Schulpvaart (Jaarboek 21 1998 pg 19-23)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 21, pagina 19

 

De Schulpvaart

 

De Schulpvaart slingert zich vanaf de duinrand onder Bakkum door het weidegebied van Bakkum, Castricum, Limmen en Akersloot, om vervolgens in het Alkmaardermeer uit te monden. De Schulpvaart is een natuurlijke afwatering van het duin- en polderwater en bestaat al vele eeuwen in de huidige gedaante. Zij dankt haar naam aan het varen van schelpen, die bij het Schulpstet in kleine schuiten werden geladen en die via de Schulpvaart werden vervoerd naar de stetten van Akersloot of die bij de kalkovens aldaar werden gelost. In vroegere eeuwen vormde de Schulpvaart de natuurlijke grens tussen de bannen (gemeenten) van Bakkum en Castricum. Op allerlei manieren heeft de Schulpvaart in het leven van onze vroegere dorpsbewoners een rol gespeeld.

Al in het jaar 1613 diende er een proces voor de Hoge Raad dat was aangespannen door de gemeentebesturen van Limmen, Akersloot en Bakkum tegen jonkheer Daniel de Hertaing, Heer van Marquette en luitenant-generaal van de Cavalerie van de Verenigde Nederlanden.
De dorpsbewoners ondervonden veel overlast van het overtollige water uit de duinen en ze wilden graag het water afgevoerd zien via een nog te graven verbindingssloot tussen de Hoepbeek in de duinen en de Schulpvaart, waardoor het duinwater vervolgens via de Schulpvaart naar het water van de Schermer werd afgevoerd (de Schermer was nog niet drooggelegd). Daniel de Hertaing was eerder heer van Marquette, gelegen in Henegouwen. Hij had zijn bezittingen aldaar van de hand gedaan en had zijn geld belegd met de koop van een landgoed te Heemskerk dat hij toen ook de naam het Huijs Marquette gaf.
Daniel was ook eigenaar geworden van het duingebied dat zich uitstrekte tot de grens van de Heerlijkheid van Egmond. Door bemiddeling van de burgemeesters van Alkmaar en Haarlem werd er een akkoord bereikt. De dorpsbesturen kregen toestemming om de waterlozing op de bestemde plaats te mogen aanleggen en daartoe de betreffende gronden te mogen gebruiken, mits aan de eigenaren de getaxeerde waarde van die gronden werd betaald. De eigenaren die aan de waterlozing lagen, waren gehouden het jaarlijkse onderhoud te verrichten.
Door de Staten van Holland werden alle afspraken en bepalingen op 11 november 1613 vastgelegd in een ‘octroy van de uytwateringhe der Duynen’, dat was ondertekend door de landsadvocaat Johan van Oldenbarnevelt, die in januari van datzelfde jaar was beleend met de Ambachtsheerlijkheid Bakkum en in die hoedanigheid zullen hem de belangen van Bakkum ook wel ter harte zijn gegaan.

Een dam in de Schulpvaart

In de Hoepbeek of Schulpvaart bevond zich een voor de schippers zeer bezwaarlijke dam. Op 15 augustus 1630 sloten de schippers met de heer van Marquette een akkoord, waarbij aan laatstgenoemde heer in ruil voor het verwijderen van deze dam voor elke schuit schelpen die dit punt in de vaart passeerde, twee stuivers werd betaald en jaarlijks een zak goede tarwe werd afgeleverd.
“Te sullen betaelen aan de Heere van Marquette voor elke schuijt schilpen die door de opgenomen dam of te kom vaeren sal, twee stuijvers met een sack goede tarwe per jaar , En dat om een bequaam register daervan te houden zijn qualificeert de pontluijden van Akersloot, die alle schulpen ontvangen en weer lossen”.
De historicus en eerste stadsarchivaris van Alkmaar, Cornelis Bruinvis, sprak in 1905 het vermoeden uit dat de dam heeft gediend om de gronden van de heer van Marquette en het vaarwater in droge zomers voor uitdroging te behoeden. Ook lijkt het erop dat de afgesproken vergoeding onvoldoende was, want al spoedig was er sprake van herplaatsing van de dam. Om dit tegen te gaan werd op 29 september 1631 een nieuw akkoord gesloten tussen de heer van Marquette en de schepenen en molenmeesters van Limmen, Bakkum en Akersloot, waarbij de bijdrage werd verhoogd naar 2 1/2 stuiver per schuit en 2 zak tarwe per jaar.

