk bij een bedrijf voor aanleg van stoompijpen in IJmuiden.
1932 Gezin verhuist naar Bakkummerstraat 22 en vandaar naar Amsterdam.
1932 19 juni Gezin Schotvanger terug uit Amsterdam en naar woning Dorpsstraat 44.
1938  Moeder Anna Schotvanger – Bisschop 17 december overleden .
1939  Dirk verhuist naar Dorpsstraat 51 (Zaadhandel Kuijs was van 1909-1951 op dat adres gevestigd) en bouwt daar zijn eerste boot de ‘Spirit’.
1941 Werkzaam in Frankrijk en Duitsland.
1946 Vanaf augustus werkzaam op Duin en Bosch als huisknecht op de Hooge Steeg; later hulpkok. Zijn vier zusters zijn daar dan al werkzaam. Vriend Wim Kuijs werkt er ook vanaf november.
1952 Dirk gaat samen wonen met zijn zusters Leen, Marie en Jans in Jan Hobergstraat. In 1955 terug naar Dorpsstraat 44; 1972 naar de Verlegde Overtoom en in 1974 opnieuw Jan Hobergstraat.
1957 Vader Pieter Schotvanger 4 januari overleden.
1974 Gepensioneerd bij Duin en Bosch, net als Wim Kuijs.
1980 Dirk gaat alleen wonen in het Rusthof.
1989 Vriend Wim Kuijs 23 februari overleden.
2004 Dirk verkoopt zijn tiende en laatste boot.

1910, Burgemeester Mooijstraat 39: het vroegere theehuis de Harmonie, voor velen een opsteek naar het Provinciaal Zieken huis Duin en Bosch, nu al jaren lang een chinees restaurant. De eerste eigenaar is P. Schotvanger.
1910, Burgemeester Mooijstraat 39: het vroegere theehuis de Harmonie, voor velen een opsteek naar het Provinciaal Ziekenhuis Duin en Bosch, nu al jaren lang een chinees restaurant. De eerste eigenaar is P. Schotvanger.

“Ik ben in 1909 geboren in café De Harmonie wat nu een Chinees restaurant is, op de hoek van de Burgemeester Mooijstraat en de Stationsweg. Opzij van het café was een steeg en daar was de ingang van het woonhuis. Je had er twee ramen van de huiskamer. Aan de kant van de straatweg zat een slaapkamer. De kinderen sliepen boven op de zolder.
Mijn ouders kregen tien kinderen, waarvan er twee jong overleden. Baafie is in de oorlog in een sanatorium aan tbc overleden Het waren drie jongens en zeven meisjes. Ik heb nog een zuster Anna Schotvanger, die 10 jaar jonger is. Al mijn zusters hebben, net als ik, op Duin en Bosch gewerkt. Jaap mijn oudere broer heeft gevaren.

Het dorp van vroeger was niet veel meer dan de Dorpsstraat en de Burgemeester Mooijstraat. Bakkum lag een end weg. De Mient was ook een verlaten straat met een paar huizen. Er waren veel tuinderijen. In het dorp kon je iedereen. Achter het station had je de Duinkant. Aan het


Jaarboek 32, pagina 72

Slingerpad woonde Grote Jan Brakenhoff. Het was zo’n barbaars figuur. Daar waren we allemaal doodsbang van. Daar had je zijn tuindershuis en dan keek je of ie er niet was en dan sloop je achter het huisje om. Hij stond ook achterin de kerk met zo’n rooie band om, waarop stond ‘Eerbied in Gods Huis’. Nou dan hield je je wel stil.

Stuifbergen had aan de Kramersweg een primitief winkeltje, voor een paar klanten maar. Het tuinderijtje ‘De Papenberg’ dat was een pracht spulletje. Alles afgebroken. Jammer, jammer. Piet van Duin en Nelis Stolk van de radiodistributie woonden er. Het hele dorp was aangesloten.
Het trammetje reed door het dorp. Ik zie het nog voor me. ‘Stofie’ noemden we het locomotiefje, het was zo’n vierkant gevalletje. Hij stopte bij café Van Benthem in de bocht van de Dorpsstraat. Ik was nogal een kwajongen. Ik had zo’n ouwe teil en die bond ik met een eind touw achter de tram. Zo ging ie door het dorp.
Zelf ging je nooit met de tram mee. Je kwam nergens. Je woonde in het dorp en je bleef in het dorp. Als je naar Alkmaar ging dan ging je echt uit. Als je een nieuw pak ging halen met moeder dan ging je met de tram naar Alkmaar. Dat was een hele belevenis.

