Stolpboerderijen 1e deel (Jaarboek 26 2003 pg 4-16)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Stolpboerderijen:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7


Jaarboek 26, pagina 4

 

Stolpboerderijen in Castricum en Bakkum

 

Boerderij Kronenburg in 1980 (foto Th. de Haan).
Boerderij Kronenburg in 1980 (foto Th. de Haan).

De agrarische sector vormde van oudsher de belangrijkste bron van inkomsten in Castricum. Bij een beroepsopgave van 1811 blijken hier 21 ‘bouwlieden’ en 21 dagloners aanwezig te zijn. Tot diep in de 19e eeuw was het hoofdzakelijk veeteelt waar men zijn brood mee verdiende. Het polderland bestond vooral uit grasland. Alleen op de hogere zandige gedeelten was wat akkerbouw te vinden. Er werden hoofdzakelijk aardappelen geteeld, met nog enkele handelsgewassen als erwten en bonen. In de loop van de 19e eeuw werden delen van het duingebied in cultuur gebracht, zoals de ontginningen die nog bekend staan onder de naam van de ‘Brabantse landbouw’ en het ‘Vogelwater’.

In 1855 was 1225 ha van de cultuurgrond in gebruik als weiland en de rest ongeveer 100 ha als akkerbouw. De overige tuinbouw beperkte zich tot geringe oppervlakten voor eigen gebruik. Pas in 1900 vindt men in de Verslagen en Mededelingen van de Directie van Landbouw een eerste melding van de groente en fruitteelt voor de handel, terwijl er toen nog slechts 6 ha bloembollengrond was.
In 1903 en 1904 werd Castricum nog niet genoemd onder gemeenten met noemenswaardige groenteteelt, ook niet bij aardbeien en peulvruchten, die evenals bloembollen na die tijd vrij snel in betekenis moeten zijn toegenomen. Toen in die jaren het gebruik van kunstmest ingang vond en een begin van tuinbouw ontstaan was, ging de ontwikkeling in zeer snel tempo. In 1915 werden twee veilingen gesticht die het eerste jaar een omzet van 418.370,- gulden hadden.
Na 1920 stagneerde de ontwikkeling weer. De bollenteelt liep terug en men ging zich meer toeleggen op de groenteteelt. De expansiemogelijkheden waren beperkt o.a. door de toenemende verdroging van de duingebieden, de ongeschiktheid van de overige gronden en de relatief snelle uitbreiding van het dorp.

De cultuurgrond besloeg in 1947 nog 1357 ha. Daarvan werd 204 ha voor tuinbouw gebruikt, 169 ha voor akkerbouw en 984 ha voor veeteelt. De tuinbouw bood werk aan 218 arbeidskrachten en de veeteelt en akkerbouw aan 207.
Nu is nog slechts een zeer klein deel van de bevolking werkzaam in deze sector. Nog maar weinig boerderijen hebben hun functie voor landbouw of veeteelt behouden; deze bedrijven hebben moderne bedrijfspanden en slechts een enkele stolpboerderij is nog als bedrijfspand voor de veehouderij in gebruik.

De Noord-Hollandse stolpboerderij.
De Noord-Hollandse stolpboerderij.

Het jaar van de stolpboerderij

De stolpboerderijen, vroeger veelal gebruikt voor de melkveehouderij, zijn de laatste jaren meer in de belangstelling komen te staan en hebben gelukkig weer waardering gekregen, waardoor de tijd voorbij lijkt te zijn dat stolpen snel gesloopt worden.
De Boerderijenstichting Noord-Holland ‘Vrienden van de stolp’ zet zich in voor het behoud van de stolpboerderij met voorlichting en adviezen naar overheden, particulieren en instellingen. De stichting heeft 2003 uitgeroepen tot het ‘jaar van de stolpboerderij’ en vooral oudheidkundige verenigingen gevraagd mee te helpen met de inventarisatie van de circa 4000 nog bestaande stolpboerderijen in Noord-Holland.
De Werkgroep Oud-Castricum heeft vanaf 2001 aan deze inventarisatie meegewerkt en trof in Castricum nog 24 en in Bakkum 18 stolpboerderijen aan, waarvan korte beschrijvingen met foto’s aan de Boerderijenstichting ter beschikking zijn gesteld.

Plattegrond van de Noord-Hollandse stolp. 1. hooiberging, 2. dars of deel, 3. wonen,, 4. lange regel, 5. korte regel, 6. paard
Plattegrond van de Noord-Hollandse stolp. 1. hooiberging, 2. dars of deel, 3. wonen,, 4. lange regel, 5. korte regel, 6. paard

De stolpboerderij

De stolpboerderij, ook wel stolp of stelp genoemd, heeft zich omstreeks de 16e eeuw ontwikkeld uit het boerenhuis met een losstaande hooiberging die later aan het huis kwam te staan. Zij kenmerkt zich door een gesloten vierkante bouwmassa met een hoog piramidaal dak, waaronder alle functies van het boerenbedrijf zijn onder-


Jaarboek 26, pagina 5

gebracht: veestalling, hooi- en wagenberging, gereedschappen en het wonen van de boerenfamilie.
Als materiaal werd veel hout met leem en riet toegepast dat al in de 16e eeuw voor een belangrijk deel werd vervangen door steen en dakpannen, een ontwikkeling die zich ook doorzette in de 17e eeuw, toen de veestapels groeiden en daardoor ook meer ruimte nodig was voor hooiopslag. Zo ontstond uit een eenvoudige, vrij grote boerderij een type met een uitgekiende, vierkante plattegrond de Noord-Hollandse stolp met een centrale, hoge hooiberging tussen de vier grote staanders, het vierkant.

De grootte van de stolp was afhankelijk van het perceel land dat erbij hoorde. Een stolp van 24 x 30 voet (7,20 x 9,00 m) met 15 morgen land (ca. 13 hectare) was een normale grootte en geschikt voor het houden van ca. 15 melkkoeien en wat jong vee.
De constructie van de vierkante stolp is eenvoudig: op de vier hoeken van de hooiberging staan de forse stijlen op een fundering, gekoppeld aan de bovenzijde met een ringgording (het vierkant) en met schoren verstevigd. Op dit geraamte rust het hoge piramidale dak; het geheel werd van riet en/of pannen voorzien. In later tijd werd meer riet toegepast met enkele pannen aan de onderzijde om regenwater beter op te kunnen vangen. Aan de voorzijde van de boerderij, meestal de straatzijde, werden meer pannen toegepast en konden in de rietvorm fraaie vormen ontstaan, die spiegels worden genoemd. Dikwijls werd, om meer ruimte te laten ontstaan, in plaats van een enkel vierkant een dubbel vierkant toegepast, waardoor een grote, rechthoekige plattegrond ontstond. In de vorm van de stolp komen overigens veel varianten voor, die in het verleden zijn ontstaan uit ontwikkelende bedrijfsbehoefte: extra stalruimte of wagenstalling aan de achterzijde (de staart) of meer leef- en woonruimte in de vorm van een aanbouw aan de voorzijde.

De onvolledige stolp.
De onvolledige stolp.

De onvolledige stolp

Een ander type boerderij, die veel weg heeft van de vierkante stolpboerderij, is de onvolledige stolp, meestal geheel van hout opgebouwd, met een plattegrond die een zodanige vorm heeft dat een geheel gesloten piramidaal dak niet mogelijk is. De grondvorm is rechthoekig en het gebouw bestaat uit een hooiberging binnen het vierkant, een koestal en een dars voor wagenstalling.
Het woongedeelte staat in de vorm van een woonhuis los van de stolp, meestal aan de straatzijde.

