Stolpboerderijen 3e deel (Jaarboek 29 2006 pg 30-38)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.

Verschenen artikelen over Stolpboerderijen:
deel 1deel 2deel 3deel 4 – deel 5deel 6deel 7


Jaarboek 29, pagina 30

 

Stolpboerderijen in Castricum en Bakkum (deel 3)

 

Als vervolg op de beschrijving van een zevental boerderijen in het 28e jaarboek van 2005 is ook in dit jaarboek weer een aantal boerderijen opgenomen. Vanaf de eerste vermelding van de boerderij of het perceel waarop deze later is gebouwd, wordt ingegaan op de opeenvolgende eigenaren en de uitbreidingen en ver(nieuw)bouw. Verder zijn er van enkele bewoners gesprekken opgenomen.
De boerderijen zijn weer willekeurig gekozen, verdeeld over Castricum en Bakkum.

Cronenburg aan de toegangsweg vanaf de Heemstederweg.
Cronenburg aan de toegangsweg vanaf de Heemstederweg.
Boerderij Cronenbwg nabij de Uitgeesterweg in 1835.
Boerderij Cronenbwg nabij de Uitgeesterweg in 1835.
De ligging in 1919.
De ligging in 1919.

Heemstederweg 1 (boerderij Cronenburg)

Deze voor Castricum en omgeving bekende imposante boerderij, die bij velen tot de verbeelding spreekt, is fraai gelegen in de omliggende weilanden en dateert in zijn oorsprong al van voor 1700. In het 9e jaarboek is de geschiedenis van de boerderij beschreven tot de periode na 1946, toen de boerderij in bezit was van Ernestus Molenaars.

De voorzijde van de boerderij.
De voorzijde van de boerderij.

De boerderij is nog in bezit van de familie Molenaars en door vererving overgegaan op de huidige eigenaresse. De boerderij met landerijen wordt beheerd door de heer H. van Londen.
Nu de boerderij niet meer als agrarisch bedrijf in gebruik is, worden de omliggende gronden beheerd als natuurgebied en wordt Van Londen daarbij geadviseerd door Landschap Noord-Holland. Sedert 2003 is, mede door de relatie met de restanten van het naastgelegen kasteel Cronenburg en de grote landschappelijke waarde van het geheel, het gebied tot (eerste) provinciaal monument verklaard. Over het behoud van de boerderij voor de toekomst in dit bijzondere gebied worden thans mogelijkheden onderzocht.

De nieuwe boerderij aan de Breedeweg.
De nieuwe boerderij aan de Breedeweg 55.
De ligging aan de Breedeweg.
De ligging aan de Breedeweg.
De situatie in 1869.
De situatie in 1869.

Breedeweg 55

Het perceel grond waarop later deze boerderij werd gebouwd, was in bezit van mr. Joachim Nuhout van der Veen, de vroegere schout van Castricum, die dan in Alkmaar woont en president is van de Arrondissementsrechtbank. Nuhout van der Veen verkocht in 1828 deze twee akkers zaadland voor 325 gulden aan Doris Ineke, tuinman en bloemkweker van beroep en wonende in de Kerkbuurt alhier. Het perceel grond wordt in 1832 kadastraal omschreven als bouwland, gelegen in sectie B, nr 467, groot 48 roeden 90 ellen (4890 m2) en vormde een smalle kavel grond, zich uitstrekkende van Breedeweg tot Doodweg.


Jaarboek 29, pagina 31

De boerderij, een onvolledige stolp met hooiberging en stal, in 1975.
De boerderij aan de Breedeweg 55, een onvolledige stolp met hooiberging en stal, in 1975.

In 1856 verkoopt Dorus Ineke via een onderhandse akte een klein gedeelte van dit perceel, gelegen aan de Kerkweg (Breedeweg) aan zijn zoon Hermanus Ineke, bouwman. In 1858 koopt Hermanus van zijn vader de rest van de strook grond. Beide percelen waren kadastraal opgetekend in sectie B als nr 833 huis en erf, groot 287 m2 en nr 834 bouwland, groot 4.603 m2.

Hermanus lneke, in 1855 gehuwd met Jansje Asjes liet hier omstreeks 1863 een woonhuis met stalling en bloembollenschuur bouwen. Dit vergrote perceel kreeg nr 911 als huis, schuur en erf groot 360 m2, waar Herman Ineke, met zijn gezin van zeven kinderen woonde. Het perceel bouwland kreeg nr 912, groot 4.530 m2. Op 29 december 1869 volgde een openbare veiling op verzoek van Hermanus Ineke van onder andere de twee percelen sectie B nr 911 en 912. Basilius Hermanszoon Zonjee, bloemkweker te Uitgeest, werd de nieuwe eigenaar, die de woning met zijn vrouw Cornelia Kuijt op 16 mei 1870 betrok. Het gezin Ineke was twee weken eerder verhuisd naar Beverwijk.