Het café-restaurant De Harmonie, hoek Burgemeester Mooijstraat en Stationsweg, is nu ook 100 jaar oud.
Het café-restaurant De Harmonie, hoek Burgemeester Mooijstraat en Stationsweg, is nu ook 100 jaar oud.

De Harmonie

Mijn vader en moeder, Pieter Schotvanger en Anna Bisschop, waren hele goede mensen. Mijn moeder kwam uit een goeie boerenstand. Mijn vader kwam ook uit een goede familie. De ouders van mijn vader, Jacob Schotvanger en Grietje Kuijs, waren ook boer.

 Anna Schotvanger - Bisschop (1880-1938).
Anna Schotvanger – Bisschop (1880-1938).

Het moeten rijke mensen geweest zijn. De zuster van mijn vader, tante Jans, kreeg een boerderij met koeien, die stond op de hoek van de Geelvinckstraat, waar nu een slagerij zit. Er lag een weiland tussen het café en de boerderij. We konden zo over en weer lopen. Tijdens de kermis werd er altijd wat gebouwd, een draaimolen of iets dergelijks. De draaimolen was van Braak uit Egmond. Er liep een paardje in.
Mijn grootvader heeft voor mijn vader in 1909 het café De Harmonie laten bouwen, met een toneelzaal en met coulissen, alles compleet.

Mijn vader was van oorsprong bakker. Op de Overtoom had je een bakkerij tussen het huis van de dominee en het armenhuis. Daar is hij begonnen, geloof ik. Mijn moeder werkte veel in de zaak. Mijn vader was een volbloed jager en hij trok zich weinig aan van het café. Moeder stond achter het buffet. Ze kookte ook als er hotelgasten waren, maar die waren er niet veel toentertijd. Het was gewoon een café. Het was geen drukke zaak. Onder andere Piet Kuijs en meneer Winkeler van de Castricummer krant kwamen daar vaak een borreltje halen. De mannen gingen allemaal naar het café. Dat is niet meer zo. Ik heb er genoeg meegemaakt die, als ze geld hadden gekregen, dat meteen in het café opmaakten.

Met kermissen trad het duo Groot er op. Ze zongen liederen waar ik helemaal niet van hield.
De kermis van vroeger is niet te vergelijken met tegenwoordig. Een heel andere tijd. Met Sinterklaas werden er spelletjes gedaan in de bakkerijen, dat noemde je ‘smakken’. Een draaibord met dobbelstenen en dan kon je prijzen winnen.
Ik was geen kermisklant. Ik hield wel van klassieke muziek. Het was niet zozeer een danscafé. Je kon er een biertje drinken en een gesprek voeren. Iets eenvoudigs eten kon ook wel, maar het was geen restaurant. Boven waren een paar hotelkamers.
In de grote zaal werd ook aan de schietsport gedaan. Ze schoten met luchtbuksen op een ronde schijf. Mijn vader is nog voorzitter geweest van de schietvereniging.

Piet Schotvanger (links) en Willem Borst gingen samen vaak op jacht en begonnen in 1924 een strandtent.
Piet Schotvanger (links) en Willem Borst gingen samen vaak op jacht en begonnen in 1924 een strandtent.

Mijn vader was geen slechte man, maar hij leefde zomaar voor de voet op; hij was erg makkelijk en heeft wel van het leven genoten. Hij heeft geleefd zoals ie zelf wou. Het was een echte jager. Hij had mooie wapens. Hij had ook jachtvrienden in Amsterdam. Ze kwamen uit een goede stand. Ze jaagden in de duinen en in de polder op de hazenjacht en in het duin op de konijnenjacht. We hebben altijd veel wild gegeten vroeger en dat was heerlijk.


Jaarboek 32, pagina 73

Het café moest uiteindelijk verkocht worden. Het zou anders wel tot een faillissement zijn gekomen. We verhuisden rond 1932 naar de Bakkummerstraat. Ik woonde nog thuis. We hebben daarna nog een tijdje in Amsterdam gewoond. Vader zou daar wat beginnen. Wij gingen naar Amsterdam; moeder met de kinderen. Maar hij bleef in Castricum. Hij ging niet mee, hoewel hij wat zou beginnen in Amsterdam. Dat zat helemaal niet goed. Toen zijn wij gauw weer terug gegaan, want moeder kon daar niet wennen.
We gingen naar Dorpsstraat 44, een huisje naast de manufacturenzaak van Twisk. Vader kwam daar ook weer wonen. Het was een man met weinig verantwoording. Wij werden groter en gingen ook verdienen. Dat loste zich vanzelf ook wel weer op.