Plattegrond van de onvolledige stolp. 1. hooiberging, 2. dars of deel, 3. wonen, 4. lange regel, 5. korte regel, 6.paard
Plattegrond van de onvolledige stolp. 1. hooiberging, 2. dars of deel, 3. wonen, 4. lange regel, 5. korte regel, 6.paard

Castricum en Bakkum

Omstreeks 1830 stonden er in Castricum en Bakkum ongeveer 50 boerderijen, veelal stolpen die werden gebruikt voor de melkveehouderij, voor landbouwdoeleinden of een combinatie ervan. Dit aantal nam toe tot ongeveer 75 boerderijen in 1875 en deze stolpen waren geconcentreerd in en om de vrij kleine buurtschappen, zoals Zuid-Bakkum en de Oosterbuurt, de Kerkbuurt en het Noordend in Castricum.
In 1925 telde Castricum en Bakkum ongeveer 80 stolpen en na die tijd werden oudere stolpen vaak vervangen door andere, nieuwe stalvormen of door woningen en winkels. Ook gingen boerderijen door brand verloren, waardoor er in 1940 nog ongeveer 70 boerderijen over waren.
Gedurende de Tweede Wereldoorlog werden naast veel woningen en winkels ook 16 boerderijen gesloopt in opdracht van de Duitse bezetter ter verkrijging van schootsveld en voor het bouwen van bunkers aan de randen van het dorp, zoals aan de Brakersweg, de Duinkant, de Beverwijkerstraatweg en de Oosterbuurt.
In 1950 stonden er in Castricum en Bakkum, vóór de grote woningbouwprogramma’s in uitvoering kwamen, nog 54 stolpen, waarvan er nog een groot aantal in gebruik was voor de melkveehouderij. Voor wegenaanleg en woningbouw aan de noord- en oostkant van Castricum werd een tiental stolpen opgeofferd en in de (negentien)90-er jaren is er nog een tweetal oude boerderijen in de Oosterbuurt verbrand, waardoor het aantal in 2001 – het jaar van de gevraagde inventarisatie – op 42 stolpboerderijen uitkwam. Hiervan stonden er 24 in Castricum en 18 in Bakkum; de meeste zijn in gebruik als woning.

In voorgaande jaarboekjes van de Werkgroep zijn reeds enkele stolpboerderijen uitgebreid aan de orde geweest en in dit boerderijenjaar 2003 krijgen daarom zeven min of meer willekeurig gekozen stolpboerderijen aandacht, achtereenvolgens vier in Castricum en drie in Bakkum.

Hoeve Nooitgedacht aan de Kramersweg (nr 2)

De boerderij aan de Kramersweg nabij het station is een voorbeeld van een onvolledige stolp met gemetselde gevels en een vrijstaande woning aan de wegzijde. Vroeger was het bedrijf via een damhek over de voor de woning liggende beek toegankelijk.

De oudste vermelding van het huis dateert van 1916 toen Johannes (Jan) Bancraszoon Beentjes, geboren in 1890 te Castricum, een bouwaanvraag indiende bij de gemeente voor de bouw van een woonhuis met schuur door werkbaas en bouwmeester Gerrit Kabel.


Jaarboek 26, pagina 6

Ligging van Hoeve Nooitgedacht aan de Kramersweg.
Ligging van Hoeve Nooitgedacht aan de Kramersweg.

 

links van het woonhuis is tegenwoordig de ingang naar de parkeerplaats achter het station.
links van het woonhuis is tegenwoordig de ingang naar de parkeerplaats achter het station.

 

Hoeve Nooitgedacht, Kramersweg 2 in Castricum. Tekening Pé Zonneveld.
Hoeve Nooitgedacht, Kramersweg 2 in Castricum. Tekening Pé Zonneveld.

 

Hoeve Nooitgedacht in 2002.
Hoeve Nooitgedacht in 2002.

De grond, gelegen aan de Kramersweg (Sectie B, nr. 1586) en groot 3355 m2, had Beentjes in 1915 gekocht van Niesje van den Bosch, weduwe van Jacob de Graaf. Ook kocht hij een stuk weiland groot 16.360 m2 van Floris Cornelisz Twisk. Jan was getrouwd met Cornelia G. Groenland, geboren in 1890 te Heemskerk; uit het huwelijk werden 10 kinderen geboren.
In 1924 liet Jan Beentjes een koestal en hooiberging bijbouwen, in 1955 een gierkelder en vijzelberg en in 1959 een wagenschuur.

Een gedeelte van de zogenaamde ‘verwoestingskaart’.
Een gedeelte van de zogenaamde ‘verwoestingskaart’.

De ‘Hoeve Nooitgedacht’ dankt zijn naam aan een bijzonder feit: gedurende de oorlog was door de Duitse bezetter in 1943 op een plattegrond van Castricum, ‘de Verwoestingkaart’, aangegeven welke panden gesloopt dienden te worden ter verkrijging van schootsveld voor de verdediging van het dorp.
Het gezin van Jan Beentjes, die toen in de boerderij woonde, kreeg in 1943 een ontruimingsbevel en zij waren ontdaan: bidden dat het allemaal niet zou doorgaan, was eigenlijk het enige wat de familie kon doen. Kort na de sommering werd afgesproken om het vee naar Ome Manus Kuijs aan de Breedeweg te brengen en met de sloop van een stal te beginnen.
Maar plotseling kwam het bericht dat het gezin kon blijven: “Dat hadden we Nooit Gedacht”.
In 1967 ging het bedrijf over naar zijn zoon Cornelis L. Beentjes, geboren in 1923 te Castricum, gehuwd met Wilhelmina M. Smit. In 1969 lieten zij de woning verbouwen.
Later toen hun zoon Adrianus P.C. Beentjes, geboren in 1955, gehuwd met Catharina Zoontjes, als veehouder was begonnen, werd het bedrijf een vennootschap onder firma, C L . Beentjes en zoon. In 1991 werd het huis, erf, gierkelder, vijzelberg op 2060 m2 overgenomen door Harry Montanus, geboren in 1959 te Leiden, van beroep bankemployé die de beschikbare ruimten nu gebruikt voor het stallen van zijn paarden. De onvolledige, gemetselde stolp verkeert op dit moment (in 2003) in een matige staat. Er zal mogelijk door de huidige eigenaar een herstelplan worden opgesteld.

De Compaan aan het Schoutenbosch (nr 6)

Toen in 1829 de bezittingen van de schout Pieter Kieft werden verkocht, verkreeg Cornelis Schermer, broodbakker uit Castricum de oude boerderij, genaamd ‘Compaan’, met de bijbehorende grond. Na het overlijden van Cornelis Schermer in 1877 volgde de verkoop van zijn bezittingen. Hierbij kwamen de boerderij, erf en tuin met stal en berging voor hooi, genaamd ‘de Compaan’, groot 760 m2 met een aantal percelen weiland in het bezit van Cornelis Jansz Mooij.
In 1880 werd de boerderij met erf en tuin verkocht aan Jacob Pietersz Schotvanger, die gehuwd was met Grietje Kuijs. Hij sloopte de boerderij en liet in 1884 een nieuwe boerderij bouwen, een Noord-Hollandse stolp en zo ontstond een tweede ‘de Compaan’, als huis en erf, kadastraal vastgelegd op sectie B, nr. 1404. Van de eerste steenlegging in 1884 getuigt nog een herdenkingssteen in de noordgevel van de boerderij. In 1886 nam Jan Pietersz Schotvanger het bedrijf over, die vervolgens in 1890 overging tot de verkoop van de boerderij aan zijn zwager Cornelis Kuijs.
Na het overlijden van de ongehuwde Cornelis Kuijs in 1892 volgde een openbare verkoping (in het stationskoffiehuis van Jan van Weenen), waarbij Willem Liefting de boerderij verkreeg onder de voorwaarde dat hij een deel zou verhuren aan Guurtje Kuijs, weduwe van Jan Kuijs, voor 75 cent en aan Cornelis Kabel voor 1 gulden en 37 en een halve cent per week.

Willem Liefting was landbouwer, bloemenkweker en koopman in boter, in 1880 gehuwd met Adriana de Roode, die in 1888 kwam te overlijden. Willem Liefting hertrouwde in 1889 met Grietje Duijker-


Jaarboek 26, pagina 7

Ligging van 'De Compaan' aan het Schoutenbosch.
Ligging van ‘De Compaan’ aan het Schoutenbosch.

 

Achtergevel van de Compaan.
Achtergevel van de Compaan.

 

Omvangrijk werk aan wanden en gevels.
Omvangrijk werk aan wanden en gevels.