De loop van de Schulpvaart naar het Alkmaardermeer op een kaart, uitgegeven in 1910. Na het poldergemaal en het sluisje in Akersloot splitste de vaart zich en stroomde op twee plaatsen, geheten 'Limmergat' en 'Dodde' uit in het Alkmaardermeer.
De loop van de Schulpvaart naar het Alkmaardermeer op een kaart, uitgegeven in 1910. Na het poldergemaal en het sluisje in Akersloot splitste de vaart zich en stroomde op twee plaatsen, geheten ‘Limmergat’ en ‘Dodde’ uit in het Alkmaardermeer.

Jaarboek 21, pagina 20

De pontlieden van Akersloot, die de schelpen in ontvangst namen, moesten hiervan een register bijhouden en het geld elke 3 maanden afdragen aan de heer van Marquette, die de opbrengst met het polderbestuur van de Groot-Limmerpolder zou delen. Het bezit van de Schulpvaart was namelijk voor de ene helft van de heer van Marquette en voor de andere helft van het polderbestuur.

De Schulpvaart slingerend door het weidegebied, ooit de grens vormend tussen de gemeenten Bakkum en Castricum.
De Schulpvaart slingerend door het weidegebied, ooit de grens vormend tussen de gemeenten Bakkum en Castricum.

Maximiliaan de Hertaing, ritmeester bij de Cavalerie, erft in 1657 o.a. de helft van de Schulpvaart van zijn moeder Eleonora de Hennin, gravin van Bossu; hij verkoopt in 1659 dit bezit aan Joseph Coymans, nadat hij in het voorafgaande jaar nog veel geld van diezelfde Coymans had geleend. Joseph Coymans was Heer van Bruchem en Nieuwwaal, trouwde met Jacoba Trip, woonde in Haarlem en was eigenaar van de hofstede Watervliet onder Velsen. Het echtpaar Coymans stierf kinderloos. De erfgenamen laten op 16 november 1683 een contract opmaken dat voor een periode van drie jaar de verpachting regelt van het doorvoeren van schelpen van Bakkum of Castricum naar Akersloot. Voor het bedrag van 275 gulden is Jan Pietersz Schilpcooper van Akersloot pachter geworden. Hij ontvangt voor elke schuit schelpen ter grootte van ‘drie hoet’ een bedrag van 2 stuivers en 8 penningen: “Ende salt niemant door de vloijsbrugge (leggende op de Voort tot Limmen) met schilpen mogen varen, tenzij den selven eerst aen den pachter opregtelijck heeft aengegeven de quantiteijt, die hij in heeft geladen.”
Als iemand niet de juiste hoeveelheid opgaf of zonder aangifte doorvoer, dan waren de boetes niet mals: de eerste keer bedroeg deze 12 gulden, een tweede en derde keer resp. 25 en 50 gulden. De boetes kwamen voor elk een derde deel ten gunste van de schout, de armen van het dorp en de pachter.

Door diezelfde erfgenamen wordt op 7 febr. 1684 het bezit van de Schulpvaart voor 2150 gulden verkocht aan Jan van Egmond van de Nijenburg, burgemeester van Alkmaar, namens die stad; hij was daartoe twee dagen eerder gemachtigd door de vroedschap van Alkmaar.

Bewijs van betaling van de stoterpacht . De inning vond plaats bij het doorvaren van de sluis bij het stoomgemaal van de Limmerpolder te Akersloot.
Bewijs van betaling van de stoterpacht . De inning vond plaats bij het doorvaren van de sluis bij het stoomgemaal van de Limmerpolder te Akersloot.

