Spoor, de komst van het (Jaarboek 16 1993 pg 14-17)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over het spoor: de komst, vervoer, tracé.


Jaarboek 16, pagina 14

 

De komst van het spoor

 

Een geïsoleerd dorp

“Er bestaat hier geen ander middel van vervoer van personen en goederen dan de diligence van Alkmaar op Haarlem en vice versa, die viermalen daags door deze Gemeente rijdt; de meeste inwoners dezer Gemeente zijn landbouwers. die hunne eigene rijtuigen hebben, overigens kan men hier ook paarden en rijtuigen huren.” Op 15 maart 1852 wordt het jaarverslag van de gemeente Castricum behandeld, waarin bovenstaande passage onder het kopje ‘Handel en scheepvaart’ voorkomt. De spoorweg is nog niet aangelegd. Het doorgaand verkeer maakt gebruik van de Dorpsstraat, die enkele tientallen jaren daarvoor was verbreed en verlegd (zie het artikel ‘De Nieuwe Weg aangelegd in 1820’ red: in jaarboek 16, pg 26-29). De ca. 1380 Castricummers en Bakkummers wonen rond 1850 verspreid in het landelijke dorp aan zandwegen en paden, die vaak slecht begaanbaar zijn.

Advertentie Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij.
Advertentie Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij.

Behoudend beleid

Hoe reageerde het dorp op de komst van een spoorweg? We gaan even terug naar een raadsvergadering van 29 april 1863 (slechts vier jaar voor de opening van de spoorlijn Alkmaar – Haarlem). Behandeld wordt een brief van de gemeente Bergen over de aanleg van een verharde weg langs de duinvoet. Hierin wordt gevraagd om in de aanlegkosten van de weg deel te nemen. Het tracé zou vanaf Schoorldam langs de duinvoet naar Castricum moeten gaan lopen. De gemeenteraad getuigde van weinig visie op de toekomst door een financiële bijdrage in de kosten te weigeren. Kennelijk had men er weinig behoefte aan om het dorp uit zijn isolement te bevrijden, getuige de brief van 29 april 1863, die als antwoord op het Bergense schrijven wordt verstuurd. “…dat alhoewel men niet wil ontkennen dat de aanleg van zoodanige weg langs de niet onbevallige duinstreek wel aanleiding zoude kunnen geven tot eenig vertier, eigenlijk in de hoofd- zaak de aanleg daarvan voor deze gemeente van weinig belang kan worden geacht, daar hier weinig connectiën met de daarbij betrokken gemeenten langs de duinstreek bestaan en men voor de correspondentie met de stad Alkmaar voor het grootste deel der gemeente, dat daarbij belang kan hebben, in het onmiddellijk bezit is van den rijksstraatweg, die juist het meest bebouwde gedeelte der gemeente doorsnijdt”.

Enkele weken later komt men schielijk op dit besluit terug. Een raadslid heeft vernomen dat men het tracé van de nieuwe weg bij Limmen zou willen laten eindigen. Men vreest nu dat het mogelijk bij Castricum geplande station van de aan te leggen spoorlijn niet door zal gaan en ook aan Limmen zou kunnen worden gegund. De gemeenteraad besluit om alsnog in de kosten van de nieuwe weg te participeren. Op voorstel van hetzelfde raadslid schrijft men ook een brief naar de directie van de Noordhollandschen Spoorweg Maatschappij met het verzoek om een station in Castricum te bouwen. Men biedt daarbij aan om de daarvoor vereiste toegangsweg naar het station te verharden.

De bevolking

De plaatselijke bevolking zal – behoudens nieuwsgierigheid naar het nieuwe fenomeen – weinig interesse voor de aan te leggen spoorlijn hebben gehad. De agrarische bevolking was te arm en had ook geen tijd om op reis te gaan. Reizen was in die tijd een luxe, dat voor slechts enkelen was weggelegd. Ook in de stad Alkmaar was niet veel interesse te vinden getuige een artikel in het ‘Stads Nieuws’ van de Alkmaarsche Courant van 1865. Er was daar een openbare bijeenkomst gepland door het plaatselijke comité ‘tot bevordering van het tot stand komen van den Noorhollandsche Frieschen spoorweg’. Er is weinig enthousiasme onder de Alkmaarse bevolking: “De opkomst van belangstellenden moeten wij helaas gering noemen in verhouding tot het groot belang onzer gemeente bij deze gewigtige zaak.” Zelfs na het aanhoren van de plannen door twee sprekers heeft niemand behoefte om vragen te stellen. “De aanwezigen bleken door al het ditmaal en reeds vroeger gehoorde en gelezene genoegzaam te zijn ingelicht, want ook na herhaalde uitnoodiging door den voorzitter verzocht niemand het woord.” Als in een voor Castricumse begrippen grote stad als Alkmaar zou weinig belangstelling heeft bestaan, zal het in ons dorp niet veel beter zijn geweest.