 

De Compaan in 2002.
De Compaan in 2002.

sloot, geboren in 1865, overleden in 1923 (zie 14e jaarboekje voor de stamboom van de familie Liefting). Na het overlijden van Grietje Duijkersloot ging huis, schuren en erf over naar haar stiefzoon Pieter Liefting, geboren in 1884 te Castricum.
Op 15-2-1928 werd een overeenkomst van ruiling gesloten tussen burgemeester Lommen, namens de gemeente Castricum, en Pieter Liefting, waarbij een stuk weg overging naar Pieter Liefting, terwijl hij een stukje grond van zijn perceel ter waarde van 200 gulden overdroeg aan de gemeente Castricum.
Pieter Liefting was in 1914 gehuwd met Elisabeth M. van der Wijst; uit het huwelijk werden 4 kinderen geboren. Beiden hadden in een testament in 1915 het recht van de langstlevende vastgelegd en na haar overlijden in 1939 te Alkmaar en zijn overlijden in 1954 te Castricum volgde de scheiding en verdeling van de nalatenschap, die bestond naast deze boerderij uit gronden, weilanden en woonhuizen in Castricum. Beverwijk, Wijk aan Zee en Uitgeest.
De boerderij met schuren, erf en grond, gelegen aan het Schoutenbosch, voorheen Kerkweg 2, werd in 1954 toegewezen, ieder voor-een-derde deel, aan Hendrikus Th. Liefting, bloemist, Karel C. Vermeulen, onderwijzer en gehuwd met Euphemia M. Liefting, en Lourentius de Winter, chauffeur en gehuwd met Adriana A. Liefting.
In de boerderij bleven enkele kinderen van Willem Liefting en Grietje Duijkersloot aan het Schoutenbosch nr. 2 wonen: Margaretha geboren in 1892, Adrianus geboren in 1894, veehouder, Dieuwertje geboren in 1896, Mietje geboren in 1899 en Barend Liefting geboren in 1904, tuinder, poelier en in 1937 gehuwd met Adriana Kraakman. Margaretha, de oudste dochter, stond als hoofdbewoner genoteerd. In 1987 werd het huis, schuur en erf na het overlijden van Mietje Liefting gekocht door Jacob Jan de Maar, geboren in 1957 te Wormerveer, reproductie-fotograaf, gehuwd met Johanna Bakker. Zij kregen drie kinderen: Johnny, Michelle en Jerry, geboren in resp. 1984, 1987 en 1996. De stolpboerderij, per 1 november 1988 vernummerd tot Schoutenbosch nr. 6, werd door Jacob Jan de Maar zelf geschikt gemaakt voor bewoning. Door de zeer matige staat van vooral het houtwerk van dak, vloeren en het vierkant bleken de werkzaamheden veel omvangrijker te zijn dan was verwacht. Een tweetal foto’s laat zien hoe ingrijpend die waren.

Met hulp van velen en vooral dankzij gestadig doorzetten is het werk tot een goed einde gebracht, waarbij de wanden als spouwmuren zijn uitgevoerd, een betonnen vloer is aangebracht en de kap goeddeels is vernieuwd. De ‘oud-hollandse’ pannen op de kap zijn vervangen door ‘opnieuw-verbeterde-hollandse’ pannen en de gevels met de kozijnen zijn zoveel mogelijk in stand gehouden. De oude schuur, die voorheen in gebruik was als koestal, was in 1985 bij een harde storm bezweken. Na de sloop in 1995 is op de oude fundering een garage opgebouwd, waarbij de ‘oud-hollandse’ pannen van de stolp als dakbedekking werden gebruikt. En zo staat er aan het Schoutenbosch, een beetje achteraf misschien, een zeer fraaie stolpboerderij als een geriefelijke woning voor de familie De Maar.

Regina aan de Hoogevoort (nr 4)

De met riet gedekte stolpboerderij aan de Hoogevoort meet 14 x 14 meter en is gebouwd omstreeks 1882 in opdracht van Jan Pietersz Kuijs, geboren in 1820 te Castricum, landman en bloembollenkweker, die het bijbehorend bouw- en weiland sedert 1859 in bezit had uit de nalatenschap van Grietje Ranke, de weduwe van Arie Duijn. Jan Kuijs was gehuwd met Aaltje Duijn en de zoon van Pieter Kuijs en Maartje Bruijn.
Toen Aaltje Duijn in 1872 kwam te overlijden, werd in 1875 de boedelverdeling gehouden waarbij Jan Kuijs in bezit bleef van de boerderij met bloembollenschuur op 1360 m2 grond en van bijbehorend


Jaarboek 26, pagina 8

Ligging van boerderij 'Regina' aan de Hoogevoort.
Ligging van boerderij ‘Regina’ aan de Hoogevoort.

 

De vervallen boerderij in 1971.
De vervallen boerderij in 1971.

 

Regina in 2001.
Regina in 2001.

wei- en bouwland, behalve het perceel weiland, genaamd ‘het Klapweidje’, dat zoon Pieter verkreeg en het perceel bouwland, genaamd ‘de Akkers’, dat zoon Arie overnam. Het huis op 4000 m2 grond werd in 1881 verbouwd tot stolpboerderij.
Na het overlijden van Jan Kuijs eind 1884 werd zijn bezit door zijn zoons Pieter en Arie Kuijs openbaar verkocht. Bij opbod en afslag werd in de herberg ‘De Vriendschap’ ten overstaan van Notaris H.J. de Lange uit Alkmaar geveild. Hierbij kon zoon Pieter Kuijs voor een bedrag van 3700,- gulden in bezit komen van de ‘nieuwe boerenwoning, ingericht als boerderij en berging van bloembollen op 5820 m2 met tuin en bloembollenland’. Deze tuin en het bloembollenland waren in 1867, toen zijn vader Jan Kuijs er delen van verkocht, nog vermeld als bos en boomgaard.

Na het overlijden van Pieter Kuijs in 1907 werd een boedelscheiding doorgevoerd, waarbij zijn weduwe Koosje Brakenhoff en de drie kinderen: Gerrit Kuijs, kapelaan te Rotterdam, Petrus (Piet) Kuijs, bloembollenkweker te Castricum, gehuwd met Guurt Piepers, en Jacobus Kuijs, geestelijke te Kortrijk in België, hun erfdeel kregen toegewezen. In 1916 werd het huis met bouwland verkocht aan Willem Ph. van Munster, onderwijzer te Haarlem, waarna in 1923 Frederikus J. (Frits) Res, geboren in 1897, overleden in 1969 te Castricum, de eigenaar werd van het huis en bouwland op sectie B, nr. 2736, groot 5207 m2. Hij was de zoon van Jacobus Res en Alida Bibo (zie 6e jaarboekje) en gehuwd met Maartje Liefting. Tot 1968 heeft hij er een bollenbedrijf uitgeoefend.

In 1970 volgde verkoop en splitsing van de grond en kwam de boerderij in bezit van Regina Sophia Ros, geboren in 1928 te Amsterdam, fabrikante, gehuwd met Dirk Hooft, geboren in 1922 te Amsterdam, die er het verlichtingsbedrijf en lampenkappenatelier ‘Regina’ vestigde.
De boerderij verkeerde bij overname in zeer slechte staat en mede in overleg met de gemeente werd in de jaren 1971-1972 het noodzakelijke herstel om de boerderij te behouden ter hand genomen en werden in de nieuwe rieten kap enkele dakkapellen aangebracht.

Na het overlijden van Regina Ros in 1996 ging het bedrijf over op de erfgenamen, die het bedrijf voortzetten als Regina BV en zich ook bleven inspannen voor het behoud van deze boerderij.

Boerderij Jan Kuijs aan de Alkmaarderstraatweg (nr 52)

Cornelis (Kees) Kabel legde in 1870, als 18-jarige zoon van Jan Kabel, de eerste steen voor deze zuivere Noord-Hollandse stolpboerderij aan de Alkmaarderstraatweg, de oude verbindingsweg van Castricum naar Limmen. Jan Kabel, landman te Castricum, liet deze boerderij in 1876 als huis en erf en schuur bouwen op sectie B, nr. 1217. In het jaar 1878 nam diens zoon Klaas Kabel, geboren in 1855, het melkveebedrijf over en begin november 1884 kwam het weer in handen van vader Jan Kabel, die toen 82 jaar oud was. Hij kwam eind november te overlijden, waarna in januari van het daaropvolgende jaar in de herberg van ‘Van Benthem’ door zijn weduwe Geertje Tromp de nalatenschap in een openbare veiling werd verkocht. De boerderij met weilanden zoals ‘Doorneveld’, ‘Braveld’ en ‘Langeveld’ kwam in bezit van Jan Leeuw, landman te Grosthuizen, als voogd van de minderjarige Trijntje Leeuw uit Avenhorn. Trijntje, geboren in 1864, trouwde in 1885 met Floris Hollenberg uit Akersloot, veehouder van beroep. In mei 1885 kwamen ze in Castricum wonen; in 1908 kochten zij een boerderij in de Schermer en verkochten in januari van dat jaar de boerderij aan de Alkmaarderstraatweg met weilanden, totaal groot 63.190 m2 aan Johannes (Jan) Pieterszoon Kuijs om er een melkveehouderij met een 12-tal melkkoeien te beginnen.