Stoterpacht

De betalingen van 2,5 stuiver per schuit ten gunste van de eigenaren der Schulpvaart, zoals afgesproken in de contracten van 1630 en 1631 werd ‘de Stooterpacht’ genoemd naar het muntstuk ‘de Stooter’, dat in die periode een waarde vertegenwoordigde van 2,5 stuiver. Zoals hiervoor beschreven, werd in 1683 de inning van de stoterpacht voor het eerst verpacht voor 275 gulden aan Jan Pietersz Schilpcooper. Vanaf 1684 werd deze verpachting nu verder behartigd door de stad Alkmaar als nieuwe eigenaar. De stad hield keurig registers bij van de pachtprijzen voor telkens perioden van drie jaar. Die prijzen varieerden nogal: in de periode 1690 tot 1780 tussen 260 en 482 gulden. Uit de pachtopbrengsten moesten de onderhoudskosten voor onder andere het op diepte houden van de vaart worden betaald. Toen omstreeks 1760 Mr. Nicolaas Geelvinck, ambachtsheer van Castricum, enkele kalkovens had laten bouwen bij het Schulpstet, dreigde het vervoer van schelpen over de Schu1pvaart naar Akersloot te verminderen en daarmee ook de pachtinkomsten. Naar aanleiding daarvan werd er een contract opgesteld tussen enerzijds de stad Alkmaar en de schepenen en molenmeesters van Limmen, Bakkum en Akersloot namens de Groot-Limmerpolder en anderzijds Mr. Nicolaas Geelvinck, waarin laatstgenoemde zich verbond om geld te betalen aan de andere partij als de driejaarlijkse pacht minder opbracht dan 350 gulden per jaar; in dat geval zou hij het verschil bijpassen.

De verpachting van de inning van de stoterpacht bracht in de vorige eeuw steeds minder op. In het jaar 1903 was nog sprake van een opbrengst van 35 gulden. Mogelijk waren er door de lage opbrengsten nadien geen gegadigden meer en werd de inning door het polderbestuur in eigen beheer gedaan. In 1911 laat de stad Alkmaar blijken niet tevreden te zijn over de wijze waarop de stoterpacht werd geïnd. Door het bestuur van de Groot-Limmerpolder werd een nieuw reglement voor de inning van de pacht vastgesteld, die de goedkeuring kreeg van Alkmaar. Daarbij werd een beambte ‘de inner der Stooterpacht’ aangesteld, die een pacht van 25 cent per schelpenvaartuig inde. De inning vond plaats bij het doorvaren van de sluis bij het stoomgemaal van de Limmerpolder te Akersloot. Dit reglement was niet door Gedeputeerde Staten goedgekeurd, hield geen strafbepaling in en beperkte zich uitsluitend tot schelpvaartuigen. Eenmalig is er in 1930 een actie gevoerd door de schelpschippers om geen stoterpacht te betalen: “Laat Alkmaar maar bewijzen dat ze de Stooterpacht mag heffen.” Wel wilden de schippers het sluisgeld in Akersloot betalen. Toen echter op last van het polderbestuur de sluis niet werd geopend indien de stoterpacht niet was betaald, was de actie gauw ten einde.

Na aansporing van de gemeente Alkmaar wordt door het bestuur van de Groot-Limmerpolder in 1930 een besluit genomen voor een wijziging van het reglement en worden ook andere schepen dan schelpvaartuigen verplicht stoterpacht te betalen. Deze wijziging is mogelijk als de Schulpvaart niet als openbaar vaarwater kan worden aangemerkt en wordt pas van kracht als er door de Koningin hiervoor een concessie is verleend.


Jaarboek 21, pagina 21

Deze concessie moet worden aangevraagd door het Provinciaal bestuur.
Dit bestuur is echter van mening dat de Schulpvaart als openbaar vaarwater moet worden beschouwd, dat de heffing niet wordt gebruikt om de kosten te bestrijden, die in bet belang zijn van de betalers en dat eigenlijk deze pacht uit de tijd is. De minister van Waterstaat is gemachtigd door Hare Majesteit de Koningin om deze zaak af te handelen. De minister is het met de zienswijze van het provinciebestuur eens en bij besluit op 4 febr.1932 dat de stoterpacht niet behoort te worden gehandhaafd.
De gemeente Alkmaar deelt vervolgens mee aan het polderbestuur dat zij niet meer wil bijdragen aan het onderhoud van de Vloijsbrug: “omdat dit onderhoud ten dele werd bekostigd uit de opbrengst van de Stooterpacht”.

