Slag bij Castricum: Franse tijd (Jaarboek 22 1999 pg 13-22)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over de Slag bij Castricum: Franse tijd, Huzaren, oorlog.


Jaarboek 22, pagina 13

 

Slag bij Castricum: Franse tijd

Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap in Castricum

 

De laatste decennia van de 18e eeuw waren voor de Republiek der Verenigde Nederlanden uiterst roerige jaren, met politiek gezien grote tegenstellingen tussen enerzijds de patriotten, die republikeins gezind waren of althans felle tegenstanders van het stadhouderlijk gezag van de toenmalige regent Willem V en anderzijds de Orangisten, die felle voorstanders waren van dat gezag. In 1793 kwam het tot een oorlog met Frankrijk, waarbij de bestaande Republiek in 1794 door de Fransen werd bezet, Willem V naar Engeland vluchtte en in 1795 de Bataafse Republiek werd uitgeroepen, waarmee dus de Frans gezinde patriotten het voor het zeggen kregen.

Politieke gezindheid in Castricum

Castricum ontpopte zich in deze periode als een centrum van patriottische gezindheid.
Al ruim voor de eigenlijke patriottische omwenteling in 1795 vinden we hiervoor aanwijzingen in een geschiedenis, die speelt in 1786. In dat jaar bereikten de binnenlandse onlusten een hoogtepunt en maakten de patriotten in verschillende provincies, waaronder Holland, vrijwel de dienst uit, waardoor Willem V naar het nog relatief Oranjegezinde Gelderland was uitgeweken. Vrijwilligers uit Alkmaar maakten zich op om te assisteren in de verdediging van de steden Elburg en Hattem, die bezet dreigden te worden door troepen van de prins, die vanuit Gelderland probeerde om zijn gezag te herstellen. Op 20 september vertrok een bewapende groep van 86 man, aan boord van 2 schepen, op weg naar Woerden. Omdat men door het hoge water in Spaarndam niet kon schutten, werd te voet de terugtocht naar Alkmaar ondernomen. Volgens beschrijvingen werd de compagnie vrijwilligers op doortocht in Castricum door de dorpelingen zeer feestelijk, met bloemen, ingehaald.

Uit raadsnotulen kan men concluderen, dat ook in de periode na 1787, toen het gezag van Willem V met behulp van Pruisische troepen weer was hersteld, de patriottische gezindheid in Castricum levend bleef.

Mr. Joachim Nuhout van der Veen (1756-1833).
Mr. Joachim Nuhout van der Veen (1756-1833). Hij promoveerde in 1776 te Leiden tot doctor in de rechten. In november 1777 werd hij benoemd tot secretaris en notaris van Castricum en Bakkum. In 1780 volgde zijn benoeming tot schout van Castricum en tot baljuw en schout van Bakkum, welke functies hij tot 1814 bleef uitoefenen. Vanaf de Bataafse omwenteling in 1795 tot oktober 1801 maakte hij onafgebroken deel uit van de opeenvolgende Bataafse bestuurscolleges in Den Haag. In 1796 werd hij benoemd tot dijkrechter en in 1806 tot dijkgraaf van de Hondsbossche en Duinen te Petten. In 1816 vertrekt hij naar Alkmaar, waar hij bestuurlijk actief bleef, o.a.als president van de rechtbank, als lid van de municipale raad en als tijdelijk burgemeester in de periode 1822 tot 1824. Hij speelde ook een belangrijke rol in de vrijmetselarij, waar hij in 1824 werd benoemd tot Groot Meester der Hoge Graden, als opvolger van Prins Frederik der Nederlanden (!).

Zo las de schout van Castricum, Joachim Nuhout van der Veen, in de raadsvergadering van 6 januari 1793 een oproep voor aan het Volk van Nederland, gedaan door een groepje naar Parijs uitgeweken patriotten. Het gedrukte pamflet schetste zeer beeldend de verschrikkingen van het stadhouderlijk bewind, kondigde aan, dat “het geelukkig tydstip is gekomen om het stadhouderlyk juk te verbreken” en eindigde met de revolutionaire oproep om de vrijheid in ons dierbaar vaderland “op onwrikbare gronden te herstellen”. Nuhout van der Veen zou dit geschrift waarschijnlijk niet hebben voorgelezen, als er onder de Castricumse raadsleden Oranjegezinden waren geweest, die hem hadden kunnen aanbrengen. Hij noemde het stuk uiterst gewichtig en vroeg zich af of het niet een ruimere verspreiding verdiende, wat door de raad echter werd afgeraden.

Een ander voorval waaruit men kan concluderen dat er in Castricum althans weinig of geen Oranjesympathie bestond, betreft een oproep van Willem V, gedaan via het provinciaal bestuur, om geld in te zamelen ter ondersteuning van de soldaten. Hiertoe werd in augustus 1794 op het gemeentehuis in Castricum een soort collectebus geplaatst, waarin men geld kon deponeren. Ondanks herhaalde oproepen om geld te schenken bleef de bus leeg.
Tenslotte vormden ook de plaatselijke revolutionaire gebeurtenissen van 1795 een aanwijzing voor de patriottische gezindheid van veel Castricummers.

Vanwaar deze patriottische gezindheid?

Wat godsdienst betreft genoten de patriotten, die pretendeerden te strijden voor gelijkberechtiging van alle burgers, een grotere aanhang onder de gediscrimineerde godsdienstige groeperingen, dan bij de gereformeerden, die op religieus gebied de dienst uitmaakten. Vooral de Nederlandse katholieken waren steunpilaren van de Bataafse revolutie. Verreweg het grootste deel der Castricumse burgers was katholiek en dus reeds lange tijd geconfronteerd met een maatschappelijke achterstelling, wat hun sympathie kan verklaren voor een beweging, die gelijkberechtiging van alle godsdienstige overtuigingen nastreefde.

Daarnaast zal echter ook een rol hebben gespeeld, dat de belangrijkste bestuurders van Castricum de patriottische denkbeelden waren toegedaan. Dat gold in de eerste plaats voor Joan Geelvinck, die vanaf 1764 tot aan zijn overlijden in 1802 de rechten van ambachtsheer over Castricum en Bakkum uitoefende. Voor 1787 bekleedde Geelvinck een aantal aanzienlijke bestuurlijke functies. Onder meer was hij lid van het gemeentebestuur van Amsterdam. In 1787 werd hij in Amsterdam zelfs tot burgemeester gekozen, maar hij was na het herstel van het Oranjebewind in hetzelfde jaar wegens zijn patriottische sympathieën gedwongen zijn functies neer te leggen en uit te wijken naar Brussel.
Na de omwenteling in 1795 keerde hij terug en maakte tot augustus 1797 deel uit van de Eerste Nationale Vergadering der Bataafse Republiek.


Jaarboek 22, pagina 14

Joan Geelvinck kwam waarschijnlijk te weinig in Castricum om daar zijn politieke denkbeelden te ventileren, maar hij had in 1780 een politieke geestverwant als schout aangesteld, de reeds genoemde Joachim Nuhout van der Veen. Zowel Geelvinck als Nuhout van der Veen waren van protestantse huize, maar dat vormde geen beletsel voor een goede verstandhouding met de overwegend rooms-katholieke dorpsbewoners.

De bij zijn aanstelling als schout in 1780 nog pas 24-jarige Nuhout van der Veen, die in 1776 in Leiden de doctorstitel rechten had behaald, groeide uit tot een van de belangrijkste patriottische bestuurders uit de regio. Naast schout en secretaris van Castricum en baljuw en schout van Bakkum was hij in de provincie onder andere werkzaam als dijkgraaf van de ‘Hondsbossche en Duinen’ te Petten. Na de Bataafse omwenteling werd hij secretaris van het Noord-Hollandse gewapende burgerleger en lid van een comité van voorlichting, waarbij hij zich actief bemoeide met de politieke zuivering van diverse bestuurscolleges. Hij deed dat soms met machtsvertoon, zoals op 20 april 1795, toen hij met enkele andere radicale patriotten en een militair escorte in Graft arriveerde, om enkele leden van de gemeenteraad “met een te sterke verkleefdheid aan het vorige gouvernement” uit hun functie te ontslaan.
Vanaf de omwenteling in 1795 tot oktober 1801 maakte Nuhout van der Veen onafgebroken deel uit van de opeenvolgende Bataafse bestuurscolleges in Den Haag. Aanvankelijk als lid van de Nationale Vergadering, waarin hij zitting had voor het district Noordzee, met als hoofdplaats Beverwijk. Later als lid van de Constituerende Vergadering en tenslotte als lid van het Vertegenwoordigend Lichaam, namens het kiesdistrict West-Zaandam. De grondslag voor zijn carrière in het landsbestuur werd waarschijnlijk reeds gelegd in de periode direct na de Bataafse omwenteling, toen het gemeentehuis in Castricum regelmatig fungeerde als vergadercentrum voor afgevaardigden van een aantal dorpen in het duinkavel, waaronder Heiloo, Uitgeest, Heemskerk, Limmen, de Egmonden en Bergen. Hierbij kwamen gemeenschappelijke problemen aan de orde, zoals de financiering van de Hondsbosse zeewering, maar ook het gezamenlijk afvaardigen van gedeputeerden naar het nieuwe landsbestuur in Den Haag.