De eerste rit

Gelukkig voor Castricum werd het station hier toch gepland en kon het traject van de spoorlijn Alkmaar – Haarlem op 1 mei 1867 geopend worden. In de Alkmaarsche Courant staat over de opening van het traject een voor zo’n belangrijke gebeurtenis opmerkelijk kort artikel: “Zondag is de thans van het Nieuwe Diep (Den Helder) tot Haarlem voltooide spoorweg het eerst bereden door eenen trein waarop zich de minister van binnenlandsche zaken, de commissaris des konings in Noord Holland enz. bevonden, en Woensdag is de dienst voor het


Jaarboek 16, pagina 15

publiek geopend, zoodat onze verbinding aan het groote spoorwegnet thans eene werkelijkheid is geworden. Handelaars en reizigers niet alleen zullen deze snellere gemeenschap met andere plaatsen op prijs stellen. ook anderen zullen er door in staat gesteld worden om voor hunne behoeften de goedkoopste en best voorziene gelegenheid op te zoeken. Onze (Alkmaarse) winkeliers zullen daarom door ruime sorteering en billijke prijzen moeten zorgen, dat hun debiet aan de plattelandsbevolking niet verloren gaat. Op de beide dagen voor de opening werd aan de liefhebbers kosteloos gelegenheid gegeven om een tochtje met het nieuwe vervoermiddel te maken. Vooral Dinsdag werd daarvan druk gebruik gemaakt, zoodat tusschen Alkmaar en Haarlem eene gedeeltelijke wisseling van bevolking plaats had. Aan velen beviel deze verplaatsing zoo goed, dat zij den laatsten trein misten of reeds overvol bevonden, en alzoo op kostbaarder of moeielijker wijze de thuisreis moesten ondernemen.” En passant wordt vermeld dat de diligencedienst (red: vervoer per koets) tussen Alkmaar en Haarlem is opgeheven. Hoe de Castricumse bevolking heeft geprofiteerd van het gratis vervoer kunnen we slechts raden. Een plaatselijk blaadje bestond nog niet en getuigen zijn er niet meer.

Het dorp doorsneden

Voor de aanleg van de spoorlijn over het Castricumse grondgebied heeft zich uiteraard het een en ander afgespeeld. De spoorlijn doorsneed weilanden, akkers, dijken, wegen en waterlopen en zo hier en daar werden huis en erf gescheiden. Er werden hoorzittingen gehouden, klachten behandeld en uiteindelijk koopsommen en schadeloosstellingen vastgesteld. In de Alkmaarsche Courant van 5 februari 1865 wordt het Koninklijk besluit afgekondigd over de onteigening van diverse gronden in de aanliggende gemeenten. In onze gemeente worden 119 percelen vermeld, waaronder eigendommen van boeren en tuinders, de kerken en de gemeente zelf. De grootte van de onteigende percelen wordt aangeduid in bunders, roeden en ellen. Verreweg de meeste grond is in handen van jonkvrouwe Johanna Margaretha Deutz van Assendelft, de echtgenote van jonkheer mr D.F. Gevers van Endegeest. Grote stukken duingrond en wegen en lanen worden als haar eigendom vermeld. Nieuwe opritten, dammen, bruggen moeten aangelegd worden om de percelen te kunnen bereiken. Het station ligt bij de bouw op enige afstand van het dorp, op enkele honderden meters is de eerste bebouwing pas te vinden. Voor de aanleg van de spoorbaan wordt een groot stuk duinterrein voor het benodigde zand afgegraven. Tussen Mient, Geversweg en Vinkebaan verdwijnen de daar gelegen duintjes. Het staat nu als ‘de Zanderij’ bekend.