Een boot in de Schulpvaart bij het Schulpstet getekend door Sijf Portegies.
Een boot in de Schulpvaart bij het Schulpstet getekend door Sijf Portegies.

Het onderhoud van de Schulpvaart

Door de eeuwen heen zijn er klachten van de schelpenvaarders over ondiepten en het niet bevaarbaar zijn van de vaart. De Schulpvaart moest regelmatig worden uitgebaggerd en op diepte worden gebracht. Doordat de eigenaren inkomsten genoten uit de Schulpvaart, schiep dat ook de verplichting om de vaart te onderhouden. De stad Alkmaar heeft aanvankelijk blijkens de stadsrekeningen bijgedragen in de kosten van het onderhoud. Samen met het polderbestuur als eigenaren, hadden zij zelf de plicht om de vaart op diepte te houden, maar ze stelden vaak het kostbare onderhoud uit. Aanvankelijk deelden zij de kosten; naarmate echter de opbrengsten voor de stad minder werden, heeft Alkmaar zich steeds meer onttrokken aan de betaling van het onderhoud en hebben Limmen en Castricum het uitbaggeren bekostigd.
Hiervoor was de opbrengst aanvankelijk ook ruim genoeg. In 1743 hebben Jan Cornelis Capiteijn en Cornelis Pieters namens de gezamenlijke schelpenvaarders geklaagd bij de heren burgemeesters van Alkmaar en de regenten van Limmen, dat de vaart die zij met haar vletten of schuiten moeten passeren zo ondiep en vervuild is, dat zij niet kunnen passeren. Op 29 juli 1744 zijn de gezamenlijke schippers van Akersloot, Bakkum en Castricum van plan om het uitdiepen van de Schulpvaart over een lengte van circa 700 roeden tussen Bakkum en de brug bij de Voort te Limmen aan te besteden.

De stad Alkmaar heeft tot in deze eeuw de helft van de Schulpvaart in haar bezit gehad met vaak tegenvallende opbrengsten. De stad Alkmaar wilde wel van haar bezit in de Schulpvaart af en deed na 1863 meerdere pogingen om haar aandeel in de Schulpvaart te verkopen onder andere aan de gemeente Castricum en aan de Groot-Limmerpolder. Voor de overname van de eigendomsrechten bleek echter onvoldoende belangstelling. Wel wilden deze partijen in 1875 gezamenlijk de vaart laten uitdiepen. Aanleiding hiertoe vormde een smeekbede aan de gemeenteraad van Castricum, ondertekend door vele schelpenvissers om de onhoudbare toestand te beëindigen. Zij stellen dat door de verlaging van het waterpeil en het niet uitdiepen, de Schulpvaart onbruikbaar is geworden, dat de vaart nauwelijks met de helft van een gewone vracht is te bevaren, waardoor de gehele schelpenvisserij te Bakkum en daarmee het hoofdbestaan van een aantal gezinnen vernietigd dreigt te worden. Ook in 1893 en in 1913 wordt een door vele schelpenvissers ondertekende brief gericht aan het gemeentebestuur met een indringend verzoek tot het uitdiepen van de Schulpvaart.

Een deel van de Schulpvaart ten westen van de spoorlijn.
Een deel van de Schulpvaart ten westen van de spoorlijn.

Het tracé van de Schulpvaart

De Schulpvaart begint bij het Schu1pstet. Zoals we aan het begin in dit artikel hebben gelezen werd er in 1613 een smalle verbindingssloot gegraven, die de Hoepbeek in het duingebied verbond met de Schulpvaart. Tijdens het grote ontginningsproject van omstreeks 1830 werden een aantal duinvlakten vruchtbaar gemaakt, boerderijen in het duingebied gebouwd en afwatering verbeterd door de Hoepbeek te vervangen door het zogenoemde ‘Koningskanaal’ dat in oostelijke richting langs de huidige Zeeweg liep en na de driesprong met de Heereweg afboog naar de Schulpvaart en de vroegere verbindingssloot overbodig maakte.
Het begin van de Schulpvaart had bij het Schulpstet tot in de vijftiger jaren wat insteekhaventjes om de goederen van het Stet gemakkelijk te kunnen laden en lossen.