In 1873 verkoopt Basilius Zonjee, dan broodbakker te Castricum, dit bezit voor 2.600 gulden aan Dirk Klaasz Groen. Het betrof met name een woonhuis, stalling, bloembollenschuur, erf en grond aan de zuidzijde van de Kerkweg (Breedeweg), kadastraal sectie 8 , nr 911 , groot 360 m2, met erachter een perceel bloemboll engrond kadastraal sectie 8, nr 912, groot 4.530 m2.
Tien jaar later werden deze bezittingen uit de nalatenschap van Dirk Groen, overleden in 1883, en zijn vrouw Maartje Lans, overleden in 1882, toegewezen aan hun zoon Dirk Groen jr., bloembollenkweker. Laatstgenoemde verkocht in 1885 deze bezittingen aan Cornelis Castricum, landman te Castricum, voor 2.316 gulden. Na zijn overlijden in 1907 kwam het geheel op naam van zijn vrouw Petronella Schermer te staan. Petronella was een dochter uit het eerste huwelijk van Maartje Lans en dus een halfzuster van Dirk Groen jr.
In 1916 wordt er bijgebouwd en wordt het perceel nr 911 vergroot tot 400 m2, kadastraal opgetekend als huis, schuren en erf met nr 1638; de tuin heeft nr 1639 en is groot 4.490 m2 .
Als Petronella Schermer in december 1921 komt te overlijden, wordt haar nalatenschap gescheiden en verdeeld. De hiervoor genoemde bezittingen aan de Breedeweg gaan naar haar zoons Jan en Dirk Castricum, ieder voor de helft.
In 1956, toen door de gemeente Castricum een woningonderzoek werd uitgevoerd, werd het pand op sectie B, nr 1638, groot 400 m2 als volgt omschreven: ‘Een tuinderswoning met 1 woonvertrek, 1 keuken, 1 wc, 1 slaapkamer, 1 zolder en 1 veestal, 1 schuur en er is drinkwater; huurders / eigenaar: J. en D. Castricum.’
Jan en Dirk Castricum bleven beiden ongehuwd en zijn respectievelijk in 1964 en 1947 overleden. De nalatenschap werd na het overlijden van Jan verkocht door de erfgenamen, de vijf kinderen van Johannes Groen en Maria Castricum, de enige zuster van Jan en Dirk Castricum. De verkoop vond plaats in 1966 aan Johannes J. Lute, uitvoerder, Gerardus Lute, caféhouder, Johannes de Groot, brandstoffenhandelaar en Johannes P. Brandjes, melkrijder, allen wonende te Castricum. Het huis werd omschreven als een huis met bedrijfsgebouwen, erf en weiland aan de Breedeweg nr 55.


Jaarboek 29, pagina 32

 De oorspronkelijke 'tuinderswoning', gelegen naast de boerderij aan de Breedweg 55.
De oorspronkelijke ‘tuinderswoning’, gelegen naast de boerderij aan de Breedweg 55.

In 1976 kocht de heer Jan IJmker, directeur van Mammoet Transport b.v., de boerderij met woonhuis van de eigenaren. Dat waren Johannes P. Brandjes, Johannes J. en Gerardus Lute en de vier dochters De Groot als erfgenamen van Johannes de Groot en Johanna M.G. Dekker.
De boerderij werd ‘High Chaperal’ genoemd en omvatte de aanhorigheden, ondergrond, erf en tuin ter grootte van ca. 2.000 m2 aan de Breedeweg nr 55, uitmakende het perceel sectie B, nr 1638, groot 400 m2 en het afgebakende gedeelte ter grootte van ca. 1.600 m2 van perceel sectie B, nr 1639.
De boerderij, een onvolledige stolp met hooiberging en stal, werd gesloopt en door aannemer C.G. de Nijs-Bouw te Castricum werd in een jaar een nieuwe woning gebouwd met de oorspronkelijke buitenwerkse maten en kenmerken van de stolp. De oorspronkelijke ‘tuinderswoning’ aan de weg werd gewijzigd in een garage en/of berging.
In 2002 volgde verkoop aan de familie Van Duuren, die na enkele bouwkundige aanpassingen de woning in 2003 kon betrekken.

De drie Gratiën in 2006.
De drie Gratiën in 2006.
De ligging van de drie Gratiën aan de Brakersweg.
De ligging van de drie Gratiën aan de Brakersweg.
De situatie in 1928.
De situatie in 1928.

De 3 Gratiën aan de Brakersweg (20, 22 en 24)

Het groepje van drie stolpboerderijen aan de Brakersweg is in de volksmond bekend als de 3 Gratiën en staan vanaf de 19e eeuw naast elkaar. De naam is ontstaan in 1975 toen de Werkgroep Oud-Castricum een rapport schreef: ‘Een toekomst voor Castricums verleden’ en de drie fraai gelegen boerderijen inspireerden tot die naam.
De 3 Gratiën (Chariten-bevalligheden) zijn de drie dochters van Zeus, schoonheden en bevalligheden uit de Griekse mythologie met klinkende namen als Aglaea (glans), Euphrosyne (blijmoedigheid) en Thalia (bloeiend geluk).

Brakersweg nr 20.
Brakersweg nr 20.

Brakersweg 20

De grond waarop deze stolpboerderij is gebouwd, was voor 1821 eigendom van Maarten van Beek, gehuwd met Antje Pieters Melker. Maarten overlijdt in 1817 en Antje in 1821. Na haar overlijden werd in 1821 dit stukje zaadland genaamd ‘de Tollenaarsakker’, groot 42 are 58 ca gekocht door Arie Zonneveld, meester metselaar te Uitgeest en Fulps Ranke, meester metselaar te Castricum, die er samen 130 gulden voor betaalden.
In 1851 werd het stukje bouwland door de erfgenamen van Arie Zonneveld en Fulps Ranke in het openbaar verkocht. Jan Kuijs Pieterszoon, landman, was de koper voor 600 gulden. Het perceel werd toen ‘het kroftje van Maarten van Beek’ genoemd, kadastraal sectie B, nr 96, groot 31 are 60 ca, belend ten westen de laan van het nieuwe huis (het ‘Lange Pannenhuis’) en ten oosten Jan Scheerman.
Jan Pieterszoon Kuijs ruilde in 1857 onder andere het perceel bouwland, ‘het Kroftje van Maarten van Beek’, met Jan Dirkszoon Schotvanger voor een ander stuk grond. Daarmee werd Jan Schotvanger, eveneens landman (boer) de nieuwe eigenaar van perceel sectie B, nr 96 aan de Brakersweg. In 1858 bouwde hij er een woning (boerderij), kadastraal omschreven als woning, erf en tuin, sectie B, nr 857, groot 2 roeden en een tuin, sectie B, nr 866, groot 35 roeden. In 1872 werd een schuur bijgebouwd en werden huis en tuin samengevoegd tot perceel sectie B, nr 1211, groot 3700 m2.
Na het overlijden van Jan Schotvanger in 1878 werd


