Stranding bark Wilhelmina Frederika (Jaarboek 38 2015 pg 33-37)

Niets uit deze publicatie mag worden overgenomen zonder toestemming van de Stichting Werkgroep Oud-Castricum.


Jaarboek 38, pagina 33

De stranding bij paal 45 van de bark Wilhelmina Frederika

De terugreis uit Suriname van de ‘Wilhelmina Frederika’ eindigde op 17 september 1860 bij paal 45 op het strand van Castricum. Het was een van de 600 Nederlandse schepen op de grote vaart die in dat jaar, soms met man en muis, ten onder gingen.

De bemanning van het gestrande schip en de passagiers, een weduwe met haar drie kinderen, werden door dappere mannen gered. De vrouw raakte al haar bezittingen kwijt maar er werd voor haar een grote inzamelingsactie gehouden. In contrast daarmee stond het gedrag van een Castricumse schelpenvisser tegenover de hulpeloze schipbreukelingen.

Tekening van een bark. Dit zeilschip heeft minimaal drie masten. Alle masten zijn vierkant getuigd, behalve de achterste bezaansmast.
Tekening van een bark. Dit zeilschip heeft minimaal drie masten. Alle masten zijn vierkant getuigd, behalve de achterste bezaansmast.

Harlingen 1848

Het verhaal begint in Harlingen. Aan de Zuiderhaven zijn sinds mensenheugenis schepen gebouwd en gerepareerd. Tot aan de jaren (achttien)tachtig vrijwel uitsluitend houten schepen. In opdracht van de rederij Barend Visser en Zoon werd in 1847 op de werf Welgelegen van de gebroeders Alta de kiel gelegd voor een driemastbark, bestemd voor de vaart naar de ‘Indiën’. Barken hadden drie masten, maar alleen de beide voorste hadden ra’s en vierkante zeilen, de achterste een bezaan en een gaffel-topzeil. Dit soort schepen had minder tuig en een kleinere bemanning nodig dan een voldriemast schip.

Prinses Wilhelmina Frederika Anna Elisabeth Marie van Oranje Nassau (1841-1910) die onder de naam prinses Von Wied het Landgoed Bakkum erfde.
Prinses Wilhelmina Frederika Anna Elisabeth Marie van Oranje Nassau (1841-1910) die onder de naam prinses Von Wied het Landgoed Bakkum erfde.

De Groninger Courant berichtte plechtig dat op 3 juni 1848 in de voormiddag de te water lating van de Wilhelmina Frederika had plaatsgevonden. Het had de naam gekregen van prinses Wilhelmina Frederika Anna Elisabeth Marie der Nederlanden, kleindochter van koning Willem I, die later het landgoed Bakkum erfde. Wonderlijk toeval dat dit schip ter hoogte van dat landgoed zou stranden.

Het was een roerig jaar in de Friese stad. Door mislukte oogsten was de prijs voor graan en aardappels tot enorme hoogte gestegen en er was in Harlingen geen roggebrood, een belangrijk volksvoedsel, meer te krijgen. Toch was de bevolking dagelijks getuige van schepen die, volgeladen met levensmiddelen, de haven verlieten. Er brak oproer uit en het huis van de burgemeester, die ook graanhandelaar was, werd geplunderd.

In de 19e eeuw waren de verschillen tussen arm en rijk heel groot. Veel stedelingen waren afhankelijk van werkgelegenheid in de handelsvaart of de scheepsbouw. Op naam van de machtige rederij Barend Visser en Zoon stonden ruim 40 zeilschepen, barken, brikken, kofschepen en schoeners. Het schip dat in 1848 aan de vloot werd toegevoegd, was een gekoperde driemastbark met een ruimte van 219 ton. Gekoperd wil zeggen dat het verder houten schip onder de waterlijn met koperen platen was bekleed. Het was een kostbare zaak, maar de bodem van een ongekoperd schip zou spoedig met een laag vuil, zeegroen en schelpen zijn bedekt, wat ten koste ging van de snelheid.

Handelsvaart in de 19e eeuw

Van 1848 tot 1859 was J.C. van der Veer de gezagvoerder en uit scheepsberichten in het Algemeen Handelsblad en het Surinaams Weekblad blijkt dat de bark geregeld tussen Suriname en Amsterdam voer met producten als suiker, rum en katoen.