Jaarboek 21, pagina 22

Het begin van de vaart is nu (in 1998) te vinden tussen het opslagterrein van Gemeentewerken en het sportpark Wouterland. Van hier af slingert de Schulpvaart in oostelijke richting door het weidegebied van de Groot-Limmerpolder, loopt achtereenvolgens onder de spoorlijn door, na een kilometer onder de Soomerwegh door en dan na circa 700 meter bij de Limmervoort onder de Limmerbrug (vroeger ‘de Vloijsbrug’ geheten) door. Deze brug vormt een onderdeel van de Provinciale weg Limmen-Uitgeest. De Schulpvaart buigt verder in zuidoostelijke richting af en maakt na een kilometer een bocht naar het noordoosten en stroomt daarna direct onder de ‘Hoge brug’ door; deze brug maakt deel uit van de binnenweg van Limmen naar Akersloot en Uitgeest. Na ruim weer een kilometer na de brug komt de Schulpvaart even na de onderdoorgang van de A9 uit in de Slikkerdie kort onder Akersloot. De vaart, dan ‘het Die’ geheten, buigt vervolgens naar het zuiden, gaat onder de Startingerweg en de Geesterweg door langs het gemaal van de Groot Limmerpolder en het bijbehorende sluisje van Akersloot. In de onmiddellijke nabijheid was ook het Stet van Akersloot: hier werden de schelpen overgeladen op grote schepen. Hier liep ook over de vaart een brug (gelegen in de nu – 1998 – zo geheten Fielkerweg), waar de Stoterpacht werd geïnd. De vaart splitste zich iets verder naar het oosten en stroomde zo op twee plaatsen, geheten ‘Limmergat’ en ‘Dodde’, uit in het Alkmaardermeer.

De Schulpvaart voor het vervoer van vracht

Ook voor de aanvoer van allerlei goederen vanaf Akersloot naar Bakkum en Castricum werd vroeger de Schulpvaart gebruikt. In Akersloot werden deze goederen met relatief grote schepen van elders aangevoerd. In het jaar 1771, toen het reglement van de schelpnering werd ingevoerd, werd ook een verordening van kracht, waarin de heer Geelvinck, ambachtsheer van Bakkum en Castricum, de schelpvoerders en.andere ingezetenen gelastte bepaalde vrachtlonen te hanteren voor het vervoer van en naar Akersloot. Uit deze verordening blijkt welke goederen naast de schelpen zoal over de Schulpvaart in die tijd werden vervoerd. De volgende vrachtlonen werden genoemd voor:

  • 1000 kleine stenen: 6 stuivers
  • 1000 moppen: 14 stuivers
  • 1000 pannen: 16 stuivers
  • 1000 tegels: 16 stuivers
  • 1 hoed kalk: 6 stuivers
  • 1 zak of ton cement: 1 stuiver
  • 1 ton turf: 12 cent
  • 1 vracht hout, takkenbossen, hooi, stro en riet: 40 stuivers
  • 8 hoed kalk van de kalkovens bij Alkmaar: 50 stuivers

 
De schelpenvaarders waren dorpsgenoten, die veelal woonden op het Schulpstet. Hun grootste probleem voor een beginnend schelpenvaarder was de aanschaf van een schuit. In een akte uit 1788 en gepasseerd voor schout en notaris Joachim Nuhout van der Veen kunnen we opmaken hoe dat in zijn werk kon gaan. Zo verklaart Maarten Ranke 350 gulden schuldig te zijn aan Klaas Blokker, een scheepstimmerbaas uit Akersloot, in verband met: “De levering en koop van een schuit, gebruikt wordende voor het transporteren van schulpen, doorgaans genaamd een schulpbok.” Maarten Ranke verplicht zicht tot betaling: “Door van ieder schuit vragt schulpen (3 hoed voor een schuit gerekend), die hij transporteert zal laten korten door Klaas Blokker of de schulpschrijver te Castricum, telkens 5,5 stuiver en van ieder buijtenvragt, hoe ook genaamd, voor ieder dag 10 stuivers tot de volledige som volledig is betaald. Onderpand is de voornoemde schulpschuijt met zeijl en treijl en alle toebehoren en gereedschappen.”