Jaarboek 29, pagina 33

de nalatenschap verdeeld en werd Klaas van Weenen, kastelein, wonende te Wijk aan Duin en schoonzoon van Jan Schotvanger, de nieuwe eigenaar en bewoner; hij gebruikte huis, erf en schuur voor de landbouw.
In 1897 overleed Klaas van Weenen; de boerderij werd door de erfgenamen verkocht aan Johan J. Hogenstijn, veehouder en gehuwd met Klaasje van den Berg.
In 1912 overleed Johan J. Hogenstijn en namen zijn zoons Jan, gehuwd met Johanna Goedmaat en Cornelis (Kees), gehuwd met Marijtje Modder, de boerderij over. Jan Hogenstijn had een gezin met 6 kinderen en ging in 1927 naar de Achterlaan, waar hij een tuinderij begon; in 1931 is hij vertrokken naar de boerderij op Ter Coulster te Heiloo.
Zoon Kees woonde eerst in het huis naast en ten westen van de boerderij op Brakersweg 14, waar hun kinderen Jan in 1919, Catharina in 1920 en Piet in 1922 werden geboren. Na het vertrek van broer Jan trok Kees met vrouw en kinderen in de boerderij, waar in 1927 zoon Adrianus (overleden in 1927) en in 1928 de jongste dochter Klaasje werden geboren.

Het boerenleven van Marijtje Hogenstijn - Modder met dochter Bets rond de boerderij.
Het boerenleven van Marijtje Hogenstijn – Modder met dochter Bets rond de boerderij.
Het boerenleven van Marijtje Hogenstijn - Modder.
Het boerenleven van Marijtje Hogenstijn – Modder.

Catharina en Klaasje Hogenstijn vertelden:
“De periode voor de oorlog was een moeilijke periode van hard werken, ploeteren met elkaar en weinig verdiensten. Alles was handwerk en de stukken land lagen nogal uit elkaar; totaal een 11 hectare, goed voor een 10 tot 12 koeien. Ook tijdens onze schooltijd werden we ingeschakeld om te helpen. Toen Klaasje 12 jaar oud was, kreeg zij mei Sinterklaas een groot pakket – spannend was dat – een overall, een melkkrukje en een spantouw; nu kon ze ook helpen mei melken.
In de oorlog, in 1942, kwam grootmoeder Klaasje van den Berg, opie Hogenstijn, als evacué van de Bakkummerstraat naar de boerderij aan de Brakersweg, En dat op 92-jarige leeftijd; zes weken later was zij overleden. We hebben in die oorlogstijd, het zal 1944 geweest zijn, ook nog negen paarden van de Wehrmacht op de dors gehad, een halfjaar lang ofzo.
Die soldaten waren wel vriendelijk maar er was een jonge SS’er bij, die de leiding had, daar hadden we het niet zo op. En vader raakte zijn paard kwijt; hij was mest aan het laden toen ze zijn paard kwamen vorderen. Direct mee. Wat zal er toch in vader zijn omgegaan toen dat gebeurde. Hij heeft het beest nooit meer terug gezien. Later heeft hij een koe geruild voor een paard. Maar we hadden in die tijd wel te eten.

Bets Hogenstijn, een dochter van Marijtje Hogenstijn - Modder, aan het melken.
Bets Hogenstijn, een dochter van Marijtje Hogenstijn – Modder, aan het melken.
Het boerenleven van Marijtje Hogenstijn - Modder rond de boerderij.
Het boerenleven van Marijtje Hogenstijn – Modder rond de boerderij.

Jan trouwde met Maike Gorter; ging werken bij Duin en Bosch en woonde in Heiloo. Na de bevrijding leek het wel wat beter te gaan met de boerderij, maar in 1947 kwam vader te overlijden, dat was een hele klap. Piet bleef op de boerderij wonen met 10 lot 12 melkkoeien, wat varkens en kippen en hij had een paard. Hij trouwde in 1954 mei Coby Gezelle en is uiteindelijk automonteur geworden bij Cor Geluk, later buschauffeur. Niet meer de hele dag werken, maar gewoon een uur of negen per dag en zaterdag en zondag vrij, dat was een hele verbetering.
Catharina trouwde in 1950 mei Cornelis L. Bedeke, technicus bij Duin en Bosch en ging wonen aan de Poelven. Klaasje trouwde in 1952 met Lubbert Harms, machinebankwerker en ging wonen aan de L. de Colignystraat. En toen het met de kleine melkveehouderij wat beter ging, kwam moeder Marijtje Modder in 1953 te overlijden. Maar na haar overlijden toen was het voor ons voorbij met de boerderij.”

Klaas Veldt werd in 1954 de nieuwe eigenaar van deze stolpboerderij, die nog tot 1959 bewoond werd door Piet Hogenstijn. In augustus 1959 werd Piet Veldt, zoon van Klaas Veldt en gehuwd met Catharina Rodenburg, de nieuwe bewoner. In datzelfde jaar werd de boerderij op initiatief van Piet Veldt inwendig verbouwd tot


Jaarboek 29, pagina 34

woonboerderij en werden onder meer nieuwe ramen aangebracht. Hij woonde hier met zijn gezin tot hij op 8 september 1968 naar Brazilië vertrok.
Sedert november 1968 wordt de stolp bewoond door Paul de Swart, gehuwd met Dora Veldt, dochter van Klaas Veldt en Johanna J. Neelissen. Zij lieten in 1993 een nieuwe kap plaatsten, afgedekt met speciale Hollandse dakpannen. Nu is het een mooi verzorgde woonboerderij.