Jaarboek 38, pagina 34

Landbouw in Suriname

Op de honderden plantages (in Suriname) werd suikerriet, koffie, katoen en cacao verbouwd. Suikerriet was ook de basis voor de geliefde rum. Tot ver in de 19e eeuw was suiker een luxeproduct. Gemalen riet moest worden uitgeperst, gekookt, en gefilterd en daarna worden verscheept naar Europa waar de laatste raffinage plaatsvond. Zo ontstond er in Amsterdam een bloeiende industriële sector. Rond 1800 stonden er in de Jordaan langs de grachten tientallen suikerfabriekjes.
Katoen was tussen 1780 en 1860 ook een belangrijk uitvoerproduct van Suriname. 

Plantages en slaven vormden meer dan twee eeuwen de kern van de Surinaamse economie. Rond 1860 was ruim de helft van de slaven betrokken bij de suikerproductie. Pas per 1 juli 1863 werd de slavernij verboden. Op die datum kregen 34.800 slaven in Suriname hun vrijheid. Contractarbeiders namen de rol van de slaven toen geleidelijk over. De handel liep in de 19e eeuw terug mede vanwege de concurrentie uit Nederlands-Indië. Daar werden suikerbieten geteeld en de suiker daarvan was goedkoper dan de rietsuiker uit Suriname. Het aantal plantages verminderde in vijftig jaar van 216 in 1863 tot 79 in 1913. Tegenwoordig wordt er geen suiker of koffie meer verbouwd.

Aquarel van een barkschip (1848).
Aquarel van een barkschip (1848).

Kaptein Van der Veer bracht het schip geluk, want in de ruim tien jaar onder zijn bewind gebeurden er, met uitzondering van een aanvaring in december 1845, geen ongelukken. Over dat incident schreef een regionale krant dat het onder Texel gearriveerde schip Wilhelmina Frederika, afkomstig van Suriname, met het Engelse schip Lord Duncan in ‘aanzeiling’ kwam en dat tengevolge daarvan de bezaansboom was gebroken, het zeil gescheurd en enig touwwerk verloren ging. De schade bleef beperkt.
De 31-jarige Fedde Beekhuis nam in 1860 het commando over. Hij was kort daarvoor getrouwd en woonde met zijn jonge echtgenote in Sneek. Fedde stond nog aan het begin van zijn carrière als zeekapitein en hoopte natuurlijk zijn succesvolle voorganger te evenaren. De reis naar Suriname verliep prima en beladen met suiker, rum en katoen keerde het schip terug naar Nederland. Aan boord waren ook vier passagiers uit Paramaribo. Een weduwe met haar drie kinderen. De terugreis in een week of acht verliep voorspoedig tot aan de Nederlandse wateren. Door zware storm kwam de bark in grote problemen.

Schipbreuk

Het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad berichtte dat het zeilschip eerst in Texel was binnengelopen en vandaar was teruggeslagen en afgedreven door hevige wind en stroming tot onder Ameland. Het was kennelijk een speelbal van de golven geworden, want op de avond van de 17e september 1860 liep het ter hoogte van Castricum aan de grond. De Amsterdamse krant:
“Mogt het met dit vaartuig het ergste bestaan, zoo zou dit verlies de tweede grote zeeramp zijn, waardoor het kantoor schade lijdt, daar toch voor korte tijd de Gouverneur Baron van Zuylen van Nyevelt insgelijks onder de kust door stranding verloren ging.”
(Dat schip strandde in augustus 1860 bij Kijkduin.)