De Schulpvaart is niet alleen door de schelpschepen, maar ook door andere vaartuigen (o.a.motorboten) bevaren. De economische betekenis die de vaart in de eerste helft van deze eeuw had, moet men niet onderschatten. Zij is het enige bevaarbare water, dat vanaf de duinen in verbinding staat met grote waterwegen tussen het Noordzeekanaal en Alkmaar. In deze eeuw werd de vrachtvaart over de Schulpvaart slechts door enkele families behartigd. De belangrijkste waren wel de familie Hollenberg (met o.a. Arie, Jan, Freek, Willem en Piet Hollenberg) en de familie Zonneveld (Jan, Heert en Kees Zonneveld).
De schuiten, afgeladen met schelpen, voeren vanaf het Schulpstet door de Limmerpolder tot aan de sluis bij Akersloot. Als de wind gunstig was, ging dit zeilend, maar vaak ook trekkend en bomend om vooruit te komen. In deze eeuw komen steeds meer de motorvletten in zwang en voeren de schippers niet alleen meer naar Akersloot maar ook naar Alkmaar, Uitgeest en de Zaan. Steeds meer werd de Schulpvaart voor transport van andere materialen dan schelpen gebruikt. Bij het ontginningsproject in de vorige eeuw werd voor het vruchtbaar maken van de duinen mest en compost uit de grote steden aangevoerd. In het begin van deze eeuw werden voor de bouw van het ziekenhuis Duinenbosch, de R.K. kerk, de Rustende Jager en het nieuwe raadhuis veel stenen en andere bouwmaterialen via de Schulpvaart aangevoerd.

In de crisisjaren rond 1936 werd als werklozen project de Zeeweg verlengd naar Limmen en werd het viaduct over de spoorlijn aangelegd. Het zand, dat voor dit dijklichaam benodigd was, werd uit het duingebied aangevoerd met kipkarren, getrokken door een locomotief. Door dit afgraven is toen het duinmeertje – veelal ‘de Karpervijver’ genoemd – ontstaan. Het zand voor het viaduct aan de westzijde van de spoorlijn werd rechtstreeks met de locomotief aangevoerd, het zand aan de oostzijde van de spoorlijn moest over de Schulpvaart worden getransporteerd. Dit transport werd door Cees de Groot bij het Schulpstet uitgevoerd. Zijn zoon Gerard de Groot vertelt: “De Provincie had contact opgenomen met mijn vader om het zand voor het viaduct aan de oostkant van de spoorlijn te krijgen. Cees de Groot maakte in de Schulpvaart ter hoogte van het Schulpstet een aanlegplaats voor vletschepen om zand te laden en maakte voorbij de spoorlijn bij ‘de Grote Bocht’ een andere aanlegplaats om het zand uit de schepen te kunnen lossen. Er werden meerdere vletschepen aangeschaft , die getrokken werden door de motorvlet ‘De Koet’ , die van de familie Lute werd overgenomen. Freek Hollenberg werd de schipper.”

In de oorlog is de Schulpvaart nog gebruikt voor het schelpentransport, niet zoals in vroeger tijd naar Akersloot, maar nu vanaf Akersloot. In dit geval om schelpen, die met een groot schip via het Alkmaardermeer waren aangevoerd te vervoeren naar de kalkovens van Cees de Groot op het Schulpstet. In de oorlogsjaren was het strand tot verboden gebied verklaard en konden er dus geen schelpen meer worden gevist. Gerard de Groot weet nog veel te vertellen over het kalkovenbedrijf op het Schulpstet: “Het schip had 250 m3 schelpen aan boord, die in Akersloot werden gelost vlak bij het sluisje, waar de kleine vletschepen vanaf de Schulpvaart konden komen. Die kleine vletschepen waren deels nog in het bezit van mijn vader, Gees de Groot, en eerder gebruikt in 1935 voor het zandtransport bij de aanleg van het viaduct over de spoorlijn. Met de motorboot ‘de Koet’ van de familie Lute, geladen met 10 m3 schelpen, werden drie vletten voortgetrokken, die elk met 15 m3 schelpen waren geladen. Zo werd per keer 55 m3 schelpen naar het Schulpstet gebracht in ongeveer drie uur tijd.”