Brakersweg nr 22.
Brakersweg nr 22.

Brakerswcg 22

Bij het van start gaan van het Kadaster in 1832 werd het perceel grond, waarop later deze boerderij is verrezen, aangeduid met sectie B, nr 97, een akker bouwland, groot 10 roe en 80 ellen met als eigenaar de reeds eerder genoemde mr. Joachim Nuhout van der Veen. Bij de openbare verkoop op 25 september 1833 van de onroerende goederen uit de nalatenschap van mr. Joachim Nuhout van der Veen wordt de koper van de akker bouwland, nr. 97, Johannes Kuijpers, koekbakker te Krommenie voor 40 gulden.
Deze eigenaar verkoopt de akker bouwland in 1840 middels een onderhandse koopakte voor 52 gulden aan Jan Hendrikszoon Scheerman, landbouwer te Castricum.
In 1849 volgde een onderhandse verkoop van de akker bouwland voor 50 gulden aan zijn zoon Jan Scheerman jr., schulpenvisser, die er in 1850 een woning liet bouwen. Hij liet het huis in 1856 vergroten en ging zich ook op de landbouw toeleggen.
De huismanswoning wordt in 1871 verkocht aan Gerrit van Weenen, landbouwer, bloemkweker en venter met boter, kaas en eieren langs de huizen in Castricum.

Klaas Veldt bewoner van nr 22 en eigenaar van de drie Gratiën met echtgenote Johanna Neelissen.
Klaas Veldt bewoner van nr 22 en eigenaar van de drie Gratiën met echtgenote Johanna Neelissen.

Pieter Klaasz Veldt, die in 1900 gehuwd was met Grietje Zonneveld, koopt het huis, erf en bouwgrond in 1903, kadastraal bekend als nr 1411 , groot 1080 m2. Pieter begon er een tuindersbedrijf en verbouwde in 1913 het huis tot stolpboerderij, ook geschikt voor de melkveehouderij. Tijdens de verbouwing ontstond nog enig oponthoud, omdat er gestaakt werd door het personeel: men eiste l cent loonsverhoging!
Opvallend is nu nog de aanwezigheid van oude, kleine gevelstenen (IJsselstenen) in de westgevel; de kap werd afgedekt met grijs gesmoorde kruispannen behalve aan de achterzijde, waar rode, waarschijnlijk de oude, oorspronkelijk Hollandse pannen zijn aangebracht.

Toen het gezin van Pieter Veldt in 1922 verhuisde naar Brakersweg 77, werd de boerderij met grond verpacht aan Cor Scheerman. Dit duurde tot juni 1929. In die maand trouwde Klaas Veldt met Johanna J. Neelissen, werd nu de bewoner en begon er een kleine melkveehouderij. Klaas Veldt verbouwde ook aardappelen en bloembollen;

Toen het gezin van Pieter Veldt in 1922 verhuisde naar Brakersweg 77, werd de boerderij met grond verpacht aan Cor Scheerman. Dit duurde tot juni 1929. In die maand trouwde Klaas Veldt met Johanna J. Neelissen, werd nu de bewoner en begon er een kleine melkveehouderij. Klaas Veldt verbouwde ook aardappelen en bloembollen; door aankoop van land wist hij zijn bedrijf in de loop der jaren uit te breiden.
In de jaren 1963-1964 liet Klaas de boerderij verbouwen, waarbij onder meer de bedsteden werden verwijderd, zijkamers werden gemaakt en een inwendig toilet werd geplaatst. De oorspronkelijke voordeur in de voorgevel werd in de zijgevel aangebracht, waardoor een grote woonkeuken kon worden gemaakt.
Na het overlijden van Klaas Veldt op 16 april 1985 is met ingang van augustus 1985 de stolp bewoond door het gezin Rodenburg, bestaande uit Nico Rodenburg, medisch-analist, echtgenote Anja Weijers en hun drie kinderen. Nico is een zoon van Arie Rodenburg, veehouder te Uitgeest en Martha M. Veldt. Laatstgenoemde was een dochter van Klaas Veldt en zij kreeg deze boerderij uit diens nalatenschap.
Het echtpaar Rodenburg – Weijers nam de stolp op 25 november 1997 over van Martha M. Veldt ten overstaan van notaris D.J.W. Kuiper te Castricum. Het bezit werd omschreven als: ‘Een woonhuis met loods, ondergrond, erf, tuin, alsmede verdere aanhorigheden, plaatselijk bekend als Brakersweg 22, groot 12 are en 50 centiare’.

Brakersweg nr 24.
Brakersweg nr 24.

Brakersweg 24

Een stuk bouwland met de naam ‘de Plaat’, kadastraal bekend als sectie B, nr 98, groot 70 roe en 60 ellen, was in 1832 in bezit van Gerrit Tromp, landbouwer in Castricum en gehuwd met Willemijntje van Winsen. Beiden kwamen begin juli 1832 te overlijden. Het stuk grond genaamd ‘de Plaat’ werd toebedeeld aan hun dochter Maartje


Jaarboek 29, pagina 35

Tromp, in 1824 gehuwd met Jan Louter, boer op het Noordend. In 1867 lieten zij een stolpboerderij bouwen op het voornoemd stuk bouwland.
Jan Louter overlijdt in 1869 en Maartje Tromp in 1874. Na haar overlijden vond er op 3 november 1874 een boedelscheiding plaats en kwam onder andere het huis, erf en stuk bouwland ‘de Plaat’, (kadaster sectie B, nr 1166 en 1212) met een geschatte waarde van 3.000 gulden in het bezit van hun zoon Simon Louter, gehuwd in 1851 met Guurtje Brakenhoff. Na het overlijden van Simon Louter in 1915 worden zijn zoon Jan Louter en dochter Cornelia (Kee) Louter de nieuwe eigenaren.