Jaarboek 26, pagina 9

Jan Kuijs werd geboren in 1844 te Obdam, trouwde in 1870 met Neeltje Kraakman en was broodbakker en veehouder te Castricum. Hun zoon Pieter Kuijs, geboren in 1877, trouwde in 1914 met Catharina Brandjes. Hij stond in het dorp bekend als bakker, landman, veehouder, organist en dirigent van een viertal fanfarekorpsen, kon goed schrijven en hield graag voordrachten.
Uit dit huwelijk werden zeven kinderen geboren; Jan, de huidige (in 2003) bewoner, was het eerste kind, geboren 18-3-1916 op de boerderij. Hij trouwde in 1946 met Cornelia (Nel) Veldt en bleef – nu met zijn vrouw – op de boerderij wonen. Zijn ouders verhuisden naar de Burg. Mooijstraat, waar zijn vader in 1966 overleed.

Boerderij van Jan Kuijs in 1989.
Boerderij van Jan Kuijs in 1989.

 

De boerderij in 2003.
De boerderij in 2003.

De inhoud van de gesprekken over de boerderij met Jan Kuijs is bij dit artikel onder Jan Pieterszoon Kuijs opgenomen.

Al in de jaren (negentien)50 werden weiland en landbouwgrond, grenzend aan de dorpsbebouwing van Castricum, bestemd voor de uitbreidingsplannen voor de woningbouw.
In 1954 verkocht Pieter Kuijs een perceel grond van ca. een halve hectare aan Jan Biesterbos voor de aanleg van de Willem de Zwijgerlaan. In de jaren (negentien)60 werden ook weiland en bouwgrond afgestaan voor woningbouw aan Jan Biesterbos en Cornelis Flink, bekende aannemers te Castricum, en ook aan de gemeente Castricum. De boerderij kwam als huis, erf en schuur uiteindelijk in bezit van de gemeente Castricum, met de afspraak dat Jan Kuijs in de boerderij kon blijven wonen.
De veehouderij werd in 1968 beëindigd. Jan Kuijs ging in de Zaanstreek werken en in zijn vrije tijd werd het woongedeelte van de boerderij door hem aangepast. Ook de stal achter de boerderij werd aangepakt en geschikt gemaakt voor het stallen van caravans. In 1979, na 11 jaar bij Albert Heijn gewerkt te hebben, startte hij bij de firma Beentjes aan de Ruiterweg, waar hij 13 jaar gewerkt heeft.
Nu in 2003 woont hij nog steeds in zijn geboortehuis met zijn vrouw Nel en zoon Gerard, geboren in 1949 te Castricum, van beroep bankemployé en werkzaam in Den Bosch.

Jan Pieterszoon Kuijs

Gesprek met Jan Pieterszoon Kuijs in zijn geboortehuis, de boerderij aan de Alkmaarderstraatweg 52 te Castricum, op 3 maart en 9 april 2003, naar aanleiding van een artikel over stolpboerderijen voor het 26e jaarboekje van de Werkgroep Oud-Castricum.

“Ja, ik ben geboren in de bedstee in deze boerderij op 18 maart 1916, m’n moeder was Trijn Brandjes en m’n vader Piet Kuijs, geboren in 1877 in Castricum, een bekende man wel in Castricum en omgeving. Mijn opa was Jan Kuijs en mijn oma Neeltje Kraakman. Jan Kuijs was bakker, winkelier, zoutgrossier, boer en landbouwer en woonde aan de Dorpsstraat, waar nu Stevens zit, tegenover café ‘De Vriendschap’, waar hij naast de bakkerij ook een boerderij had.
Mijn familie is al een keer beschreven in een boek: de familie Kuijs / Kuis, samengesteld door mw. A. van Egmond – van Rookhuizen in 1985 en dat boek begint omstreeks 1690 toen de eerste Kuijs zich in Castricum vestigde.
Mijn vader Piet Kuijs, een van vier zoons, bleek al heel jong erg muzikaal te zijn en kreeg zijn eerste pianolessen van de hoofdonderwijzer, ‘s morgens van 10 tot 12 uur, maar zijn vader had bedongen: eerst de takkenbossen in de oven en de oven aan en daarna broodbakken. Dus voor die jongen begon de dag al om 4 uur. Door zelfstudie op een oude piano ontwikkelde hij zichzelf, was op zijn zestiende jaar organist van de Pancratiuskerk en hij richtte in 1920 samen met de toen nog jonge kapelaan Starrenburg St.-Aloysius op. In 1904 trouwde hij in Uitgeest met Anna Stuijt en kocht een bakkerij in Purmerend. Na ruim een jaar stierf zijn vrouw en stond hij er in Purmerend alleen voor. Door de week had hij zijn werk in de bakkerij, deed een dienstbode het huishoudelijk werk en was op zaterdag en zondag bij vader en moeder in Castricum. Toen de derde dienstbode bij hem wegging zei moeder: “Verkoop de bakkerij maar Piet en kom weer naar ons toe in Castricum.” En zo werd hij bakker bij zijn vader, maar voor korte tijd, want hij koos voor de boerderij.
In 1914 trouwde hij met Catharina (Trijn) Brandjes, geboren in 1888 in de Oosterbuurt, dochter van Nicolaas Brandjes en Eva Cornelisse. Hij bleef de muziek trouw, was organist, dirigent van de fanfarekorpsen in Egmond, Heiloo, Heemskerk en Castricum en beurde daar ook geld voor, zo ‘n 20 gulden per week. Uit het huwelijk werden in Castricum zeven kinderen geboren, waarvan ikzelf de oudste ben.
We hadden het goed thuis.

Ik kreeg veel mee van thuis, orgel spelen leerde ik van vader en ik was ook al jong misdienaar in de Pancratius, ook bij ‘een rouwtje of een trouwtje’, soms wel twee keer per week en dan kwam ik wel wat later op school, de Augustinusschool van Meester Van Westen, die hoofd van de school was. Gelukkig kon ik goed leren en wilde zelf altijd tot de besten behoren en dat lukte bijna steeds.
Na de lagere school mocht ik naar het R.K. Lyceum in Alkmaar,


Jaarboek 26, pagina 10

maar dat heb ik maar vier jaar gedaan. Ik ging werken op de boerderij van vader en in die tijd hadden we zestien melkkoeien in de boerderij en zo’n tien koeien in de stal achter, met wat jong vee en twee paarden. Veel werk dus.
Het land lag hierachter aan de Willem de Zwijgerlaan, zo’n drie hectare, ook een stuk met graan en aardappelen. Hiervoor aan de weg en ook aan de Uitgeesterweg hadden we een stuk weiland. Dat heette ‘het Lange Veld’ en op de hoek van de Uitgeesterweg en Molendijk een weiland dat ‘het Pompstukje’ werd genoemd. Van dat stuk heb ik later 3 percelen verkocht voor de jongens.
Ja, vroeger kon je over het land zo naar Uitgeest en bij helder weer naar het Alkmaardermeer kijken, zo open was dat hier. Als oudste van het gezin ‘mocht ik onder dienst’ toen ik 20 jaar was. De dienstplichttijd was in die tijd vijf en een halve maand. Maar je kon 4 maanden dienst vervangen door je in te laten schrijven bij de Vrijwillige Landstorm gedurende 1 jaar. Dan moest je wel twee keer per week dienst doen in dat jaar: op maandagavond van 7 tot 9 uur in de zaal van café De Vriendschap, waar we theorieles kregen en zelfs schietoefeningen deden met losse flodders en op zaterdagmiddag van 2 tot 5 gingen we oefenen in de duinen. We waren met een man of 12 uit Castricum en sergeant Rozendaal uit Warmenhuizen had de leiding.
Na enige tijd moesten we in Bergen op de schietbaan examen doen, waar we onze geoefendheid moesten laten zien door over sloten te springen, in touwen en palen te klimmen en te schieten met geweer.
Ja, ik kon heel best schieten, was dan ook scherpschutter en de luitenant die het examen afnam, durfde met mij een wedstrijdje om een doos sigaren over 100 meter, 3 schiethoudingen en 15 patronen toch niet aan.