Nuhout van der Veen moet over vrij uitzonderlijke bestuurlijke kwaliteiten hebben beschikt, want niet alleen wist hij zich bij de diverse lokale en landelijke bestuurszuiveringen zonder problemen te handhaven, ook zijn aandeel in het landsbestuur trok meer dan eens de aandacht. Zo was hij een pleitbezorger voor afschaffing van de doodstraf. In 1797 en 1798 speelde hij een hoofdrol in de gebeurtenissen waarbij gematigde parlementariërs, de zogenaamde moderaten, buiten spel werden gezet. Diverse malen was hij voorzitter van de Nationale Vergadering. Hij was een uitstekende spreker. Dit blijkt niet alleen uit opgetekende redevoeringen, maar wordt ook bevestigd door tijdgenoten, zoals medebestuurder in de Nationale Vergadering Willem van Berkhout, die in een dagboek opmerkt, dat tijdens hevige debatten in de vergadering van 18 januari 1799 “in het bijzonder uitmuntten de burgers Nuhout van der Veen en Vreede”.
Nuhout van der Veen zat dus bepaald niet stil. Er zijn aanwijzingen, dat door zijn vele functies de bestuurlijke activiteiten in Castricum en Bakkum wel eens in de knel kwamen. Zo was hij tijdens een raadsvergadering in augustus 1797 gedwongen om min of meer zijn excuus te maken voor een ontstane achterstand in de afwikkeling van Castricumse aangelegenheden, zoals de dorpsrekeningen, wegens afwezigheid voor zaken met betrekking tot het landsbestuur. Hij beloofde zo spoedig mogelijk orde op zaken te stellen.

De Nationale Vergadering in 1797 bijeen in Den Haag.
De Nationale Vergadering in 1797 bijeen in Den Haag. Op de voorgrond links een volksrepresentant aan het woord op het spreekgestoelte. Daarachter een tribune met enkele notulisten en in het midden de voorzitter van de vergadering, een wisselende functie, die ook diverse malen door Joachim Nuhout van der Veen werd waargenomen. Rondom zijn tribunes gerangschikt met de volksrepresentanten. Boven achter is de publieke tribune.

De revolutionaire gebeurtenissen in 1795

Na de inval van de Fransen begin 1795, zagen de patriotten hun kans schoon om in vele plaatsen de macht te grijpen, waarbij veelal in der haast gevormde burgercomités betrokken waren. In Akersloot bijvoorbeeld werd een burgercommissie gevormd, met overwegend leden van katholieke huize en als voorman een vrachtschipper, Cornelis Dekker. Vanuit welk gezag dergelijke commissies optraden is niet altijd duidelijk, maar tijdens een vergadering, die op 2 februari 1795 in de kerk werd gehouden, zag de Akersloter burgercommissie niettemin kans schout en schepenen te ontslaan van hun aanstelling. Cornelis Dekker nam het initiatief om de inwoners een nieuw gemeentebestuur te laten kiezen, waarbij vrij verwonderlijk de afgezette schout Lourens Veer, die niet bekend stond om zijn patriottische sympathieën, werd herkozen. Van de vijf afgezette schepenen werden er echter slechts twee opnieuw aangesteld.
In een aantal Noord-Hollandse gemeenten verliep de bestuurswisseling op soortgelijke wijze.
Echter niet in Castricum, waar van een revolutionair burgerlijk comité geen sprake was. Ingevolge een beschikking van het kort na de Franse bezetting ingesteld provinciaal bestuurscollege was Nuhout van der Veen niettemin verplicht om, evenals dat elders het geval was, verkiezingen voor een nieuw dorpsbestuur uit te schrijven. Hij hield echter de regie van de revolutionaire gebeurtenissen volledig in de hand. Op 9 februari 1795 tijdens een bijeenkomst in de kerk van ruim 110 stemgerechtigde Castricumse burgers, onder wie vooraanstaande ingezetenen als pastoor Nicolaas Hommer, dominee Ernst Fabritius en chirurgijn Jacob Drost, wist hij zijn herverkiezing als schout met algemene stemmen te bewerkstelligen. Ook de schepenen die reeds deel uitmaakten van het dorpsbestuur, Jan Glorie, Pieter Duineveld, Pieter van der Heek, Jan Jacobsz Kuijs en Jan Pietersz Kuijs, werden ‘onder herhaald hoezee’ herkozen. Er bleek dus een grote loyaliteit aan het afgetreden Castricumse gemeentebestuur en na de verkiezingsbijeenkomst veranderde er bestuurlijk dus niets. Opvallend is, dat Nuhout van der Veen aan deze bijeenkomst een meer dan plaatselijke betekenis wist te geven door de aanwezigheid van de militairen Arend de Here en R. Semes. Wellicht om de bevolking te imponeren? Speciaal Arend de Here, door Nuhout van der Veen in zijn notulen “de Heere” genoemd, was een niet onbelangrijke patriot, die deel had uitgemaakt van bestuurlijke colleges in Friesland en die wegens zijn patriottische sympathieën in 1787 naar het buitenland was gevlucht. In 1792 nam hij dienst in het Franse leger, waar hij het bracht tot kapitein. In deze hoedanigheid was hij in Castricum aanwezig en werd hij tijdens genoemde bijeenkomst in de kerk zelfs speciaal door Nuhout van der Veen toegesproken.


Jaarboek 22, pagina 15

Opmerkelijke uitspraken

Tijdens de genoemde bijeenkomst in de kerk bereidde Nuhout van der Veen zijn herverkiezing voor met een opmerkelijke redevoering, die hij belangrijk genoeg vond om hem volledig in het Resolutieboek van Schout en Schepenen op te tekenen.
Een passage in zijn redevoering handelt over de achterstelling van de bewoners van het platteland, en luidde als volgt:
“Wij bewoners van het platte land, die geene rechten in de maatschappij hadden maar die onder de drukkenste lasten moesten zuchten, en die in eene dubbele mate draagen, die door de zogenaamde Grooten wierden uijtgemergeld, als niets beduidende weezens verachtelijk behandeld, en onder den voet getrapt, zonder ons daartegen te kunnen verzetten.
Wij bewoners van het platteland herzeg ik, zullen nu ook deelen in de heerlijke gevolgen van deze waarlijk gezegende omwenteling van zaaken.”
Wat betreft de achterstelling van het platteland gooide Nuhout van der Veen er in het vervolg van zijn betoog nog een schepje bovenop:
“Bij alle geleegenheeden hield ik u voor, dat vooral het platteland wierd verdrukt en mishandeld, dat het door zwaare en ondraaglijke lasten wierd uitgezoogen. Dat wij door geweldenaars, die noch recht, noch wet willen kennen, wier geweten was toegeschroeid, wierden uitgeplunderd, dat ons zweet en bloed schandelijk wierd verquist …”
De genoemde achterstelling en verdrukking van het platteland, de ondraaglijke lasten en het uit- gemergeld en uitgezogen worden door de zogenaamde groten, waarop sloeg dit nu eigenlijk?
In dit opzicht was Nuhout’s geestverwant, de patriot en militair Herman Willem Daendels, wat meer specifiek in een proclamatie van eind 1794:
“Mijne Vrinden! Hoe gelukkig zullen wij zijn, als ons Land eens gezuiverd is van al dat Adellijk en Aristocratisch Ongedierte: ja als er geen Drostendiensten meer zullen zijn; als eenieder vrij zal mogen Jagen en Vissen; als de Lasten en Ongelden voor een groot gedeelte zullen verminderd zijn, en niet meer voornaamenlijk den armen drukken, zo als thans plaats heeft; en als het Land door braave Burgers en Boeren, bij algemeene stemmen daar toe gekoozen, zal geregeerd worden.”

Luitenant-generaal Daendels, commandant van de eerste Bataafse divisie.
Luitenant-generaal Daendels, commandant van de eerste Bataafse divisie.

Kreeg de ‘kleine burger’ politieke invloed?