Toen Jan en Cornelia Louter waren overleden, kon Klaas Veldt in 1946 de boerderij overnemen, die hij in 1951 verhuurde aan de familie Hollenberg. Vanaf 1955 woonde Cornelis (Kees) Poel, aanvankelijk werknemer bij Klaas Veldt, op de boerderij. Hier heeft de familie Poel tot in 1981 gewoond. Herman Veldt, zoon van Klaas Veldt, trouwde in 1981 met Vera Ligthart en betrok in dat jaar de boerderij. Hij oefent er thans nog een beperkte veehouderij en een bloembollenbedrijf uit.

De oorspronkelijke boerderij aan de Bleumerweg.
De oorspronkelijke boerderij aan de Bleumerweg 49.
De ligging aan de Bleumerweg.
De ligging aan de Bleumerweg.
De situatie in 1931.
De situatie in 1931.

Bleumerweg 49

Aan de Bleumerweg heeft reeds in de 19e eeuw een boerderij met een grote schuur (stal) gestaan, waarover Q. de Ruijter in zijn boek ‘Schippers van het Stet’ al in 1975 heeft geschreven. In deze stolpboerderij, gelegen in sectie A, nr 187, woonde Floris Twisk, boer en schelpenvisser; hij was geboren in 1775 en gehuwd met Maartje Bakkum.
Na zijn overlijden in 1860 erfde zijn enige zoon Cornelis (Kees) Twisk al zijn bezittingen. Kees, geboren in 1806, trouwde in 1830 met Stijntje Zonneveld en als weduwnaar in 1858 met Wilhelmina Kuijs. Hij was een in Bakkum als gul bekendstaande man en wist zich zeer veel bezittingen te verwerven. Bij zijn overlijden in 1882 bezit hij ruim 64 hectaren land, 2 boerderijen en 12 woonhuizen.
Bij de vaststelling van de inventaris van de boerderij aan de Bleumerweg in 1882 bestaat de veestapel uit 26 koeien, 8 pinken, 1 stier, 6 kalveren, 7 paarden, 65 schapen, 30 lammeren, 1 zeug met biggen, 3 vette varkens, 2 zeugen en 30 kippen. In de boerderij is een woonkeuken met 110 kazen en een zoutkamer met 51 kazen. Op 24 oktober en 26 oktober 1882 worden alle bezittingen, in totaal 48 kavels, publiekelijk verkocht. Koper van de boerderij aan de Bleumerweg, met nog een tiental percelen weiland met een totale grootte van ruim 25 hectare, is Jacobus P. Kraakman, advocaat en procureur, wonende te Alkmaar. De boerderij wordt kadastraal omschreven als huis, schuur en erf, groot 1190 m2 in sectie A, nr 603. In 1896 wordt er een schuur annex veestal bijgebouwd en krijgt het perceel nr 645, groot 3300 m2.
De boerderij blijft enkele generaties in eigendom van de familie Kraakman; na het overlijden van Jacobus P. Kraakman in 1907 gaat


Jaarboek 29, pagina 36

het eigendom over op zijn zoon Johan Jac. Kraakman, kandidaat in de rechten en in 1946 op zijn oomzegger Jacobus P.M. Kraakman, die bij velen van ons nog bekend is en vele jaren woonde op villa ‘De Doornduyn’ op Noord-Bakkum, alwaar hij op 23 oktober 1977 kinderloos is overleden (over Kraakman zie 25e jaarboek, blz. 58-63).

De boerderij aan de noordzijde.
De boerderij aan de noordzijde.

De boerderij bleef na de verkoop bewoond door de weduwe Wilhelmina Twisk – Kuijs met haar zoons. Na haar overlijden in 1898 woont hier nog zoon Gerrit Twisk, die gehuwd is met Antje van Velzen en al kort daarna in 1900 overlijdt. Vanaf 14 mei 1914 is Reinier Duijn (1884-1978), gehuwd met Jansje Bakker, de pachter van de boerderij en de daarbij horende weilanden.

Op 15 april 1930 brandden de stallen naast de boerderij af, waarbij 17 koeien en 2 paarden omkwamen; hierna werd door de familie Kraakman besloten om de restanten te slopen en een nieuwe boerderij te laten bouwen, waarvan de kosten begroot waren op 13.725 gulden. Op 22 september 1930 werd hiervoor door de gemeente Castricum een vergunning afgegeven. Vervolgens werd de huidige, grote stolpboerderij , een langhuisstolp (14 x 18 m) gebouwd, kadastraal omschreven als sectie A, nr 1049, groot 7240 m2. De boerderij wordt ‘Jacobs Hoeve’ genoemd, naar we mogen aannemen naar Jacobus P. Kraakman, die de vele bezittingen in 1882 in zijn bezit kreeg.

De boerderij aan de zuidzijde.
De boerderij aan de zuidzijde.

Ook bij deze boerderij bestond de watervoorziening nog uit regenwater dat opgevangen werd en naar het aanrecht werd gepompt en bronwater voor het vee uit een 2-tal wellen, die 3 tot 4 meter diep zaten. (Die zijn nog steeds aanwezig.) In 1947 werd de boerderij aangesloten op de waterleiding. In 1952 kwam de zoon van Reinier Duijn, Johannes (Joh) Duijn, op de boerderij en oefende er een melkveehouderij uit. Joh Duijn is geboren in 1921 en sinds 2004 weduwnaar van Margaretha M. (Gré) Gijzen.