Eind augustus 1939 kwam de mobilisatie over ons heen. We moesten ons melden op het station Castricum en gingen met de trein naar Den Helder, wat een gedoe en drukte was dat. Daar werd een lange volle trein gevormd met twee stoomlocomotieven ervoor, gingen weer terug naar Alkmaar en via Amsterdam kwamen we in Amersfoort aan. Daar werden we ingedeeld bij het 21e Regiment Infanterie. Vanuit Amersfoort gingen we lopend richting Scherpenzeel en werden gehuisvest in een boerderij in Woudenberg, een grote boerderij met 40 koeien en zeker 2000 kippen. We waren een voorpost vóór de Hollandse Waterlinie geworden. Al heel vroeg in de morgen op 10 mei 1940 kwamen de Duitse vliegtuigen over, waar we met geweren op geschoten hebben. Kort daarna werden wij aangevallen: wat een toestanden, 4 dagen en nachten niet geslapen, terug, terug, vreselijk. Uiteindelijk kwamen we veilig en wel in Utrecht aan op de avond dat Nederland capituleerde.

Pieter Kuijs achter het orgel.
Pieter Kuijs voor het orgel.

Thuis pakte ik in de loop van 1940 de draad weer op in de boerderij en ook ging ik weer spelen op het orgel.
Op een zondag, ik was 21 jaar, speelde ik in de kerk van Rinnegom, waar Dorus Swart normaal orgel speelde, toen Cor Burgmeijer op het orgelbankje naast me kwam zitten. Hij vroeg of ik al in de kerk had gekeken door het spiegeltje. “Nou ja, amper.” Heb je dat mooie vrouwtje vooraan niet zien zitten, da’s een rijke boerendochter, die is vrij. “Man, ik zit toch orgel te spelen, daar ik heb geen tijd voor.”

Ja, die oorlogstijd herinner ik me nog goed, je had soms spannende momenten. Wij kregen opdracht om aan de Wehrmacht paarden en wagens te leveren. Wij hadden toen net de eerste platte wagen op luchtbanden in het dorp, gemaakt van een oude Bedford door Hoebe, de smid in Bakkum. Dat was zonde. Die wagen is ver achter de hooiberg in ‘t land gezet en twee nog jonge paarden heb ik in de eendenkooi bij Jacob Roele (Albertshoeve) neergezet. Met het kreupele paard en een driewieler ben ik toen naar Kijk Uit gegaan en vandaar naar het kampeerterrein aan de Zeeweg. Bij inspectie bleek: nee dat paard en die wagen, die kar, die hoefden ze niet, dat tuig van het paard, dat konden ze wel gebruiken.

Jan Kuijs en Nel Veldt bij hun 50-jarig huwelijk in 1996.
Jan Kuijs en Nel Veldt bij hun 50-jarig huwelijk in 1996.

Op 3 oktober 1946 ben ik getrouwd met Cornelia (Nel) Veldt, die in Castricum is geboren op 2 mei 1920, een dochter van Gerrit Veldt en Geertje Beentjes. Nel kende ik wel, maar op de jaarlijkse kermis in ons dorp heb ik haar beter leren ken-


Jaarboek 26, pagina 11

nen. Uit ons huwelijk kregen wij 9 kinderen, 6 jongens en 3 meisjes, waarvan er één meisje op 18 jarige leeftijd helaas is overleden. De kinderen konden gelukkig goed leren en zij hebben alle kansen gekregen. We zijn trots op onze kinderen. Behalve Gerard en Johan zijn ze allemaal getrouwd en wonen in de omgeving van Castricum; ja, er is er een die woont wat verder weg, in Heemstede. En we hebben nu 16 kleinkinderen. Prachtig.

Kijk, dat is het orgel waar ik vroeger hier in de kamer op speelde; tegenwoordig niet meer, ik heb er niet zoveel zin meer in en dat ding is nog vals ook. Misschien moet ie maar es weg.

Soms gebeurde het wel dat mijn vader ergens orgel moest spelen: om 10 uur een trouwtje in Uitgeest en dan was het tegen mij: “Nou dan kun jij om 10 uur wel bij die trouwerij in de Pancratius zijn om te spelen.”
Dus na het melken ging ik met de trekker naar de Uitgeesterweg om eerst nog een stuk weiland te maaien, dat kon nog wel. Komt vader om kwart voor tien langs; “Zorg er voor dat je om 10 uur in de kerk bent!” Op tijd met de trekker naar de kerk, achter de school gezet, knappe jas aan, mis gespeeld – de drie stemmige van Perosi- en weer terug naar het land om de rest te maaien, dat kon net mooi voor de middag. Komt vader weer langs en stopte. Hoe is het gegaan? Moeten jullie geen borrel halen bij Ammeraal? Wij kregen niks in Uitgeest! Nou jij bent te druk, ik fiets er wel effies langs en daar ging vader. En ja wel hoor, wij zaten om half één aan tafel en wie kwam er langs? Op de fiets, vader, met een grote sigaar in z’n mond en hij keek niet eens bij ons naar binnen.

Toen in Castricum de bevolking toenam en er plannen werden gemaakt voor woningbouw kwam ook deze boerderij met omliggend land in het gedrang. In 1968, toen al het land was overgenomen door de gemeente en enkele aannemers voor de aanleg van wegen en bouwterreinen en de boerderij in handen was gekomen van de gemeente, ben ik gaan werken bij Zwaardemaker in Zaandam, een veevoederfabriek. Ik had toen nog wel een paar koeien, maar dat kon wel dacht ik. Dus ‘s morgens vroeg de koeien melken en verzorgen en dan naar Zaandam, om daar van 07.00 tot 16.30 uur in die fabriek te werken en daarna thuis de koeien weer melken en verzorgen, nou dat viel niet mee. En dat werk in die fabriek, lossen en laden van wagens, was ook erg zwaar. Dat duurde gelukkig maar een maand of zes, zeven, toen ging de fabriek uit Zaandam weg naar Den Bosch.

Het vee heb ik toen weggedaan en ben gaan werken bij Albert Heijn in Zaandam als productiechef in de koekfabriek aan de Oostzijde, waar ik voor de (ontbijt) koekproductie verantwoordelijk was. Vanaf ‘s morgens 7 uur was ik daar als het werk begon met het afstellen van de machines, soms ook wel eens vroeger, tot het einde van de dag. Ik werkte daar hoofdzakelijk met vrouwelijk personeel en och, vaak werkte ik net zo hard mee als het nodig was. Een pracht tijd. Dat werk heb ik 11 jaar met veel plezier gedaan tot de fabriek naar Tilburg ging, omdat er in Zaandam geen mogelijkheden voor uitbreiding waren en in die oude Brabantse textielfabriek was ruimte genoeg.
Ik heb in die tijd wat werk in huis gedaan; de bedsteden uit de kamer gehaald en de wanden gemaakt, de groep in de stal dicht gemaakt, een keuken in de stal, een toilet in een bedstee, want we hadden het hok nog buiten, de schuur geschikt gemaakt voor caravanstalling en dat allemaal zelf.

Na de koekfabriek ben ik bij Beentjes aan de Ruiterweg gaan werken in de groente en aardappelen, hoofdzakelijk ‘s morgens. Dat werk bestond voornamelijk uit het wassen, bewerken, snijden en verpakken van groente, het ritsen van koude bevroren boerenkool en het schillen, pitten en verpakken van aardappelen. Ja, dat heb ik zo’n 13 jaar gedaan en ben zelfs nog gehuldigd bij mijn 12,5 Jaar dienstverband. Ja, een mens moet wat om handen hebben, moet bezig zijn en blijven, maar het leukst was toch wel die koekfabriek in Zaandam.”

Ligging van 'De Oude Biels' op de hoek van Bakkummerstraat en Dr. Jacobilaan.
Ligging van ‘De Oude Biels’ op de hoek van Bakkummerstraat en Dr. Jacobilaan.