De stranding van de Wilhelmina Frederika bij Castricum bleef lange tijd onopgemerkt, zodat de reddingsboten van Wijk aan Zee en Egmond niet gealarmeerd werden. Het dek van de bark was door de golven stuk geslagen. De tien bemanningsleden en vier passagiers brachten in doodsangst de hele nacht door op het voorste gedeelte van het schip. Ze kregen weer hoop toen in de vroege ochtend een schelpenvisser op het strand verscheen. Ze schreeuwden om hulp. Wat er daarna gebeurde, stond uitgebreid in de Helderse en Nieuwedieper Courant:
“Hij beantwoordde het noodgeschrei der schepelingen en bede om hulp, met hen te berooven van datgene, wat ze gemeend hadden met de boot te redden, die, ongelukkig reeds met goederen beladen, omsloeg. Te vergeefs riepen zij hem, op geringe afstand toe, dat ook zij Hollanders waren; doch, hij die zich niet ontzag zijne medemenschen in zulk een erbarmelijke staat te berooven, bekreunde er zich natuurlijk niet om, of zij landgenoten waren”.

Onvoorstelbaar dat de man zich niets van het hulpgeroep aantrok, maar spullen afkomstig van het schip op zijn schelpenkar gooide en zich uit de voeten maakte. Alsof dat al niet erg genoeg was, doodde hij de hond van de kapitein:
“Die bovendien zijn schanddaad bezoedelde door het wreedaardig vermoorden van de hond des kapiteins, die zijn leven zwemmende gered hebbende, het goed zijns meesters bewaakte; men vond het trouwe dier met de kop letterlijk van de romp afgesneden”.

Redding

Gelukkig werd de stranding ook gezien door mensen met meer mededogen met de slachtoffers. In de regionale krant is het verloop van de redding beschreven. De


Jaarboek 38, pagina 35

schipbreukelingen hadden een stuk hout aan een tros gebonden in de hoop zo een verbinding met het strand te kunnen maken. Door de stroming en door de zwaarte van de tros bleef het geheel op flinke afstand drijven en konden ze zichzelf niet redden.

Tekening van een schelpenvisser.
Tekening van een schelpenvisser.

Inmiddels hadden zich mensen uit Egmond, Wijk aan Zee en Castricum op het strand verzameld. Ze zagen dat het binnenhalen van de tros de enige kans was. Het zou een moeilijke klus worden. De jonge Castricumse schelpenvisser Cornelis Wijker durfde het aan. Hij spande zijn paard uit, sprong erop en dreef het de woeste branding in. Na ‘bij herhaling daarvan te zijn afgeslagen’ wist hij het hout met de tros eraan te bereiken en keerde ermee terug richting het strand. Arie Wagenaar uit Wijk aan Zee trok zijn kleren uit en ging de zee in om Wijker te helpen. Ook andere mannen zetten zich in en zo slaagden ze er in om een verbinding met het wrak te maken. Langs die lijn werden de 14 schipbreukelingen geholpen om op het vaste land te komen. Het was hoog tijd; sommigen bereikten het strand meer dood dan levend.

Burgemeester Rendorp klom in de pen om de commissaris des Konings op de hoogte te stellen van de scheepsramp en van de moedige redding. Ook meldde hij dat de rijksveldwachter een onderzoek zou instellen naar de diefstal. Per kerende post antwoordde de commissaris dat hij de burgemeester ernstig in overweging gaf om het onderzoek niet enkel aan de rijksveldwachter over te laten, maar samen met de burgemeester van Wijk aan Zee alle ten dienste staande middelen aan te wenden om de schuldigen op te sporen en het geroofde goed terug te krijgen.

In het jaarverslag van de gemeente over 1860 werd melding gemaakt van de scheepsramp en de met veel inspanning en zelfopoffering volbrachte redding. De burgemeester schreef dat de redders maar karig door de Noord- en Zuid-Hollandse Reddingmaatschappij beloond waren, maar dat het Departement der Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen te Beverwijk zich zou willen inspannen voor de toekenning van een medaille en een getuigschrift. Deze actie slaagde. In de handelingen van ’t Nut, die in het Stadsarchief van Amsterdam worden bewaard, is vastgelegd dat aan de schelpenvisser Cornelis Wijker voor zijn volhardende en gevaarvolle poging tot redding van schipbreukelingen een medaille was toegekend. Arie Wagenaar uit Wijk aan Zee en zijn metgezellen ontvingen een collectieve medaille. Genoemd werden J. van der Mey, P. van der Mey, C. de Boer, F. Bol, H. Bol. A. van Zijl en J. Snijders.