Het echtpaar Joh Duijn en Margaretha Gijzen.
Het echtpaar Joh Duijn en Margaretha Gijzen.

Joh Duijn vertelt:
“Toen mijn vader nog boerde op de boerderij hadden we zo’n 30 melkkoeien die nog mei de hand gemolken werden. Mijn vader was daar heel erg snel in, hij deed dat ook al van jongs af aan. Vader had een knecht en een dienstmeid, die ook melkte. Wij jongens, Piet, Jaap, Gerard en ik, hielpen met melken, maar door de week alleen ‘s avonds, want wij moesten overdag naar school. Om zeven uur gingen we lopend naar dorp, brood mee, eerst naar de kerk aan de Dorpsstraat en dan naar school. En natuurlijk weer lopend terug, zo’n 45 minuten, dat hing ervan af of we voetbalden! Ik heb wat klompen versleten, die gingen niet langer dan drie weken mee. Als we dan thuis kwamen konden we ook aan de slag. Ja, dat melken leerden we zo wel! Ik begon ermee toen ik acht jaar was, met een koetje dat makkelijk melkte.
Het aantal koeien groeide langzaam tot een 30 stuks en we hadden wat jong vee, soms 10 en soms wat meer; we konden er wel 16 bergen. En 2 paarden, zeker in de beginperiode toen alles met die paarden werd gedaan. Niks geen trekker of auto.
Een driewieler kar met een paard ervoor werd gebruikt voor al het werk, mest rijden ook. Dat was een handig ding, klein stuurwieltje voor en 2 grote wielen achter. Een uitneembaar achterschot en je kon de bak laten kiepen. Vader gebruikte dat ding in 1930 al om duinzand aan te voeren naar de bouwplaats van de boerderij.
We hadden ook nog een kapwagen om naar de stad, Alkmaar, of om mee naar de kerk te gaan. Alsje naar de kerk ging in het dorp dan werd het paard uitgespannen en op stal gezet bij Baltus, tegenover de kerk, die was er speciaal voor ingericht. De wagen bleef buiten staan; soms stond het voor de kerk helemaal vol, zo’n 7 of 8 uit Bakkum en een stuk ofwat uit Heemskerk.
We hadden korte tijd ook nog een hele luxe kar met zijdeuren. Die hadden we van iemand over genomen. Wie dat was, ja dat weet ik niet meer.
De melk ging in melkbussen, die aan de straat werden gezet. Ze werden twee maal per dag opgehaald en naar de melkfabriek Neerlandia in Stompetoren gebracht. In de winter werd de melk eenmaal per dag opgehaald, dat kon omdat het kouder was. Maar in februari werd het weer twee maal per dag. Ja, later gingen we mechanisch melken en kwam er een centrale opslag en een koeltank. Je kon dan je dag wat gemakkelijker indelen, je kon 20 koeien alleen melken en de melk werd eenmaal per drie dagen opgehaald.

De oorlogstijd ging hier natuurlijk ook niet ongemerkt voorbij. We hebben een jaar lang paarden van de Duitsers in huis gehad. Er zaten veel militairen hier in de buurt, die verbleven in ‘de Witte Kolonie’. We keken toe hoe ze bijvoorbeeld in het land oefenden met een stuk geschut mei 6 paarden ervoor: Mooi tuig dat ze hadden!


Jaarboek 29, pagina 37

Ze verzorgden de paarden erg goed. Er werd veel gepoetst. Bij inspeclie van de Obergefreiter werd er een hand mei een witte handschoen over het paard gestreken: een klein beetje vuil erop: “Nicht gut”!
Eigenlijk heb ik er geen negalieve herinneringen aan, er gebeurde natuurlijk wel eens wat, een enkel incident: er kwam een keer een spionageduif aan een parachute naar beneden en die kwam prompt in een sloot terecht en verdronk. Het verhaal ging dat het wel een spion was geweest.
Op een moment werd alles wat de Duitsers aan materieel hadden wit geschilderd. Ze vertrokken naar Rusland.
In die oorlogsperiode raakten we af en toe een koe kwijt, die ingeleverd moest worden. En we hadden voor het land een scheurplicht. Met een ploeg met 3 paarden ervoor legden we met vader de grasmat in één keer op de kop. Tarwe en rogge teelden we, waarvan we het grootste deel moesten inleveren en een klein deel zelf konden houden. Het was van prima kwaliteit.
Melkhaalders kwamen ook langs, soms was dat wel heel belastend, het waren er zo veel, alsof de kerk uitkwam. We hadden hier ook veel boeren: 4 Twisken, Borst, De Zeeuw, De Ruijter; Beentjes en 2 Duijnen. Later moest de melk naar de fabriek en mocht je niets achter houden. We hadden geen gas, geen kolen en geen olie; we stookten een vuurtje in de schuur. Nou ja het ging allemaal wel.
In die tijd hadden we ook enkele biggen of varkens, die opgefokt werden tot 80 a 90 kilo. Mijn oudste broer Piet kon slachten en kwam van Bunnik waar hij woonde en werkte. Piet verhuisde met zijn gezin naar Bakkum, want in Bunnik vlak bij het spoor was het te gevaarlijk door de vele beschietingen. Meestal in het najaar deed hij dan met de slager de huisslachting en werd het vlees in de pekel gezet.