De Oude Biels aan de Bakkummerstraat (nr 78)

Te midden van de woonhuizen aan de Bakkummerstraat, op de hoek van de Dr. Jacobilaan, staat een kleine, vierkante stolpboerderij, die in 1884 gebouwd werd door Antonie (Toon) van der Steen, geboren in 1848 te Limmen, landbouwer en gehuwd met Willemijntje Tromp, geboren in 1844 te Castricum.
Hij bouwde op een stuk bouwland, dat in 1884 gekocht werd van Sijmen Louter, 4560 m2 groot was en bekend stond als sectie B,nr. 1510. Hij deed er alles aan om zo goedkoop mogelijk te bouwen door zelfde stenen aan te voeren en voor de staanders van het kleine vierkant (afmetingen 3,0  x  3,0 m ) oude scheepsmasten uit IJmuiden te halen.
Uit zijn huwelijk werd in 1881 te Egmond-Binnen een dochter geboren, Cornelia (Keetje) van der Steen, die trouwde met Johannes (Jan) Bijman, geboren in 1882 te St. Pancras, veehouder, overleden in 1965 te Castricum, zoon van Nicolaas Bijman, landman en Alijda van Dam. Uit het huwelijk van Jan Bijman en Keetje van der Steen werden tussen 1910 en 1926 in Castricum een zoon en vijf dochters geboren.
In de loop der jaren werden door Jan Bijman enkele schuren bijgebouwd voor veestalling en hooiberging en in 1941 werd een stalling verlengd om gereedschappen te kunnen opbergen en veevoeder te kunnen opslaan.

De hoog opgebouwde houten hooiberging met de aansluitende veestalling stond achter de boerderij aan de Dr. Jacobilaan. In 1946 werd door Jan Bijman een aanvraag bij de gemeente Castricum ingediend om de kap van de gemetselde schuur, die als veestalling werd gebruikt, te herstellen. Dat werd goed gevonden mits herstel zou plaats vinden op de bestaande fundering; als algehele vernieuwing plaats zou vinden, diende 4 meter terug te worden gebouwd, gerekend vanaf de scheiding openbare weg en erf. Dus werd alleen een restauratie uitgevoerd, waarvan de kosten toen werden geschat op 1000,- gulden. In 1969 stond de hooiberging met veestalling er nog fraai bij. Het be-


Jaarboek 26, pagina 12

drijf had inmiddels een behoorlijke omvang gekregen en bestond in 1955 uit 2 huizen, 4 schuren en bouwland, bekend als sectie B, nr.5583, groot 4382 m2.

De hooiberg met aansluitende veestalling omstreeks 1962.
De hooiberg met aansluitende veestalling omstreeks 1962.
De Oude Biels in 1969.
De Oude Biels in 1969.

In 1963 werd door Jan Bijman 2700 m2 grond, gelegen nabij de Bakkummerstraat, verkocht aan Johannes Thomsen, geboren in 1921 en gehuwd met Theodora Maria Snoeks, en een stuk weg ter grootte van 6194 m2 aan de gemeente Castricum.
Na het overlijden van Jan Bijman in 1965 verkocht zijn weduwe Keetje van der Steen in 1966 de stolpboerderij aan Henricus J. (Harry) Vervoort, geboren in 1936 te Castricum, leraar wiskunde, in 1962 gehuwd met Wilhelmina Aarts.
In 1966 werd door de nieuwe eigenaar, Harry Vervoort, aan de gemeente Castricum een vergunning aangevraagd voor een verbouwing van de boerderij. In de aanvraag stonden de afmetingen van de boerderij vermeld: lengte 9,50 m, breedte 8,70 m, nokhoogte 8,05 m. en goothoogte 2,75 m. Het ontwerp van de nieuwe indeling was door Harry Vervoort zelf uitgedacht en vastgelegd en na het verkrijgen van de gemeentelijke goedkeuring in november 1966 werd een omvangrijk stuk werk aangepakt. In 1969 werd het resultaat van hard en gedegen werken op de foto vastgelegd.
Een tiental jaren later werd naast het huis een nieuwe garage gebouwd met een grote kelder eronder. Toch bleek het in de loop van de tijd gewenst om enkele aanpassingen door te voeren; zo werd het grote raamkozijn aan de zuidkant, op de foto duidelijk zichtbaar, enkele jaren geleden vervangen door een tweetal raamkozijnen van dezelfde afmeting en indeling als aan de voorzijde. De kozijnen werden geheel wit geschilderd waardoor een evenwichtig gevelaanzicht werd gekregen. Inmiddels zijn er na de foto in 1969 vele jaren voorbij gegaan en is de begroeiing rondom het huis fors hoger geworden. Het is een fraaie, kleine woonstolp aan de Bakkummerstraat, die alle lof verdient! Harry Vervoort is in 1998 te Castricum overleden.

Ligging van Johanna Hoeve aan de Madeweg.
Ligging van Johanna Hoeve aan de Madeweg.

Johanna Hoeve aan de Madeweg (nr 1 en 3)

Aan de Madeweg in Bakkum staat tegen het open landschap de grote Noord-Hollandse stolpboerderij die voorheen de naam Duindoorn droeg, maar nu de Johanna Hoeve heet naar Johanna Kortekaas – Hes, dochter van Cornelis Hes en Maria Ruiter.
De boerderij meet 16,5 x 16,5 m. en werd in 1906 gebouwd door Willem Mooij op een stuk voormalig bosgrond, dat hij gekocht had van de erven van mr. Jacobus Petrus Kraakman, die was overleden in 1904 te Alkmaar. Het perceel was bekend ais sectie A, nr. 700 en 1445 m2 groot. In 1912 kwam de boerderij in bezit van Cornelis Mooij, veehouder, gehuwd met Guurt Zonneveld en broer van burgemeester Jan Mooij.
Enkele jaren na het overlijden van Cornelis Mooij wordt in 1929 Cornelis Hes de nieuwe eigenaar, geboren in 1886 te Egmond-Binnen, landman en gehuwd met Maria Ruiter. Hij liet in 1939 een varkensstal bouwen van 5,0 m x 7,0 m, die in die tijd wel 150,- gulden kostte.
In 1950 nam zijn zoon Petrus J. (Piet) Hes, geboren in 1910, het melkveebedrijf over. Piet was gehuwd met Catharina Swart; zij gingen op de boerderij wonen en zijn ouders verhuisden naar een woning aan de Duinweg 4. Piet Hes liet in 1956 tegen de boerderij een schuur plaatsen en in 1970 achter de boerderij een rundveestal van 10 x 36 meter, een ‘multistal’, die in 1973 met 15 m werd verlengd. Er werden toen een zeventigtal melkkoeien en veertig stuks jong vee gehouden.

Johanna Hoeve kort voor de verbouwing.
Johanna Hoeve kort voor de verbouwing.

Jaarboek 26, pagina 13

De voorzijde van Johanna Hoeve in 2002.
De voorzijde van Johanna Hoeve in 2002.
Henk Scheerman tijdens de verbouwing omstreeks 1981.
Henk Scheerman tijdens de verbouwing omstreeks 1981.

In 1981, toen Jos Hes het melkveebedrijf van zijn vader overnam, is de boerderij geschikt gemaakt voor bewoning en dat was een hele ingreep. Tijdens de oorlog hadden twee gemetselde buitenmuren schade opgelopen door in de nabijheid gevallen bommen. Deze muren waren provisorisch gerepareerd en de grote kap bleek in zeer matige staat door aantasting van vocht en damp van het vele jaren aldaar gestalde vee.
In eigen beheer samen met de familie Scheerman heeft toen, in plaats van gehele vernieuwing, een omvangrijk herstel plaatsgevonden, waarvoor op 4 oktober 1981 de eerste steen gelegd werd door Marie Ruiter, die enkele weken daarna is overleden.
De buitenmuren werden geheel opnieuw opgemetseld als spouwmuren met nieuwe kozijnen en in de kap werden onder meer nieuwe kapliggers (sporen) aangebracht, afkomstig van overtollig, houten steigermateriaal van een naburige aannemer die op stalen steigers overging. Het werk werd bijna geheel zelf uitgevoerd, een prestatie van de eerste orde. Bijgaande foto kan slechts een beperkte indruk van de werkzaamheden geven.

Door de nieuwe indeling konden drie gescheiden wooneenheden worden gerealiseerd, die na gereedkomen in 1982 werden betrokken door opa en oma. Piet Hes en Catharina Swart op nr 1, de familie Henk Scheerman – Hes op nummer 3 en de familie Jos Hes – Dekker op nr 5. Nu in 2003 wonen er twee gezinnen: Henk Scheerman werkzaam als bouwkundige bij een aannemersbedrijf en Jos Hes, die in 1991 stopte met de melkveehouderij en thans werkzaam is als inspecteur bij de Milieudienst te Alkmaar.
De inhoud van de gesprekken met Jos Hes is bij dit artikel onder De familie Hes opgenomen.

De familie Hes

Gesprek met Jos Hes in zijn geboortehuis, de boerderij aan de Madeweg te Bakkum, op 29 april en 7 mei 2003.