De strandexploitatie van Borst en Schotvanger.
De strandexploitatie van Borst en Schotvanger.

Mijn vader is ook nog strandexploitant geweest, samen met Willem Borst, een van zijn jachtvrienden. Willem was (redactie: sinds 1915) ook de baas van café Borst. Ze verhuurden badstoelen en badhuisjes, waar je je kon verkleden. Er was ook een consumptietent bij. Dat hebben ze toch nog vrij lang volgehouden. Ik weet er weinig meer vanaf.

Het stoomschip Blitar van de Rotterdamsche Lloyd waarmee Dirk Schotvanger als scheepsjongen en lichtmatroos rond 1927 enkele reizen maakte.
Het stoomschip Blitar van de Rotterdamsche Lloyd waarmee Dirk Schotvanger als scheepsjongen en lichtmatroos rond 1927 enkele reizen maakte.

Grote vaart

Als kapitein Rommel binnen was, kwam er altijd speciaal publiek naar het café, nieuwsgierig naar zijn verhalen. De kapitein kwam in het buitenland en dat was toen iets bijzonders.

Zelf heb ik ook gevaren en als je binnenkwam, wilde iedereen verhalen horen. Dat was toen interessant, maar nu niet meer. Ik ben bij de Rotterdamse Lloyd gekomen met hulp van kapitein Rommel. Hij hielp me aan boord. Het was niet zo makkelijk in die dagen. Toen zijn schip en ons schip Blitar elkaar passeerden in het Suezkanaal stuurde hij mij een telegram waarin hij me de groeten deed. Ik heb ook een telegram teruggestuurd. De rest van de bemanning keek er wel van op dat ik van een kapitein een telegram kreeg.

1927: Dirk Schotvanger aan boord van stoomschip Blitar.
1927: Dirk Schotvanger aan boord van stoomschip Blitar.

Ik was eerst scheepsjongen of dekjongen en later was ik ‘matroos onder de gage’ of lichtmatroos, dat wil zeggen een rang onder matroos. Ik verdiende 50 gulden in


Jaarboek 32, pagina 74

de maand en een matroos 100 gulden. Als scheepsjongen moest ik de ene week de ‘foksels’ (zie voetnoot 1) bijhouden en het eten verzorgen. Om kwart voor twaalf ging je met die balies naar de kombuis het eten ophalen en dat zette je op die bakstafels (zie voetnoot 2). Je moest de borden en het bestek klaar zetten en daarna natuurlijk alles weer afwassen.
Als lichtmatroos moest je wel eens invallen voor de matrozen en liep je ook wacht ‘s nachts op de voorplecht. Dan had je een fluit en als er dan een schip in het zicht kwam dan moest je blazen. Eén stoot voor stuurboord en drie keer voor bakboord. Midscheeps vooruit één stoot. Ik ben ook vaak roerganger geweest.

Scheepsjongen Dirk zittend achter de bootsman (met pijp) en andere collega’s op het dek van de Blitar.
Scheepsjongen Dirk zittend achter de bootsman (met pijp) en andere collega’s op het dek van de Blitar.

De zee boeide me. Je hoorde die verhalen en je las erover en dat doe ik nu nog. Ik lees nog ‘De Blauwe Wimpel’. Mijn boekenkast staat vol met boeken over de zeevaart en de luchtvaart. De wet van Bernoulli weet je wel: waar de stroom staat is de druk het zwakste (zie voetnoot 3).

Ik heb gevaren op de Java – New York lijn. De Blitar was een mooi, modern schip hoor. Ik heb twee reizen gemaakt van acht maanden. Ik was toen een jaar of 17, 18. Je ging van Rotterdam eerst naar Hamburg om te laden. Kloosterbier en pijpleidingen voor de olie-industrie die op gang kwam.
Dan ging je naar Indië en daar stampte je het schip vol met specerijen en dan door naar Amerika. Na de Indische oceaan (14 dagen) kreeg je een week de Middellandse Zee en dan kreeg je weer 14 dagen de Atlantische Oceaan. Je zat zowat een maand aan boord zonder dat je land zag. De vrachtschepen hadden zo’n twaalf passagiers aan boord. Ik was nog jong en toen liep ik al op Broadway te wandelen met twee of drie dollar in mijn zak. Als je vroeger in Amerika was geweest dan keken ze nog tegen je op. Nu niet meer. Het ligt vlak naast de deur vandaag de dag.