Schippers aan het woord

In 1994 vertelden Arie Hollenberg en Wijnand Lute op verzoek van Oud-Castricum over hun beroep als schipper. Inmiddels zijn beiden overleden. Zij vertelden ons van de vletschepen, die in de twintiger jaren voeren: “Ik (Wijnand) voer op ‘de Koet’, verder was er het schip ‘Door Gunst Verkregen’ en ‘Nooit Gedacht’; Jan Hollenberg had ‘de Vrouwe Maria’, dit was een oude wei-schuit.” Arie Hollenberg: “Mijn vader Freek Hollenberg had een Haarlemse zandvlet. Eerst voer hij met schelpen, toen dat minder werd ging hij met mestvaren. Voordat de kalkovens hier waren gebouwd, brachten we de schelpen naar de firma Stoel in Alkmaar. Vroeger voeren we met de zeilen.


Jaarboek 21, pagina 23

Rechts het 'Lange Pannenhuis' tussen Schulpvaart en Brakersweg.
Rechts het ‘Lange Pannenhuis’ tussen Schulpvaart en Brakersweg.

Bij tegenwind moest het schip worden getrokken; er waren hier geen jaagpaden, je liep gewoon op het land. Later voeren we met de motor. Ik voer met stenen, schelpen, zand en wat er al niet was, naar Alkmaar, Koedijk, Akersloot en naar de kalkovens van De Bruijn en De Ruijter in Uitgeest. Cees de Groot had hier een bouwonderneming. We haalden daarvoor stenen, grind en zand uit bijvoorbeeld Schoorldam hierheen en brachten schelpen weg. Ook werd wel mest opgehaald. Een vracht mest uit Purmerend kostte 20 gulden; daar bovenop kwam het vaarloon voor heen en terug: 7,5 tot 9 gulden. De lage schuiten konden onder de brug bij de Limmervoort door. Je moest natuurlijk wel de mast strijken; dat deed je vlak voor de brug om nog enige gang erin te houden. Door op je rug te liggen op het dek van de schuit kon je met je voeten je afzetten tegen palen in het water om de schuit onder de brug door te krijgen. Er werd gelost bij de insteekhaventjes aan het Schulpstet, niet bij het ‘Lange Pannenhuis’. Alleen in de oorlog wel, toen kon je niet verder, vanwege de tankval. Ik heb ook veel voor de gaarkeukens gevaren; wie in de oorlog niets gedaan had, lag op het kerkhof : die appelen vaart, die appelen eet. Ik heb ook aardappelen gevaren voor mensen die van ‘de partij’ waren en gelost bij de Limmervoort, het was eind 1944. Toen kwamen er twee meisjes aan met een handkar met rode en witte kool. Zij vroegen aan de schipper: Heeft U nog wat aardappelen voor ons? Nee, ze zijn niet van mij en ik kan een ander zijn rotzooi niet weggeven (schipper). Ach, als we maar wat hebben voor moeder. Toen heb ik ze toch maar twee zakken meegegeven. Ik heb later voor NSB-ers veel bonen, tarwe en aardappelen gevaren: daar is veel van gestolen: de sluiswachters van Spaarndam hebben er nog ‘een vette bek’ van.

We bleven meestal de hele week op de schuit en bleven er ook op slapen. Alleen in het weekend waren we thuis. Je kon tijdens het varen binnen zitten onder een kajuitje, de kop van het roer was onder het kajuit. Als schooljongen liep ik soms tot onder Alkmaar de schuiten al tegemoet en voer mee. Voor de schipper was het gemakkelijk een jongen aan het roer, dan kon hij zelf als er geen wind was, met het bomen van voor naar achteren lopen. Zo leerde je al heel jong zeilen en leerde je ook de namen kennen langs de vaarroute. Zo had na elke bocht in de Schulpvaart het vaarwater zijn eigen naam. Het begon bij het Schulpstet met het Pepelrakkie, dan de Schuitjes, de Grote Bocht, het Lange Rak, het Robbenzand, het Limmerend, het Zuidend, de Moor, de Slikkerdie, de Startingervaart, het Machinerak bij het gemaal, het Sluisend naar de sluis toe en tenslotte rechts naar het Limmergat of links onder het Hembruggetje door.