Opvallend is, dat veel patriotten, die het in 1795 voor het zeggen kregen, zelf tot de aristocratie of althans tot een zeer bemiddeld deel van de bevolking behoorden.
Wat Castricum betreft is het duidelijkste voorbeeld Joan Geelvinck, heer van Castricum, Bakkum en Croonenburg, baljuw van Amstelland, Waveren, Botshol en Ruige Wilnis en dijkgraaf van Amstelland, de Hoge Zeeburg en Diemerdijk. Zijn vele titels wijzen er al op, dat hij telg was van een zeer gefortuneerde Amsterdamse familie, waar men bestuurlijke functies grotendeels door vererving verkreeg. Hij was op voorname stand woonachtig in een groot grachtenpand en verpoosde zich op zijn buitenverblijven, onder meer in de omgeving van Beverwijk. In Castricum genoot hij bepaalde rechten en genereerde hij inkomsten uit een vrij groot grondbezit en uit belastingen, die hij mocht innen. Hij behoorde dus eigenlijk tot het ‘aristocratisch ongedierte’ waarop de geciteerde fulminade van Daendels betrekking had.
Nuhout van der Veen, hoewel veel minder gefortuneerd dan Geelvinck, wist zich tijdens zijn Castricumse periode niettemin tot een plaatselijke grootgrondbezitter op te werken. Hij paste zich bovendien aan de gewoonten van de meer gefortuneerden aan, door het realiseren van een buitenverblijf nabij het duin, te beginnen in 1784, door daar de Duincroft, het Duinakkertje, een woonhuis en een aangrenzende goed onderhouden tuin met vruchtbomen te kopen. In een veel latere periode van zijn leven,in 1816, was Nuhout van der Veen in dusdanig goede doen, dat bij de buitenplaats Middelhout in de Alkmaarse Hout kon kopen.
Een voorbeeld van een andere welgestelde Castricummer, die reeds voor de Bataafse omwenteling
deel uitmaakte van het Castricumse gemeentebestuur en zich daarna wegens zijn patriottische sympathieën zonder problemen wist te handhaven was Jan Glorie, een Castricumse herenboer. Hij was veehouder en bezat meer dan 33 ha land in de Oosterbuurt en de Castricummer polder en bovendien 3 boerderijen aan de Breedeweg. Verder verkreeg bij door zijn tweede huwelijk bezit aan land in de Schermer.
Al met al kan men stellen, dat bij de omwenteling van 1795 de gemiddelde Castricumse burger, laat staan de armlastige inwoner, geen enkele kans kreeg in het dorpsbestuur te participeren. Dit gold overigens ook voor het landelijk gebeuren. De gewone burger kreeg weinig invloed, armlastigen hadden niet eens stemrecht. De reeds welgestelden bleven de dienst uitmaken. Dit was achteraf gezien ook de zwakte van de Bataafse revolutie. Zij was geen arbeidersbeweging.

‘Drukkendste lasten’

Met welke door Nuhout van der Veen in algemene zin aangeduide ‘drukkendste lasten’ hadden de inwoners van Castricum nu eigenlijk te maken?
Inwoners met bezit aan huizen, boerderijen en grond werden met een op zichzelf niet geringe directe belasting geconfronteerd, de verponding, die tot het begin van de 19e eeuw was gefixeerd op 20% der geschatte waarde van het onroerend goed (de pachtwaarde). Had men ook nog bezit in de vorm van obligaties of een lijfrente, dan werd daarover een procentuele belasting geheven, meestal de zogenaamde 100e penning, die neerkwam op l% van de waarde. Naar gelang de luimen van de overheid, kon deze belasting echter aanzienlijk oplopen, door ze frequenter te heffen en het percentage te verhogen. Vooral de boeren werden verder met een verscheidenheid aan andere directe belastingen geconfronteerd, onder andere op de bezaaide en beteelde landen, op het bezit aan vee (hoorngeld), op het bezit aan paarden (oorgeld) en niet te vergeten de waterschapslasten. Indirecte belastingen werden door alle burgers betaald in de vorm van accijnzen op de eerste levensbehoeften, zoals brandhout, brood, boter, zout, zeep, turf, kolen, bier etc. en op bouwmaterialen. De grootste opbrengst leverde het gemaal, de belasting op het malen van graan, die een directe invloed had op de broodprijzen.
De belastinggaarder en de veldwachter, waren op het platteland weinig populaire figuren. In een belastingspel met speelkaarten uit de l9e eeuw werden zij afgeschilderd als vrees- en schrikverwekkers van de boeren. Het spel accentueerde de ongelijke verdeling van de belastingdruk. Verkeerde men door de uitdeling van de spelkaarten in de rol van de boeren Sijmen of Bartel, dan had men geen recht op uitkeringen uit de pot en moest alleen maar worden betaald.


Jaarboek 22, pagina 16

Beknotte rechten

Wat betreft de geciteerde kritiek van Nuhout van der Veen en Daendels op de rechteloosheid van de plattelandsbewoners kan worden aangenomen, dat zij voornamelijk de van oudsher bestaande tegenstellingen tussen het platteland en de steden op het oog hadden, die tot ver in de 18e eeuw doorwerkten. Bijvoorbeeld de kwestie van het marktrecht, dat de steden zich hadden toegeëigend. Dorpsmarkten werden tegengewerkt en als plattelandsgemeenten toch trachtten een reguliere markt te organiseren, kwamen er bij het provinciaal bestuur en zelfs bij het landsbestuur protesten uit de steden binnen, die vaak succes hadden. De stadsbesturen probeerden bovendien de niet aan een markt gebonden dorpshandel, zoals de winkelnering en het venten, aan banden te leggen. Onder de druk van regelgeving en sancties waren de boeren dus welhaast verplicht om hun producten zoveel mogelijk in de steden te verkopen en daar bovendien ook hun inkopen te doen. Naast de economische bedrijvigheid had dit voor de steden als bijkomend voordeel, dat accijns kon worden geheven, zoals de waagaccijns, die als bron van inkomsten voor bijvoorbeeld steden als Alkmaar en Purmerend niet te verwaarlozen was.
Veel plattelandsbewoners zagen ook met lede ogen aan, dat het recht tot jacht en binnenvisserij veelal een privilege was van rijke stadsbewoners met aanzienlijke bezittingen buiten de stadsgrenzen, wat overigens stroperij in de hand werkte.

Een andere beknotting van de rechten van de plattelandsbevolking bestond eruit, dat de stadsbesturen, veelal onder druk van de gilden, allerlei vormen van nijverheid monopoliseerden, zoals de weverij, ververij, touwslagerij, zeilmakerij, houtbewerking en bierbrouwerij, onder het mom van ongewenste concurrentie, die tot een dramatische toename van de werkloosheid in de steden zou kunnen leiden.

In dit verband trok aan de vooravond van de patriottische opstand een verhandeling van de Zaanse industrieel Adriaan Rogge de aandacht, geschreven naar aanleiding van een prijsvraag die in 1771 was georganiseerd door de Hollandse Maatschappij van Wetenschappen, met als vraagstelling de oorzaak van de neergang van de Nederlandse economie. Rogge bepleitte in zijn rapport de vrijheid van vestiging van nijverheid en industrie op die plaatsen, waar de goedkoopste arbeid voorhanden was en verzette zich tegen het stelsel van stedelijke invoerheffingen. Zijn denkbeelden werden vooral op het platteland warm ontvangen en waarschijnlijk hebben ook patriottische leiders als Nuhout van der Veen er inspiratie uit geput in hun stellingname tegen de onderdrukking van het platteland.

Bataafse initiatieven

Met de komst van de Bataafse Republiek in 1795 kwam de kwestie van de achterstelling van het platteland ten opzichte van de steden inderdaad op de politieke agenda.
Reeds in april 1795 werden door afgevaardigden van het platteland in de voorlopige regering in Den Haag kritische opmerkingen gemaakt over de aan de dorpsneringen opgelegde beperkingen en werd de vrije vestiging van bedrijven op het platteland bepleit. Dit stuitte echter op protesten van stadsbesturen, die het niet met de ware vrijheid in overeenstemming konden brengen om duizenden inwoners van de steden in de diepste armoede te storten. In de loop van 1796 werden in de inmiddels gevormde Nationale Vergadering de debatten over de positie van de dorpsnering voortgezet. Vooral de samenwerkende gilden uit verschillende Hollandse steden bleven zich echter verzetten tegen meer vrijheid voor het vestigen van bedrijven op het platteland en drongen aan op onverkorte handhaving van de lokale invoerrechten. Dit lokte pleidooien uit tot afschaffing van de gilden, maar zover kwam het vooralsnog niet en de besluitvorming over de achterstelling van het platteland werd vooruit geschoven.

Na de machtsovername van de patriotten rezen de comités voor het regelen van allerhande zaken als paddenstoelen de grond uit. Met deze regelzucht werd door tegenstanders van de patriotten nogal eens de draak gestoken. Hierbij ter illustratie een spotprent op het Comité van Algemeen Welzijn.
Na de machtsovername van de patriotten rezen de comités voor het regelen van allerhande zaken als paddenstoelen de grond uit. Met deze regelzucht werd door tegenstanders van de patriotten nogal eens de draak gestoken. Hierbij ter illustratie een spotprent op het Comité van Algemeen Welzijn.