Politieverordening

De gemeenteraad houdt zich bezig met de aanwezigheid van vele vreemdelingen, die bij de aanleg van de spoorbaan betrokken zijn, aldus het raadsverslag van 8 augustus 1866. Kennelijk verstoren deze personen de plaatselijke rust. De plaatselijke herbergen worden bezocht. De herbergiers nemen het zeker niet zo nauw nemen met de sluitingstijden, blij met de verhoogde klandizie. De raad wijdt dit aan de geringe boete die op de overtreding van de in de politieverordening geregelde sluitingstijden zijn gesteld. ‘Na enige deliberatie’ (red: beraadslaging, overleg) besluit men om de boetes te verdubbelen. Voor de logementhouder, herbergier of tapper wordt de boete van zes naar twaalf gulden gebracht en voor de in overtreding zijnde persoon wordt een bon van drie gulden uitgeschreven. Er wordt ook melding gemaakt van de veldwachter, die zich zorgen maakt over het ontbreken van lantaarns “bij de verwachte komst van vele vreemdelingen, die over en weder de herbergen zullen gaan bezoeken”.

Conflicten

Enkele maanden na de opening van de spoorweg blijkt dat de gemeente zich niet heeft gehouden aan de afspraak om goede toegangswegen naar het station te maken. Op 22 februari 1868 stuurt de Minister van Binnenlandse Zaken een brief waarin hij zijn ongenoegen uit over de houding van de gemeente Castricum. Hij meldt de slechte toestand waarin de bedoelde wegen zich bevinden en vordert herstel daarvan. Hij laakt ook het ontbreken van verlichting langs de weg. Burgemeester Zaalberg steunt de eis van de minister daarin bijgestaan door wethouder Schotvanger. Men is wel bevreesd voor de kosten, die nogal drukkend zijn voor de krappe gemeentekas. De raad vindt, dat de spoorwegmaatschappij de kosten moet dragen. Dit antwoord wordt dan ook naar de Raad van Toezicht op de Spoorwegdiensten verstuurd. Als de minister dit verneemt, vraagt hij de Commissaris van de Koningin om de halsstarrige gemeente tot andere gedachten te brengen. Op 28 juli stuurt hij een pittige brief naar de burgemeester. Hij schrijft dat het hem niet duidelijk is waarom de gemeente haar verplichtingen niet nakomt. Immers het is gebruikelijk dat de gemeenten de kosten voor de toegangswegen betalen. Castricum moet blij zijn met de aanwezigheid van het station, zo merkt hij fijntjes op. “Men kan moeijelijk aannemen dat hier de belangen der gemeente niet door den Spoorweg zouden zijn gebaat”. Nogmaals wijzend op de billijkheid van de regeling draagt hij de gemeente op om binnen een maand te reageren en hem te verwittigen hoe gevolg wordt gegeven aan de kwestie.
De raad gaat overstag en in november van 1868 zijn er zes lantaarnpalen geplaatst tussen het station en de RK. kerk.
Op de totale afstand was dat bepaald niet overdadig en veel licht zullen de petroleumlantaarns dan ook niet gegeven hebben, maar het was toch beter dan niets.

Het station van vóór 1912.
Het station van vóór 1912.

Jaarboek 16, pagina 16

Een merkwaardige kwestie

In mei 1868 worden parallelwegen en paden naast de spoorlijn en gronden grenzend aan het station door de spoorwegdirectie in beheer en onderhoud overgedragen aan de gemeente. Hiertoe is het recht op beplanting en het vruchtgebruik bedongen. Besloten wordt om de de Stationsweg met bomen te beplanten en een plantsoen aan te leggen. Veel verkeer is er rond het station nog niet, zo maken we uit brieven rond deze kwestie op, waarin vermeld wordt, dat “het hoogst zeldzaam is, dat er twee rijtuigen tegelijk zich op het terrein voor het station bevinden”. Het werk is eind januari 1869 gereed en op voorstel van de raadsleden Rommel en Kuijs besluit de raad om de binnenweg tussen het dorp en het station af te sluiten. Het gaat om de Kramersweg (thans Burg. Mooijstraat), waar het ‘drukke verkeer’ van en naar het station veel overlast veroorzaakt. Vrijwel iedereen maakt gebruik van deze weg om de tol aan de Rijksstraatweg (nu Dorpsstraat) te omzeilen. (Zie het artikel over ‘De Nieuwe weg’ elders in dit jaarboekje). Begin februari komt een ernstige klacht van de minister. Wat was er gebeurd? De zojuist genoemde heren Rommel en Kuijs hadden niet de Kramersweg afgesloten, maar juist de toegang vanaf de andere kant via de Rijksstraatweg (ter hoogte van het voormalige hotel-restaurant Funadama) geblokkeerd door de bestrating op te breken. De minister gelast onmiddellijke opheffing van deze toestand. Deze kwestie die in feite een revolte tegen de niet geliefde burgemeester Zaalberg is, houdt de plaatselijke gemoederen nog lang bezig. De raad stapt en bloc op en Zaalberg dient korte tijd later zijn ontslag in. Voor uitvoerige informatie over deze kwestie wordt verwezen naar het artikel ‘Wie was … Hermanus Zaalberg’ in ons 5e jaarboekje.