Bijzonder was dat we in Indië ook wel pelgrims vervoerden, de ‘hadjes’ voor hun reis naar Mekka. Als je de kust afvoer dan kwamen van Makassar af de hadjes aan boord. In al die plaatsen die je aandeed, kwamen ze aan boord. Die gingen naar Djeddah. Dan had je er soms 1000 aan boord. Ze sliepen allemaal in de ruimen; daar waren geen hutten voor. Ze hadden allemaal een vak toegewezen. Daar konden ze dan zelf hun ‘tampatje’ spreiden. Het waren wel speciale schepen die hadjes vervoerden. Die hadden teakhouten dekken, anders was het verboden.

Als je in Semarang was, kreeg je de oversteek over de Indische oceaan en de Rode Zee. Zo’n 14 dagen had je ze aan boord. In Djeddah werden ze geëmbarkeerd; met boten gingen ze naar de wal. Dan moesten ze nog een eind door de woestijn lopen. Ze aten rijst met een beetje sajoer (red: groentegerecht). Er was dan een speciale kok aan boord die rijst kookte.
Het was een hele gebeurtenis, maar ik heb het wel meegemaakt. Ik vond het jammer dat ik geen fototoestel had. Het was in die arme tijd. Zo’n doosje kostte zes gulden.

Er gingen ook wel mensen dood. Voordat we in een haven aankwamen, ging er meestal wel eentje over boord. Ik vond het altijd interessant en ging dan op het sloependek kijken. De ‘kappelhadje’ (zie voetnoot 4) sprak wat woorden en dan gleed het lichaam in een wit laken overboord. Dan zag ik hem heel in de diepte in het glasheldere water nog gaan. De kappelhadje regelde alles aan boord.

Ik heb zo’n 16 maanden gevaren. De mensen lagen me niet, die hadden hele andere ideeën. Ik zag mezelf toch geen carrière maken. Het zat er niet in dat ik matroos kon worden of stuurman. Het was niet omdat ik mijn familie miste of zo. Mijn moeder vond het wel mooi dat ik weer uitvoer: “Dan is hij maar van de baan.” Er was tenslotte veel werkeloosheid.
Ik dacht mijn hele leven op zee dat hoeft ook niet. Toen ben ik aan de watersport begonnen; dat was mijn ideaal. Ik dacht, ik ga voor mezelf beginnen.

Watersport

Daar heb ik een mooie tijd mee meegemaakt met de watersport, zowel met zeilen als met de motorboot. Ik had mijn eigen boot gebouwd. Niet zo’n klein scheepje, nog een kajuitboot ook, want ik dacht ik moet er in kunnen koken, bakken en braden en slapen. En dat heb ik gedaan. Het was niet zomaar zo’n melkschuitje hoor. De boot had een lang voordek en een kajuit voor twee of drie mensen en nog een achterdekkie, waar ook iemand kon zitten. Het was een mooie sportieve boot. Een tekening had ik niet. Je lag een kielbalk en je begon maar. Je ging al bouwende heen. Recht toe, recht aan. Ik bekleedde hem helemaal met zinken platen. Dat was makkelijk werken met zink, dat kon je snijden.

Ik was lang bevriend met Wim Kuijs. Boven de zaadhandel van Kuijs heb ik een kamertje gebouwd. Daar heb ik heerlijk gewoond. Ik heb de boten in de zaadschuur gebouwd. Na de mo-


Voetnoten:

  1. Foksel is het scheepsjargon voor het slaapverblijf van de matrozen. Het woord komt van fore-castle: het voorkasteel van middeleeuwse schepen.
  2. Het voorschip heet de bak en daar was het bemanningsverblijf.
  3. De wet van Bernouilli is in de 18e eeuw beschreven door Daniel Bernouilli en komt erop neer dat de druk lager wordt als de stroomsnelheid toeneemt.
  4. Kapal Hadji is Maleis voor: schip voor vervoer van hadjis (pelgrims).