Ook in het Provinciaal Bestuur van het gewest Holland kreeg de plattelandsproblematiek aandacht. In december 1796 kwamen elf leden van dit bestuur, waaronder de reeds genoemde Rogge met een motie, die beoogde om op economisch gebied tot gelijke rechten voor de steden en dorpen te komen. In maart 1797 werd echter een negatief advies uitgebracht. Er waren weliswaar steden die de invoer belemmerden, maar men vond het geen algemeen probleem.
De kwestie bleef sudderen tot aan de staatsgreep van januari 1798, waarna een radicaler bewind een grondwet tot stand bracht met een bepaling tot verbod op handels- belemmeringen binnen de Republiek, terwijl tevens aan iedere burger het recht werd toegekend om op elke gewenste plaats een bedrijf van zijn keuze te beginnen. Bovendien werden de gilden opgeheven. Veel belangengroeperingen, waaronder de gilden, hielden zich echter niet aan de wet en legden de bepalingen naast zich neer . Zo bleef bijvoorbeeld het verbod bestaan tot het oprichten van brouwerijen op het platteland. Ook de belastingen op consumptiegoederen, de imposten, werden niet opgeheven. Vanuit het perspectief van het platteland maakte het invoeren van de grondwet van 1798 dus niet echt een einde aan stedelijke bevoorrechting.

Armoede

De 18e eeuw was voor de Republiek een periode van economische neergang.
De koopvaardij, handel, nijverheid en visserij zakten ineen, met als gevolg oplopende prijzen en toenemende belastingdruk. Voor de boerenbevolking telde de eeuw bovendien een aantal ongunstige klimatologische omstandigheden en natuurrampen, zoals de runderpest.
Ook in Castricum deed de achteruitgang in de economie zich gelden, waarbij het met andere dorpen uit het zogenaamde duinkavel bovendien met een lokaal probleem had te kampen, de verschraling van de onder het duin gelegen gronden. Castricum raakte door een en ander in de financiële problemen, waarbij het gemeentebestuur met betrekking tot de gemeentelijke begroting van het provinciale bestuur zware kritiek te verduren kreeg.


Jaarboek 22, pagina 17

Niettemin wist Castricum met een aantal andere gemeenten van het duinkavel een vermindering van de verponding te bewerkstelligen, het laatst in 1798.
Als gevolg van de economische malaise, kwamen niet zozeer de welgestelde boeren, als wel de kleinere bedrijven en de seizoenarbeiders in de verdrukking. Naarmate de eeuw verstreek namen de werkloosheid en de armoede toe, ook in Castricum.

De Bataven en het armoedeprobleem

Ondanks een groot aantal bestuurlijke maatregelen die men als een aanzet tot democratisering kan zien, slaagden de Bataven er niet in de sociale en economische problemen op te lossen.
De nieuw gekozen volksvertegenwoordiging schonk wel degelijk aandacht aan het lot van de armen en kwam met een plan, dat zijn tijd ver vooruit kan worden genoemd: het maken van de armenzorg tot staatszaak. Men schatte het aantal bedeelden in de Bataafse Republiek op niet minder dan 25% van de 1,9 miljoen inwoners. Op basis van veronderstelde noodzakelijke jaarlijkse ondersteuningskosten van gemiddeld 75,- gulden per bedeelde, leidde deze schatting tot de conclusie, dat uitvoering van een algemeen ondersteuningsplan de staat ruim 35 miljoen gulden per jaar zou kosten, een veel te hoog bedrag om in de begroting te kunnen inpassen. En dus veranderde er weinig in de armenzorg.
De Bataafse regenten slaagden er ook niet in het belastingstelsel ten gunste van de armen en minvermogenden te hervormen, wat niet verwonderlijk is, want de Bataafse Republiek was een vazalstaat van Frankrijk en kreeg te maken met grote financiële verplichtingen, waaronder kosten van legering van Franse troepen. De belastingdruk werd in feite nog opgevoerd. Een maatregel, die in het kader van de armoedebestrijding werd overwogen was de afschaffing van de accijnzen op de eerste levensbehoeften, maar onder invloed van financieel deskundige volksrepresentanten uit de wereld van bankiers en ondernemers, kreeg ook dit voorstel geen instemming.

Castricum

Aangenomen kan worden, dat ook het patriottische bestuur in Castricum weinig kon doen om de lokale economische situatie te verbeteren en de armoede tegen te gaan.
De door Nuhout van der Veen in 1795 aangekondigde ‘heerlijke omwenteling van zaken’ had voor de inwoners niet de gesuggereerde ‘heerlijke gevolgen’, integendeel.
Hoewel dat niet de schuld was van het nieuwe bewind, verliep reeds het eerste jaar van de Bataafse vrijheid voor de Castricumse bevolking vrij desastreus, door de grote brand van 29 juli 1795, waarbij in het centrum nabij de kerk vijf huizen, een stal en een schuur in de as werden gelegd. Hierdoor kwamen acht Castricumse huisgezinnen in zulke zorgelijke omstandigheden te verkeren, dat zelfs in Beverwijk een collecte werd gehouden, die ruim 93 gulden opbracht.
Over hoe het de inwoners in economisch opzicht tot aan de rampzalige oorlog in 1799 verder verging, zijn weinig gegevens beschikbaar. De raadsnotulen uit die periode, waarvan zelfs een deel ontbreekt, verschaffen hierover geen informatie. In principe zouden de vanaf 1777 jaarlijkse bijgehouden dorpsrekening inzicht kunnen verschaffen, maar zij zijn vrij moeilijk te interpreteren, omdat bij de uitgaven steeds tekorten werden meegerekend, die in verband met leningen over voorgaande jaren waren ontstaan. Bij correctie hiervoor zien we, dat over de jaren 1790 tot 1795 in feite de ontvangsten de uitgaven overtreffen. Er resulteerde dus een batig saldo, dat echter in genoemde periode wel een duidelijke daling vertoont, van ruim 1.000 gulden in 1790 tot minder dan de helft in 1795. Vanaf 1795 tot 1798 gaan de jaarlijkse uitgaven de inkomsten overtreffen en ontstaat een negatief saldo van enkele honderden guldens. Aan de uitgavenkant treden nu posten op, die te maken hebben met de nieuwe politieke situatie, zoals kosten voor het organiseren van kiesvergaderingen en van het afvaardigen van gedeputeerden.
Ook uitgaven voor militaire zaken beginnen nu op de gemeentebegroting te drukken. Aan Jan Versteege, een logementhouder, werden herhaaldelijk tientallen guldens uit de gemeentekas uitbetaald voor de inkwartiering en verteringen van militairen. De Castricummers Gerrit Captein, Jan Schavemaker, Albert Knaap, Frans van Dijk en Jacob Kuijs worden genoemd als transporteurs van militaire bagage binnen de provincie, waarvoor het gemeentebestuur soms pittige bedragen uitbetaalde van meer dan 100 gulden.
Van de sociale problematiek in Castricum geven dergelijke gemeentebegrotingen echter geen duidelijk beeld. Er komen bijvoorbeeld geen uitgavenposten betreffende de armenzorg in voor.
Slechts de beschikbare gegevens over een in Castricum in 1798 geheven dorpsschot verschaffen enig inzicht in de verhouding arm – rijk, omdat in dat jaar bij uitzondering niet alleen de totale opbrengst werd vermeld, maar ook de individuele bijdrage. Castricum telde ruim honderd gezinnen, waarvan volgens de lijst slechts 42 personen, gezinshoofden of alleenstaanden, voor deze plaatselijke belasting in aanmerking kwamen.
De helft van dit aantal betaalde de minimumaanslag, minder dan twee gulden, wat men in verhouding moet zien tot de hoogste aanslag, die ruim 46 gulden bedroeg. Uit het patroon van de belastingheffing komt Castricum niet als een welvarende gemeente naar voren. Als we bijvoorbeeld een vergelijking maken met bet dorpsschot dat in dezelfde periode in Graft werd geheven, dan blijkt dat daar een veel geringer percentage van de belastingplichtigen het minimum van minder dan twee gulden moest betalen. Neemt men iets hogere bedragen in aanmerking, dan nemen de verschillen tussen Graft en Castricum af, terwijl het percentage Castricumse inwoners, dat een relatief hoge belasting moest betalen zelfs aanzienlijk groter is dan in Graft. Dit leidt tot de voorzichtige conclusie dat Castricum, in vergelijking tot Graft, meer armen, maar ook meer rijken telde, wat betekent dat de sociale tegenstellingen in Castricum als groter kunnen worden ingeschat.
Een verklaring is de relatief slechte positie van de boeren op de verarmde duingronden. Dit in tegenstelling tot de veeboeren met betere gronden, zoals in de Castricummer polder, maar ook in Graft, die nog het minst het slachtoffer waren van de economische malaise. In de laatste decennia van de 19e eeuw verbeterde hun positie zelfs, onder meer door de sterk toegenomen export van agrarische producten. De historicus Schama relativeert overigens de bijdrage van de rijke boeren aan bet sociale klimaat door op te merken: “De grote boter- en kaasbergen die elke week op de markten van Alkmaar en Edam te zien waren vormden geen tegenwicht voor de vrijwel volledige ineenstorting van de handel en nijverheidseconomie van de Noordelijke Nederlanden. En ook de aanzwellende stroom van armen en behoeftigen werd er niet door gestuit.”
En hij constateert dan ook, dat de meest erbarmelijke nooddruft waarschijnlijk te vinden was op bet platteland, daarbij doelend op de kleine boerenbedrijven en de werkloosheid onder de seizoenarbeiders.