De strandrover gevonden

De roof zou niet onbestraft blijven. De schipbreukelingen hadden opgemerkt dat de dief een kreupel paard had. Op basis van die aanwijzing werd hij al snel opgespoord. Het bleek de 46-jarige Hendrik Scheerman te zijn. Hendrik was een arme arbeider en schelpenvisser geboren in Heemskerk en wonend in de buurt ‘de Duinkant’. Hij was vrijgezel. Het bewijs van zijn misdaad was niet moeilijk te leveren. In zijn huisje werden voorwerpen gevonden die van het schip kwamen. In het Noord-Hollands archief in Haarlem wordt het vonnis bewaard dat de arrondissementsrechtbank op 27 december 1860 velde. Daar staat in wat hij van het strand had meegenomen; een vat met teer, een stuk touw, een vrouwenhoed, een vierkante geschilderde klepmand en enig koper.
Het werd hem zwaar aangerekend dat hij de in levensgevaar verkerende mensen aan hun lot had overgelaten. Hij werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf.

Dominee Luessen, predikant van de Nederlands Hervormde Gemeente in Wijk aan Zee, was een van de notabelen die zich inspanden om geld in te zamelen voor de weduwe Veltman en haar drie kinderen.
Dominee Luessen, predikant van de Nederlands Hervormde Gemeente in Wijk aan Zee, was een van de notabelen die zich inspanden om geld in te zamelen voor de weduwe Veltman en haar drie kinderen.

Weldadige landgenoten …

Zoals wel vaker na een ramp kwamen notabelen in actie om geld voor de slachtoffers in te zamelen. De burgemeesters van Castricum en Wijk aan Zee, Rendorp en Stumphius, predikant H. Luessen, pastor N. Vredeveld en secretaris en plaatsvervangend strandvonder C. Karshof plaatsten in de landelijke kranten een oproep om hulp voor de weduwe en haar kinderen.


Jaarboek 38, pagina 36

De woeste zee met strandpaal als monument voor de Wilhelmina Frederika en de heldhaftige redders.
De woeste zee met strandpaal als monument voor de Wilhelmina Frederika en de heldhaftige redders.

Volgens de publicatie was de vrouw sinds twee jaar weduwe van een onderofficier bij de koloniale landmacht,
“die zich deze twee jaren van weduwestaat ten nutte had gemaakt, om door een kleine winkelnering zoveel te besparen, dat zij (steeds met haar kinderen aan de landziekte laborerende) zich in staat meende naar het vaderland terug te keren, met het voornemen, daar met bespaarde gelden een soortgelijk bedrijf voort te zetten. Nu ziet zij zich in hare hoop en vooruitzichten teleurgesteld, daar hare geheele bezitting van hare gespaarde gelden (circa 600 gulden benevens hare kleederen en lijfsieraden ter waarde van 300 gulden is verloren geraakt) en bijkans naakt nog haar leven heeft mogen redden met dank aan haar redders”.
Het bericht van de notabelen eindigt met de oproep: “Weldadige Landgenoten! Het gezegde ‘wie spoedig geeft, geeft dubbel’ is hier bij uitnemendheid van toepassing, want dit gezin kost dagelijks onderhoud en de kosten daarvan hoe zuinig ook geconditioneerd, zouden eerst van het bedrag uwer bijdragen af moeten om haar met het meerdere in staat te stellen haar plan te volvoeren door iets bij de hand te nemen, om voor het bestaan van haar en hare kinderen te kunnen zorgen.”

Het eerste beroep dat op de goedgeefsheid van de burgers werd gedaan, zorgde ervoor dat binnen een paar dagen maar liefst 468,341⁄2 gulden uit het hele land werd opgehaald. Het succes van een inzamelingsactie hing ook toen samen met het bespelen van de gevoelens. Zo blijkt ook weer uit de kranten van toen.

Uit het Algemeen Handelsblad van 26 september 1860:
“WELDADIGE LANDGENOOTEN.
Onze roepstem was, Gode zij dank, niet die eens roepende in de Woestijn; hij is over een vruchtbaren akker gegaan. Wij twijfelen dan ook niet, of er zouden honderden gevoelige, warme harten in ons Weldoend Vaderland gevonden worden, tegen ééne ijskoude van den ontaarden booswicht, die, in plaats van hulp te bieden, in het gezicht der Schepelingen en van onze Arme Weduwe, die zich met hare Drie Kinderen aan zich geklemd, Tien Uren lang aan het wand heeft weten vast te houden, voordat er door het dik weder (red: mist, slecht weer) hulp kwam opdagen, haar van hare duur verworven bezitting beroofde.”