Jaarboek 32, pagina 75

torboot de Spirit heb ik nog een zeilkruiser gebouwd: de Bounty. Het was een bakdekker. De kajuit was helemaal doorgebouwd dat gaf de meeste ruimte. Je moest er kennen huizen. Kuijs had een mooie lange schuur achter met een hoop ruimte die praktisch niet gebruikt werd en daar bouwde ik hem. Hij kon precies de deur uit op de streep af, twee meter breed.
Voor Jan Heideman van de manufacturenzaak van vroeger heb ik een tweede zeilboot gebouwd: de Clipper. Ik heb ook nog bij hem gewerkt als stoffeerder.
Wim Kuijs kon geen hamer vasthouden en hij hielp niet mee. Hij keek maar toe. Hij had een hele andere inslag als ik; hij had weer andere kwaliteiten. De watersport was zijn leven niet, maar hij ging wel altijd mee.

De zeilboten de Bounty en de Clipper die Dirk Schotvanger heeft gebouwd bij de Zaadhandel Kuijs (thans ‘t Eethuysje).
De zeilboten de Bounty en de Clipper die Dirk Schotvanger heeft gebouwd bij de Zaadhandel Kuijs (thans ‘t Eethuysje). V.l.n.r. Dirk, Wim Kuijs, Annie Twisk en Jan Heideman.

Een jaar later kocht ik een kajuitjachtje/motorkruiser wat al klaar was. Die heette de Triton. We zaten onder andere op het IJsselmeer. Later heb ik nog met een Canadees ook op zee gevaren. Een Canadees is een Indiaanse kano met pagaaien. Er zat veel meer ruimte in dan in een gewone kano. We gingen door het Noord-Hollands Kanaal naar Den Helder en dan langs de kust terug en bij IJmuiden weer naar binnen ‘s nachts om 2 uur. Ik zal het nooit vergeten; het was prachtig weer en als er wat zou gebeuren dan zat je zo weer aan de wal.
Het was een mooie tijd. Het is allemaal voorbij; ik leef nog op mijn herinneringen.

Dirk aan het roer van zijn motorkruiser Triton.
Dirk aan het roer van zijn motorkruiser Triton.

We hebben veel vrienden opgedaan op het water. Met de familie Vrolijk, Kaars Sijpestijn en Ab Vooges. Wim en ik waren nogal gewilde mensen. We hadden gauw contact met andere mensen en hadden interessante vrienden.

Lagere school

Ik heb in Castricum alleen lagere school gehad. Ik heb mijn eerste schooljaren op de lagere school in de Schoolstraat gezeten. In het raadhuis woonde hoofdmeester Bussen nog. Meester Dekker was er ook, die had een bochel. Ik heb geen les van hem gehad. Je gebruikte een leitje en een griffel op school. Als je erg je best deed dan kreeg je een fabel; dat was een zachtere stift, daar kon je mooier mee schrijven.
Later kwam de katholieke jongens- en meisjesschool. Dat vond ik helemaal niet prettig. Ik ging liever naar die ouwe school; allemaal meisjes en jongens door elkaar en alle geloven door elkaar. Toen werd het allemaal gescheiden. Ik vond dat niet leuk. Moest je ‘s morgens, allemaal in de rij, eerst naar de kerk voordat je naar school ging. De mis van achten. Je was je vrijheid kwijt, want je moest naar de kerk. Het werd allemaal genoteerd of je wel was geweest of niet. Het stond me helemaal niet aan.
Meester Van Westen was ook zo’n fijne katholiek. Nee, dat lag me helemaal niet. Ze zagen het aan me en ze moesten me niet.

Dirk met zijn trouwe vriend Wim Kuijs.
Dirk met zijn trouwe vriend Wim Kuijs.

Meester Koot was een heel goeie onderwijzer en ook een heel goed mens, eenvoudig en hij wist met kinderen om te gaan. Ik was geen goeie leerling dat durf ik gerust te bekennen, maar ik heb het altijd goed gemaakt in mijn leven. Ik heb van het leven genoten, samen met Wim Kuijs. Op school waren we nog niet bevriend. Dat kwam na de schooltijd pas. Dat was trouwens iemand met een heel andere inslag, dat was meer een humorist. Hij trad ook op in de crisisjaren samen met Jan Liefting. Ze traden op in cafés en bij bruiloften en partijen, daar verdienden ze geld mee. Van dat geld bouwden we onze zeilboot.