Toenemend onbehagen en repressie

In veel steden en dorpen van de Republiek bleven ook na de Bataafse omwenteling groepen burgers in Oranje geloven, veelal heimelijk, maar soms ook openlijk. Oranje-aanhang trof men vooral in gemeenten met een overwegend gereformeerde bevolking, omdat de dominees geen boodschap hadden aan de gelijkberechtiging van alle godsdiensten. Verder onder de inwoners van vissersplaatsen, waar men de teloorgang van de visserij terecht aan de Franse politiek toeschreef. In het algemeen ook onder de bevolkingsgroepen aan de onderkant van de maatschappij, die hun leefomstandigheden niet zagen verbeteren. Bovendien nam de populariteit van de Fransen en Bataven af onder aanvankelijke sympathisanten, vooral door de lastenverzwaringen, die het gevolg waren van de Franse bezetting. In de jaren na de Bataafse revolutie bleef de overheid dan ook beducht voor contrarevolutionaire uitbarstingen van Oranjegezinden en er werd in dit opzicht zelfs een sterk repressief beleid gevoerd.


Jaarboek 22, pagina 18

Dat uitte zich niet alleen in de gerechtelijke vervolging van kleine incidenten, waarbij burgers, veelal onder de invloed van alcohol, openlijk hun Oranje-aanhankelijkheid betuigden, maar ook in de oprichting van een officieel ambtelijk spionagecircuit, bestaande uit Commissies tot Binnenlandsche Correspondentie. Achter deze onschuldige naam ging een netwerk schuil, waarin bestuurlijke colleges elkaar vrijwel dagelijks schriftelijk op de hoogte hielden van plaatselijke politieke activiteiten, met de vraag of men die kon dulden en de maatregelen, die hiertegen genomen moesten worden.
Een vorm van activiteit van deze commissies was het tegengaan van ongewenste pamfletten en drukwerken, die bij aantreffen in beslag werden genomen, waarna tegen de verspreider en de maker, als die bekend waren, een vervolging werd ingesteld. Een voorbeeld van wat zoal de toorn van deze overheidsinstanties kon opwekken is de inbeslagname begin 1799 van gedrukte bescheiden te Buiksloot. Hieronder bevonden zich manuscripten van enkele toneelstukken, die niet zozeer om het etaleren van Oranjesympathie misnoegen hadden gewekt, maar veeleer door het op de hak nemen van de bestuurlijke autoriteiten. Een voorbeeld van de satirische tekst van één van deze toneelstukken treft de lezer elders in dit artikel (red: hieronder).

 Zinnenprent op Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.
Zinnenprent op Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.

‘Staatkundige Samenspraak” door J. Bruijn

Een burger genaamd Klapwiek en een kamerbewaarder met de naam Apollionnetje (!) betreden een toneel, waarop de Bataafse maatschappij als hel wordt voorgesteld, met echter een gedeelte ingericht als een vergaderruimte.
Klapwiek tegen Apollionnetje: “Wel verbaast en verschriklyk! Wat al Committés! Hier een Commité, daar een Committé, ginter een Committé! Men kan geen voet verzetten, of men struykelt over een Committé. Als het Vaderland nu niet behouden word, dan weet ik het niet”.
Klapwiek, als hij op het toneel satan (Lucifer) en een handlanger ontwaart, beiden gekleed als Bataafse bestuurders, met de bekende sjerp en steek en bovendien een bril, om geleerdheid te suggereren: “Wel jemini Joosje! Dit is een mooy Committé! En ei kyk, wat aardige Commitésleden. Wel, die zien er grappig uyt.”
De dialoog spitst zich vervolgens toe op een advies dat Klapwiek van Lucifer wil krijgen, over hoe hij in de regering kan komen. Klapwiek noemt enkele van zijn verdiensten, die het verkrijgen van een zetel in de regering wellicht vergemakkelijken. Hij heeft geld en draagt een knap kostuum.
Hij betwijfelt echter of hij verstandig genoeg is, want zijn omgeving noemt hem een zot.
Lucifer: “Wel nu, laat dat zoo zyn, des te grooter kans hebt gy, om aan ‘t roer van de staat te komen.”
Om carrière te maken acht Lucifer het nuttig dat Klapwiek elke dag een ander kostuum draagt. Klapwiek: “Wat je zegt? Zou er dat goed voor wezen? Wel dan laat ik hier nog twee pakken by maaken. Maar Burger, alle dag een ander pak: dat strookt immers niet met de Gelykheid, met de Burgerlyke vryheit”.
Lucifer: “Daar moet het niet meede strooken”.
Klapwiek: “Maar elk heeft de woorden in de mont.”
Lucifer: “Gy moet ze ook onophoudelyk in den mond hebben, maar er nooyt naar doen!”
Klapwiek: “Wel foey, dat zou falsch zijn.”

Lucifer: “Wanneer gy er zo over denkt, komt gij niet in de Regeering. Begryp dat woorden geen kleederen zyn: de eersten moet gy gebruiken, en de laatsten aantrekken.”
Als voorwaarde om in de regering te komen noemt Lucifer vervolgens het deelnemen aan de vele clubs, sociëteiten en grondvergaderingen. Klapwiek bekent, dat hij zich daar nooit vertoont, omdat hij bang is te moeten spreken en niet zou weten wat hij moest zeggen.
Wel heeft hij veel discussies over de staatkunde aangehoord, soms tot diep in de nacht, in gezelschappen bij hem thuis.
Lucifer: “Dat wil ik gelooven, maar verstaat gy die Predikatiën ook?”
Klapwiek: “Wel om je de waarheid te zeggen, neen! Hier en daar is er zo een enkel woord in, dat ik versta, zoals Vryheid, Gelykheid, Broederschap, Vaderlands liefde en dergelyken, maar van het overige begryp ik net zo veel als myn kat. Evenwel hoor ik het gaarne, want kyk, die woorden worden op zulk een verschrikkelijke mooyen toon uytgesproken, dat er een menschen hart van verdaagt. Somtyds klinken ze ook net of het donderde, en vooral, als het wat laat in de nagt word, want dan is het stil, begryp je?”
Na enige verdere discussie geeft Lucifer als advies: “Vervoeg u daaglyks in de Vergaderingen van dit volk! Steek den buyk vooruyt, den kop in de hoogte, vlieg de Predikstoel op, breid de Armen uyt, verhef uw stem, en predik uyt al uw magt over de Vryheid, Gelykheid en de Broederschap!”.
Klapwiek: “Wel, daar sla ik een gat van in den Bemel! Ik prediken? Ik, in een Volksvergadering het woord voeren! Wel, de Burgers! Zy zouden my uytlachen.”
Lucifer: “En waarom zouden ze u uytlachen?”
Klapwiek: “Wel, geen mensch zou myn Predikatie verstaen, en by myn ziel! Ik zelf ook niet.”
Lucifer: “Toen gy, zoo als gy zegt, die Burgers uyt de Club, aan uw huys hebt hooren Prediken, toen verstond gy ze ook niet. Maar hebt gy ze toen uytgelachen?”
Klapwiek: “Wel neen! In ‘t geheel niet”.
Lucifer: “Welnu, evenmin zullen ze ook u uytlachen en wij kunnen u zelfs verzekeren dat hoe minder zy van uwe redenvoeringen of aanspraaken verstaan of begrypen, hoe minder zy er om lachen zullen.”
Klapwiek: “Kyk, alsdat zoo is, dan ga ik op de Preekstoel.”
Lucifer: “Het is voor u de naaste weg, om in de Regeering te komen. Alleenlyk draag zorg, dat men u weinig of liever in het geheel niet begrypt; uytgezondert de berugte woorden van Vryheid, Gelykheid en Broederschap! Maar appropo, hebt gy een goede stem?”
Klapwiek: “Een stem als een klok. Kyk ik ben er niet groots op, want het is een gaaf van onzen Lievenheer, maar ik kan schreeuwen, dat men het een halfuur verre hooren kan.”