Dat de actie succesvol was, bleek wel begin oktober. In minder dan veertien dagen was een bedrag van 981,45 gulden voor de weduwe ontvangen.

Wie was die weduwe en hoe is het met haar en haar kinderen afgelopen? Is daar na meer dan 150 jaar nog achter te komen? De militaire stamboeken en de burgerlijke stand van Paramaribo brachten geen uitkomst. De hulp werd ingeroepen van de stadsarchieven van Breda en Harlingen en van het Centraal Bureau voor Genealogie (CBG). Een grote stap dichterbij een antwoord op de vragen kwam uit de Opregte Haarlemsche Courant van 2 oktober 1860. Daar staat een dankbetuiging in voor de geslaagde actie waarin de naam van de weduwe wordt onthuld.
“Het geleden verlies is alzoo rijkelijk vergoed. Cornelia van Aperen, weduwe van Hendrik Veltman is alzoo door uwe spoedige en milddadige hulp in staat gesteld aan haar voornemen, om voor haar en hare minderjarige kinderen in het vaderland een middel van bestaan te zoeken, gevolg te kunnen geven. Zij weet met ons niet genoeg hare overvloedige dank uit te drukken; ‘voor uwe’ zoo ruimschoots betoonde hulpvaardigheid en kan slechts ‘s Hemels beste zegeningen afbidden over de goede werken van zoovelen, die haar uit een voor haar zoo donker vooruitzicht hebben opgebeurd en haar uit een zoo betreurenswaardige nood hebben gered.”

Nu de naam van de weduwe bekend was, kon meer informatie over haar opgespoord worden. Cornelia van Aperen werd geboren in Hoeven (NB) op 19 november 1814 en overleed in Breda op 18 oktober 1878. Ze was een dochter van Jan van Haperen en Hendrina de Rooij. Eigenlijk zou ze dus ook Van Haperen moeten heten, maar het gehoor van de ambtenaar van de burgerlijke stand van Hoeven liet misschien te wensen over. Volgens de papieren was Cornelia naaister van beroep.
Ze had vijf kinderen van onbekende vaders. Het eerste kind Johannes stierf kort na zijn geboorte; de andere kinderen waren Pieter (geboren in 1838), Carolina (geboren in 1843), Hendrikus (geboren in. 1846) en Johanna (geboren in 1849). Cornelia ontmoette in Breda Hendrik Veltman. Eindelijk had ze toch een huwelijkspartner gevonden en op 38-jarige leeftijd op 20 juni 1853 is ze getrouwd. Hendrik heeft er even over moeten nadenken, maar tenslotte heeft hij de kinderen erkend en veranderde hun naam van Van Aperen in Veltman. De meisjes werden erkend op 20 november 1856 en de jongens op 7 augustus 1857.

Echtgenoot Hendrik Veltman, geboren in 1810 in Amsterdam en gedoopt in de Westerkerk, had een wonderlijk leven achter de rug. Hij was als een soort kindsoldaat in 1817 ingeschreven bij het 6e Bataljon Artillerie van de Nationale Militie en schopte het tot tamboer en kanonnier. Hij vertrok in september 1829 naar Batavia. Hij kwam terug in 1841 en werd tenslotte in 1852 gepensioneerd als foerier van het 1e Regiment Vesting Artillerie in Breda. Een jaar later trouwde hij met Cornelia. Misschien beviel het hem niet in Holland. Hij had tenslotte ruim tien jaar van zijn leven in de tropen doorgebracht, maar het blijft gissen. Volgens een bericht in