Jaarboek 32, pagina 76

Het was een slechte tijd; er was geen werk. In mijn jonge jaren woonde ik in De Harmonie en gestempeld heb ik eigenlijk nooit. Ik zat in de middenstand en dat was mijn geluk. Ik ben er altijd nog dankbaar voor dat het stempelen (zie voetnoot 5) mij bespaard is gebleven. Als je daar buiten kon blijven was dat wel heerlijk. We hadden het thuis nog wel middelmatig goed. Dat kon lijen.
Ik heb nooit meegewerkt in de zaak. Wel mijn oudere broer. Als ik geen werk had, leefde ik dus op kosten van mijn ouders; dat kon, want je zat in de middenstand.

Duin en Bosch

Eerst werkte ik nog een tijdje bij een bedrijf in IJmuiden, dat stoomleidingen aanlegde in de machinekamer van trawlers. Tenslotte heb ik bijna 30 jaar bij Duin en Bosch gewerkt en ben daar gepensioneerd met een heel leuk pensioen. Ik mag niet mopperen. Ik werkte in de keuken als hulpkok. Daar heb ik een mooie tijd gewerkt en daar zat ik goed.

De patiënten van Duin en Bosch hadden gestichtskleding aan. Je was een getekende als je krankzinnig was. In groepjes gingen ze wel wandelen in het dorp. Je had ze ook die kwamen nooit meer op straat.
Dat patiënten de kolenwagon naar het ziekenhuis moesten trekken, zoals wel eens wordt verteld, heb ik nooit gezien. Ik weet wel dat Jo Borst dat deed met een trekker en daarvoor trok een paard die wagon.

Castricummer courant

Toen ik van school kwam heb ik eerst nog een paar jaar op de drukkerij Dante Alighieri gewerkt; toen kwam net (1924) ‘de Castricummer’ uit. Daar ging ik toen abonnees voor zoeken en dat bracht ook nog wat geld op. Het abonnementsgeld was 1 gulden per maand en de krant kwam één keer per week net als nu. Ik was ook bezig in de afdeling boekbinderij, boeken innaaien en ik vouwde kranten. Er stonden twee grote drukpersen en een kleine voor kaartjes en zo. De zetters van de krant kwamen met de trein uit Alkmaar. De directeur was Winkeler die schreef ook stukken in de krant onder de naam ‘Barbertje’. Het was een bekende man in het dorp. Hij zat altijd in de cafés, want daar deed hij alle dorpsnieuwtjes op. Daar moest hij het toch van hebben.
Ik hoefde niet in militaire dienst. Mijn broer heeft gediend. Hij zat in de tuinderij. Dat was overigens werk waar ik helemaal niet van hield.
Ik heb burgemeester Mooij nog meegemaakt. Hij woonde aan de Dorpsstraat waar later de winkel van De Rooij in kwam. Zijn vrouw droeg nog een gouden Friese kap. Het was een halve kap met kant. Het was echt een Westfriese dracht. Je keek natuurlijk erg tegen hem op.
Onze dokter was Schoonhoff, die in Hermana State woonde, wat later van Heideman werd. Schoonhoff was een echt geneesheertype. Statig met een rechtopstaand kuiffie. Nu zeggen ze dokter en toen zeiden ze geneesheer. In Hermana State heb ik vroeger nog gespeeld als kind, want ik was bevriend met Gé Heideman. Die werd later stuurman; ik weet niet of hij nog leeft.

Dirk Schotvanger
Dirk Schotvanger

Oorlog

In de oorlog heb ik ook in Frankrijk gewerkt. Ik stapte in de trein en ik dacht, ik blijf net zo lang zitten totdat hij aan het eind is. Dat was bij de Spaanse grens. Toen stapte ik er uit. Daar heb ik nog een heerlijke tijd meegemaakt. Ik was de hele oorlog vergeten. Ik genoot gewoon. Er was een haven met mooie schepen. Het was een plaatsje tegen Biarritz aan. Ik heb daar materiaal gelost voor de Spoorwegen. Je werkte wel voor de Duitse Wehrmacht. Iedereen werkte ervoor. Ik was toen alleen. Wim had dat niet. Ik heb daar denk ik een maand of drie gewerkt. Toen dacht ik: “Nou gaan ’k naar huis. Toen ging ik zogenaamd op vakantie en ben niet meer teruggegaan.”


Voetnoot
5. In de jaren (negentien)dertig moesten steuntrekkers twee keer per dag een stempel halen op het gemeentehuis om te voorkomen dat ze stiekem bijklusten.