Toen mijn vader stopte, heb ik een tijdje met mijn oudere broer Jaap, geboren in 1918, hier geboerd, maar hij ging later naar de Noordoost polder, als pionier. Gerard, mijn jongste broer; nam de boerderij over van de ooms Willem en Jan Duijn aan de Heereweg, tegenover het tankstation.”

In 1977 werd bij de Grondkamer te Haarlem een pachtovereenkomst vastgelegd, die per 1januari 1978 inging en die meer duidelijkheid gaf in gemaakte mondelinge afspraken. De verpachter was Jacobus P.M. Kraakman die aan de Duinweg woonde te Bakkum en de pachters waren Johannes Duijn en Gerardus Duijn. Gerard woonde toen aan de Bleumerweg 13.
In 1980 volgde na het overlijden van Jacobus P.M. Kraakman verkoop van de boerderij, als gevolg van zijn uiterste wilsbeschikking namens de 34 nabestaanden, aan Johannes Duijn, gehuwd met Margaretha Maria Gijzen.
De boerderij ‘Jacobs Hoeve’ bestond toen uit erf, tuin, weiland aan de Beumerweg nr 49, kadastraal sectie A, nr 1049, groot 7240 m2 en een gedeelte weiland ‘de Voorste Kroft’, groot 6 hectare, 60 are, 12 centiare, zijnde een gedeelte van sectie A, nr 1050.
In 1982 werd door Johannes Duijn een perceel weiland gekocht van Andries Roelof van Loo, transportondernemer, genaamd ‘De Tien Morgen’, gelegen in de Groot-Limmerpolder aan de Provinciale Zeeweg te Limmen, sectie C, nr 1662, groot 7 hectare en 36 are. Dit weiland was al geruime tijd in gebruik bij deze behoorlijk grote veehouderij. Ook tijdens de uitgevoerde verkaveling werden percelen grond geruild.

Joh Duijn vertelt verder:
“Maar ik heb ook nog land verkocht, onder meer aan Matthijs de Nijs, om daarmede mijn financiële plaatje sluitend te krijgen. Want ik ben begonnen eigenlijk zonder eigen geld en je had geen armslag.
En het was een groeiend bedrijf dat van 20 naar meer dan 30 melkkoeien groeide in de jaren (negentien)zestig. Die groei was normaal in die tijd na de Tweede Wereldoorlog. In die tijd zette de mechanisering ook door; de eerste trekker was een openbaring, die kon alles!
Daar had ik wel hulp bij, een jonge bink, zo van school af, want alleen ging dat niet. Later ben ik minder gaan melken naar zo’n 10 tot 12 melkkoeien. Dat kon ik in mijn eentje gemakkelijk doen en ik heb er veel plezier in gehad tot mijn zeventigste jaar zo ongeveer. Daarnaast ben ik een dertig jaar Kerkvee-beheerder geweest, waaraan tientallen boeren meewerkten. Lammeren en ook pinken werden aangewezen voor de R.K. kerk in Castricum; de dieren bleven bij de boer op stal staan en bij verkoop ging de opbrengst naar de kerk. Klaas Veldt van de Brakersweg was ermee gestart en droeg het later aan mij over. Dat werkte heel goed, maar dat werd later wel puur minder …
Mijn vrouw Margaretha Gijzen, geboren in 1926 kwam hier na het huwelijk op de boerderij wonen. We hebben 52 heel goede jaren gehad. In auguslus 2004 is zij overleden en dat is heel ingrijpend. Nu gaat het wel weer wat. Maar je blijfi alleen.
De stal en schuur slaan leeg, maar af en toe heb ik nog wel een paar schapen, want ja, je kunt het toch niet laten.”

In 2006: Hoogeweg 12 in Bakkum.
In 2006: Hoogeweg 12 in Bakkum.
De situatie in 1873.
De situatie in 1873.
De ligging aan de Hoogeweg.
De ligging aan de Hoogeweg.

Hoogeweg 12

Gerrit Arendszoon Apeldoorn, veehouder in Egmond-Binnen, had vele percelen weiland en bouwland gelegen in Noord-Bakkum in bezit. In 1832 was hiervan de totale grootte ruim 35 hectare. Zijn voorvaderen hadden een aantal generaties in Noord-Bakkum gewoond en Gerrit had dit door vererving en koop in bezit gekregen. Tot deze bezittingen hoorde een groot perceel weiland gelegen tussen Heereweg en Hoogeweg, aan de noordzijde begrensd door de gemeente Egmond-Binnen, bekend op de kadastrale kaart als nr 2 in de sectie A en met een grootte van 77850 m2.
Gerrit Apeldoorn heeft zes getrouwde zoons. Hij verkoopt op 12 januari 1860 onderhands een deel van zijn bezit in Noord-Bakkum, waaronder perceel A2 aan zijn jongste zoon Jacobus Apeldoorn, dan kastelein en landman, wonende te Egmond-Binnen en gehuwd met Catharina


Jaarboek 29, pagina 38

Apeldoorn. In 1862 wordt het perceel nr 2 uitgebreid met een stuk weiland tot een totale grootte van 90430 m2 (wordt nr 471).

Jacobus liet in 1872 ‘een huis’ bouwen, groot 13,5 x 14,5 m. en verhuisde van Egmond-Binnen naar de Hoogeweg. Het oorspronkelijke perceel nr 47 1 werd gesplitst in een perceel weiland nr 520, groot 87790 m2 en het huis en erf, nr 521, groot 2640 m2.
Bij de bouw zouden staanders voor het vierkant van de kap zijn gemaakt van juthout: oude scheepsmasten afkomstig van gesloopte ofvergane schepen. In 1873 werd een schuur bijgebouwd en veranderde het kadasternummer van 521 in 528.
Jacobus Apeldoorn werd in 1877 raadslid in de gemeenteraad van Castricum tot zijn overlijden op 3 oktober 1880. Na zijn overlijden kwam de boerderij op naam van zijn echtgenote Catharina Apeldoorn te staan, die hier woonde tot haar overlijden in 1902. Bij een openbare veiling in dat jaar kwam de boerderij voor 2.300 gulden in bezit van schoonzoon Gerrit Koning, gehuwd met Adriana Apeldoorn.