Jaarboek 38, pagina 37

de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 23 april 1858 vertrok het gezin halverwege die maand naar Suriname. Hendrik en Cornelia namen de jongste kinderen mee: Carolina, Hendrikus en Johanna, respectievelijk 17, 13 en 10 jaar oud. De oudste zoon Pieter, die toen 20 jaar was, bleef achter. Ze reisden met het barkschip ‘Willem en Carel’ van een rederij uit Amsterdam.
De reis duurde in die tijd zes tot acht weken. Vrijwel direct na aankomst werden bemanning en passagiers voor een periode van dertig dagen ondergebracht in het quarantaine etablissement, omdat aan boord pokken was uitgebroken. Volgens een bijlage bij de huwelijksakte van de in Nederland achtergebleven zoon Pieter is Hendrik op 2 juli 1858 overleden, vermoedelijk nog in de periode van de quarantaine en heeft hij het beloofde land nooit bereikt. Cornelia heeft in Paramaribo waarschijnlijk enkele jaren als naaister gewerkt tot ze genoeg gespaard had om met haar drie kinderen terug te gaan naar haar vaderland en de stad Breda waar ze vandaan kwam. Zowel de heen- als de terugreis had een dramatisch einde.

De voorgevel van de laars- en schoenmakerij van de weduwe Veltman, Veemarktstraat 13 in Breda. (foto Stadsarchief Breda)
De voorgevel van de laars- en schoenmakerij van de weduwe Veltman, Veemarktstraat 13 in Breda. (foto Stadsarchief Breda)

Met het voor haar ingezamelde geld begon ze in de Veemarktstraat in Breda een laarzen schoenmakerij, waar haar zoon Hendrik en een latere schoonzoon Pieter Oomen (echtgenoot van dochter Johanna) ook aan de slag konden. Cornelia overleed op 19 oktober 1878 op 63 jarige leeftijd. De beide schoenmakers, zoon en schoonzoon, deden aangifte (red: van het overlijden). Meer viel niet te achterhalen over hun lotgevallen ondanks de hulp van nazaten van de betrokken families. We moeten ons er maar tevreden mee stellen dat uit het stadsarchief van Breda een foto van de schoenmakerij te voorschijn kwam. De opbrengst van de inzameling is dus niet over de balk gegooid.

Het einde van de Wilhelmina Frederika

Eind september 1860 verscheen in de Opregte Haarlemsche Courant een aankondiging van een openbare verkoping op 4 oktober 1860. De burgemeester van Castricum verkocht als lasthebbende van kapitein Beekhuis bij paal 45 het casco van de Wilhelmina Frederika. Tussen paal 45 en paal 52 lagen nog andere te verkopen houten delen. Goederen zoals de zeilen, het want, 20 balen katoen en 16 vaten rum waren in Wijk aan Zee opgeslagen. Notaris Prins stelde een secuur overzicht op van de verkoop van de 194 goederen. De akte wordt nog steeds in het archief bewaard. Onder de kopers treffen we in onze streek bekende namen aan zoals Brakenhoff, Groentjes, Tromp, Hijstek, Diemeer en Grapendaal.
De totale opbrengst was 3.383,50 gulden. Voor de 16 vaten rum was de meeste belangstelling. De kopers betaalden er bijna 800 gulden voor en ook het koperbeslag bracht veel op.

Kapitein Fedde Beekhuis werd in 1860 gezagvoerder op het schip Anna Louise van de rederij A.H. Hagedoorn in Amsterdam. De stranding is hem dus niet aangerekend. Hij heeft niet lang plezier gehad van zijn nieuwe baan. De kapitein overleed op 4 januari 1862 in Liverpool. Hij werd maar 33 jaar oud.

Niek Kaan

Bronnen:

  • Beeldbank en stadsarchief Breda;
  • Centraal Bureau voor Genealogie, M. Spaans Azn;
  • Koninklijke Bibliotheek, digitale raadpleging van verschillende kranten;
  • Noord-Hollands Archief te Haarlem (vonnis arrondissementsrechtbank en notarieel archief);
  • Piet’s ScheepsIndex;
  • Regionaal Archief te Alkmaar, archief van de gemeente Castricum;
  • Stadsarchief Amsterdam (Archief Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen);
  • Stadsarchief Harlingen, Jeanine Otten;
  • Zuurbier, S. De strandvonderij in Castricum, 24e Jaarboek Oud-Castricum (2001).

Met dank aan:
Mirella van Haperen voor de informatie over haar familie.