Jaarboek 32, pagina 77

Ik heb ook in Duitsland gewerkt. Ik liet me niet sturen, ik ging maar, samen met me maat Wim en zijn broer Henk. We kwamen terecht in een klein dorpje, effe over de grens met Limburg. Uiteindelijk moet je toch en ik dacht ik ga gewoon en ik heb het hartstikke goed gehad. ‘s Avonds gingen wij bij een bakkersfamilie koffie drinken. Het zijn nog kennissen, die kinderen van de familie dan. Ik heb allerlei soorten werk gedaan, ook bij een bouwbedrijf. Hier was geen werk en er was grote werkeloosheid. De oorlog brak uit en toen kon je overal werken. Ik wou wel wat van de wereld zien, ik zocht het avontuur.

Dirk Schotvanger leest en herleest zijn boeken en tijdschriften over scheepvaart en luchtvaart.
Dirk Schotvanger leest en herleest zijn boeken en tijdschriften over scheepvaart en luchtvaart.

Terugblik

Televisie heb ik nooit gehad. Als ik maar kan lezen. Kijk maar naar mijn boekenkast. Daar staan geen gewone romannetjes in; allemaal boeken over de scheepvaart en de luchtvaart. Dat heb me altijd geïnteresseerd. Mijn mooiste boeken waren vroeger die van Karel May met verhalen over Winnetou en Old Shatterhand. Nu zijn het al mijn maritieme boeken, over Kaap Hoorn en drie delen van Antonie van Kampen over het leven van Mary Bryant. Alles over de ontwikkeling van de luchtvaart interesseert me ook. De mooiste tijd van mijn leven was toen ik mijn eerste boot bouwde. Het was niet zo maar een melkschuitje hoor. Met een mooi lang voordek. Mooi raam en een cockpit. Toen hij klaar was gingen we er meteen binnendoor mee naar Rotterdam.

Zo van de lagere school ben ik aan het werk gegaan. Ik was geen beste leerling en thuis waren ze erg makkelijk. Oh, dan ga je maar op een fabriek werken.
Ik neem het leven zoals het komt. Toen mijn vriend overleed waarmee ik toch mijn hele leven ben opgetrokken en hem in die kist zag liggen, heb ik dat gewoon aanvaard.

Dirk: Nu ben ik 99 en ik haal de 100 hoor. Ik haal het vliegens, want ik ben zo gezond als een vis. Alleen mijn gehoor gaat steeds verder achteruit. Maar goed, ik mag niet mopperen. Ik kan nog alles doen.”

Niek Kaan

Stamboom van Dirk Schotvanger

Pieter Schotvanger, de overgrootvader van de 100-jarige Dirk, woonde gedurende zijn jeugd in Limmen en vestigt zich in 1825 in Castricum. Hij zal in de Castricumse politiek een belangrijke rol vervullen. Vele jaren is hij wethouder. Als in 1837 Pieter Kieft, de burgemeester van Castricum, wegens fraude wordt gearresteerd, neemt Pieter Schotvanger als wethouder tijdelijk het ambt van burgemeester waar.

Pieter Schotvanger, zoon van Dirk Pietersz Schotvanger en Guurtje Jansdr. Bruijn, geb. Castricum ca. 1797, veehouder, ontvanger van de polderbelasting, wethouder en loco-burgemeester, woonde eerst in Limmen, vanaf 1825 in de Oosterbuurt (op een boerderij ter plaatse van boerderij De Wildt, omgeving Breedeweg – Rollerusstraat – Doodweg), overl. Castricum 12-12-1858, trouwt (1) in Limmen 12-10-1823 met Jannetje Pepping, ged. Limmen 17-3-1803, overl. Castricum 9-12-1842, dr. van Jan Willemsz Pepping en Maartje Cornelis Groot; trouwt (2) in Castricum 18-2-1844 met Arendje Kuijs, geb. Castricum 16-9-1822, boerin, overl. Castricum 28-2-1904, hertrouwt met Dirk Meijne, dr. van Pieter Jansz Kuijs en Maartje Bruijn.
Uit zijn eerste huwelijk had Pieter 11 kinderen en uit het tweede huwelijk nog 8 kinderen. Meerdere kinderen zijn op jonge leeftijd overleden; 10 van hen hebben de volwassen leeftijd niet bereikt.

Als 16e kind van Pieter wordt uit zijn 2e huwelijk op 5 maart 1850 geboren Jacob Schotvanger, de grootvader van de nu 100-jarige Dirk Schotvanger.