“Mijn vader Petnis Joseph (Piet) Hes is geboren op 21-3-1910 in Egmond-Binnen, trouwde in 1946 met Catharina Swart en ging na zijn huwelijk in Egmond-Binnen wonen in een woning aan de Herenweg waar mijn broers zijn geboren: Theo in 1946, Kees in 1948 en Piet in 1949.
Mijn opa, Cornelis Hes, woonde hier in deze boerderij met Marie Ruiter en het gezin. Hij had naast wat melkvee, dat liep op ‘de Kleine en Grote Morsch’ en op ‘de Pinkenweid’, ook nog een stuk grond aan de Duinweg en aan de Hogeweg voor de bollenteelt.
Toen mijn vader hier in januari 1950 met zijn gezin kwam wonen, ging opa een paar maanden later naar een woonhuis aan de Duinweg nr 4. In deze boerderij ben ik geboren op 2-1- 1951, mijn broer Nico in 1952 en mijn zuster Marjan in 1953.

Mijn oom, Pé Hes woont nog aan het Zuiderdijkje en wordt op 23 mei 2003 92 jaar. Hij is altijd erg actief geweest, die


Jaarboek 26, pagina 14

ook heel veel van de omgeving en de mensen weet te vertellen. Het lijkt met hem wel wat minder te gaan de laatste tijd. Mijn vader is hier begonnen met zo’n vijf, zes melkkoeien en dat aantal ging naar 16 koeien toen hij land kon huren van dr. Hendrik Janzen: een weiland met de naam ‘de Kamp’, een stuk genaamd ‘de Schutterskrogt’ en ‘het Munnikken weidje’ Later in 1996 kon ik dat land zelf aankopen van de erven Janzen.
In 1969 stopte Gerard Twisk, die ook land van de erven Janzen huurde en daardoor konden wij ‘de Boschweiden’ en ‘de grote Kamp’ overnemen. Het weiland ‘de Doornduin’ konden wij ook gebruiken en werd gehuurd. Op die manier konden we meer vee hebben, waarvoor in 1970 de grote ‘multistal’ werd geplaatst; we groeiden naar 70 melkkoeien en daarbij nog jong vee.
Ik groeide met mijn broers en zus op in deze melkveehouderij van mijn vader en hij leerde ons heel veel van het werk op de boerderij. Als jochie begon je vaak te helpen met allerlei werk, zoals bij het verweiden van het vee, waarbij ook de buren wel hielpen voor onder andere wegafzetting, sturen van de koeien, damhekken open en dicht maken. En zo groeiden wij op tussen de beesten.
Melken leerde ik van pa, maar die zei ook: “Je moet je melkdiploma ‘s halen.” Op de Lagere Landbouwschool in Egmond-Binnen leerde ik dat. We kregen daar theorie- en praktijkles van meneer Keesom uit de Schermer waarbij voor de lessen een kunstuier gebruikt werd. Het examen voor het handmelken deden we bij Bart van Beek aan de Westerweg in Limmen, de boerderij waar nu Cees de Nijs met zijn vrouw woont. Het diploma voor mechanisch melken heb ik gehaald toen ik een jaar of 18 was, ik zat toen al op de Middelbare Landbouwschool aan de Bergerweg te Alkmaar. Ook door die opleidingen kreeg je meer inzicht en gevoel voor de beesten met hun melk: melkkleur en geur, samenstelling, conditie van de spenen en de uier. Mooi werk dat handmelken, ik heb dat heel veel gedaan.

Het is toch ook een pracht gezicht zo ‘n groen weiland met grazend of herkauwend zwartbont vee, het lijkt wel in ons Noord-Hollandse landschap te horen!
Een stal met koeien, ja als je daar doorheen loopt doet natuurlijk ook wat. Ja, wij hadden met de nieuwe Multistal een z.g. Zuid-Hollandse stal, de konten van de koeien naar de buitenmuur van de stal en een breed pad in het midden, dat zo breed was dat je er met een trekker kon rijden. In de oude stolp was dat natuurlijk anders, daar stonden de koeien met de kop naar de buitenmuur en de groep voor mestafvoer achter de koeien. Hooi bracht je daar over de hooizolder door een luik in het plafond van de stal bij het vee. Dat was veel meer gesleep dan in de nieuwe stal, daar kon je met de wagen langs.

Die hooitijd, dat was wel erg mooi: lange dagen, dat wel, hard werken, veel mensen om de boerderij, gezellig en als het werk dan achter de rug was, dronken we een biertje, nou dat smaakte!
Het hooi werd in de vijftiger jaren nog vaak opgezet op ruiters, op driepoten, die ken je wel. Door een zware storm ging dat een keer allemaal plat. Had je mijn vader moeten horen!

In 1956 kwam de eerste trekker, een Mc Cormick DLD, 14 P.K., gekocht door oom Cor, een broer van vader, bij Jan Karels in Egmond aan de Hoef. Het paard ging toen al snel weg, verkocht. Al heel jong reed ik al op die trekker, eerst samen met mijn vader, maar al snel zelf: “Jos, haal jij es even een haaltje hooi” en toen ik 13 jaar was, reed ik van het land met de hooiwagen er achter naar huis. Daar werd het hooi met touw en katrol naar boven, binnen het vierkant, getrokken met behulp van de trekker. Vroeger werd dat omhoogtrekken met het paard gedaan, maar dat heb ik niet bewust meegemaakt.
Kort daarna kwam de hooitransporteur die het hooi naar boven bracht. Gras maaien kwam nog later, dat was ook veel nauwkeuriger werk en ook gras keren hoorde daarbij en toen was ik een jaar of 16.

Zo rond 1960 was de hooischudder ingevoerd en de hooipers, die samen met een aantal collega’s hadden aangeschaft: Jo en Gerard Duijn, Co Stuifbergen, Cor Borst, Piet Twisk van de Bleumerweg, Wub de Ruijter van de Achterlaan, buurman Van der Voort en de broers van vader, Cor en Joost Hes van de Duinweg. Ome Piet Borst van de Brakersweg draaide de pers. Die haaltjes, dat was wel erg handig, ook in het opslaan en gebruik ervan, een hele vooruitgang.

Natuurlijk waren we met ons vee aangesloten bij de melkcontrole, die ook stamboekhouder was. Een goede melkkwaliteit, waarbij vet- en eiwitgehalte een belangrijke rol spelen, was het doel waarnaar toe gewerkt werd. In ‘het stamboek’ werd per koe het exterieur beschreven (benen, billen, rug, uiers, enz.) en een puntenwaardering vastgelegd. Zo kon het vee geselecteerd worden. Dagelijks bijsturen met maatregelen was voor iedere koe, die je ook kende, goed mogelijk. Dat was ook de tijd dat de bedrijven nog niet zo groot waren.
In de tijd van schaalvergroting, veel meer koeien, speelt de computer een belangrijke rol om aan de hand van de melkanalyse de afstemming op voerkwaliteit en hoeveelheid te laten plaats vinden, waarbij de identiteit van de koe met behulp van een chip aan de halsband wordt herkend. De koe zelf krijgt nu ook minder aandacht en er lijkt wel meer belangstelling te zijn voor de cijfers, de uitkomsten, de resultaten dan voor de koe zelf.


Jaarboek 26, pagina 15

Vroeger ging dat allemaal wat eenvoudiger: een koe gaf ongeveer 5000 liter melk per jaar. In het najaar was de melkopbrengst wat minder door de mindere graskwaliteit in dat deel van het jaar, ook natter dan in de zomer, maar je voerde dan gewoon wat hooi bij. Die koeien hield je een tien jaar. Tegenwoordig haalt een koe wel 8000 liter per jaar, mede door gebruik van loopstallen zijn ook de omstandigheden het hele jaar door min of meer constant. De buren hadden een koe van 18 jaar oud, een heel bijzonder aardige en rustige koe die haalde nog net een totale melkproductie van 100.000 liter en dat komt toch weinig voor. Een koe wordt tegenwoordig niet meer zo oud, gemiddeld een jaar of vijf; als de melkproductie terug loopt is het economisch niet meer verantwoord het dier erbij te houden.

Piet Hes bij zijn koeien.
Piet Hes bij zijn koeien.