Het zeilschip van Freek Bollenberg volgens een schilderij van Sijf Portegies.
Het zeilschip van Freek Bollenberg volgens een schilderij van Sijf Portegies.

Toen er minder vletschepen waren om de schelpen te vervoeren, werden er door de schilpersvereniging enkele vletschepen aangeschaft. Deze schepen kregen namen als: ‘Door gunst verkregen’, ‘Buiten verwachting’ en ‘Nooit gedacht’. Op het laatste schip voer Wijnand Lute, die de naam al snel veranderde in ‘de Koet’.”

In juni 1996 had ik een gesprek met Jan Zonneveld over zijn beroep als vletschipper. Jan vertelde o.a.: “Willem Borst had twee motorvletten. De ene vlet ‘de Morrelkont’ was met melk geladen en voer vanaf de Limmervoort over het Alkmaardermeer via de Zaan naar Amsterdam, de andere vlet was voor schelpen, mest en bouwmaterialen over de Schulpvaart. De mest werd opgehaald in Alkmaar, Wormerveer en Purmerend en gelost in duin voor de vele stukjes land, die men daar had. Ook zijn er rond 1924 veel stenen naar het Schulpstet gevaren voor de bestrating van vele wegen o.a. van de Zeeweg. Ze werden met grote tjalken en klippers met een lading van in totaal 75000 tot 80000 stenen aangevoerd en met de hand door drie man in het Limmergat overgeladen op de vlets. Een vlet vervoerde zo’ n 5000 stenen. Die vletschepen waren niet langer dan twaalf meter en maximaal 3 meter breed in verband met de afmetingen van het sluisje in Akersloot. Het schip had een stompe boeg en liep naar achteren iets smaller uit. Verder waren er zijzwaarden en voerde het een fok en een grootzeil (gaffeltuig). Bij tegenwind moest de boom in het water. Trekken langs de kant ging vaak niet door de dwarsslootjes. Ook moest je in de midden van de vaart blijven vanwege ondiepten; het was zwaar werk. Er waren in mijn jonge jaren ongeveer twaalf vletschippers. Als er een sleep was met meerdere vletten, dan was er voor elke vlet een aparte schipper nodig. De vletschippers waren o.a. Willem, Jan, Piet, Freek en Arie Hollenberg, Jan, Heert en Kees Zonneveld, Wijnand Lute, Jan Stuijfbergen uit Akersloot, Klaas en Jan Duinmeijer. Arie Hollenberg voer drie keer in de week met de ‘beurtschuit’ van Thijs Olgers van de Limmervoort naar Amsterdam o.a. met veevoer en lijnkoeken.”

Met het einde van de schelpenvisserij en de overschakeling op de vrachtauto voor het goederenvervoer was de beroepsvaart op de Schulpvaart ten einde. Hiermee kwam een einde aan de grote bedrijvigheid op de Schulpvaart. Voor de toekomst komt daarvoor een meer symbolische betekenis in de plaats: de Schulpvaart verbindt de dorpen Castricum, Limmen en Akersloot en vormt zo de levensader van de toekomstige nieuwe gemeente.

S.P.A. Zuurbier

Bronnen:

  • Regionaal archief Alkmaar:
    -archieven van de gemeenten Castricum, Akersloot en Limmen.
    -stadsarchief Alkmaar inv. Nr. 2304.
    -archief Groot Limmerpolder.
  • Rijksarchief Noord-Holland:
    -archief van het Provinciaal Bestuur
  • Fasel, W.A.: Alkmaar en zijne geschiedenissen, Kroniek van 1600 – 1813.
  • Druijven, Kees: Het bezit, gebruik en onderhoud van de Schulpvaart onder Limmen, Stichting Oud Limmen, jrg 10 (1996).
  • Informatie van de heren Gerard de Groot, Arie Hollenberg, Wijnand Lute en Jan Zonneveld.
Print Friendly, PDF & Email