Hun zoon Jacobus Koning, gehuwd met Wilhelmina Meijn (geboren in de Haarlemmermeer), nam in 1920 de boerderij, gelegen sectie A, nr 670 met percelen weiland over. Als Jacobus in 1925 overlijdt, gaat zijn vrouw in Egmond-Binnen wonen en huurt Albert van Duin uit Egmond-Binnen de boerderij met het bijbehorende land; hij gaat hier met echtgenote Henderica van Til wonen.
Na tien jaar besluit Wilhelmina Meijn haar bezittingen in juni 1935 te verkopen. Cornelis (Cor) Meijne koopt voor 4.130 gulden zowel de boerderij met erf en tuin groot 2640 m2 (nr 670) als het weiland groot 23470 m2 (nr 671). Cor Meijne was opgegroeid op de nabijgelegen boerderij van zijn vader Jan Meijne aan de Madeweg (zie het 28e jaarboek, blz. 24).
Al enkele maanden later in oktober 1935 verkoopt Cor Meijne genoemde bezittingen aan de Hoogeweg aan de huurder en bewoner Albert (Ab) van Duin, bloembollenkweker. Dit bezit werd omschreven als: ‘Een boerenwoning met veestalling en hooiberging met erve, tuin, bouw- en weiland, staande en gelegen te Bakkum, gemeente Castricum, kadastraal bekend gemeente Castricum, sectie A, nr 670 en 671, samen groot 2 hectare, 61 are en 10 centiare; de verkoop is geschied voor eene som van vijf duizend gulden’.

Albert van Duin bleek echter niet aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen voldoen, waardoor moest worden overgegaan tot verkoop. Op 29 maart 1936 volgde de openbare verkoop in het koffiehuis ‘het Haasje’ van weduwe C. Mooij te Egmond-Binnen. Cornelis H. Kramer, bloembollenkweker te Bloemendaal, kwam in bezit van de boerderij voor een bedrag van 5.400 gulden; beide percelen nr 670 en 671 werden samengevoegd tot nr 1178, omschreven als boerderij met bouwland, groot 26110 m2.
Ab van Duin bleef met zijn gezin op de boerderij wonen en oefende er een bloembollenbedrijf uit tot op 71-jarige leeftijd in 1947, toen zijn zoon Jacob P. van Duin, geboren in 1917 te Egmond-Binnen, het bedrijf overnam.
Toen in juni 1954 Cornelis Kramer was overleden, volgde de verkoop van de boerderij voor 19.000 gulden aan Jacob P. van Duin, gehuwd met Alberta Muilerman, met de volgende omschrijving: ‘Een woonhuis, getekend nummer 12, met tasruimte, staande en liggende in de Groot-Limmerpolder aan de Hoogeweg onder Bakkum, gemeente Castricum, kadastraal bekend gemeente Castricum, Sectie A, nummers 1205, 1206 en 1207, samen groot 2 hectare, 61 are en 10 centiare’.

Jacob P. van Duin ging in september 1971 over tot verkoop van de boerderij met een deel van het perceel grond aan dr. ir. Frans Goudriaan, scheikundige uit Ouderkerk aan de IJssel, voor een bedrag van 55.000 gulden. Door deze splitsing ontstond de nieuwe kadastrale aanduiding: ‘Een boerderij met ondergrond en erf gelegen aan de Hoogeweg 12 te Castricum, kadastraal gemeente Castricum, sectie A, nr 1588, groot 19 are en 96 centiare’.
In 1974 begon hij een grote verbouwing van de boerderij tot woonhuis naar het ontwerp van architect J.F. Dik, waarvoor in december 1973 door de gemeente Castricum een bouwvergunning was verleend.
Goudriaan woonde met echtgenote van eind 1977 tot juli 1980 in Frankrijk. In de tussenperiode woonden er telkens kortstondig meerdere personen. In 1983, toen de grote verbouwing nog niet geheel gereed was, verkocht Goudriaan de stolpboerderij met dubbele garage, erf en tuin aan drs. ir. Arnold C. Hijmans, verkeersvlieger, gehuwd met Mary L. Schorer. Zij werkten op de begane grond de vloer in de ‘dors’ af, lieten een vloer in de hooizolder aanbrengen en de zuid- en oostzijde van de kap herstellen.

De boerderij aan de Hoogeweg.
De boerderij aan de Hoogeweg.

In april 1994 volgde verkoop van de boerderij aan Marco C. Versterre, commercieel directeur van een machinefabriek, geboren in 1960 te Haarlem en opgegroeid in Castricum. Versterre liet op de bestaande uitbouw aan de achterzijde een kap aanbrengen en afdekken met riet, waardoor een fraai geheel is ontstaan. Een goed voorbeeld van een Noord-Hollandse stolp, aangepast aan de huidige eisen voor bewoning.

Piet Blom

Bronnen:

  • Deelen van, D.: Historie van Castricum en Bakkum, Schoorl, 1973.
  • Gemeentearchief Castricum.
  • Jaarboekjes Stichting Werkgroep Oud-Castricum.
  • Kadaster, directie Noordwest, vestiging Alkmaar.
  • Regionaal Archief Alkmaar.
  • Ruijter W. Jzn., Q. de: Schippers van het Stet, 1974.
Print Friendly, PDF & Email