Latere aanvulling:

Op 11 januari 2019 om 13:44 heeft Margreet Nauta als aanvulling op dit artikel aan Oud-Castricum gemaild:

Op dit moment werk ik aan een transcriptie van de verslagen van mijn voorouders over hun jaarlijkse familiebijeenkomsten (plus minus van 1845-1880). Over jullie webpagina kan ik nog een toevoeging melden:

Op 11 juli 1860 doet de familie Beekhuis op hun jaarlijkse reünie een uitstapje vanuit Achlum naar Harlingen. Ze gaan langs bij de vrouw van Kapitein Beekhuis, die dan op zee is.

“Het plan der vorigen avond reeds ontworpen, om in den voormiddag een rid te doen naar Harlingen wordt nu vastgesteld, en den noodige toebereidsels tot de uitvoering gemaakt; terwijl de Vries ook hen die niet met eigen rijtuig zijn, in de gelegenheid stelt om mede van de partij te wezen. Weer is ‘t een uitgezochte dag, en over Kimswerd is spoedig het doel der reis bereikt.

‘t Gezelschap had zich gevleid, om de beide oorlogschepen de Urania en de Wesp, die eenige dagen in de haven hadden vertoefd, te bezigtigen; maar werd hierin teleurgesteld, daar ze ter reede voor anker lagen, en weldra zeil gingen maken. Overigens is ‘t een gelukkigen dag wat drukte en bedrijvigheid aan de haven betreft, met in en uitvaren van zeil en stoomschepen van onderscheidene grootte.

Ook ligt dáár voor het hoofd de Groenlands vaarder Dirkje Adema, zoo pas uit zee gekomen met eene matige vangst, en men is daar vlijtig in de weer om het zware logge schip, dan op deze en dan weer op gene zijde maneuvrerende, de haven in te werken, ‘t welk nogtans zoolang wij het zagen niet gelukken mogt. Niet het minst trekt evenwel de aandacht eene vrij groote Engelsche Boot, die in lading ligt en als een gulzig zeegedrogt al het aangevoerde verslindt, maar even onverzadelijk als de magere koeijen in Farao’s droom altijd nog meer kan bergen.

Verwonderlijk te zien hoe behendig en in weinig oogenblikken – schoon wat zeer onzacht en ruw – geheele driften koeijen en kalveren, schapen en varkens worden voort gezweept en opgeduwd, en in de voor ieder bestemd hokken verdwijnen, terwijl kleinere schepen, tot zinkend schier geladen, met het eêste vet, van Frieslands bodem, het overschot bevatten, dat door den grooten Slokop nog geslikt moet worden, als hij op de diepte zal gekomen zijn.

Inmiddels heeft zuster Klaaske haar dochter Coosje, echtgenoot van den Kapitein Fedde Beekhuis, ook de tegenwoordigheid der familie verwittigd, en hoe het dier voornemen is haar een kort bezoek te brengen; en, hoewel men noode van de haven scheidt, ‘t wordt eenmaal tijd daaraan gevolg te geven. Allervriendelijkst wordt het gezelschap door de hupsche jonge vrouw ontvangen, die met koffij etc: etc: is wachtende; een aangenaam uurtje brengt men daar door, en hoogst voldaan over de kennismaking, met deze lieve nicht, voor wie haar nu voor ’t eerst ontmoetende, scheidt men met den wensch, dat zij voor eenzaam huisselijk leven, slechts opgave lijkt door den eersteling van hunnen echt, vergoeding vinden moge in de behouden overkomst van den beminden echtgenoot.”

Jullie bericht (red: het bovenstaande artikel van Oud-Castricum) speelt zich kort daarna af. In de krant van 10 januari 1862 is het familiebericht te lezen:

“Heden ontving ik de verpletterende tijding dat mijn veel geliefde Echtgenoot FEDDE BEEKHUIS, in leven Koopvaardij-Kapitein, den 4 dezer te Liverpool, na een langdurige ziekte, is overleden, in den ouderdom van 33 jaren, mij, uit een hoogst gelukkig huwelijk van 3,5 jaar, twee Kinderen nalatende.
JACOBA VELDS, Wed. F. BEEKHUIS.”

Print Friendly, PDF & Email