Ook waren we aangesloten bij het K.I.-station te Egmond-Binnen, maar later wilde vader toch zelf een stamboek stier, die op de foto staat. We zien hem hier in het jaar 1983 in het land staan, aan de ketting natuurlijk want hij was bar sterk. Voer en water werden hem apart gegeven en dat deed vader meestal. Soms bracht hij ook schillen en ook een beetje aandacht was best goed.

Mijn broer Kees heeft in Egmond-Binnen de Lagere Landbouwschool gevolgd en hij liet in 1976 een huis aan de Duinweg bouwen. Hij werkt nu bij een bloembollenbedrijf in Egmond-Binnen. Piet, mijn andere broer, koos niet voor de boerderij maar voor het leger; hij is kapitein bij de Landmacht. Theo wilde ook iets anders doen en koos voor het bedrijfsleven. Hij werkt bij AMA-filters te Alkmaar.
Met Nico had ik goede contacten, we scheelden in leeftijd heel weinig en trokken veel met elkaar op. Hij had een broze gezondheid en heeft kort als bouwkundig tekenaar gewerkt.

Jos Hes nog als veehouder.
Jos Hes nog als veehouder.

In 1982 is hij overleden. Door zijn jonge leeftijd maakte dat veel indruk. Mijn zus Marjan trouwde met Hendrik Scheerman en woont sinds 1982 hier op huisnummer 3.

V.l.n.r.: vader Piet Hes, Kees Hes, Bart Wokke, Jan van de Reep en Jos Hes.
V.l.n.r.: vader Piet Hes, Kees Hes, Bart Wokke, Jan van de Reep en Jos Hes.

Op 4-6-1977 ben ik getrouwd met Joke Dekker, geboren 12-7-1955 te Egmond aan den Hoef, dochter van Nicolaas Dekker, tuindersknecht bij Jan Valkering en Corrie Bolten die van Bakkum kwam.
Zij hielp natuurlijk mee als er bijgesprongen moest worden, zoals het verweiden van het vee, maar ook het melken ging haar goed af: ‘mooi werk’. Ook ving zij de bezoekers op en gaf zij aandacht aan de kinderen, we kregen er drie: Jolanda, René en Petra.

Alles ging naar wens tot eind 1989: even een rol plastic pakken om een kuil mais af te dekken, dong, een felle scheut in de rug en benen; het was afgelopen, een hernia. Eerst een langdurige kuur maar uiteindelijk toch een operatie aan die dubbele hernia. Een rottijd. Maar je moet door, er is een gezin. Zo’n pracht bedrijf blijven doen, dat ging absoluut niet meer, dus dat ging weg…

In het kader van de revalidatie kon ik gelukkig naar de Volkshogeschool voor een cursus Milieukunde en kon per 1 januari 1993 in Egmond aan de slag. Nu werk ik naar tevredenheid bij de Milieudienst in Alkmaar met een groot rayon dat Bergen, Alkmaar, Heiloo, Castricum, de Schermer, Graft en De Rijp omvat. Het bevalt goed, maar als je af en toe gras ruikt of terug kijkt, dan is het heel moeilijk hoor!”


Jaarboek 26, pagina 16

Ligging van 'De Luif' aan de Limmerweg.
Ligging van ‘De Luif’ aan de Limmerweg.

De Luif aan de Limmerweg (nr 4)

Als een onvolledige stolp is deze boerderij voor 1853 gebouwd op een smalle strook grond van ca. 30 m2 door Willem Kraakman. Zijn dochter Maartje Kraakman, geboren in 1815 te Egmond-Binnen, gehuwd met Cornelis Mooij, geboren in 1814 te Bergen, dagloner, overleden in 1853 te Castricum, legde als weduwe op 12-10-1890 een verklaring van eigendom af:
“Dat zij sedert het jaar 1853, dus gedurende meer dan dertig jaren, te goeder trouw heeft het voortdurend en onafgebroken, ongestoord, openbaar en niet dubbelzinnig bezit voor zich zelven van:
1) een huis en erf, staande en gelegen te Castricum, kadastraal bekend in sectie A, onder nummer 450, groot 30 centiaren, staande nog ten name van Willem Kraakman en
2) eenig tuinland, gelegen aldaar, kadastraal bekend in sectie A, onder nummer 449, groot 12 aren en 80 centiaren, ten name van de Erven Johannes Kraakman.
Dat zij bovendien gedurende al die tijd heeft betaald en gedragen alle belastingen en gewone en buitengewone reparatiën en wegens die perceelen en daarom het ongestoord genot bezat en nog bezit. Dat zij op grond van al het vorenstaande, dus door middel van verjaring, den eigendom van voormelde onroerende goederen heeft verkregen.
Dat zij daarom verzoekt deze akte ten kantore der hypotheken te Haarlem te doen overschrijven in de daarvoor bestemde openbare registers en voor zoveel noodig de Heer Hypotheekbewaarder te Haarlem te volmachtigen om voormelde perceelen onroerend goed ten haren name te stellen en over te brengen op den perceelsgewijzen kadastralen legger der Gemeente Castricum”.

In 1901 liet Cornelis Mooij, geboren in 1851 te Castricum, gehuwd met Guurt Zonneveld, een schuur plaatsen en in 1909 ging hij over tot verkoop aan Petrus J. Min, landbouwer te Castricum, die het geheel in 1911 verkocht aan Hubertus de Winter, geboren in 1863 te Castricum, veehouder, zoon van Jan de Winter en Maartje van Weenen en gehuwd met Catharina Koning. Dit echtpaar woonde er tot 1937, in welk jaar de boerderij werd verkocht aan Arie Liefting, geboren in 1867 te Egmond-Binnen, landman en veehouder en in 1894 gehuwd met Adriana Apeldoorn. Hij liet in 1938 een schuur voor bollenopslag bouwen en verhuurde het huis aan Lou Duinmeijer en later in 1952 aan Piet de Waard. In 1947 werd het huis aangepast voor betere woonomstandigheden en op 24-5-1959 werd de woning in het kader van de woningwet door de gemeente Castricum onbewoonbaar verklaard.

Boerderij de Luif. Als een onvolledige stolp is deze boerderij voor 1853 gebouwd op een smalle strook grond van ca. 30 m2 door Willem Kraakman.
Boerderij de Luif. Als een onvolledige stolp is deze boerderij voor 1853 gebouwd op een smalle strook grond van ca. 30 m2 door Willem Kraakman.

 

Boerderij de Luif, Limmerweg 4, Bakkum.
Boerderij de Luif, Limmerweg 4, Bakkum.

In 1962 volgde verkoop door de eigenaar Adrianus Adriaanszoon Liefting, eigenaar sedert 1960, aan Gerardus A. Haanraads, winkelier te Alkmaar, die daarmee het onbewoonbare huis Limmerweg 4 met erf verkreeg op 2370 m2 grond in sectie A, nr. 1285 en er de naam ‘de Luif’ aan heeft gegeven. Hij was gehuwd met Johanna Besteman en maakte de begane grond van de boerderij geschikt om er te kunnen wonen. In 1968 liet hij een houten garage plaatsen.
In 1985 volgde verkoop aan Jan Kaptein, geboren in 1947, administrateur, gehuwd met Wilhelmina Teunisse, die op 13 januari 1986 de bewoners werden. Zij hebben het inwendige van de onvolledige stolp verder aangepast aan hun wensen, een gemetselde garage geplaatst en erf fraai afgewerkt.
Een mooi besloten gelegen, onvolledige woonstolp.

Piet Blom

Bronnen:

  • Brandt Buijs, L., De landelijke bouwkunst in Hollands Noorderkwartier, Stichting Historisch Boerderij onderzoek, Arnhem 1974.
  • Egmond – van Rookhuizen, A. van, Overzicht van de familie Kuijs / Kuis, afkomstig van Delft / Castricum, Velsen-Noord 1985.
  • Gemeentearchief Castricum.
  • Hooft, ir. P.J. ‘t, Nederlandsche Boerderijen, Heemschut serie 1942.
  • Kadaster, Directie Noordwest, vestiging Alkmaar.
  • Regionaal Archief Alkmaar.
  • Schilstra, J.J., Brandt Buijs, L., Jong de, C, De stolp te kijk, Stichting Uitgeverij Noord-Holland en de Boerderijenstichting Noord-Holland, 1990.
  • Jaarboekjes Stichting Werkgroep Oud-Castricum.
  • Haartsen, A. e.a., Door mensen gemaakt, De Cultuurhistorische Waardenkaart als bron van inspiratie, Provincie Noord-Holland, Haarlem 2002.
Print Friendly, PDF & Email