Jaarboek 22, pagina 19

Lucifer: “O! dat is by uytstek. Maar hebt gy noch al veel variatiën, of stembuygingen, als gy zo hard schreeuwt?”
Klapwiek: “Dat laat ik u zelf beoordeelen, ik zing al de Psalmen Davids zo goed als de beste Voorzanger.”
Lucifer: “Dan is de zaak gewonnen. Ga dan gerust heen Burger! Trek een mooye rok aan, verschyn in de Volksvergaderingen. Balk op de Preekstoel. Brom daar de onverstaanbare wartaal. Spreek de woorden Vryheid, Gelykheid, Broederschap, nu eens vlemend, dan eens langzaam, dan eens zagjes en daar weer donderende uit, mits altoos verstaanbaar.
En, om zeker te wezen van ‘s Volkstoejuyching, verzoek van den avond te voren, wanneer gy de volgende dag predikt, een dousyn of anderhalf van uwen toehoorders, die groote sterke handen hebben, en die steeds gewoon zyn, om in de Vergaderingen het hardste te schreeuwen en het hardste te klappen-onthaal deze op een goed glas wyn – en zie u by de eerste verkiezing Regent!”

In dit geval kon een van de departementale commissieleden in Alkmaar, die de teksten onder ogen kreeg, er de humor nog wel van inzien. Maar veelal waren de reacties veel fanatieker. Zo gaf de Commissie van Binnenlandse Correspondentie in de Beemster in juli 1799 kennis van een “zeer vuijl en quaardaardig Libel”, waarbij men alles zal aanwenden om de schrijver te vinden en te bestraffen. Het is een gedrukt schotschrift, met een wat moeizaam taalgebruik, dat als volgt aanvangt:
“Gij vervloekte Patriotten,
Gij zult ons niet langer bedotten,
Gij die zo gij zijt ons verlost hebt van slavernij en ons gebragt hebt in vrijheid,
gij zult gestraft worden door een man,
die zo gij zegt hier niet komen kan,
of regt geseid door de Prins van Oranje
door hulp van de Vorst van Groot Brittagne
en door het Huijs van Oostenrijk —.”
Plaatselijke bestuurders worden vervolgens op de korrel genomen in kreupel rijmende zinnen als:
“Dirk de Boer is een Deïst, Jacob Hartog is Menist” en
“Kees van Meder, dronken man; gij spant met de beesten an.”
En het geschrift eindigt kort maar krachtig:
“Departementale Stront. Gij zijt allemaal een hond.”

De 'Slag bij Castricum' aquarel door Charles Rochussen.
De ‘Slag bij Castricum’ aquarel door Charles Rochussen.

Nog meer onrust

De invasie van Engelse en Russische troepen eind 1799 kwam niet onverwacht. Bataven en Fransen zagen de oorlog al ruim van te voren aankomen en ook onder de bevolking deden allerlei geruchten de ronde.
Zo meldde de Noordhollandsche Boeren Courant al in juli 1799:
“LONDEN, den 5 July.
Gister hebben de Generaals Ralph Abercrombie en Doyle van den Koning afscheid genomen, om het bevel der geheime landingsexpeditie op zig te nemen, tot welke de garde brigade zig van hier naar Southampton op marsch begeeven heeft, en uit alle oorden zyn troupen ter inscheeping insgelyks op marsch. Te Portsmouth en Southampton, alwaar reeds 12000 man troupen verzameld zyn, liggen geheele divisien van platte vaartuigen, welke bestemd zyn om de troepen in te nemen. Het getal der manschappen, tot de Expeditie bestemd, zal tot 35000 gebragt worden, met welken 45000 Man Russen zullen medewerken. De Generaal Sieward zal nevens de Generaal Abercrombie commandeeren.”
Uit angst voor onrust onder de bevolking en oplaaiende Oranjesympathie richtte de censuur van bet Bataafse bewind zich nu zelfs op de pers en werd het nummer van de Noordhollandscbe Boeren Courant, waarin bet geciteerde bericht voorkwam, in beslag genomen. Niet alleen vanwege leugens, die de eenvoudige plattelandsbewoner zouden kunnen misleiden, maar ook omdat ze “de aanhangers van den verstoten voortvluchtige stadhouder, op den terugkeer van hunnen afgod doen hopen”. Aangekondigd werd, dat de aandacht zou worden verdubbeld en dat geen middel onbeproefd zou worden gelaten om de verspreiding van soortgelijke oproerige geschriften dadelijk in handen van de rechter te stellen.

De vrees van het bewind, dat het nog voor de veronderstelde terugkeer van de prins tot oncontroleerbare uitingen van Oranjesympathie zou kunnen komen, was overigens niet ongegrond.
In juni 1799, dus nog voor de invasie, schreef de Agent van Inwendige Politie der Bataafse Republiek vanuit Den Haag naar het Departementaal Bestuur te Alkmaar om op “geheime en openlyke machinatiën der verdervelijke Orange-Party een wakend oog te houden”. Hij merkte verder op “dat in dit tydsgewricht de aanhangers van het vernietigd stadhouderschap zich buitengewoon onbeschaamd opstellen, omdat zij hopen op een aanstaande tegen-omwenteling, met herstel van het vernietigt stadhouderschap en aristocratisch bestuur”.


Jaarboek 22, pagina 20

Zij ontzien zich niet, “om van alle kanten diverse schrikbarende tydingen te verspreiden en oproerige contra-revolutionaire discoursen te houden ” terwijl “ook opentlijk, zoo op kermissen als elders, onder bijouteriën, en andere winkelwaaren, orange-teekenen gedebiteerd worden, en te koop liggen”.

De economische gevolgen van de oorlog voor de plaatselijke bevolking

Wat ons vooral interesseert zijn de economische gevolgen voor de toch al niet welvarende bevolking van Castricum. Omdat de finale veldslag zich gedeeltelijk midden in het dorp afspeelde, moet de schade aanzienlijk zijn geweest, vooral de beschadiging van huizen. Een Zaanse industrieel, Jacob Jansz Honig, noteerde in een dagboek zijn impressies van een bezoek op 11 oktober 1799 aan het strijdtoneel in Castricum. In het duingebied trof hij dode militairen, die nog begraven moesten worden en een huis, dat volledig geplunderd was.
Over Castricum zelf noteerde hij, dat de huizen aan de buitenkant weinig beschadigd leken, doch “van binne waaren sommige erg gestelt”. Op een aquarel van Rochussen, die een impressie van de slag nabij het dorp geeft, ziet men rookwolken boven Castricum opstijgen, wat suggereert, dat verscheidene huizen in brand stonden. Daarbij kwam dan nog de schade door de plunderingen. Een ooggetuige, de Castricumse pastoor Bommer, signaleerde hoe nog na de capitulatie op 2 november 1799, de doortrekkende Franse troepen vele gestolen goederen meevoerden, waaronder de muurankers van de huizen. Zelfs Nuhout van der Veen klom in de pen, om in een protestbrief aan het Uitvoerend Bewind zijn ongenoegen over de roofzucht der Franse en Bataafse troepen te uiten.

Ook het Bataafse bewind slaagde er niet in de ingezakte handel en economie weer op orde te krijgen. Integendeel, de overheersing door de Fransen leidde nog tot een verdere verslechtering van de economie, die tot uitdrukking wordt gebracht in deze spotprent. Van de industrie resteert nog slechts de reparatie van scheepsankers en het herstel van zeilen. De handel beperkt zich tot een eenzame marskramer en van de handelsvloot bestaat alleen nog een gammel scheep je met gescheurde zeilen.
Ook het Bataafse bewind slaagde er niet in de ingezakte handel en economie weer op orde te krijgen. Integendeel, de overheersing door de Fransen leidde nog tot een verdere verslechtering van de economie, die tot uitdrukking wordt gebracht in deze spotprent. Van de industrie resteert nog slechts de reparatie van scheepsankers en het herstel van zeilen. De handel beperkt zich tot een eenzame marskramer en van de handelsvloot bestaat alleen nog een gammel scheep je met gescheurde zeilen.

Hoe groot was de schade? Daarover zijn geen gegevens gevonden, terwijl er van verscheidene andere Noord-Hollandse gemeenten wel gedetailleerde opgaven bekend zijn.
De jaarlijkse Castricumse dorpsrekeningen tonen vanaf 1799 geen essentieel ander beeld dan daarvoor, meestal een tekort van enkele honderden guldens. De schade kan naar analogie van andere plaatsen waar de oorlog woedde op vele tienduizenden guldens worden geschat. Hiervan vinden we merkwaardigerwijs dus niets terug in de dorpsrekeningen. Een verklaring is, dat de gemeente niet in staat was schadevergoedingen uit te betalen, omdat door de centrale overheid niets werd uitgekeerd. Inderdaad is bekend, dat de afhandeling van schadeclaims, die door de getroffen Noord-Hollandse gemeenten werden ingediend, jarenlang werd vertraagd.
En voor zover geldbedragen werden uitgekeerd, waren deze slechts een fractie van de werkelijk geleden schade. Het is dus waarschijnlijk, dat de getroffen inwoners van Castricum grotendeels zelf voor de geleden schade moesten opdraaien. Volgens sommige bronnen stagneerde de ontwikkeling van Castricum door de oorlog enkele tientallen jaren.