De pakketbesteller

Behalve personen worden goederen vervoerd. Ook pakjes worden via deze weg verstuurd. De gemeente is wettelijk gehouden om deze pakketten na aankomst op het station ter plekke te bezorgen. Daartoe moet door de gemeente een persoon aangesteld worden, die de pakjes moet bezorgen. De spoorwegdirectie verwijst naar de lage spoorwegtarieven en verlangt het bestelloon ‘in het belang der ingezeten’ laag te houden. In 1908 is er sprake van de benoeming van ene Jacobus Lute als besteller. In 1925 worden eerdere besluiten herzien. Vanaf 10 april moet de besteller twee maal per dag naar het station komen om negen uur ‘s morgens en vijf uur ‘s avonds. De bestelling moet binnen twee uur afgeleverd worden tegen een vast tarief en de besteller moet een eventuele schade aan het pakje zelf vergoeden. Afhankelijk van de afstand kost het bezorgen tussen de 5 en 20 cent per pakje.

Anna Briefjes als wachteres bij de Bakkummenveg. We kijken van de Vinkebaan naar de Ruiterweg.
Anna Briefjes als wachteres bij de Bakkummenveg. We kijken van de Vinkebaan naar de Ruiterweg.

De overwegen

Bij de aanleg zijn diverse bewaakte overwegen in de spoorlijn opgenomen. Uit bezuinigingsoverwegingen doet de Raad van Toezicht op de Spoorwegen aan het gemeentebestuur een voorstel om de overweg in de Heemstederweg af te sluiten en deze alleen op verzoek te openen. Het college van B&W stuurt een brief terug waarin gesteld wordt, dat “het verkeer ter plaatse betrekkelijk druk te noemen is daar vele personen in het dorp woonachtig daar hunne landerijen hebben”. We mogen aannemen dat de maatregel niet door is gegaan, want in 1922 wordt – nu door de Minister van Waterstaat – het besluit genomen om de bewaking en afsluiting van enige overwegen te stoppen. Er worden er drie genoemd. Het zijn ‘de Veldweg bij A. Vennik’ (Bleumerweg), de 2e Groenelaan en (weer) de Heemstederweg ‘bij H. Kok’. Dit besluit wordt ten uitvoer gebracht getuige een rondschrijven van 21 december 1922 aan de hoofden der scholen met het verzoek om de schoolkinderen van de nieuwe situatie op de hoogte te brengen. Korte tijd later ontvangt het gemeentebestuur weer een dergelijke aankondiging. Het gaat in 1924 om de Noordeinderweg (Brakersweg) en de Kerkedijk (bij de Heemstederweg). Uitzicht belemmerende zaken als gewassen en bouwsels zullen door de Spoorwegen worden verwijderd of verplaatst. B & W maken ernstig bezwaar tegen deze nieuwe maatregel en verzoekt om de overgang van de Noordeinderweg open te houden. Het argument is, dat het een verbindingsweg is tussen Bakkum en de Rijksstraatweg, “waar de verkeersdrukte van meer dan plaatselijke aard zeer groot is. Veel tuinders die hier hun akkers hebben, maken dagelijks gebruik van deze weg”, aldus het verweer.

Nieuwe onteigeningen

Vanwege een uitbreiding van de spoorlijn in 1922 heeft de spoorwegmaatschappij behoefte aan gronduitbreiding. Personen die gedupeerd dreigen te worden, kunnen tijdens een hoorzitting hun bezwaren kenbaar maken. Plaatsgenoot Jan Res Wzn. woont aan de westkant van de Mient en maakt, omdat de spoorlijn zijn boerenbedrijf op vier meter zal naderen, uiteraard bezwaar tegen het besluit. De hoorzitting wordt naast protesterende dorpelingen ook bijgewoond door burgemeester Lommen. In het antwoord wordt Res door de onderzoekscommissie in het gelijk gesteld. “Zijn bedrijf als veehouder zal geschaad worden, aangezien hij bij zijn woonhuis geen bergplaats van hooi en stroo meer zal kunnen hebben op grond van artikel 38 der wet van 9 april 1875, dat het nederleggen van licht ontvlambare stoffen binnen den afstand