Jacob Schotvanger, zoon van Pieter Schotvanger en Arend- je Kuijs, geb. 5-3-1850, landman, landbouwer, woonde aan het einde van de Burg. Mooijstraat, laat in 1909 voor zijn enige zoon Pieter café De Harmonie bouwen, overl. 12-11-1915, tr. Castricum 24-4-1879 met Grietje Kuijs, geb. Ursem 11-9-1851, overl. Castricum 29-3-1927, dr. van Pieter Kuijs en Jannetje Schoorl.

Kinderen geboren te Castricum:

  1. Pieter geb. 17-4-1881, trouwt met Anna Bisschop. Zie vervolg.
  2. Johanna geb. 25-1-1883, woonde in Castricum, aldaar overl. 26-1-1958, trouwt in Castricum 17-5-1905 met Joannes Brandjes, geb. Uitgeest 8-9-1879, landbouwer, overl. Castricum 27-6-1964, zoon van Nicolaas Brandjes en Eva Cornelisse.
  3. Klasina geb. 14-1-1885, overl. Castricum 28- 12-1886.
  4. Anna geb. 28-9-1887, overl. Castricum 29- 10-1887.

Deze enige zoon Pieter Schotvanger is de vader van de nu 100-jarige Dirk Schotvanger.


Jaarboek 32, pagina 78

Pieter Schotvanger, zoon van Jacob Schotvanger er Griet- je Kuijs, geb. Castricum 17-4-1881, eerst broodbakker in een bakkerij tegenover de melkfabriek aan de Overtoom, vanaf 1909 caféhouder, sinds 1924 strandexploitant, woonde in café De Harmonie, vanaf 1924 aan de Bak- kummerstraat, vestigt zich met zijn gezin op 24 maart 1932 in Amsterdam; zijn vrouw komt enkele maanden la- ter op 19-7-1932 weer terug in Castricum en gaat wonen op de Dorpsstraat nr. 44. Haar man Pieter blijft nog tot 30-10-1933 in Amsterdam wonen. Hij is overl. Castricum 4-1-1957, tr. Berkhout 21-4-1904 met Anna Bisschop, geb. Berkhout 23-11-1880, overl. Castricum 17-12-1938, dr. van Dorus Bisschop en Baafje Groot.

De zusters van Dirk Schotvanger.
De zusters van Dirk Schotvanger v.l.n.r. Griet, Marie, Jans, Annie en Lena.

Kinderen geboren te Castricum:

  1. Baafje geb. 14-2-1905, ongehuwd overl. Alkmaar 15-10-1944.
  2. Jacobus (Jaap) geb. 31-3-1906, eerst groenteboer, werkte later bij Hoogovens, overl. Beverwijk 11-7-1992, woonde te Velsen, overl. Beverwijk 11-6-1992, trouwt in Castricum 4-5-1932 met Anna Meijne, geb. Castricum 22-2-1912, overl. Santpoort 5-8-2002, dr. van Pieter Meijne en Wilhelmina Liefting.
  3. Helena Margaretha (Lena) geb. 20-3-1907, werkte op Duin en Bosch, ongehuwd, overl. Castricum 21-10-1985.
  4. Grietje geb. 1-9-1908, overl. Beverwijk 4-8- 1987, tr. Castricum 1-3-1938 met Henderikus J. Kuijl, geb. Wijk aan Zee en Duin 3-12-1910, medewerker bij Hoogovens, overl. Beverwijk 15- 2-1968, zn. van Johannes W. Kuijl en Anna E. Bruijns.
  5. Dirk (red: waarover dit artikel gaat) geb. 4-10-1909, werkte op Duin en Bosch, woont op Rusthof, ongehuwd.
  6. Anna geb. 30-10-1910, overl. Castricum 7-2-1911.
  7. Marie geb. 23-1-1912, werkte op Duin en Bosch, ongehuwd, overl. Castricum 26-6-2000.
  8. Jan geb. 8-2-1913, overl. Castricum 26-9- 1913.
  9. Johanna (Jans) geb. 2-10-1914, werkte op Duin en Bosch, ongehuwd, overl. Castricum 7-4-2004.
  10. Anna geb. 4-6-1919, trouwt in Castricum 29-8- 1946 met Theodorus Kuijl, geb. Wijk aan Zee en Duin 9-9-1919, werkte op Duin en Bosch, overl. Castricum 27- 11-1998, zoon van Johannes W. Kuijl en Anna E. Bruijns.


Print Friendly, PDF & Email