Plunderingen in Castricum
(Uit het dagboek van pastoor Nicolaas Bommer)

De schade, die door de feitelijke veldslag in Castricum op 6 oktober 1799 werd aangericht is weliswaar niet bekend, maar de omvang van de plunderingen door de militairen werd door de toenmalige Castricumse pastoor Nicolaas Bommer nauwgezet opgetekend. Zijn aantekeningen geven toch een indruk van de schade die de oorlog aan veel Castricummers toebracht. Bommer was vooral ontsteld door de roofzucht van de Fransen en hij gaat daarover welhaast schuimbekkend te keer.
“De Franschen dan, Godverzaakers, ongeloovige, gedoopte Heidenen, wil zeggen veel erger als de Heidenen, Ongodisten, Naturalisten, Voltairisten, Sodomieten, daar zijn voorbeelden van op de Egmonden (zelfs van een capitijn). Met een woord, de Heidenen en Turken overtroffen hun in zeeden, want zij zijn de grootste hypokrieten en scheinheiligen, die de duivel ooit heeft kunnen verzinnen, en uitbrijen, zij zagen er in ‘t plunderen zoo wreed, en verwoed uit, gelijk de burgers getuigden, en ik zelf heb gezien, als of ze met den duivel bezeten waren.”
Bommer noemt wat de plunderingen betreft in de in de eerste plaats de Kerkbuurt, wat begrijpelijk is, omdat deze buurt gelegen was aan een doorgaande weg (de huidige Dorpsstraat), die in de doortocht van de militairen een centrale rol speelde. Het is ironisch, dat juist patriottisch gezinde bestuurders, die in het centrum nabij de Hervormde Kerk woonden, de eerste slachtoffers van de plunderingen waren.
“In de Kerkbuurt is het bedroefd gesteld geweest met de huizen van de Heer en Mr. Joachim Nuhout van Veen, schout, en secretaris alhier, alsook van Dominee Fabritius predikant alhier, de huizen van Pieter Jans Schavenmaker, de Wed. van Jan Jacobsz Kuijs, bakkers, en winkeliers, zagen er onnoozel uit. Tarwe, rogge, winkelierswaren, en gereedschappen, alles weg, en vernielt, andere huizen wat minder maar erg genoeg.”

Bommer geeft een uitputtende opsomming van de diefstallen en plunderingen, tijdens maar ook nog geruime tijd na de veldslag, waarvan we hier een gedeelte (!) laten volgen:
“Melde ik hier wat de Franschen, hier in Castricum, van Donderdag den 3den October 1799 tot den 8 October tot den middag hebben uitgevoerd met steelen, rooven, plunderen, en vernielen, daar ik zelf ooggetuigen van ben geweest, zelf heb gezien, en de getuigenissen der burgeren, die hier zijn gebleeven.
De burgers, die geen boerderij hadden en een varken voor hen mesten, om daarvan in de herfst, winter, en door ‘t jaar van te leven, waren op twee na gestolen, geslagt, opgegeten en vernield.


Jaarboek 22, pagina 21

De vette varkens der boeren, om ze te verkoopen, en er een van voor hun huisgezin te houden, alsook zeugen, jonge biggen, schapen, lammeren, of overhouders, geiten, en eenige koebeesten, gerooft, geslagt, opgegeeten: hun eigen vleesch van ‘t land ontvangen, agter de wallen, in slooten geworpen laten bederven.
Het getal der geroofden en gestoolene Edamsche en Lijdsche kaasen is ontelbaar. En die kaasen, die jong en nog in ‘t zout waaren, met de sabels doorgehakt en vernield.
Boter, vaatjes met boter, pas gekarnde boter, onnoemelijk veel werd geroofd. Bij ‘t Huijs van Juffrouw Nieuwhout van Veen in ‘t Nieuwe Huis, daar de officieren lagen, is na hun vertrek nog veel gevonden. De Franschen soldaten kookten de kool in klinkklaare booter, zonder water, gekookt zijnde, konden zij het niet eeten, en wierpen het weg, vernielders, en verkwisters. Het gerookte vleesch, spek en hammen, dat ze maar ontdekten, naamen ze weg. Hennen, eenden en eieren, bijekorven, honing, wijn, bier, genever, brandewijn, room, en melk, alles was van hun gading, en verviel in hunne handen.
Kooperen keetels, boerenmelk-ketels en pannen van aardewerk, tinnen leepels, schootelen, borden, trekpotten, staalen vorken, naamen ze weg.
Zilveren beugelen, oorijzers met zilveren slooten, en klampen van kerkboeken, afgescheurd en afgekapt, alsook ander zilver en goud, en geld weggeroofd.

Bedden, lakens, peluwen, sloopen, deekens, tafellaakens, servetten, jassen, mans- en vrouwe kleederen, schoenen en zilveren gespen, onbedenkelijk veel.
Karren, cheesen (red: paardenkar), wagens, ja ‘t ijzer van de wielen, emmers en vaten, was hunne gadingen, daar zijn ook nog paarden weg. Dit en nog meer van den 3den October tot op den 8 dito 1799 alleen in Castricum, hier uit kan men calculatie maaken, dat het nog veel erger te Bergen en verders om de Noord moet geweest zijn.
De schade van ons kerkegoed bestaat in twee zilveren klampen van ‘t Missaal, nieuwe witten neusdoeken, en nog wat ander linnengoed en een kleedje van de Vesperstoel.”
Bommer schatte zijn persoonlijke schade op ruim 100 rijksdaalders.

Er is geen reden om aan het relaas van pastoor Bommer te twijfelen. De Castricumse bevolking werd buiten de eigenlijke oorlogshandelingen ook door het gedrag van vooral de Franse militairen zwaar getroffen.

Bij de Engelse legerleiding bestond over de bereidheid van de Noord-Hollandse bevolking tot spontane hulp bij het afschudden van het Franse juk een vertekend beeld, men dacht een bevrijdingsoorlog te voeren. Willem V had vanuit Engeland niets nagelaten om dit beeld te versterken. Na het mislukken van de expeditie verschenen in de Engelse pers dan ook spotprenten, zoals de bovenstaande. De Hollanders voelen zich goed in de Franse kledij ('No more Large Breeches, Sans Culottes for Ever') en jagen Willem V weer weg .
Bij de Engelse legerleiding bestond over de bereidheid van de Noord-Hollandse bevolking tot spontane hulp bij het afschudden van het Franse juk een vertekend beeld, men dacht een bevrijdingsoorlog te voeren. Willem V had vanuit Engeland niets nagelaten om dit beeld te versterken. Na het mislukken van de expeditie verschenen in de Engelse pers dan ook spotprenten, zoals de bovenstaande. De Hollanders voelen zich goed in de Franse kledij (‘No more Large Breeches, Sans Culottes for Ever’ – red: geen korte, maar lange broeken) en jagen Willem V weer weg.

 