Jaarboek 16, pagina 17

van 20 meter van een spoorweg verbiedt.” In het antwoord wordt ontheffing van het artikel niet aannemelijk geacht, daar er nauwelijks voldoende ruimte beschikbaar zal blijven. “Voorts omtrent het veroorzaken van stank door spoorwegwagons geheel te willen omschrijven dat het niet valt te ontkennen. dat de ligging van een woonhuis op zoo geringen afstand van een emplacement, waar een druk verkeer is te verwachten of waar wellicht ook goederenwagons voor langen tijd zullen worden geplaatst voor den bewoner zeer bezwarend moet worden beoordeeld. De commissie is van oordeel dat het woonhuis aanzienlijk in waarde zal dalen en voor het uitvoeren van het veehoudersbedrijf” zelfs vrijwel geheel onbruikbaar zal worden.” De commissie adviseert op grond hiervan om het gehele perceel te onteigenen.

Dienstregeling

Weliswaar doorsnijdt de spoorlijn het dorp, maar de reiziger die Castricum wil bezoeken of vanaf het dorp wil vertrekken, wordt in de eerste tientallen jaren niet bepaald vergast op een regelmatige treinenloop. Al bijna 60 jaar ‘razen’ de treinen door het dorp, als het gemeentebestuur op 18 maart 1925 een brief naar de directie van de spoorwegen stuurt, waarin bezwaar wordt gemaakt tegen de geringe in- en uitstapmogelijkheden op het station van Castricum. Men verwijst naar het grote toenemende vreemdelingenverkeer en het aantal forensen, dat zich in het dorp heeft gevestigd. In de brief wordt verwezen naar de stoptijden der treinen: “Geen vertrek mogelijk op de lijn naar Amsterdam en Haarlem tussen 7.54 en 10.21 uur en tussen 10.2 1 en 13.07 uur en ‘s avonds tussen 19.19 en 22.37 uur.” De spoorwegmaatschappij antwoordt met een nieuwe dienstregeling die op 5 juni 1925 zal ingaan. Veel is het nog niet; zegge en schrijve één extra trein zal Castricum ‘s avonds om 20.48 uur in de richting Amsterdam aandoen.

Aansluitende busdiensten

Voor vervoer van passagiers vanaf het station naar elders wordt pas in 1890 de eerste omnibusdienst geopend. Het traject van de lijn loopt van Castricum naar Egmond. De waarschijnlijk weinige reizigers, die het Castricumse strand willen bezoeken, moeten in Bakkum uitstappen en te voet verder gaan. Het mulle zandpad naar zee is voor een bus niet toegankelijk. Pas na de opening van de Zeeweg in 1925 wordt het Castricumse strand ontsloten. De heren Borst, Gorter en Vis vragen een vergunning aan om een geregelde busdienst tussen het station en het strand te exploiteren. Op 20 april 1926 wordt de vergunning verleend. De dienstregeling vangt aan op 31 mei en eindigt op 13 september. Een enkele reis kost 25 cent. Voor het vervoer naar Duin en Bosch is in 1914 een tramlijn geopend.

Besluit

Aanvankelijk heeft de Castricumse gemeenschap er weinig aan gedaan om de aansluiting van het dorp aan het spoorwegnet uit te buiten. Dankzij de gunstige spoorwegverbinding wordt de komst van het psychiatrisch ziekenhuis Duin en Bosch in 1909 mogelijk. Het toerisme kan pas na de opening van de Zeeweg in 1925 gestalte krijgen. Forensen hebben zich hier door de gunstige combinatie van natuurschoon en spoorwegverbinding kunnen vestigen. Ook voor de tuinbouw is het spoor een gunstige ontwikkeling. De komst van de spoorwegen is voor de ontwikkeling van Castricum van onschatbare waarde geweest.

F. Baars

Bronnen:
Archief van de gemeente Castricum, dat zich bevindt in het Streekarchief Alkmaar.

Gerelateerd artikel:
Vervoer per spoor in Castricum, Jaarboek 16 1993 pg 3-13

Het station kort voor de sloop; rechts ziet U nog een gedeelte van het VVV-kantoortje.
Het station kort voor de sloop; rechts ziet U nog een gedeelte van het VVV-kantoortje.
Print Friendly, PDF & Email