Politieke en economische ontwikkelingen na l799

Na de oorlog van 1799 wist Frankrijk zijn invloed op de Republiek nog te verstevigen. Te beginnen door een staatsgreep in 1801, uitgevoerd door enkele leden van de toenmalige regering, het Uitvoerend Bewind, met medewerking van de opperbevelhebber van het in de Republiek gestationeerde Franse leger. Achtergrond voor de coup vormde de weerstanden tegen een nieuwe grondwet, die nu kon worden doorgedrukt, mede door gemanipuleer met de volksstemming. Het Bataafse bewind was er door de oorlog, de belastingheffingen en de verslechtering van de economie niet populairder op geworden. Ook nam de politieke desinteresse toe, wat zich ondermeer uitte in het dramatisch teruglopen van de belangstelling voor de volksstemmingen. Bij de stemming over genoemde grondwet kwamen van de ruim 416.000 stemgerechtigden er slechts 59.000 opdagen. De stemmen van de thuisblijvers werden vervolgens als voorstemmers in de uitslag meegeteld!
Nuhout van der Veen speelde na 1801 geen rol meer in de landsregering, hoewel hij nog tot 1812 het ambt van schout in Castricum bleef uitoefenen en vanaf 1811 tot aan zijn overlijden in 1833 ook bestuurlijk actief was in Alkmaar.
Veranderingen in het staatsbestel bleven elkaar opvolgen, waarbij de invloed van Napoleon Bonaparte zichtbaar werd: deze had een afkeer van grote regeringscolleges en wilde het liefst met een een-hoofdige leiding te maken hebben …
Dit uitte zich achtereenvolgens in een kortdurend bewind van raadspensionaris Schimmelpenninck en daarna, van 1806 tot 1810, in het bewind van Lodewijk Napoleon, die door zijn broer Napoleon Bonaparte tot koning was benoemd. Bestuurlijk vonden in deze periode belangrijke staatkundige hervormingen plaats, waarop de latere koning Willem I kon voortborduren, maar economisch werd het er niet beter op. Om de militaire avonturen van Napoleon te bekostigen werden de belastingen verder verhoogd, met als gevolg dat ook de kosten van levensonderhoud stegen.
Verder bleef, ondanks een korte onderbreking, ook de oorlogstoestand met Engeland zijn tol eisen. Vanaf 1806 kreeg ons land in dit verband te maken met het continentaal stelsel, een afsluiting van alle havens in de Franse invloedssfeer voor Engelse schepen en voor schepen die Engelse goederen vervoerden. Doel van dit stelsel was tweeledig: het belemmeren van de Engelse buitenlandse handel en het stimuleren van een door de Fransen gedomineerde continentale Europese economie.
Voor onderdelen van de Nederlandse economie, zoals de bedrijvigheid in de havens, betekende het continentaal stelsel een nieuwe tegenslag, hoewel het in de praktijk organisatorisch moeilijk bleek de blokkade effectief door te voeren. Zoals elders in Europa het geval was, ontstond ook in de Noordelijke Nederlanden een uitgebreide smokkelhandel. Met allerhande trucs, zoals het inschakelen van neutrale schepen, wist men de handel, ook met Engeland, gaande te houden.
De grotere landbouwbedrijven hadden in deze periode van de verder inzakkende economie nog het minste te leiden en bleven, mede als gevolg van uitstekende oogsten, goede zaken doen. Ook de veeboeren hadden geen klagen. De productie van boter en kaas draaide op volle toeren en er was veel vraag uit het buitenland.
Een maatregel, die zelfs het laatste restje sympathie voor de Fransen deed verdwijnen was het instellen door Lodewijk Napoleon van de dienstplicht (conscriptie). Hoewel velen zich daaraan wisten te onttrekken, werden niettemin duizenden Nederlanders gedwongen Napoleons militaire avonturen mee te maken, waarbij velen de dood vonden. De conscriptie leidde tot zo een groot onbehagen, dat het in verschillende plaatsen openlijk tot oproer kwam en ook de oude Oranjegezindheid weer de kop opstak.
Door toenemende onenigheid met zijn broer kwam aan het koningschap van Lodewijk Napoleon in 1810 een einde en werd Nederland ingelijfd bij Frankrijk, onder een Franse gouverneur.


Jaarboek 22, pagina 22

Er volgden enkele roerige jaren, waarin het Franse gezag, mede door de militaire nederlagen, afbrokkelde en de gouverneur het zwaar te verduren kreeg. Nadat militairen van de anti-Franse alliantie vanuit Duitsland tot Deventer waren doorgedrongen, stortte in november 1813 het Franse bewind in ons land volledig ineen. Onder chaos en oproer trokken de Franse militairen zich terug. In verschillende plaatsen kwam het met steun van overgelopen militairen tot een tijdelijk bewind van politici met enig gezag.
Op 30 november 1813 landde de erfprins van Oranje in Scheveningen, om als koning Willem I een nieuwe periode in de geschiedenis van ons land aan te vangen. Aan het Franse bewind was een einde gekomen, tot vreugde van een groot deel der bevolking. Ook van Nuhout van der Veen en de Castricumse bevolking? We weten het niet.

Tot slot

De balans opmakend van het sociale beleid in de Franse periode is de indruk dat, in overeenstemming met het landelijke beeld, ook in Castricum de armoede onder de inwoners eerder toe- dan afnam. Cijfermatig is dit niet scherp te onderbouwen, maar een aanwijzing vormen archiefgegevens over de dorpsomslag, een plaatselijke belasting, zoals die in 1812, toen de Franse overheersing ten einde liep, werd geheven.
Aan de hand van een register van de R.K. kerk uit 1811 is het hoofdberoep van de meeste met name genoemde belastingplichtigen te achterhalen en kan een beeld van de belastingdruk binnen de verschillende beroepsgroepen worden verkregen, zoals samengevat in de navolgende tabel. Het betreft de belastinggegevens van 103 personen. In 1812 telde Castricum 720 inwoners, verdeeld over ca. 125 belastingplichtige huishoudens, zodat de tabel een vrij volledig beeld geeft van de sociale status van de Castricumse gezinnen, op grond van de aanname, dat de belastingheffing daarvan een weerspiegeling vormt.
Een aantal Castricumse kostwinners was betrokken bij de schelpindustrie, de meesten als schelpenvisser, maar een enkeling ook als schuitenvoerder bij het transport van de schelpen. Uit de tabel is duidelijk, dat dit een weinig florissant beroep was, dat laag op de maatschappelijke ladder scoorde. Dat geldt ook voor de Castricummers, die in 1812 als dagloner, dus seizoenarbeider, werkzaam waren.
Dit in grote tegenstelling met de boeren, de meesten veehouders, maar ook enkele landbouwers, die zich gezien het patroon van de belastingheffmg gerniddeld in een veel grotere welvaart mochten verheugen.

Tabel: aantal aanslagen in guldens.
Tabel: aantal aanslagen in guldens.

De tabel suggereert een wisselende sociale status van Castricummers, waarvan men het beroep onder ‘ambachten en nijverheid’ kan rangschikken, zoals bakker, slager, schoenmaker, metselaar, wagenmaker, kleermaker etc. Het cijfermateriaal is hier te gering, om nog een verder onderscheid te kunnen maken tussen ‘slechte’ en ‘goede’ beroepen.
De meeste belasting in deze categorie betaalde een Castricummer, die als ‘koopman’ is benoemd en die woonachtig was op het Schulpstet.

Als we de beide laagste belastinggroepen als maatstaf nemen, dan komt er een sociale onderlaag naar voren, die ca. 30% van de Castricumse kostwinners en hun gezinnen omvat, voornamelijk schelpenvissers en dagloners, geconcentreerd in armoedige huisjes rond de Schulpvaart en langs het duin, met soms meerdere gezinnen in een woning. Hierbij moet nog worden opgemerkt, dat geen belasting werd geheven van personen, die als armlastig werden aangemerkt en van de ondersteuning leefden, zodat Castricum in 1812 een relatief armoedige bevolkingsgroep herbergde, waarvan men de omvang wel op rond de 40% van de inwoners kan taxeren. Gezien dit percentage, kan men Castricum aan het eind van de Franse periode moeilijk een welvarend dorp noemen, ondanks de aanwezigheid van een aantal relatief rijke boeren, die vrij riante boerderijen bewoonden in de Kerkbuurt, de Oosterbuurt, het Noordend of op Bakkum.

Wim Hespe

Bronnen:

  • Aten, D.: “Als het gewelt comt…”. Politiek en economie in Holland benoorden het IJ, 1500-1800, Hilversum, 1995.
  • Baars, F. en Hopman, M.: Tweehonderd jaar brandweer in Castricum, Stichting Werkgroep Oud- Castricum, 18e Jaarboekje, 1995.
  • Elias, A.M. en Scholvinck, P.C.M.: Volksrepresentanten en wetgevers. De politieke elite in de Bataafs-Franse tijd, 1796-1810, Amsterdam, 1991.
  • Fritschy, J.M.F.: De patriotten en de financien van de Bataafse Republiek. Hollands krediet en de smalle marges voor een nieuw beleid (1795-1801), ‘s-Gravenhage, 1988.
  • Glorie-van der Steen, A.C. en Zuurbier, S.P.A.: De Castricumse familie Glorie, Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 7e Jaarboekje, 1984.
  • Gou, L. de: Dagboek van een patriot. Journaal van Willem Hendrik Teding van Berkhout, ‘s- Gravenhage, 1982.
  • Honig, G .J .: De landing van het Engels-Russische leger in Noord-Holland, De Zaende 4 (1949).
  • Rijksarchief Noord-Holland, Gewestelijke Bestuursarchieven 1799-1810.
  • Schama, S.: Patriotten en Bevrijders, Revolutie in de Noordelijke Nederlanden, 1780-1813, Amsterdam, 1989.
  • Schutte, G.J.: Een Hollandse dorpssamenleving in de late achttiende eeuw, Franeker, 1989
  • Streekarchief Alkmaar:
    -Oud-Archief Castricum, nrs. L1 , L2, L11.
    -Oud-Rechterlijk Archief Castricum, nr. 160.
  • Voets, B.: Nieuwsblad van Castricum en Omstreken, 1971.
  • Zuurbier, S.P.A.: Wie was … Joachim Nuhout van der Veen, Stichting Werkgroep Oud-Castricum, 1e Jaarboekje, 1978.
Print Friendly, PDF & Email